ECLI:NL:GHAMS:2026:614

ECLI:NL:GHAMS:2026:614

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 200.327.285
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroepsfout advocaat. Het hof oordeelt dat de advocaat beroepsfouten heeft gemaakt en dat er causaal verband bestaat tussen deze beroepsfouten en de gestelde schade. Het advocatenkantoor als opdrachtnemer is aansprakelijk, niet ook de advocaat in privé. Het advocatenkantoor kan jegens haar (voormalig) cliënten geen beroep doen op de vervaltermijnen in haar algemene voorwaarden. Het hof wijst een schadepost af en verwijst voor de te vergoeden schade overigens naar de schadestaatprocedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.327.285/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/709527 / HA ZA 21-984

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026

inzake

1. [appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

2. [appellant 2] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

3. [appellant 3],

gevestigd te [plaats 1] ,

4. [appellant 4] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

5. [appellant 5],

gevestigd te [plaats 2] ,

6. [appellant 6] C.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

7. [appellant 7] ,

gevestigd te [plaats 3] , gemeente Cranendonck,

8. [appellant 8],

gevestigd te [plaats 2] ,

9. [appellant 9],

wonende te [plaats 4] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

advocaten: mr. M.C. van Rijswijk en mr. J.A.G. [naam 4] te Amsterdam,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

gevestigd te [plaats 5] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [plaats 6] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

advocaten: mr M.A. van der Pool en E. [naam 8] te Amsterdam.

Appellanten zullen hierna gezamenlijk [appellanten] worden genoemd. Afzonderlijk worden zij [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] , [appellant 6] , [appellant 7] , [appellant 8] en [appellant 9] genoemd. Geïntimeerden zullen hierna gezamenlijk [geïntimeerden] en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden genoemd.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde 2] heeft als advocaat enkele van de appellanten geadviseerd bij de herstructurering van vennootschappen en de verkoop van aandelen. [appellant 1] , onderdeel van het ZND-concern, was eigenaar van de helft van de aandelen in het Franse bedrijf TAB. [appellant 5] wilde, via [appellant 3] , die aandelen kopen. [geïntimeerde 2] heeft geadviseerd over de wijze waarop de aandelen zouden kunnen worden overgedragen, zonder dat de andere aandeelhouder het in de statuten van TAB opgenomen right of first refusal zou kunnen uitoefenen. Appellanten vinden dat [geïntimeerde 2] daarbij beroepsfouten heeft gemaakt waardoor de andere aandeelhouder zich heeft beroepen op een right of first refusal waarna hij in een arbitrageprocedure in het gelijk is gesteld. Daardoor heeft [appellant 1] haar aandelen in TAB aan hem moeten overdragen. Appellanten zeggen dat zij door de beroepsfouten schade hebben geleden en houden zowel [geïntimeerde 2] als zijn kantoor [geïntimeerde 1] aansprakelijk. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 2] beroepsfouten heeft gemaakt, maar zij heeft de gevorderde schadevergoeding afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband. De rechtbank heeft wel de tussen [appellanten] en [geïntimeerde 1] gesloten overeenkomst van opdracht gedeeltelijk ontbonden en geoordeeld dat [geïntimeerde 1] een bedrag van € 52.314,75 met rente aan [appellant 1] dient terug te betalen. Zowel [appellanten] als [geïntimeerden] zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het hof oordeelt dat [geïntimeerde 2] beroepsfouten heeft gemaakt en dat er causaal verband bestaat tussen deze beroepsfouten en de door [appellanten] gestelde schade. [geïntimeerde 1] als opdrachtnemer – en niet ook [geïntimeerde 2] als behandelend advocaat – is aansprakelijk voor de schade die [appellanten] als gevolg van de beroepsfouten hebben geleden. Niet gebleken is dat er naast het tekortschieten van [geïntimeerde 1] in de nakoming van de overeenkomst sprake is van onrechtmatig handelen of het schenden van een bijzondere zorgplicht die kan leiden tot vergoeding van afgeleide schade. Voor de vaststelling van de omvang van de te vergoeden schade (met uitzondering van de grootste post, het synergievoordeel dat met het TAB-belang verloren zou zijn gegaan, die wordt afgewezen) verwijst het hof naar de schadestaatprocedure. Verder vermindert het hof de ongedaanmakingsverplichting in verband met de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht met een bedrag van € 10.771,50.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 april 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 8 februari 2023, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Op 2 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen:

