Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 februari 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, mevr. [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermaals) met de vuist in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de stellige verklaring van de verdachte, primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verklaringen van de aangeefster en haar vriendin zijn onbetrouwbaar en de getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris tegenstrijdig verklaard over de vraag of de verdachte heeft geslagen. Daarbij zou het bovendien heel goed kunnen dat deze getuige de duw die de verdachte – volgens zijn eigen verklaring – heeft gegeven, per ongeluk heeft aangezien voor een slaande beweging.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Bij de aanhouding van de verdachte heeft de politie een diensthond ingezet, terwijl niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 15a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). Daarnaast is bij de aanhouding een stroomstootwapen gebruikt, terwijl het gebruik daarvan niet conform artikel 12d van de Ambtsinstructie heeft plaatsgevonden, omdat de betreffende politieambtenaar niet met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze heeft gewaarschuwd dat het stroomstootwapen zal worden gebruikt. Deze vormverzuimen dienen tot strafvermindering te leiden, aldus de raadsman.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verweren moeten worden verworpen.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van het bewijs
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierna is weergegeven. In het bijzonder de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 1] en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel overtuigen het hof dat de verdachte het slachtoffer met de vuist in het gezicht heeft geslagen.
De stelling van de raadsman dat de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris tegenstrijdig heeft verklaard, vindt geen steun in de inhoud van de door hem afgelegde verklaring. Het hof gaat daarom voorbij aan deze stelling. De verweren die volgens de raadsman tot vrijspraak dienen te leiden, vinden voor het overige hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen, die het hof (in zoverre) betrouwbaar acht en die in het navolgende zijn opgenomen.
Ten aanzien van de gestelde vormverzuimen
De verbalisant die was belast met hondensurveillance heeft geverbaliseerd dat hij te horen kreeg dat zich een conflict had afgespeeld waarbij een van beide partijen gedreigd had om de andere partij neer te steken en dood te schieten. Tevens hoorde de verbalisant dat de melder een voorwerp in het tasje van deze verdachte had gezien en dat de verdachte vervolgens was weggereden. Nog geen twintig minuten later hoorde deze verbalisant dat een motoragent bij het voertuig van de mogelijke verdachte stond. De verbalisant ging ter ondersteuning ter plaatse. Toen hij daar aankwam, zag hij dat de motoragent naast de verdachte stond en dat de motoragent zijn stroomstootwapen ter hand had genomen. Om deze collega te ondersteunen, is de verbalisant uitgestapt en heeft hij zijn surveillancehond uit de auto gehaald. Omdat de verdachte niet voldeed aan het bevel om op de grond te gaan liggen, waarschuwde de verbalisant dat de hond zou worden ingezet als de verdachte niet zou meewerken. Toen de verdachte door de motoragent naar de grond werd gebracht, kwam de verdachte ten val en beet de surveillancehond in de capuchon van de verdachte. De motoragent heeft ook geverbaliseerd dat de verdachte met de diensthond in aanraking kwam tijdens zijn poging de verdachte aan te houden. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment door de hond in zijn vinger is gebeten.
Het hof is van oordeel, voor zover al kan worden gesproken van inzet als bedoeld in de Ambtsinstructie van de surveillancehond, bij die inzet is voldaan aan de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 15a, eerste lid, onder a, van de Ambtsinstructie. De verbalisant mocht gelet op de hiervoor genoemde melding immers redelijkerwijs aannemen dat de verdachte een vuurwapen bij zich had dat voor onmiddellijk gebruik gereed was en, gelet op de niet-meewerkende houding van de verdachte ten opzichte van de motoragent, dat wapen tegen personen zou gebruiken dan wel aanstonds ander geweld tegen personen zou gebruiken.
