ECLI:NL:GHAMS:2026:611

ECLI:NL:GHAMS:2026:611

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 200.298.089
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Advocaat verleent rechtsbijstand aan (gedetineerde) collega zonder schriftelijke opdrachtbevestiging

Uitspraak

arrest

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026

inzake

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.298.089/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/674043/HA ZA 19-1104

[appellant] , wonend te [plaats 2] , appellant,

advocaat: mr. E.C. Kerkhoven te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] , wonend te [plaats 1] , geïntimeerde,

advocaat: mr. C.W.A. van Dam te Amsterdam.

Partijen worden hierna [geïntimeerde] en [appellant] genoemd.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft als advocaat [appellant] , een oud-kantoorgenoot, bezocht tijdens diens detentie. Het hof stelt, met de rechtbank, vast dat na enige tijd is overeengekomen dat [geïntimeerde] aan [appellant] tegen betaling rechtsbijstand als tweede raadsman gaat leveren, totdat de overeenkomst door opzegging wordt beëindigd. Voor de periode na opzegging ontbreekt een geldige overeenkomst.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 4 juni 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank [plaats 1] van 28 april 2021, onder bovenvermeld

zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

Bij arrest van 7 juni 2022 is het exceptief verweer van [geïntimeerde] afgewezen en is deze zaak administratief gevoegd met de zaak bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.301.266/01. Bij arrest van 24 januari 2023 zijn de incidentele vorderingen van [appellant] in de onderhavige zaak afgewezen.

In de onderhavige zaak zijn nadien de navolgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van [appellant] ;

- antwoordakte van [geïntimeerde] .

Op 22 maart 2024 is in de onderhavige zaak een mondelinge behandeling gehouden ten overstaan van het hof bestaande uit mrs. Van der Meer (voorzitter), Pieters en Bloem. Ter gelegenheid van die mondelinge behandeling heeft [appellant] productie #24 in het geding gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen gehoord, hebben hun advocaten de zaak toegelicht en hebben partijen vragen van het hof beantwoord. De behandeling is vervolgens aangehouden om een minnelijke regeling te beproeven. [appellant] heeft op 25 juni 2024 een akte na beraad genomen, met productie.

In de met deze zaak samenhangende zaak (zaaknummer 200.301.266/01) heeft [geïntimeerde] op 14 mei 2024 een memorie van grieven met producties genomen. [appellant] heeft op 15 september 2024 een memorie van antwoord genomen, tevens houdende een eis in reconventie en incidenteel appel. [geïntimeerde] heeft op 7 januari 2025 een memorie genomen, waarin hij reageert op het laatstgenoemde processtuk van [appellant] . Vervolgens is in beide zaken arrest gevraagd.

Omdat mr. Pieters na de eerder gehouden mondelinge behandeling is gedefungeerd en vervangen door mr. Bisschop, is door het hof aan partijen verzocht of zij een nieuwe mondelinge behandeling ten overstaan van de nieuw samengestelde hofcombinatie wensen. Partijen hebben verklaard daar geen behoefte aan te hebben en om arrest gevraagd, naar het hof aanneemt geldt dat in beide zaken.

Datum voor arrest is in beide zaken nader bepaald op heden.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in 2. (2.1 tot en met 2.18) van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten (behoudens die onder 2.6, waartegen grief 1 van [appellant] zich richt en waarop hierna beslist zal worden) juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

[geïntimeerde] en [appellant] waren beiden advocaat. Zij waren ooit kantoorgenoten. [geïntimeerde] was patroon van [appellant] .

Op 20 februari 2017 is [appellant] aangehouden op verdenking van het beïnvloeden van getuigen in een strafzaak van één van zijn cliënten. In het kader van die verdenking is [appellant] gedetineerd geweest (hierna: de Bredase strafzaak). Kort nadien is de verdenking tegen [appellant] uitgebreid met een verdenking ter zake overtreding van de Opiumwet (de Haagse strafzaak).

Mr. Kerkhoven voornoemd stond de verdachte [appellant] als toegevoegd raadsman bij in de Bredase strafzaak. Vanaf eind februari 2017 tot 1 mei 2017 bevond [appellant] zich in voorlopige hechtenis in de penitentiaire inrichting te Vught (hierna: de PI).

