ECLI:NL:GHAMS:2026:612

ECLI:NL:GHAMS:2026:612

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 200.301.266
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Advocaat verleent rechtsbijstand aan (gedetineerde) collega zonder schriftelijke opdrachtbevestiging

Uitspraak

arrest

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026

inzake

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.301.266/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/674043/HA ZA 19-1104

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,

appellant,

incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. C.W.A. van Dam te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats 2] ,

geïntimeerde,

incidenteel appellant,

advocaat: mr. E.C. Kerkhoven te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[appellant] heeft als advocaat [geïntimeerde] , een oud-kantoorgenoot, bezocht tijdens diens detentie. Het hof stelt, met de rechtbank, vast dat na enige tijd is overeengekomen dat [appellant] aan [geïntimeerde] tegen betaling rechtsbijstand als tweede raadsman gaat leveren, totdat de overeenkomst door opzegging wordt beëindigd. Voor de periode na opzegging ontbreekt een geldige overeenkomst.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 23 juli 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2021, onder bovenvermeld

zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. Kort daarvoor was ook [geïntimeerde] van dit vonnis zelfstandig in hoger beroep gekomen, in welke zaak onder nummer 200.298.089/01 heden door het hof eindarrest wordt gewezen.

In de onderhavige zaak zijn na de dagvaarding de navolgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie en incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord van [appellant] in incidenteel appel/in reconventie, tevens akte uitlating producties.

Vervolgens is in beide zaken arrest gevraagd.

Datum voor arrest is in beide zaken nader bepaald op heden.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in 2. (2.1 tot en met 2.18) van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

[appellant] en [geïntimeerde] waren beiden advocaat. Zij waren ooit kantoorgenoten en [appellant] was patroon van [geïntimeerde] .

Op 20 februari 2017 is [geïntimeerde] aangehouden op verdenking van het beïnvloeden van getuigen in een strafzaak van één van zijn cliënten. In het kader van die verdenking is [geïntimeerde] gedetineerd geweest (hierna: de Bredase strafzaak). Kort nadien is de verdenking tegen [geïntimeerde] uitgebreid met een verdenking ter zake overtreding van de Opiumwet (de Haagse strafzaak).

Mr. Kerkhoven voornoemd stond de verdachte [geïntimeerde] als toegevoegd raadsman bij in de Bredase strafzaak. Vanaf eind februari 2017 tot 1 mei 2017 bevond [geïntimeerde] zich in voorlopige hechtenis in de penitentiaire inrichting te Vught (hierna: de PI).

Op 2 maart 2017 heeft [appellant] zich in de Bredase strafzaak als tweede raadsman van [geïntimeerde] gesteld. Bij brief van 13 maart 2017 bevestigt [appellant] aan [geïntimeerde] dat dit met diens instemming is en dat hij in de Bredase zaak om een toevoeging als tweede raadsman zal verzoeken. In diezelfde brief schrijft hij [geïntimeerde] : “Afhankelijk van het verkrijgen van een toevoeging treed ik thans nog als uw tweede raadsman op, zonder een declaratie te zenden.”. Ook schrijft hij in die brief over de Haagse strafzaak: “Voor zover mij bekend heeft zich in die Haagse strafzaak nog geen raadsman voor u gesteld. Of ambtshalve een raadsman is aangewezen is mij niet bekend.” en “Den Haag In die nieuwe strafzaak kan een aantredend raadsman waarschijnlijk gewoon worden toegevoegd.”.

Op 19 maart 2017 (door de rechtbank in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis evident abusievelijk gedateerd op 13 maart 2017) schrijft [appellant] aanvullend aan [geïntimeerde] : “Een verzoek aan de RR [het hof leest: Raad voor Rechtsbijstand] om een tweede toevoeging, zal niet worden gehonoreerd. Dat brengt met zich dat ik in de Bredase zaak betalend voor u optreedt. (..) In deze zaak bereken ik voor u (honorarium; reistijd) per uur 240,00 (exclusief kosten). Aan het eind van de maand wordt de maandelijkse werkstaat opgemaakt.”.