Wat betreft het stroomstootwapen vereist artikel 12d van de Ambtinstructie dat de ambtenaar onmiddellijk waarschuwt, voordat hij een stroomstootwapen tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze, dat een stroomstootwapen zal worden gebruikt, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Hieraan is voldaan. De motoragent die het stroomstootwapen ter hand nam, heeft immers geverbaliseerd: “Ik heb hierop het stroomstootwapen op de man gericht en hierbij medegedeeld dat als de man niet zou meewerken, dit wapen zou worden ingezet.”De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat de verbalisant hem had gewaarschuwd dat het stroomstootwapen zou worden gebruikt, als hij niet zou meewerken.
Er is dan ook geen sprake van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. De verweren worden verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 februari 2023 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals met de vuist in het gezicht te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van aangifte van 22 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 7-10).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 februari 2023 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Op 22 februari 2023 stond ik met mijn auto in een parkeervak op de parkeerplaats aan het Reewijkplein te Amsterdam. Aan mijn linkerkant stond een Seat met kenteken [kenteken] geparkeerd. Ik zat samen met mijn buurvrouw in de auto. De bestuurder van de Seat stapte uit. Er ontstond een verhitte woordenwisseling. Toen ik uitstapte, voelde ik een harde vuist tegen mijn rechterwang aan komen. Ik stapte achteruit. Ik zag dat hij met een lange arm en een gebalde vuist op mij afkwam en voelde dat hij mij weer op mijn rechterwang raakte met zijn vuist. De man reed kort daarna weg.
Ik heb pijn aan mijn rechterwang en kaak.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 14-16).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 februari 2023 tegenover een van verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2]:
Ik zat samen met mijn vriendin in de auto. Mijn vriendin kreeg ruzie met de man die naast ons parkeerde. Mijn vriendin stapte uit en raakte in conflict met de man. Ik zag dat de man zijn arm naar achter bewoog. Ik zag dat hij met zijn hand een vuist maakte en ik zag dat hij mijn vriendin op haar rechterwang sloeg.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 23-24).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 februari 2023 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Ik ben getuige geweest van het incident op 22 februari 2023. Ik zag dat er op de parkeerplaats een man en een vrouw tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat de man de vrouw meerdere keren sloeg.
4. Een geschrift, te weten een patiëntenkaart van 23 februari 2023 van [gezondheidscentrum] (doorgenummerde pagina 72).
Deze patiëntenkaart houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Naam: [slachtoffer]
Episode: problemen tgv geweld
Datum: 23-02-2023
Journaalregels: Kaak rechts licht gezwollen, drukpijn over onderkaak.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was op 22 februari 2023 op de parkeerplaats aan het Reewijkplein te Amsterdam. Ik kreeg daar een woordenwisseling met de vrouwelijke bestuurder van de auto die naast mij stond geparkeerd.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 27-29).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 22 februari 2023 hoorde ik dat er melding was gemaakt van een vrouw die door een man zou zijn mishandeld. De verdachte zou zijn weggereden in een Seat met kenteken [kenteken] . Ik hoorde dat de tenaamgestelde van het voertuig op de van [adres 2] woonde. De verdachte bleek [verdachte] te zijn genaamd, geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats].
Het onder 4 vermelde geschrift is slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250,00 subsidiair 2 dagen hechtenis, rekening houdende met het tijdsverloop sinds het tenlastegelegde.
De raadsman heeft – afgezien van de hiervoor besproken verweren – geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meerdere malen in het gezicht te slaan. Hier heeft het slachtoffer een gezwollen kaak en pijn aan overgehouden. Aanleiding voor de mishandeling was een verkeersruzie op een parkeerterrein. Ruzies in het verkeer rechtvaardigen echter op geen enkele wijze het gebruik van geweld. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving door de toenemende agressie in het verkeer.
Nu de verdachte niet eerder wegens mishandeling is veroordeeld, acht het hof oplegging van een geldboete passend.
Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof in het tijdsverloop sinds het tenlastegelegde geen aanleiding om een lagere geldboete op te leggen dan door de politierechter – in lijn met de eerder uitgevaardigde strafbeschikking – is opgelegd. Het hof acht een geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 19 juli 2023 onder CJIB nummer [nummer] .
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. S. Jongeling en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2026.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]