Op 2 maart 2017 heeft [geïntimeerde] zich in de Bredase strafzaak als tweede raadsman van [appellant] gesteld. Bij brief van 13 maart 2017 bevestigt [geïntimeerde] aan [appellant] dat dit met diens instemming is en dat hij in de Bredase zaak om een toevoeging als tweede raadsman zal verzoeken. In diezelfde brief schrijft hij [appellant] , (hierna ‘de slotzin’): “Afhankelijk van het verkrijgen van een toevoeging treed ik thans nog als uw tweede raadsman op, zonder een declaratie te zenden.”. Ook schrijft hij in die brief over de Haagse strafzaak: “Voor zover mij bekend heeft zich in die Haagse strafzaak nog geen raadsman voor u gesteld. Of ambtshalve een raadsman is aangewezen is mij niet bekend.” en “Den Haag In die nieuwe strafzaak kan een aantredend raadsman waarschijnlijk gewoon worden toegevoegd.”.

Op 19 maart 2017 (door de rechtbank in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis evident abusievelijk gedateerd op 13 maart 2017) schrijft [geïntimeerde] aanvullend aan [appellant] : “Een verzoek aan de RR [het hof leest: Raad voor Rechtsbijstand] om een tweede toevoeging, zal niet worden gehonoreerd. Dat brengt met zich dat ik in de Bredase zaak betalend voor u optreedt. (..) In deze zaak bereken ik voor u (honorarium; reistijd) per uur 240,00 (exclusief kosten). Aan het eind van de maand wordt de maandelijkse werkstaat opgemaakt.”.

Op 15 juni 2017 schrijft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende: “Laatstelijk bij e-mailbericht van dinsdag 6 juni 2017 heb ik u schriftelijk aangegeven mijn werkzaamheden te staken indien geen volledige betaling komt of volgt van de openstaande declaraties.”. Bij brief d.d. 29 september 2017 schrijft [appellant] aan [geïntimeerde] dat hij door zijn ‘faillissementssituatie’ even niet over zijn banktegoeden kan beschikken, maar dat hij met ingang van 3 oktober 2017 niet meer failliet zal zijn en hij daarna [geïntimeerde] “zoveel kan betalen dat je daarmee weer even tevreden bent.”. Het faillissement van [appellant] is op 3 oktober 2017 opgeheven. Op 10 oktober 2017 sommeert [geïntimeerde] [appellant] om het totaal openstaande bedrag te voldoen. Op 6 december 2017 laat [geïntimeerde] [appellant] weten dat hij besloten heeft zijn werkzaamheden voor [appellant] stop te zetten aangezien hij geen betaling heeft ontvangen en hij zijn werkzaamheden zal hervatten na betaling. Op 16 januari 2018 laat [geïntimeerde] [appellant] weten dat het openstaande bedrag (na enkele betalingen) € 80.208,80 is.

In totaal heeft [geïntimeerde] voor zijn werkzaamheden € 147.317,74 aan [appellant] gedeclareerd. [appellant] heeft € 53.902,21 aan [geïntimeerde] betaald.

4. Eerste aanleg

[geïntimeerde] vordert in deze zaak veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 95.124,69, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 51.060,11 (honorarium plus buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente over een bedrag van € 49.787,24. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

[appellant] heeft zich in eerste aanleg tegen de vorderingen van [geïntimeerde] verzet, omdat deze onvoldoende onderbouwd zouden zijn, onbegrijpelijk en buitensporig hoog. De opdracht zou niet tot een dergelijke omvang zijn gegeven. [appellant] beroept zich daarbij, ook omdat de schriftelijke opdrachtbevestiging door hem niet is ondertekend, op dwaling, misbruik van omstandigheden en de door hem ingeroepen nietigheid van de overeenkomst met [geïntimeerde] .

De rechtbank heeft het niet-ontvankelijkheidsverweer van [appellant] ( [geïntimeerde] zou de onderliggende stukken niet tijdig hebben ingediend) verworpen, omdat [geïntimeerde] daarmee heeft gewacht tot [appellant] de daarvoor noodzakelijke toestemming had verleend. Bovendien heeft [appellant] zich bij akte over deze nadere stukken kunnen uitlaten.