- namens [appellanten] : [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] voornoemd,

- namens [geïntimeerden] : [naam 5] , [naam 6] en [geïntimeerde 2] , bijgestaan door [naam 7] en [naam 8] voornoemd.

[naam 3] en Van der Pool hebben spreekaantekeningen overgelegd; deze maken deel uit van de stukken.

Op deze mondelinge behandeling is tevens de vrijwaringsprocedure tussen [geïntimeerden] en hun (excedent)verzekeraar van [geïntimeerde 1] (zaaknummer: 200.239.833/01) behandeld.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben – na wijziging van eis - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 8 februari 2023 zal vernietigen, en –voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – en met beslissing over de proceskosten:

( i) voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] diverse beroepsfouten heeft begaan jegens [appellanten] ,

(ii) ieder van [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen, althans een of meer van hen zal veroordelen, om aan appellanten te voldoen een bedrag van

- primair € 3.586.000,- (althans een vergelijkbaar bedrag zoals in de inleidende dagvaarding vermeld, alles gebaseerd op het blijven behouden van 50% TAB),

- subsidiair € 4.674.000,- (althans een vergelijkbaar bedrag zoals in de memorie van grieven vermeld, alles gebaseerd op het blijven behouden van 100% TAB),

- meer subsidiair € 1.520.000,- (gebaseerd op de aankoopprijs van € 4.300.000,-verminderd met de verkoopprijs van € 2.780.000,-),

te vermeerderen met een rentepercentage van 11,39% (en in het geval van het meer subsidiair gevorderde te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente) vanaf 1 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,

althans een in goede justitie te bepalen bedrag en rente, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(iii) ieder van [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen, althans een of meer van hen zal veroordelen, om aan appellanten te voldoen een bedrag van € 16.201.816,-, althans € 7.004.728,-, althans € 3.499.139,11 ter zake van het verlies van het synergievoordeel, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans wettelijke rente daarover tot aan de dag der algehele voldoening;

(iv) ieder van [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen, althans een of meer van hen zal veroordelen, om aan appellanten te volden een bedrag van € 580.404,76 ter zake van gemaakte kosten inzake de Franse arbitrageprocedure, het waarderingsrapport en buitengerechtelijke kosten van Stonewater, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente, daarover tot aan de dag der algehele voldoening.

[geïntimeerden] hebben in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof de grieven van [appellanten] als ongegrond en onbewezen zal aanmerken, al dan niet onder verbetering van de gronden en het bestreden vonnis zal bekrachtigen. [geïntimeerden] hebben in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest en met beslissing over de proceskosten:

(i) het bestreden vonnis zal bekrachtigen voor zover [geïntimeerden] daartegen geen incidentele grief hebben opgeworpen, al dan niet met verbetering van gronden,

(ii) de incidentele grieven van [geïntimeerden] zal toewijzen en het vonnis op die specifieke punten zal vernietigen,

(iii) [appellanten] zal veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van het bedrag van € 52.314,76 dat zij uit hoofde van het vonnis aan [appellanten] heeft betaald, althans tot terugbetaling van een bedrag van € 10.771,50,

(iv) opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellanten] (in eerste aanleg en zoals bij memorie van grieven gewijzigd) integraal zal afwijzen.

[appellanten] hebben in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat zowel de eerste als de tweede incidentele grief faalt.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft onder 3.1 tot en met 3.40 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feitenvaststelling is door [appellanten] gedeeltelijk bestreden met grief 1. Het hof zal met wat in de toelichting op deze grief is gesteld rekening houden, voor zover relevant en voldoende feitelijk onderbouwd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.

