GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.301/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/371657/FT RK 23-164
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. J.L. Scheltens te Haarlem.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift van 28 januari 2026, ontvangen ter griffie van het hof op dezelfde datum, in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 januari 2026 van de rechtbank Amsterdam, gewezen onder bovenvermeld zaaknummer, waarbij de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 24 februari 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Scheltens voornoemd die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht.
Het hof heeft kennisgenomen van:
[appellant] heeft desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.
2. Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] kan worden ontvangen in het hoger beroep.
Ingevolge artikel 351, eerste lid, Faillissementswet (Fw) staat hoger beroep open gedurende acht dagen na de uitspraak. Het bestreden vonnis is gewezen op 15 januari 2026. Dat betekent dat het beroepschrift uiterlijk op 23 januari 2026 op de voorgeschreven wijze had moeten worden ingediend. [appellant] heeft - naar eigen zeggen - evenwel hoger beroep ingesteld op 28 januari 2026. Dit leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid. Volgens vaste rechtspraak is een uitzondering op deze regel gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt ten gevolge van een door de griffie van de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechtbank vonnis had gewezen en het vonnis als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van het hoger beroep is toegezonden of verstrekt (HR 22 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:727).
[appellant] heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank ter zitting zich niet
heeft uitgelaten over de datum van uitspraak. Nadat zij kennis had genomen van het proces-
verbaal van de zitting in eerste aanleg, heeft zij ter zitting in hoger beroep haar stelling
genuanceerd. [appellant] stelt dat zij had begrepen dat de rechtbank vijftien dagen nĂ¡ de zitting
uitspraak zou doen. In dat verband heeft [appellant] tevens verwezen naar een brief van
schuldhulpverlener [naam] die ter zitting in eerste aanleg aanwezig was. In deze brief staat:
Tijdens de zitting werd aangegeven dat de uitspraak over 15 dagen zou plaatsvinden, zo hebben wij
begrepen.
Het betoog van [appellant] faalt. Daartoe is het volgende redengevend. In het proces-
verbaal van de zitting van de rechtbank van 6 januari 2026 is, aan het slot, opgetekend:
De rechter deelt mee, dat de rechtbank op 15 januari 2026 vonnis zal wijzen. Schuldenares wordt
erop gewezen dat zij op die dag na 15.00 uur telefonisch bij de griffie kan informeren naar de
uitspraak, en dat de schuldenares gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger
beroep kan komen.
Met deze mededeling heeft de rechtbank voldaan aan het vereiste van behoorlijke
kennisgeving aan [appellant] , overeenkomstig het geldende artikel 4.1.4.4. van het landelijk
procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Van een door de
rechtbank begane fout of verzuim als hiervoor onder 2.2. bedoeld, is mitsdien geen sprake. De
stelling van [appellant] dat zij en de schuldhulpverlener de mededeling van de rechtbank
anders hebben begrepen, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het proces-
verbaal. Dit betekent dat de termijnoverschrijding in het onderhavige geval niet verschoonbaar
is zodat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep.
Ten overvloede merkt het hof op dat ook bij een tijdig ingesteld hoger beroep
[appellant] niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in haar verzoek vanwege het ontbreken van een
overzicht van alle schulden als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub a jo. artikel 96 Fw. [appellant]
erkent in haar beroepschrift dat zij geen compleet financieel inzicht heeft en dat de kans groot
is dat er nieuwe, nu nog onbekende, schulden zullen opkomen. Zij stelt dat de onzekerheid
voor haar te lang gaat duren als alle schulden eerst in kaart moeten worden gebracht. Wat van
dit laatste ook zij, het kan niet afdoen aan het vereiste dat bij een verzoek als het onderhavige
een zo compleet mogelijke schuldenlijst dient te worden overgelegd. Uit hetgeen ter zitting in
hoger beroep is verhandeld, is gebleken dat onvoldoende pogingen zijn ondernomen de
boekhouding van de door [appellant] tezamen met haar ex-partner gedreven vof - waarvan
beweerd wordt dat die boekhouding niet (meer) beschikbaar is - te reconstrueren opdat alsnog
een zo compleet mogelijk overzicht van schulden kan worden verkregen per datum van
uittreden van [appellant] als vennoot. Niet is gebleken dat contact met de ex-partner en/of met
de boekhouder onmogelijk is.
Het voorgaande leidt tot de hierna te noemen beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het namens haar ingestelde hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D.J. Oranje en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.