De rechtbank heeft de begindatum van de overeenkomst van opdracht vastgesteld op 24 maart 2017 (de datum waarop [geïntimeerde] [appellant] in de PI bezocht) en de voordien verrichte werkzaamheden als ‘vriendendienst’ gekwalificeerd.

De rechtbank heeft op basis van de beëindigingsmededeling van [geïntimeerde] d.d. 6 december 2017 (zie hiervoor onder 3.6) vastgesteld dat de overeenkomst per genoemde datum beëindigd is en de vorderingen van [geïntimeerde] voor nadien verrichte werkzaamheden op die grondslag afgewezen, aangezien [appellant] daarop niet hoefde te rekenen bij gebreke van een nadere afspraak tussen partijen.

De rechtbank heeft ook de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen die betrekking hadden op andere dossiers dan de ‘strafzaak Breda’, waarop de door de rechtbank vastgestelde overeenkomst van opdracht uitsluitend betrekking had.

De rechtbank heeft het verweer van [appellant] verworpen voor zover gericht op excessief declareren, enerzijds omdat [appellant] niet tegen het hem bekende uurtarief heeft geprotesteerd, anderzijds omdat hij onvoldoende specifiek heeft gesteld welke declaraties voor welke werkzaamheden ‘excessief’ zouden zijn geweest.

De rechtbank heeft ook het verweer van [appellant] gebaseerd op misbruik van omstandigheden verworpen, omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat sprake was van een zodanig stressvolle situatie dat hij niet meer in staat was om zelfstandig beslissingen te nemen, noch van een machts- of afhankelijkheidsrelatie.

Het beroep van [appellant] op dwaling is door de rechtbank verworpen, omdat [geïntimeerde] hem regelmatig overzichten van diens werkzaamheden heeft gestuurd en omdat [appellant] gelet op zijn ervaring als advocaat geacht mocht worden voldoende inzicht te hebben gehad in hetgeen gangbaar is.

De rechtbank heeft het totaal verschuldigde bedrag op de hiervoor samengevatte grondslagen vastgesteld, de over het toegewezen bedrag berekende buitengerechtelijke kosten toegewezen en [appellant] in de kosten van de procedure veroordeeld.

5. Beoordeling

[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Elk van partijen heeft veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in beide instanties gevorderd.

[appellant] heeft vijf genummerde grieven ingediend. Het hof zal om proceseconomische redenen eerst de derde grief beoordelen.

De derde grief van [appellant] bestaat uit twee onderdelen: [appellant] betwist dat hij de brief van [geïntimeerde] d.d. 19 maart 2017 heeft ontvangen en de brief voldoet niet aan de vereisten die (door de Nederlandse Orde van Advocaten) aan een bevestigingsbrief van een advocaat aan zijn cliënt gesteld worden. Het tweede onderdeel kan buiten beschouwing blijven, omdat het hof tot de conclusie komt dat [geïntimeerde] niet heeft bewezen dat [appellant] de brief d.d. 19 maart 2017 heeft ontvangen. De derde grief slaagt daarmee. Daartoe is het volgende redengevend.

Het is aan [geïntimeerde] om de ontvangst door [appellant] van de betreffende brief van [geïntimeerde] te bewijzen. [appellant] heeft de ontvangst daarvan gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] laat na de ontvangst door [appellant] te bewijzen en biedt ook geen specifiek bewijs daarvan aan. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval ook onvoldoende aanknopingspunten waaruit de ontvangst van de bewuste brief kan worden afgeleid..

[geïntimeerde] stelt dat hij de bewuste brief aan [appellant] in één envelop aan de directeur PI heeft verzonden, tezamen met (afschriften van) vijf andere brieven van diezelfde datum, gericht aan anderen in de diverse kwesties van [appellant] . [geïntimeerde] wijst er daarbij op dat anderen gereageerd hebben op zijn aan hen gerichte brief van gelijke datum, maar daaraan kan vanzelfsprekend geen enkel bewijs ontleend worden dat de brief van [geïntimeerde] aan zijn cliënt (met daarin o.m. de tariefstelling) in diezelfde envelop, gericht aan de directeur PI, aanwezig was.