- de partijen

Het ZND-concern houdt zich via diverse (klein)dochterondernemingen in en buiten Nederland bezig met de productie van staaldraadproducten. CEO van het ZND-concern is [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] was (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van [appellant 7] . [appellant 7] en [appellant 9] (samen: [appellant 7] ) waren enig aandeelhouder van [appellant 2] .

[appellant 2] was enig aandeelhouder van [appellant 1] . [appellant 1] was enig aandeelhouder van [appellant 4] en hield daarnaast ongeveer 50% van de aandelen in de Franse vennootschap [bedrijf] (TAB). De andere helft van de aandelen werd gehouden door (een vennootschap van) [naam 9] (hierna: [naam 9] ).

[appellant 5] en [appellant 6] zijn onderdeel van het private equity fonds [appellant 5] en worden hierna samen aangeduid als [appellant 5] . [appellant 5] wilde via de nieuw opgerichte entiteit [appellant 3] de activiteiten van [appellant 2] overnemen. De transactie werd ‘Transactie Screen’ genoemd. Na de overname zouden de aandelen in [appellant 3] worden gehouden door [appellant 5] , [appellant 7] en [appellant 8] .

[geïntimeerde 1] voert een advocatenkantoor. [geïntimeerde 2] was als advocaat en partner verbonden aan [geïntimeerde 1] .

- de opdracht aan [geïntimeerde 1]

In het voorjaar van 2017 heeft [appellanten] [geïntimeerde 1] benaderd om haar bij te staan bij Transactie Screen. Op 6 juli 2017 heeft [geïntimeerde 2] een opdrachtbevestiging gestuurd aan [appellant 7] In de opdrachtbevestiging staat onder andere:

“Onder verwijzing naar het door [geïntimeerde 1] gedane en geaccepteerde voorstel voor Transactie Screen bevestig ik hierbij volledigheidshalve (…) de door [appellant 7] en de heer [appellant 9] aan [geïntimeerde 1] verstrekte opdracht om haar te adviseren i.v.m. (kort gezegd) Transactie Screen”

In de opdrachtbevestiging staat verder dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] van toepassing zijn. Artikel 2 lid 2 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] luidt als volgt:

“Artikel 2. Toepasselijkheid

(…)

2. Opdrachten worden uitsluitend aanvaard door [geïntimeerde 1] , ook indien het de uitdrukkelijke of stilzwijgende bedoeling is dat een opdracht door een bepaalde persoon wordt uitgevoerd. In afwijking van de artikelen 7:404, 7:407 lid 2 en 7:409 van het Burgerlijk Wetboek zijn de advocaten en anderen die voor of ten behoeven van [geïntimeerde 1] , al dan niet in dienstbetrekking, werkzaam zijn niet persoonlijk gebonden of aansprakelijk, ook niet indien de opdracht is verleend met het oog op een bepaalde persoon.”

Artikel 5 lid 2 van de algemene voorwaarden bevat een klachtplicht en luidt als volgt:

“Artikel 5. Reclame

1. Reclames ten aanzien van facturen dienen onder opgaaf van redenen schriftelijk binnen veertien dagen na factuurdatum bij [geïntimeerde 1] te worden ingediend, bij gebreke waarvan de rechten van de Opdrachtgever terzake vervallen.

2. Alle overige door de Opdrachtgever beweerde rechten wegens tekortkomingen in de nakoming van haar verplichtingen door [geïntimeerde 1] dienen schriftelijk, binnen twee maanden nadat de Opdrachtgever de tekortkoming heeft ontdekt of redelijkerwijs had kunnen ontdekken, bij [geïntimeerde 1] te worden ingediend, bij gebreke waarvan de rechten van de Opdrachtgever ter zake vervallen.”

