Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en verder zal het hof reageren op een in hoger beroep gevoerd verweer.
Aanvullende bewijsoverweging
In hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de causaliteit tussen de snelheidsovertreding en het ongeval ontbreekt. Het hof verwerpt dit verweer. Niet enkel de snelheidsovertreding, maar het samenstel van de bewezen verklaarde gedragingen maakt dat sprake is van een causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het ongeval.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de hoogte van de straf(fen) rekening te houden met het schuldbesef van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden: de verdachte heeft een fulltime baan en een eigen bedrijf, draagt daarnaast de zorg voor (het vervoer van) zijn gehandicapte broertje (naar de dagbesteding) en is sinds het ongeval, 2,5 jaar geleden, niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. De raadsvrouw heeft verzocht, gelet hierop, een niet al te grote taakstraf op te leggen in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich op 4 juli 2023 schuldig gemaakt aan een forse snelheidsovertreding op een drukke weg binnen de bebouwde kom van Amsterdam, wat er vervolgens mede toe heeft geleid dat een tragisch verkeersongeval is ontstaan. De verdachte heeft met zijn auto een 76-jarige fietser aangereden, die ter plekke aan zijn verwondingen is overleden. De verdachte heeft de nabestaanden daarmee onherstelbaar leed toegebracht. Het hof heeft ook oog voor het feit dat de verdachte zal moeten leven met de gedachte dat – ook al heeft hij het ongeval niet opzettelijk veroorzaakt – door zijn schuld het slachtoffer is komen te overlijden. Ter terechtzitting heeft de verdachte er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer en de nabestaanden aangedane leed inziet en dat hij spijt heeft.
Het hof heeft acht geslagen op de straffen die voor dit soort feiten in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In het geval van ‘aanmerkelijke schuld’ wordt doorgaans een taakstraf van 240 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar opgelegd.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 januari 2026 is hij in mei 2023 onherroepelijk veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs en liep hij ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd van die veroordeling. Verder heeft hij in 2022 strafbeschikkingen opgelegd gekregen voor zowel een snelheidsovertreding als het rijden zonder rijbewijs. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee.
De omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor het vervoer van zijn gehandicapte broertje, ziet het hof – gelet op het verhandelde daaromtrent ter terechtzitting – niet als een zodanig zwaarwegende omstandigheid, dat de verdachte een geheel voorwaardelijke rijontzegging zou moeten worden opgelegd, mede in het licht van de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte. Met de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde rijontzegging – die het hof zal volgen – wordt al in zeer ruime mate tegemoetgekomen aan deze persoonlijke omstandigheid van de verdachte. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat hij na 4 juli 2023 niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Anders dan de rechtbank ziet het hof, gelet hierop, geen reden om (ook) de taakstraf van 240 uren, die uitgangspunt is, te matigen.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 16.487,99, bestaande uit uitvaartkosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.359,24, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, maar de vordering verlaagd tot een bedrag van € 4.121,99, omdat de verzekering van de verdachte inmiddels 75% van de uitvaartkosten heeft vergoed.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dient te worden afgewezen, in lijn met de overwegingen van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat het niet passend en billijk zou zijn dat de gehele schade voor rekening van de verdachte komt, gelet op de eigen schuld van het slachtoffer; het slachtoffer is door rood gefietst. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de kosten van de overlijdensadvertenties in de zaterdagedities van De Telegraaf en Het Parool in mindering te brengen op de in hoger beroep resterende vordering, omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband met het tenlastegelegde staan.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in samenhang beschouwd met artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de verdachte verplicht aan de benadeelde partij, voor wiens rekening de uitvaartkosten zijn gekomen, deze te vergoeden, voor zover die kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Het hof is echter van oordeel dat sprake is van eigen schuld van het slachtoffer als bedoeld in artikel 6:101, eerste lid, BW, nu vast is komen te staan dat het slachtoffer door rood is gereden, hetgeen er mede toe heeft geleid dat het ongeval is ontstaan. Deze eigen schuld kan ook ten aanzien van de uitvaartkosten worden ingeroepen (artikel 6:108, vijfde lid, BW). Daarom komen naar het oordeel van het hof niet de volledige uitvaartkosten voor vergoeding in aanmerking. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat 75% van de oorspronkelijke vordering voor rekening van de verdachte dient te komen. Het bedrag van € 4.121,99, dat nu nog in hoger beroep wordt gevorderd, dient voor rekening van de benadeelde partij te blijven. Dat betekent dat de vordering, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, zal worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Jongeling, mr. H.A. van Eijk en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van
mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
10 februari 2026.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]