Een tweede argument waarmee [geïntimeerde] zijn stelling poogt te onderbouwen dat [appellant] de bewuste brief wel ontvangen heeft, is, dat in zijn brief aan de directeur PI van 28 maart 2017 de volgende passage staat: “Mede in vervolg op mijn brief van zondag 19 maart 2017…”, waarna [geïntimeerde] stelt dat die passage geen reden voor [appellant] is geweest om de brief van 19 maart 2017 (die hij niet ontvangen zegt te hebben) alsnog op te vragen. Die gevolgtrekking vloeit niet voort uit de aangehaalde passage, die immers, zo begrijpt het hof, onderdeel was van de brief van [geïntimeerde] aan de directeur PI d.d. 19 maart 2017. Dat de directeur wel een brief van [geïntimeerde] heeft ontvangen staat niet ter discussie, maar wel of de overgelegde brief van 19 maart 2017 aan [appellant] daar als bijlage bijgevoegd was.

[geïntimeerde] onderbouwt zijn betoog vervolgens met de stelling dat [appellant] zich op het standpunt zou hebben gesteld geen enkele van de door [geïntimeerde] op 19 maart 2017 (aan derden, hof) verzonden brieven ontvangen te hebben. Deze stelling is in die zin onjuist dat [appellant] in zijn memorie van grieven slechts heeft ontkend, zo begrijpt het hof, de aan hem gerichte brief van [geïntimeerde] d.d. 19 maart 2017 te hebben ontvangen. Onduidelijk is waarop [geïntimeerde] baseert dat [appellant] (in hoger beroep) zou stellen ook de afschriften van de door [geïntimeerde] aan derden verzonden brieven niet ontvangen te hebben.

De brief van 19 maart 2017 verwijst voorts naar het in de brief van 13 maart 2017 aangekondigde verzoek om een toevoeging voor een tweede raadsman (in de Bredase strafzaak). [appellant] merkt op dat het weinig voor de hand liggend is dat de Raad voor Rechtsbijstand al op 19 maart 2017 afwijzend op de aangevraagde toevoeging van [geïntimeerde] als tweede raadsman zou hebben beslist. [geïntimeerde] stelt daarover dat hij telefonisch navraag heeft gedaan bij de Raad en dat hem telefonisch is medegedeeld dat een tweede toevoeging in een en dezelfde strafzaak niet wordt verstrekt (Het is het hof ambtshalve en als feit van algemene bekendheid bekend dat deze informatie in algemene zin onjuist is, zoals ook te vinden is op de website van de Raad voor Rechtsbijstand). Het hof begrijpt uit de stellingen van [geïntimeerde] dat er geen formele aanvraag is gedaan en dat er dus ook geen formele afwijzing van de kant van de Raad voor Rechtsbijstand is. Dat is dus niet in lijn met de afspraak, zoals opgenomen in de brief van [geïntimeerde] van 13 maart 2017: “Verzoek zal worden gedaan, etc.”

Dat brengt mee dat de toezegging van [geïntimeerde] om in de Bredase strafzaak op te treden zonder declaraties te zenden geldig blijft tot aan het moment waarop wel komt vast te staan dat er een overeenkomst tussen partijen is gesloten, die [appellant] verplicht om de declaraties van [geïntimeerde] te voldoen. Dienaangaande is door de rechtbank in r.o. 4.6 vastgesteld dat de overeenkomst op 24 maart 2017 tijdens het bezoek van [geïntimeerde] aan [appellant] in de PI mondeling is gesloten. [appellant] heeft deze vaststelling in hoger beroep niet voldoende concreet bestreden. Hij voert slechts aan dat hij de brief van 19 maart 2017 niet heeft ontvangen en dat er daarmee geen aanbod is geweest dat hij tijdens de bespreking op 24 maart 2017 kon accepteren. Dat laat echter onverlet dat – los van de brief van 19 maart 2017 – op die datum een mondelinge overeenkomst is gesloten. De grief slaagt, maar leidt niet tot een ander dictum dan door de rechtbank is toegewezen, omdat de rechtbank de rechtsbijstand tot 24 maart 2017 als ‘vriendendienst’ heeft gekwalificeerd en de facturen over de periode voordien daarom heeft afgewezen.