In artikel 6 van de algemene voorwaarden staan diverse beperkingen van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] en een vervalbeding. Deze beperkingen luiden als volgt:

Artikel 6. Aansprakelijkheid

1. Onverminderd de overige in deze algemene voorwaarden opgenomen exoneraties is iedere aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] jegens Opdrachtgever voor toerekenbaar tekortschieten, onrechtmatig handelen of welke andere oorzaak ook beperkt tot het bedrag dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde 1] in dat concrete geval uitkeert, te vermeerderen met het bedrag van het eigen risico. [geïntimeerde 1] is conform de in de branche gebruikelijke bedragen en condities voor aansprakelijkheid verzekerd. Een afschrift van de polis wordt op verzoek ter beschikking gesteld.

2. Indien de aansprakelijkheidsverzekering van [geïntimeerde 1] in enig concreet geval om enigerlei reden geen aanspraak op dekking geeft, dan wel de betreffende schade niet door verzekering is gedekt, is de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] beperkt tot ten hoogste het door [geïntimeerde 1] in het kader van de betreffende opdracht gedurende de laatste twaalf kalendermaanden waarin aan de betreffende opdracht is gewerkt aan de Opdrachtgever in rekening gebrachte bedrag.

3. [geïntimeerde 1] is nimmer aansprakelijk voor bedrijfs-, gevolg- of indirecte schade.

4. Onverminderd hetgeen in artikel 5 van deze algemene voorwaarden omtrent reclame is bepaald, vervalt iedere vordering tot schadevergoeding tegen [geïntimeerde 1] , behalve die welke door [geïntimeerde 1] is erkend, door het enkele verloop van zes maanden nadat Opdrachtgever de schade heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken.

5. Onverminderd de overigens in deze algemene voorwaarden opgenomen exoneraties is [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk voor schade:

a. die is veroorzaakt door derden die bij de uitvoering van een opdracht zijn betrokken, tenzij die derde door [geïntimeerde 1] bij de opdracht is betrokken en Opdrachtgever aantoont dat [geïntimeerde 1] bij de keuze van de derde niet zorgvuldig heeft gehandeld;

b. die het gevolg is van aan [geïntimeerde 1] verstrekte onjuiste of onvolledige informatie, tenzij de onjuistheid of onvolledigheid voor [geïntimeerde 1] zonder meer duidelijk had kunnen zijn en [geïntimeerde 1] nagelaten heeft Opdrachtgever van die onjuistheid of onvolledigheid in kennis te stellen;

c. die het gevolg is van beschadiging of verlies van informatie tijdens het transporteren van informatie;

(….)

e. die niet schriftelijk is gemeld binnen twee maanden nadat Opdrachtgever het

ontstaan van schade heeft ontdekt of redelijkerwijs had kunnen ontdekken.

6. Opdrachtgever vrijwaart [geïntimeerde 1] voor aanspraken van derden wegens schade ontstaan in de uitvoering van een opdracht voor de Opdrachtgever, waarvoor [geïntimeerde 1] ingevolge het bepaalde in dit artikel 6 niet aansprakelijk is.

7. Onverminderd het vorenstaande kunnen aansprakelijkheidsbeperkende, -uitsluitende of - vaststellende voorwaarden, welke door derden aan [geïntimeerde 1] kunnen worden tegengeworpen, ook door [geïntimeerde 1] aan Opdrachtgever worden tegengeworpen. Opdrachtgever kan, indien en voor zover [geïntimeerde 1] bij de uitvoering van de Opdracht gebruik heeft gemaakt van derden, jegens [geïntimeerde 1] nimmer meer rechten doen gelden dan [geïntimeerde 1] jegens de betreffende derden kan doen gelden.”

[appellant 9] en [naam 1] hebben de opdrachtbevestiging op 2 oktober 2017 ondertekend.

