Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de gestelde bijzondere voorwaarden en de beslissingen op het beslag. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof naar aanleiding van het verhandelde in hoger beroep een nadere overweging aan die van de rechtbank toevoegen.
Nadere overweging omtrent de opgelegde straf en de gestelde algemene en bijzondere voorwaarden
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest, passend en geboden is; met een andere dan een vrijheidsbenemende straf kan in een geval als dit, gelet op de (extreme) aard en ernst van het feit, niet worden volstaan.
Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals die door de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Daaruit is gebleken dat de verdachte na zijn aanhouding direct een behandeling heeft ondergaan en dat hij deze na twee jaar positief heeft afgerond. De verdachte heeft daarnaast zijn oprechte spijt betuigd. Inmiddels heeft de verdachte zijn leven weer weten op te bouwen en heeft hij een baan en woning gevonden.
Hoewel het hof zich realiseert dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte zwaar zal vallen, legt hetgeen in hoger beroep omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte naar voren is gebracht tegen de achtergrond van de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende gewicht in de schaal om een mildere strafoplegging te rechtvaardigen.
Het hof ziet, gelet op het reclasseringsadvies van 10 december 2025, geen aanleiding om de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden kunnen komen te vervallen en dat kan worden volstaan met de algemene voorwaarden zoals deze in het vonnis waarvan beroep zijn omschreven.
Tot slot constateert het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 8 januari 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 6 maart 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus ongeveer twee maanden. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk afstand gedaan van beide inbeslaggenomen goederen. Gelet op die afstandsverklaring hoeft het hof geen beslissing meer te nemen met betrekking tot het beslag.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bij de strafoplegging opgelegde bijzondere voorwaarden en de beslissingen op het beslag, zoals hiervoor overwogen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.E. Kwak en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 maart 2026.