De eerste grief van [appellant] richt zich tegen de redactie van het vonnis in r.o. 2.5, waar de rechtbank door weglating van de witregel de indruk heeft gewekt dat de slotzin (het eerste citaat hiervoor onder 3.4) betrekking had op de Haagse zaak. De rechtbank heeft dit in r.o. 4.6 ook met zoveel woorden gezegd: “dat hij als tweede raadsman zal optreden in de Haagse zaak, zonder daarvoor een declaratie te zenden”. [appellant] heeft aangevoerd dat bedoelde slotzin niet op de Haagse, maar op de Bredase zaak zag. In de Haagse zaak is [geïntimeerde] immers toegevoegd. De grief is terecht voorgesteld. In de Haagse zaak was blijkens de brief nog geen sprake van een raadsman, zodat de verwijzing naar ‘tweede raadsman’ uitsluitend betrekking had op de Bredase strafzaak, waarin al wel een (andere) raadsman was toegevoegd. Ook deze grief slaagt, maar ook deze grief leidt niet tot een ander dictum omdat de gegrondbevinding niets afdoet aan de vaststellingen van de rechtbank waarop het dictum is gebaseerd.

Grief 2 van [appellant] richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat de (door de rechtbank op 24 maart 2017 gedateerde) overeenkomst tussen partijen inhield dat [appellant] zou hebben ingestemd met het verrichten van ‘allerlei werkzaamheden’ door [geïntimeerde] in de Bredase strafzaak. Het verweer [appellant] , zo begrijpt het hof, richt zich niet zozeer tegen de vaststelling dat tussen partijen is afgesproken dat [geïntimeerde] [appellant] als raadsman betalend zou bijstaan in de Bredase strafzaak, maar veeleer wat de afspraak was over de omvang van de daarmee gemoeid zijnde kosten. [appellant] voert in dat verband aan dat [geïntimeerde] hem gezegd zou hebben dat hij “moest rekenen op een vergoeding van om en nabij € 25.000,=” (zie MvG, pag 3, onder randnummer 6). [appellant] verbindt daaraan kennelijk, zo begrijp het hof, de consequentie dat hij geen opdracht heeft gegeven voor werkzaamheden die uiteindelijk € 147.317,74 zouden belopen. De grief faalt. De vooraf door [geïntimeerde] gemaakte inschatting (‘moet rekenen op’) is immers geen ‘fixed fee’. De – door [geïntimeerde] overigens ook betwiste – stelling van [appellant] , dat [geïntimeerde] zou hebben gezegd dat hij moest rekenen op een bedrag om en nabij € 25.000,- houdt niet in dat dit een overeengekomen maximum zou zijn, zodat het meerdere niet toewijsbaar zou zijn. De grief bestrijdt daarmee niet voldoende concreet hetgeen door de rechtbank in r.o. 4.12 is vastgelegd, namelijk dat [geïntimeerde] op 24 maart 2017 met [appellant] een uurtarief van € 240,- (exclusief kosten) is overeengekomen. Uit de aard van die afspraak vloeit voort dat de uiteindelijke omvang onzeker is. Voor zover [appellant] met zijn grief beoogd zou hebben dat onder ‘allerlei werkzaamheden’ niet juist de door [geïntimeerde] verrichte en gefactureerde werkzaamheden zouden vallen, is zijn klacht te algemeen en onvoldoende (want in het geheel niet) gespecificeerd. Het hof merkt hierbij op dat [appellant] na 24 maart 2017 ook facturen van [geïntimeerde] , die genoemd uurtarief vermelden, is gaan betalen. Daaruit blijkt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet of althans onvoldoende dat dat uurtarief niet zou zijn overeengekomen of dat de betaalde facturen om andere redenen niet voldaan behoefden te worden. De grief faalt.