- de voorgenomen verkoop van het TAB-belang, oktober 2017 – januari 2018

Voor de beoogde verkoop van [appellant 1] aandelen in TAB is van belang dat de aandeelhoudersovereenkomst van TAB een beding bevat dat door partijen de aanbiedingsplicht of het right of first refusal wordt genoemd:

“If [ [appellant 1] ] or [ [naam 9] ] wishes to sell or transfer (…) its shares in TAB, it or he shall in the first instance offer such shares to the other party for a purchase. Such provision shall not apply in case [ [appellant 1] ] intends to transfer (…) its shares to one of its affiliated companies (…)”.

De aandeelhoudersovereenkomst wordt beheerst door Frans recht en bepaalt dat geschillen zullen worden beslecht door arbitrage.

Daarnaast is op grond van artikel 13 van de statuten van TAB voor de aandelenoverdracht de toestemming van het bestuur vereist. Het bestuur bestond uit [naam 9] , [naam 1] , hun vennootschappen en [appellant 9] .

Op 6 november 2017 heeft [naam 1] aan [naam 9] gevraagd of hij afstand zou willen doen van zijn kooprecht op de aandelen.

De Franse advocaten van Clifford Chance hebben [appellant 5] op 7 november 2017 geadviseerd over de verkoop van de aandelen. Dit advies is ook aan [geïntimeerde 2] gestuurd. Volgens Clifford Chance is een verkoop aan een affiliated company niet onderworpen aan het right of first refusal van medeaandeelhouder [naam 9] . De aandeelhoudersovereenkomst en het Franse recht bevatten echter geen definitie van ‘affiliate’. Een redelijke uitleg houdt volgens Clifford Chance in dat [appellant 1] een dochteronderneming is van [appellant 2] en [appellant 2] van [groep] , zodat [appellant 2] en [groep] moeten worden begrepen als affiliates van [appellant 1] . Clifford Chance benoemt daarnaast dat op grond van de statuten voor de aandelenoverdracht ook toestemming van het bestuur nodig is, feitelijk dus van [naam 9] als bestuurder. Een weigering van het bestuur voor een aandelenoverdracht die op grond van de aandeelhoudersovereenkomst is toegestaan, zou volgens Clifford Chance echter van kwade trouw getuigen.

Op 17 november 2017 hebben [appellant 7] , [appellant 3] en een nieuwe entiteit, [groep] B.V., de Share Purchase Agreement (SPA) ondertekend. Hiermee zijn zij overeengekomen dat [appellant 7] , als enig aandeelhouders van [groep] , hun aandelen verkopen aan [appellant 3] . [groep] zal ten tijde van de levering van de aandelen direct of indirect alle aandelen houden in de over te nemen bedrijven, waaronder het 50%-belang in TAB, maar niet [appellant 2] of [appellant 1] . Met betrekking tot TAB bevat de SPA verder de volgende bepalingen:

“3.3 TAB Transaction

3.3.1

As part of the Transaction, [ [appellant 3] ] will become the (indirect) owner of approximately 50% of the shares in the capital of TAB. It is the Parties’ intention that the other shares in the capital of TAB, currently held by Mr [naam 9] (…), are also transferred to [ [groep] ] (such transaction, the TAB Transaction). (…) Parties wish to agree on certain arrangements in respect of the TAB transaction on the basis as set out in this Clause 3.3.

3.3.2

Parties envisage to complete the TAB Transaction between the date hereof and the date ending 1 year after Closing (…).

(…)

3.4

TAB Transaction Undertakings

3.4.1

The Parties intend to complete the TAB Transaction within 1 year following Closing and [ [appellant 7] ] shall use their commercially reasonable best efforts to procure that completion of the TAB Transaction will occur within 1 year following Closing.”

De waarde van de aandelen in TAB is door partijen bij de SPA vastgesteld op € 4.300.000,-.

Op dezelfde datum hebben [appellant 7] , [appellant 3] en [appellant 2] een Call and Put Option Agreement (CPOA) ondertekend, die inhoudt dat [appellant 3] als koper en [appellant 7] als verkopers verplicht zijn om op een later moment [appellant 2] , met daaronder [appellant 1] en [appellant 4] (hierna ook samen: de draaddivisie), over te dragen.