Op 15 juni 2017 schrijft [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende: “Laatstelijk bij e-mailbericht van dinsdag 6 juni 2017 heb ik u schriftelijk aangegeven mijn werkzaamheden te staken indien geen volledige betaling komt of volgt van de openstaande declaraties.”. Bij brief d.d. 29 september 2017 schrijft [geïntimeerde] aan [appellant] dat hij door zijn ‘faillissementssituatie’ even niet over zijn banktegoeden kan beschikken, maar dat hij met ingang van 3 oktober 2017 niet meer failliet zal zijn en hij daarna [appellant] “zoveel kan betalen dat je daarmee weer even tevreden bent.”. Het faillissement van [geïntimeerde] is op 3 oktober 2017 opgeheven. Op 10 oktober 2017 sommeert [appellant] [geïntimeerde] om het totaal openstaande bedrag te voldoen. Op 6 december 2017 laat [appellant] [geïntimeerde] weten dat hij besloten heeft zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] stop te zetten aangezien hij geen betaling heeft ontvangen en hij zijn werkzaamheden zal hervatten na betaling. Op 16 januari 2018 laat [appellant] [geïntimeerde] weten dat het openstaande bedrag (na enkele betalingen) € 80.208,80 is.

In totaal heeft [appellant] voor zijn werkzaamheden € 147.317,74 aan [geïntimeerde] gedeclareerd. [geïntimeerde] heeft € 53.902,21 aan [appellant] betaald.

4. Eerste aanleg

[appellant] vordert in deze zaak veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 95.124,69, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] te betalen € 51.060,11 (honorarium plus buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente over een bedrag van € 49.787,24. [geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft zich in eerste aanleg tegen de vorderingen van [appellant] verzet, omdat deze onvoldoende onderbouwd zouden zijn, onbegrijpelijk en buitensporig hoog. De opdracht zou niet tot een dergelijke omvang zijn gegeven. [geïntimeerde] beroept zich daarbij, ook omdat de schriftelijke opdrachtbevestiging door hem niet is ondertekend, op dwaling, misbruik van omstandigheden en de door hem ingeroepen nietigheid van de overeenkomst met [appellant] .

De rechtbank heeft het niet-ontvankelijkheidsverweer van [geïntimeerde] ( [appellant] zou de onderliggende stukken niet tijdig hebben ingediend) verworpen, omdat [appellant] daarmee heeft gewacht tot [geïntimeerde] de daarvoor noodzakelijke toestemming had verleend. Bovendien heeft [geïntimeerde] zich bij akte over deze nadere stukken kunnen uitlaten.

De rechtbank heeft de begindatum van de overeenkomst van opdracht vastgesteld op 24 maart 2017 (de datum waarop [appellant] [geïntimeerde] in de PI bezocht) en de voordien verrichte werkzaamheden als ‘vriendendienst’ gekwalificeerd.

De rechtbank heeft op basis van de beëindigingsmededeling van [appellant] d.d.6 december 2017 (zie hiervoor onder 3.6) vastgesteld dat de overeenkomst per genoemde datum beëindigd is en de vorderingen van [appellant] voor nadien verrichte werkzaamheden op die grondslag afgewezen, aangezien [geïntimeerde] daarop niet hoefde te rekenen bij gebreke van een nadere afspraak tussen partijen.

De rechtbank heeft ook de vorderingen van [appellant] afgewezen die betrekking hadden op andere dossiers dan de ‘strafzaak Breda’, waarop de door de rechtbank vastgestelde overeenkomst van opdracht uitsluitend betrekking had.

De rechtbank heeft het verweer van [geïntimeerde] verworpen voor zover gericht op excessief declareren, enerzijds omdat [geïntimeerde] niet tegen het hem bekende uurtarief heeft geprotesteerd, anderzijds omdat hij onvoldoende specifiek heeft gesteld welke declaraties voor welke werkzaamheden ‘excessief’ zouden zijn geweest.

De rechtbank heeft ook het verweer van [geïntimeerde] gebaseerd op misbruik van omstandigheden verworpen, omdat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat sprake was van een zodanig stressvolle situatie dat hij niet meer in staat was om zelfstandig beslissingen te nemen, noch van een machts- of afhankelijkheidsrelatie.

Het beroep van [geïntimeerde] op dwaling is door de rechtbank verworpen, omdat [appellant] hem regelmatig overzichten van diens werkzaamheden heeft gestuurd en omdat [geïntimeerde] gelet op zijn ervaring als advocaat geacht mocht worden voldoende inzicht te hebben gehad in hetgeen gangbaar is.

De rechtbank heeft het totaal verschuldigde bedrag op de hiervoor samengevatte grondslagen vastgesteld, de over het toegewezen bedrag berekende buitengerechtelijke kosten toegewezen en [geïntimeerde] in de kosten van de procedure veroordeeld.

