ECLI:NL:GHAMS:2026:586

ECLI:NL:GHAMS:2026:586

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 200.341.630
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Klacht tegen (toegevoegd) gerechtsdeurwaarders. Inning vordering. Gelijktijdig beslag leggen op bankrekeningen bij twee verschillende banken. Aankondiging beslag. Klacht op alle onderdelen ongegrond.

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.351.630/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/742909 / DW RK 23/433

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 maart 2026

inzake

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante,

gemachtigde: D.B. Pathak, verbonden aan Stichting Juridisch Centrum,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2],

voorheen toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,

3. [geïntimeerde 3],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,

geïntimeerden.

Partijen worden hierna klaagster en de gerechtsdeurwaarders (respectievelijk de gerechtsdeurwaarder sub 1, de gerechtsdeurwaarder sub 2 en de gerechtsdeurwaarder sub 3) genoemd.

1. De zaak in het kort

Klaagster is bij vonnis veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is bij exploot aan klaagster betekend door gerechtsdeurwaarder sub 2. Klaagster is het niet eens met de proceskostenveroordeling en heeft verzocht de executiemaatregelen op te schorten. De opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders heeft de vordering gehandhaafd. Vervolgens is bankbeslag gelegd op bankrekeningen van klaagster bij twee verschillende banken. In deze tuchtprocedure verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarders onder meer dat zij ervan uit mocht gaan dat de vordering niet zou worden geïnd en dat de gerechtsdeurwaarders zonder redelijke noodzaak gelijktijdig beslag hebben gelegd op twee bankrekeningen van klaagster. Het hof is, net als de kamer, van oordeel dat de klacht ongegrond is.

2. Het geding in hoger beroep

Klaagster heeft op 26 februari 2025 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 januari 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:8).

De gerechtsdeurwaarders hebben op 13 mei 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.

Klaagster heeft op 9 december 2025 een aanvullend beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend. Hoewel geen toestemming was gegeven voor het aanvullend beroepschrift, is tijdens de mondelinge behandeling door het hof – met instemming van de gerechtsdeurwaarders – besloten dat het aanvullend beroepschrift (met bijlagen) toch wordt toegestaan.

Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2025. Klaagster, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, en gerechtsdeurwaarder sub 1 zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, gerechtsdeurwaarder sub 1 mede namens gerechtsdeurwaarders sub 2 en 3 en aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Gerechtsdeurwaarders sub 2 en 3 zijn niet verschenen.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2023 is klaagster veroordeeld in de proceskosten van in totaal € 746,-.

Bij e-mail van 22 februari 2023 heeft de wederpartij in die procedure klaagster geïnformeerd dat het bedrag van de proceskostenveroordeling nog steeds niet was ontvangen en dat een gerechtsdeurwaarder zou worden ingeschakeld om dat alsnog geïncasseerd te krijgen. Klaagster heeft daarop dezelfde dag geantwoord dat zij de proceskostenveroordeling betwistte en dat zij voornemens was in hoger beroep te gaan.

Bij exploot van 24 februari 2023 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 het vonnis van 25 januari 2023 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

Bij e-mail van 6 maart 2023 heeft klaagster haar wederpartij (met cc aan gerechtsdeurwaarder sub 1) laten weten dat zij een kortgedingprocedure zou starten tot schorsing van de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van de proceskostenveroordeling. Tevens heeft klaagster verzocht om de executiemaatregelen op te schorten.

Bij brief van 28 juli 2023 is namens de gerechtsdeurwaarders aan klaagster medegedeeld dat de vordering tot betaling van de proceskosten niet was voldaan en werd aan klaagster aangeboden de vordering in termijnen te betalen.

Bij e-mail van 7 augustus 2023 is namens klaagster aan de gerechtsdeurwaarders gevraagd te laten weten of de opdrachtgever recentelijk had verzocht de vordering voort te zetten, omdat klaagster had begrepen dat beide partijen hun eigen kosten zouden dragen.

Bij e-mail van 28 augustus 2023 is namens de gerechtsdeurwaarders aan klaagster medegedeeld dat de opdrachtgever zijn vordering handhaafde.

Bij e-mail van 21 september 2023 heeft de opdrachtgever de gerechtsdeurwaarders verzocht de executie te starten.

Op 23 oktober 2023 is beslag gelegd onder Volksbank N.V. en onder ING Bank N.V. ten laste van klaagster. Uit brieven van gerechtsdeurwaarder sub 1 respectievelijk gerechtsdeurwaarder sub 3 aan klaagster blijkt dat beide beslagen geen doel hebben getroffen.

4. De klacht

De kamer heeft de klacht van klaagster als volgt samengevat.

a. Gerechtsdeurwaarder sub 1 is een beruchte gerechtsdeurwaarder die geld int, maar niet afdraagt aan opdrachtgevers, dan wel voor eigen inkomen de vordering voortzet, terwijl de opdrachtgever geen interesse meer heeft in die vordering.

Uit veelvuldige communicatie tussen klaagster en gerechtsdeurwaarder sub 1 blijkt dat klaagster er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de vordering niet zou worden geïncasseerd.

De e-mail van 28 augustus 2023 is een vervalst bericht.

Gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 3 hebben zonder redelijke noodzaak gelijktijdig beslag gelegd op twee bankrekeningen van klaagster.

De gerechtsdeurwaarders hebben pas acht maanden na betekening van het vonnis beslag gelegd en hadden het beslag daarom moeten aankondigen.

5. Beoordeling

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen de gerechtsdeurwaarders op alle onderdelen ongegrond verklaard.