[geïntimeerde 2] heeft de Franse advocaten van [naam 10] om advies gevraagd over de verkoop van [appellant 1] aandelen in TAB. [naam 10] heeft op 1 december 2017 geschreven dat een aandelenoverdracht door [appellant 1] aan een affiliated company niet valt onder het right of first refusal van [naam 9] . [naam 10] bevestigt dat de aandeelhoudersovereenkomst en het Franse recht geen definitie van ‘affiliate’ bevatten. [naam 10] gaat ervan uit dat [appellant 2] enig aandeelhouder is van [appellant 1] en dat [groep] enig aandeelhouder wordt van [appellant 2] . In dat geval zijn de voorgestelde aandelenoverdrachten niet onderworpen aan het right of first refusal.

[naam 1] heeft meerdere keren geprobeerd [naam 9] ervan te overtuigen dat [appellant 1] geen aanbiedingsplicht heeft. Hij heeft geprobeerd [naam 9] over te halen om mee te werken aan de overdracht van de aandelen aan [groep] .

Op 21 december 2017 heeft [naam 9] aan [naam 1] geschreven:

“(…) I understand you expect to make the deal without your TAB shares, nevertheless, you also write you would like me to sign the transfer of the shares. If it is the case could you please confirm to me by mail that you would like me to organize a board meeting with an agenda that would include the approval of the double transfer to [appellant 2] and to [groep] of the (…) shares from [appellant 1] Holding.

I think we could then organize such board meeting in January”.

Op de datum van de closing, 22 december 2017, zijn de in de SPA omschreven aandelen geleverd, met uitzondering van de aandelen in TAB. Ten aanzien van de aandelen in TAB hebben [appellant 7] , [appellant 3] en [groep] op die datum een Amendment Agreement (hierna ook: AA) ondertekend. In de AA is onder meer overeengekomen dat het TAB-belang geen onderdeel (meer) uitmaakt van de SPA en dat de koopsom inzake de SPA daalt met € 4.300.000,-, dat het TAB-belang onderdeel wordt van de CPOA en dat de koopsom inzake de CPOA toeneemt met dezelfde € 4.300.000,-. Daarnaast is in de AA overeengekomen dat er een aparte call optie en put optie komen inzake het TAB-belang, inhoudende dat [appellant 3] als koper en [appellant 7] als verkopers verplicht zijn om op een later moment het TAB-belang over te dragen, indien [naam 9] zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke toestemming en medewerking aan de verkoop heeft verleend. Verder bevat de AA een bepaling die inhoudt dat artikel 3.3 en 3.4 van de SPA ongewijzigd van kracht blijven.

[naam 1] was vanaf de closing bestuurder van [appellant 3] .

Begin januari 2018 heeft [naam 1] [geïntimeerde 2] laten weten dat het erop lijkt dat [naam 9] alsnog voor de overdracht van de aandelen aan [groep] gaat stemmen en dat ze daarvoor deze maand nog bij elkaar zullen zitten.

[naam 9] heeft [naam 1] begin januari 2018 gevraagd om een formeel verzoek in te dienen om een bestuursvergadering bijeen te roepen om het bestuur van TAB om toestemming te vragen als bedoeld in artikel 13 van de statuten (zie onder 3.8). [naam 9] heeft een concept van zo’n formeel verzoek meegestuurd. Daarin staat dat [appellant 1] van plan is haar aandelen over te dragen aan [appellant 2] , waarna [appellant 2] ze [naam 11] overdragen aan [groep] . [naam 1] moet daarin alleen de prijs van beide transacties nog invullen.