5. Beoordeling

[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover zijn vorderingen op [geïntimeerde] daarin zijn afgewezen en tot het alsnog toewijzen van die vorderingen. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van alle vorderingen van [appellant] , voor zover die een bedrag van € 25.000,- te boven gaan, met veroordeling van [appellant] tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van al hetgeen [geïntimeerde] meer aan [appellant] heeft betaald dan genoemd bedrag. Elk van partijen heeft veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in beide instanties gevorderd.

[appellant] heeft vier genummerde grieven ingediend, waarvan enkele uit onderdelen bestaan.

In het eerste onderdeel van zijn eerste grief verzet [appellant] zich tegen de vaststellingen door de rechtbank dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op 24 maart 2017 en dat de voordien door [appellant] aan [geïntimeerde] verleende rechtsbijstand als ‘vriendendienst’ kwalificeert, op welke grond de over de periode voorafgaand aan 24 maart 2017 opgestelde facturen zijn afgewezen. Dit onderdeel faalt alleen al omdat [appellant] in zijn brief d.d. 13 maart 2017 aan [geïntimeerde] schrijft: “Verzoek zal worden gedaan (..) om in deze Bredase strafzaak een tweede toevoeging af te geven. (…) Afhankelijk van het verkrijgen van een toevoeging treed ik thans nog als uw tweede raadsman op, zonder een declaratie te zenden.”. Het tweede deel van dit citaat ziet evident op de Bredase strafzaak. In de Haagse zaak was blijkens de brief nog geen sprake van een raadsman, zodat de verwijzing naar ‘tweede raadsman’ uitsluitend betrekking had op de Bredase strafzaak, waarin al wel een (andere) raadsman was toegevoegd. De rechtbank heeft de facturen over de periode tot 24 maart 2017 daarom terecht afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat voordien een toevoeging is aangevraagd of verkregen, zodat de toezegging ‘zonder een declaratie te zenden’ nog steeds gold.

[appellant] heeft de inhoud van genoemde brief niet betwist. Al hetgeen hij overigens stelt over de periode voorafgaand aan 24 maart 2017 kan niet tot een andere beoordeling leiden, omdat dit irrelevant is in het licht van de aan het slot van het citaat gedane toezegging. Het onderdeel faalt.

Het tweede onderdeel van grief 1 heeft betrekking op het standpunt van [appellant] dat [geïntimeerde] geen ‘consument’ in de zin van Richtlijn 91/13 is. Kennelijk ziet dat standpunt op de klacht van [geïntimeerde] dat er geen door hem ondertekende bevestigingsbrief is, ten aanzien waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat aan de vereisten uit artikel 7.5 Verordening op de Advocatuur is voldaan. Het onderdeel stelt terecht vast dat [geïntimeerde] in de Bredase strafzaak in zijn relatie met [appellant] geen consument als hiervoor bedoeld was, omdat [geïntimeerde] in de tegen hem gerezen verdenking als advocaat gehandeld had. Dit onderdeel mist echter relevantie omdat het geen betekenis heeft voor de verschuldigdheid door [geïntimeerde] van de hem gefactureerde bedragen, noch in het vonnis noch in dit arrest. De rechtbank zag geen grond in het door [geïntimeerde] gevoerde verweer, het hof evenmin. Het hof ziet dan ook geen noodzaak voor het stellen van prejudiciële vragen over dit onderdeel, zoals door [appellant] is voorgesteld. Nu dit thema niet relevant is, heeft [appellant] geen belang bij dit onderdeel, om welke reden het onderdeel faalt.

De tweede grief van [appellant] ziet op de door de rechtbank getrokken conclusie uit de opzegging van de tussen partijen bestaande overeenkomst door [appellant] in diens brief aan [geïntimeerde] d.d. 6 december 2017. De tekst van de opzeggingsbrief wordt door [appellant] erkend. Door de opzegging eindigde de overeenkomst. Als gevolg daarvan bestond er nadien geen overeenkomst meer onder welke [appellant] zijn werkzaamheden kon factureren. [geïntimeerde] behoefde daarop ook niet te rekenen. Door [appellant] is niet aangetoond dat [geïntimeerde] expliciet dan wel stilzwijgend heeft ingestemd met het ondanks de opzegging voortduren van de overeenkomst. Het zonder overeenkomst, zonder expliciete instructie van [geïntimeerde] en daarmee op eigen initiatief door [appellant] verrichten van werkzaamheden maakt dat niet anders, vooral ook niet omdat [geïntimeerde] vóór de opzegging de facturen al niet meer betaalde. Als vervolgens juist om die reden de overeenkomst wordt opgezegd, hoefde [geïntimeerde] er niet op te rekenen dat hem over de periode na opzegging nog werkzaamheden gefactureerd zouden worden. Daarvoor was een expliciete instemming aan de zijde van [geïntimeerde] nodig en die is gesteld, noch gebleken. De rechtbank heeft de facturen over de periode na opzegging dan ook terecht afgewezen. De grief faalt.