In grief 4 herhaalt [appellant] (naar het oordeel van het hof: vergeefs) dat tussen hem en [geïntimeerde] geen overeenkomst zou zijn tot stand gekomen en dat geen uurtarief van € 240,- zou zijn overeengekomen. Volgens [appellant] zou dat voortvloeien uit hetgeen hij in zijn eerste drie grieven naar voren heeft gebracht, maar daaruit blijkt slechts dat hij niet geacht kan worden de brief van 19 maart 2017 ontvangen te hebben en dat de rechtbank een verkeerde uitleg aan een passage heeft gegeven, zonder dat beide bestreden feiten ten grondslag lagen aan de door de rechtbank toegewezen bedragen. De rechtbank heeft immers de door [geïntimeerde] over de periode tot 24 maart 2017 gefactureerde bedragen afgewezen. [geïntimeerde] valt ook in grief 4 weer terug op de door hem gestelde maar niet bewezen afspraak dat een vaste prijs van € 25.000,- tussen partijen zou zijn afgesproken. Voor zover hij daar in de toelichting op grief 4 opnieuw naar verwijst faalt die grief in zoverre opnieuw.

In de toelichting op grief 4 gaat [appellant] in randnummer 29 specifiek in op de twintig door de rechtbank wel toegewezen facturen (zie r.o. 4.14 van het vonnis). De rechtbank heeft het verweer van [appellant] dat de bestede tijd excessief zou zijn verworpen omdat [appellant] niet of onvoldoende specifiek heeft aangegeven waarop zijn verweer gebaseerd is. In hoger beroep specificeert [appellant] zijn bezwaren tegen deze twintig declaraties allereerst dat deze onvoldoende gespecificeerd en ook nog onbegrijpelijk zouden zijn. De rechtbank heeft – onbestreden – vastgesteld dat de specificaties van [geïntimeerde] eenheden van 6 minuten vermelden met telkens een omschrijving. [geïntimeerde] stelt eveneens onbestreden dat [appellant] geen tuchtklacht wegens [geïntimeerde] wijze van declareren heeft ingediend, noch anderszins bij de Nederlandse Orde van Advocaten bezwaar tegen de declaraties heeft gemaakt. [geïntimeerde] heeft zich gemotiveerd tegen de summiere bezwaren van [appellant] verzet en er niet onbegrijpelijk op gewezen dat [appellant] als advocaat ook vergelijkbare specificaties opstelt, zodat zonder nadere toelichting niet te begrijpen valt dat [appellant] die specificaties niet zou begrijpen. Ook heeft [geïntimeerde] onweersproken gesteld dat [appellant] na ontvangst van de declaraties en de specificaties nimmer vragen over de inhoud heeft gesteld. In dat licht komt het hof tot het oordeel dan het in algemene bewoordingen ‘onbegrijpelijk’ noemen van een gespecificeerde advocatendeclaratie door een andere advocaat zonder nadere toelichting een onvoldoende gemotiveerd verweer is. Het hof passeert daarom de verweren van [appellant] dat de declaraties ‘onbegrijpelijk’ zouden zijn.

Onderdeel van de bestreden declaraties van [geïntimeerde] betreft een zestal declaraties met de vermelding ‘ [naam] ’. Mr. [naam] was als (toegevoegd) advocaat rechtstreeks bij de verdediging van [appellant] in de Bredase strafzaak betrokken. Hij is daarvoor betaald door de Raad voor Rechtsbijstand. [geïntimeerde] gaat in de Memorie van Antwoord uitvoerig (randnummers 71-81) in op de omvang van de declaratie van mr. [naam] bij de Raad voor Rechtsbijstand (totaal ruim € 41.000, voor 324,5 uren). Over zijn eigen declaraties met kenmerk ‘ [naam] ’ merkt hij slechts op dat die zien op ‘werkzaamheden die mr. [naam] en [geïntimeerde] samen hebben verricht’ in de Bredase strafzaak. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vat het hof dit op als werkzaamheden bestaande uit ‘overleg met [naam] ’. Het had immers, als het andere werkzaamheden zou betreffen, meer voor de hand gelegen die werkzaamheden zelf te benoemen, hetgeen niet is gesteld of gebleken. [appellant] heeft hierover opgemerkt dat hij niet wenst te betalen voor overleg waarom hij zelf nooit gevraagd heeft en dat als [naam] dit overleg met [geïntimeerde] nodig had [geïntimeerde] [naam] daarvoor maar moest factureren. Wat daar verder ook van zij, van [geïntimeerde] had verwacht mogen worden dat hij aan [appellant] had uitgelegd waarom bedoeld overleg voor ruim € 13.000 aan [appellant] is gefactureerd. Die uitleg ontbreekt volledig. Om die reden zal het hof, ervan uitgaande dat enig overleg voor de hand lag en voor rekening van [appellant] mocht komen, het totaalbedrag voor dit overleg schattenderwijs vaststellen op € 3.000, met dien verstande dat het hof een totaalbedrag van € 10.000,- als niet toewijsbaar op het totaal van door de rechtbank toegewezen bedragen in mindering zal brengen. In zoverre slaagt grief 4. De overige bezwaren van [appellant] zijn onvoldoende toegelicht en kunnen niet tot afwijzing van de vorderingen leiden.