[naam 1] heeft [geïntimeerde 2] op 8 januari 2018 om advies gevraagd, waarbij hij benadrukt dat hij niet [naam 11] dat de aanbiedingsplicht wordt geactiveerd. Hij [naam 11] ook niet dat de prijs van de verkoop van de aandelen door [appellant 2] aan [groep] aan [naam 9] bekend wordt. [geïntimeerde 2] heeft op 10 januari 2018 contact opgenomen met [naam 10] en heeft ook de zorgen van [naam 1] met [naam 10] gedeeld. Hij geeft in zijn e-mail van 10 januari 2018 aan [naam 10] onder meer aan: “Mr [naam 9] seems willing to approve in the meeting convened by the attached. But we are not sure.” [naam 10] heeft in een e-mail van 12 januari 2018 laten weten dat een rechtstreekse overdracht van de aandelen aan [appellant 3] en een overdracht via [appellant 2] aan [appellant 3] de aanbiedingsplicht zullen activeren. Op een overdracht van [appellant 1] aan [appellant 2] en daarna aan [groep] zal de aanbiedingsplicht niet van toepassing zijn. Daarnaast heeft [naam 10] gezegd dat het verzoek om toestemming van het bestuur ook de verkoopprijs van de aandelen moet bevatten.

Naar aanleiding van dit advies heeft [geïntimeerde 2] [naam 1] op 13 januari 2018 het volgende gemaild:

“Ik had gisteren contact met [naam 10] (…) en vat kort samengevat hun analyse en mijn gedachten over de wenselijke aanpak samen:

een voorgenomen overdracht aan [appellant 2] triggert geen aanbiedingsplicht (right of 1st refusal)

een voorgenomen overdracht aan Screen triggert wél een aanbiedingsplicht

beide overdrachten vereisen goedkeuring van [naam 9] als bestuurder. En de notice van beide voorgenomen overdrachten (het document dat nu voorligt) moet per se de prijs vermelden

oplossing: [ [naam 10] ] is creatief noch gedurfd. Moeten daarom zelf iets verzinnen. Ik denk als volgt en simpel: als we iets willen, moeten we naar 1 overdracht (van [appellant 2] naar Screen) en wat betreft de prijsvermelding niet het beste jongetje van de klas zijn. Ik (laat mij die “vergissing” maar maken) zou kunnen opnemen een “indicative price of approximately 1M (to be finally determined with purchaser at around closing)”

verder zouden we kunnen opnemen dat de goedkeuring als bestuurder een waiver van het right of 1st refusal impliceert. Maar ik ben daar eigenlijk niet voor. Als hij als bestuurder goedkeurt, komt het wel goed. En als hij op je aangepaste notice reageert met een beroep op aanbiedingsplicht, dan is het antwoord uiteraard dat deze vlieger niet opgaat omdat je terecht aannam dat hij door de bocht zou komen en omdat de voorgenomen overdracht uiteraard geldt op voorwaarde dat het TAB belang niet ineens naar [naam 9] moet. Hij gaat dan echt niet naar de rechter en dat zou ook kansloos zijn”

Op 15 januari 2018 heeft [geïntimeerde 2] [naam 1] vervolgens een aangepaste versie van het verzoek tot het bijeenroepen van een bestuursvergadering gestuurd. In deze versie is geen sprake meer van een eerste overdracht van [appellant 1] aan [appellant 2] en vervolgens van [appellant 2] aan [groep] , maar is het voornemen om de aandelen rechtstreeks over te dragen aan [appellant 3] , voor een te verwachten prijs van ongeveer € 1.200.000,-. In de begeleidende e-mail heeft [geïntimeerde 2] geschreven:

“Ik zou het bij gebrek aan een beter alternatief zo doen. De genoemde waarde, is in het kader van de herstructurering besproken (knoopt denk ik aan bij de net asset value, en is in elk geval lager dan de prijs die wordt betaald).”

De brief van 15 januari 2018 luidt op dat moment als volgt:

“(… ) Subject: request for the approval of a distribution of shares in accordance with the provisions of the article 13 of the article of association of TREFILERIE D’ACIER DE BRETAGNE

Dear Sir,

Pursuant to the provision of the article 13 of the articles of association of the Company “the transfer of shares to a third-party whatsoever is subject to the prior approval of the board of directors”.