Beruchte gerechtsdeurwaarder (klachtonderdeel a)

De kamer heeft dit klachtonderdeel niet behandeld omdat deze gestoeld was op aannames die op geen enkele manier door klaagster waren onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft klaagster dit klachtonderdeel niet met stukken onderbouwd. Bovendien is dit klachtonderdeel niet relevant voor deze zaak, zodat ook het hof dit klachtonderdeel ongegrond acht.

Vordering zou niet worden geïncasseerd (klachtonderdeel b)

In eerste aanleg stelde klaagster dat haar wederpartij (en dus de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders) stilzwijgend had geaccepteerd dat klaagster niet tot betaling van de vordering zou overgaan totdat uitspraak zou zijn gedaan in het – nog door klaagster in te stellen – hoger beroep. Ter zitting in hoger beroep heeft klaagster gesteld dat – nadat zij in hoger beroep was gegaan – zij een mondelinge afspraak met haar wederpartij had gemaakt dat de zaak tussen hen onderling zou worden geregeld en klaagster de vordering niet hoefde te voldoen (waarna klaagster haar hoger beroep niet heeft doorgezet).

Met de kamer overweegt het hof dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust als hem wordt verzocht een vonnis ten uitvoer te leggen. Voor het hof staat vast dat de gerechtsdeurwaarders navraag hebben gedaan bij hun opdrachtgever en dat deze de vordering en de executie daarvan wenste te handhaven. Naar het oordeel van het hof mochten de gerechtsdeurwaarders op deze informatie van hun opdrachtgever afgaan. Indien klaagster de tenuitvoerlegging van het vonnis had willen voorkomen, was het starten van een executiegeschil tegen de opdrachtgever de daarvoor geëigende route. De gerechtsdeurwaarders spelen hierin geen rol. Het hof stelt met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarders vast, zodat klachtonderdeel b ongegrond is.

E-mail 28 augustus 2023 is vervalst (klachtonderdeel c)

Volgens klaagster hebben de gerechtsdeurwaarders, door in de e-mail van 28 augustus 2023 te verwijzen naar de e-mail van klaagster van 7 augustus 2023, de email van klaagster gebruikt als bewijs dat de opdrachtgever zijn vordering nog steeds wilde handhaven. Het hof volgt deze stelling van klaagster niet. In de e-mail van 28 augustus 2023 wordt uitsluitend verwezen naar de e-mail van 7 augustus 2023 om klaagster te laten weten dat op deze e-mail gereageerd wordt. Vervolgens is in de e-mail de wens van de opdrachtgever tot handhaving van de vordering tot uiting gebracht. Het hof stelt met betrekking tot de e-mail van 28 augustus 2023 geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de gerechtsdeurwaarders vast.

In hoger beroep heeft klaagster gesteld dat de e-mail van 21 september 2023 van de opdrachtgever aan de gerechtsdeurwaarder – tot het starten van de executie – vervalst is om zo bewijs van het bestaan van de opdracht te fabriceren. Dit blijkt volgens klaagster uit de domeinnaam van het gebruikte e-mailadres van de opdrachtgever, welke domeinnaam anders is dan in het e-mailadres van alle andere e-mails die klaagster van de opdrachtgever heeft gezien. Voor zover klaagster hiermee haar klacht dat de e-mail van 28 augustus 2023 is vervalst, nader heeft willen onderbouwen, is het hof van oordeel dat klaagster hier niet in slaagt. Het hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat het e-mailbericht van 21 september 2023 vervalst is. Dat een domeinnaam in een emailadres geen website is, betekent niet dat het e-mailadres niet bestaat. Gezien het vorenstaande is het hof, net als de kamer, van oordeel dat klachtonderdeel c ongegrond is.

Zonder noodzaak gelijktijdig beslag leggen op twee bankrekeningen (klachtonderdeel d)

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een handelwijze waarbij ter inning van één vordering (gelijktijdig) verschillende bankbeslagen worden gelegd zonder een gerechtvaardigd vermoeden dat de debiteur bij die banken een rekening aanhoudt, niet is toegestaan. De gerechtsdeur-waarders hebben echter onweersproken aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat klaagster bij beide banken een of meer bankrekeningen aanhield. De kamer heeft terecht overwogen dat klaagster op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met haar hele vermogen instaat voor de vordering en dat het de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij staat beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klaagster, dus ook op meerdere van haar bankrekeningen. Redenen om daarover in dit geval anders te denken, zijn niet gebleken. Anders dan klaagster stelt, hebben de gerechtsdeur-waarders hiermee geen misbruik gemaakt van hun executiebevoegdheid. Het hof is daarom, net als de kamer, van oordeel dat klachtonderdeel d ongegrond is.

Beslag had moeten worden aangekondigd (klachtonderdeel e)

De kamer heeft geoordeeld dat voor de stelling van klaagster dat het beslag aangekondigd had moeten worden omdat dit pas acht maanden na de betekening van het vonnis plaatsvond, geen wettelijke grondslag bestaat. Klaagster kon de executie van het vonnis verwachten, omdat nergens uit was gebleken dat de opdrachtgever geen belang meer had bij de vordering en klaagster ervoor had gekozen de vordering niet te voldoen. Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en het oordeel van de kamer. De stelling van klaagster vindt geen steun in het recht. Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat van een gerechtsdeurwaarder verwacht mag worden dat met een schuldenaar contact wordt opgenomen voorafgaand aan een beslaglegging in een poging de kosten voor de schuldenaar zo laag mogelijk te houden. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in dit geval echter niet aan de orde, nu voor klaagster duidelijk was dat zij executie van het vonnis kon verwachten. Net als de kamer acht het hof ook klachtonderdeel e ongegrond.

Conclusie

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarders op alle onderdelen ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.

6. Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door de rolraadsheer.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?