In grief 5 bestrijdt [appellant] de vaststelling door de rechtbank dat [appellant] een ervaren (strafrecht-)advocaat was. Hij meent dat de rechtbank ten onrechte zijn verweer heeft gepasseerd dat hij in de relatie met [geïntimeerde] de ‘zwakkere partij’ was. Voor zover [appellant] daarmee een beroep op enige bescherming als ware hij ‘consument’ heeft willen doen, faalt dat beroep, omdat [appellant] in de Bredase strafzaak waar het hier over gaat, verdachte was van een misdrijf dat hij als advocaat, dus beroepshalve en niet als consument, zou hebben gepleegd. Voor zover [appellant] een beroep op ‘misbruik van omstandigheden’ heeft willen doen faalt dat beroep eveneens, al was het maar omdat [appellant] als advocaat geacht mocht worden goed te begrijpen wat de overeenkomst met [geïntimeerde] inhield en waartoe die overeenkomst zou kunnen leiden. Hij was er bovendien mee bekend dat de inschakeling van [geïntimeerde] niet alleen niet gratis zou zijn, maar bovendien niet strikt noodzakelijk was, omdat hij reeds door een andere strafadvocaat werd bijgestaan. De rechtbank heeft dit beroep op goede gronden, die het hof tot de zijne maakt, verworpen. De grief faalt.

Door [appellant] is bewijs aangeboden van zijn stelling dat de feitelijke gang van zaken voorafgaand aan het optreden van [geïntimeerde] als zijn tweede raadsman in de Bredase zaak anders is verlopen dan door [geïntimeerde] is gesteld. Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, komt aan die gang van zaken geen beslissende betekenis toe ten aanzien van de verschuldigdheid van de nadien door [geïntimeerde] aan [appellant] gefactureerde bedragen ter zake geleverde rechtsbijstand. Het is de op 24 maart 2017 in de PI tussen partijen gesloten overeenkomst die de grondslag voor de vorderingen vormt. De voorgeschiedenis van die totstandkoming is daarbij onvoldoende relevant en kan, ook als de stellingen van [appellant] dienaangaande juist zouden zijn, niet tot een andere beslissing leiden. Het bewijsaanbod is daarom irrelevant voor de te nemen beslissing.

Door [appellant] is geen bewijs van andere feiten aangeboden die, indien juist bevonden, tot een andere beslissing kunnen leiden.

Aangezien beide partijen in hoger beroep, met inbegrip van de beslissingen in de incidenten, over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet het hof gronden om ten aanzien van de proceskosten te beslissen dat ieder der partijen de eigen kosten van de procedure in hoger beroep dient te dragen. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg blijft in stand, omdat door de rechtbank terecht is beslist dat [appellant] een aanzienlijk deel van de facturen aan [geïntimeerde] verschuldigd is.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat de daarin uitgesproken veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 51.060,11 wordt beperkt met € 10.000,- tot een totaalbedrag van € 41.060,11, vermeerderd met rente als in dat vonnis opgenomen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het overigens of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, K.A.J. Bisschop en F.J. Bloem-Timmermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?