De derde grief van [appellant] ziet op de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van [appellant] die zien op door hem verleende rechtsbijstand in andere ‘dossiers’ dan de Bredase strafzaak. Deze ‘dossiers’ zagen onder meer op de woning van [geïntimeerde] , op diens faillissement, de tuchtzaak en op een kwestie in Curaçao. In die zaken was [geïntimeerde] jegens [appellant] wel ‘consument’. Niet gebleken is dat [geïntimeerde] expliciet opdracht aan [appellant] heeft gegeven voor de werkzaamheden in deze dossiers. Een (schriftelijke) overeenkomst van opdracht ontbreekt, evenals enige vorm van opdrachtbevestiging in de vorm die dienaangaande is voorgeschreven. Dergelijke vereisten zijn door [appellant] miskend, waarbij ook niet zonder betekenis is dat hij eerder werkzaamheden als ‘vriendendienst’ had verricht. Juist onder de omstandigheden waarin [geïntimeerde] verkeerde (detentie en de daaruit voortkomende psychische spanningen) had van [appellant] als professional verwacht mogen worden dat deze de gestelde overeenkomst zou expliciteren, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank heeft daarom deze vorderingen terecht afgewezen. Het vorenstaande geldt evenzeer voor de overige ‘subdossiers’, zoals het indienen van een klacht tegen de OvJ, overleg met de Deken, etc. Voor al deze ‘dossiers’ geldt dat niet gebleken is dat [geïntimeerde] hiervoor opdracht heeft gegeven en dat een (getekende) opdrachtbevestiging ontbreekt. De grief faalt.

De vierde grief van [appellant] ziet op het ontbreken van een bewijsopdracht in het bestreden vonnis. Voor zover [appellant] aanbod ziet op het alsnog in het geding brengen van stukken, miskent hij dat hij die gelegenheid al heeft gehad, en dat hij gehouden is om stukken waarop hij zich beroept zelf in het geding te brengen (art. 85 Rv.). Voor zover [appellant] in algemene zin bewijs heeft aangeboden door het horen van [geïntimeerde] , Kerkhoven en hemzelf, is dat aanbod onvoldoende specifiek, omdat op geen enkele wijze duidelijk is gemaakt op welk feit of welke feiten dat aanbod ziet. De grief faalt.

Aangezien de grieven van [appellant] falen zal het vonnis waarvan beroep worden. [appellant] dient als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding in (principaal) hoger beroep te dragen. Deze kostenveroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [geïntimeerde] dat niet heeft gevorderd.

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] geen andere stellingen ingenomen dan in het door hem zelf in gestelde hoger beroep tegen het bestreden vonnis, in welke zaak eveneens bij arrest van heden op de vorderingen van [geïntimeerde] wordt beslist. Dat leidt dan ook tot de conclusie dat de vordering in incidenteel appel (aangeduid met ‘in reconventie’) nodeloos is ingesteld. De vordering heeft betrekking op de in de andere zaak afgewezen stelling van [geïntimeerde] dat tussen partijen een vaste afspraak is gemaakt voor een bedrag van € 25.000,-, op welke grondslag hij terugbetaling door [appellant] vordert van al hetgeen hij meer dan dat bedrag aan [appellant] heeft betaald. Voor zover deze ‘eis in reconventie’ in hoger beroep al als een vermeerdering van zijn ‘tegeneis’ in eerste aanleg kan worden beschouwd, dient deze te worden afgewezen, alleen al omdat [geïntimeerde] in deze zaak zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd en/of de beweerdelijk gemaakte afspraak niet is komen vast te staan. Omdat daarmee vaststaat dat [geïntimeerde] het incidenteel hoger beroep nodeloos, en eveneens vergeefs, heeft ingesteld dient hij de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen. Deze kostenveroordeling wordt, overeenkomstig de vordering van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onverminderd hetgeen in het arrest d.d. heden in de zaak met nummer 200.298.089/01 is beslist;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 338,- wegens griffierecht en € 1.670,- wegens salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.290,- wegens salaris advocaat en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het overigens of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, K.A.J. Bisschop en F.J. Bloem-Timmermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?