Therefore, we hereby inform you that the following transaction is contemplated:

the distribution by [appellant 1] of 6,999 shares with a nominal value of EUR16 that it owns in the share capital of your Company for the expected value of EUR (….) to [appellant 3] (…..).

In accordance with the article 13 of the articles of association of the Company, you are requested to submit this distributions of shares to the prior approval of the board of directors of the Company. (….)”

[naam 1] heeft dit verzoek vervolgens aan [naam 9] verzonden. Dit verzoek wordt verder ook aangeduid als de brief van 15 januari 2018.

Op 29 januari 2018 heeft de bestuursvergadering van TAB plaatsgevonden. [naam 9] heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder tegen de voorgenomen overdracht van de aandelen gestemd. Daarnaast heeft [naam 9] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een beroep gedaan op de aanbiedingsplicht en aanspraak gemaakt op levering van de aandelen van [appellant 1] tegen een bedrag van ongeveer € 1.800.000.-.

[naam 1] heeft [geïntimeerde 2] hierover geïnformeerd. [geïntimeerde 2] heeft [naam 1] op 30 januari 2018 laten weten dat de aanbiedingsplicht niet is geactiveerd door de brief van 15 januari 2018 omdat het voornemen om de aandelen aan [appellant 3] over te dragen is gedaan onder voorbehoud van goedkeuring van [naam 9] . [geïntimeerde 2] schrijft: “(…) Dag [naam 11] , ik kijk er zsm naar maar er is geen aanbiedingsplicht getriggerd. Dat is echt onzin en doorzichtig. Met dit dossier, beaamt ook [naam 12] , heb je uiteraard aangeboden onder voorbehoud dat hij akkoord is en niet in eens een right of refusal claimt. Zou een mooie boel worden. (….)”. In zijn e-mail van 31 januari 2018 bevestigt [geïntimeerde 2] dat er geen sprake is van een aanbiedingsplicht.

In een e-mail van 5 februari 2018 van [geïntimeerde 2] aan [naam 1] heeft [geïntimeerde 2] de volgende samenvatting gegeven:

“(…) As stated earlier and against the background Mr [naam 9] is very well aware of, Mr [naam 9] of course does not have any right of first refusal whatsoever.

Allow me to briefly summarize the matter as follows:

- late 2017, you and Mr [naam 9] discussed the possible intragroup transfer of the shares in TAB held by [appellant 1] ( [appellant 1] ) to its affiliate [appellant 2] or [groep] B.V., in connection with the main transaction between you and (de facto) [appellant 5]

- at the time, Mr [naam 9] was continuously of the opinion that such transfer would trigger a right of first refusal / right of approval, but our firm (including [naam 10] and Clifford Chance) were convinced that such was not the case because of the nature of the transfer (i.e. a transfer to an affiliate of [appellant 1] )

- however, Mr [naam 9] (as shareholder and managing director of TAB) appeared very reluctant and refused to cooperate, and to avoid further discussions with Mr. [naam 9] , you decided to put the possible transfer of TAB shares on hold

- mid January, obviously Mr. [naam 9] gave you the impression that he would after all accept a transfer of the TAB shares to (now) [appellant 3] BV (Screen) without making use of any right of first refusal / right of approval (if at all existing), and requested you to sign a letter prepared by [naam 10] as a formality and condition of the main transaction (which initially was planned to be effectuated including the TAB interest of [appellant 1] )

- in our opinion, this letter (again) was only a formality of the effectuation of the intragroup transfer of the TAB shares to Screen with Mr [naam 9] ’s approval after all

- however, Mr [naam 9] presented you, out of the blue and as a big surprise, a letter notifying his exercise of a right of first refusal and obviously prepared in advance

- apparently, Mr [naam 9] has had a premeditated plan to trigger a right of first refusal. Under the applicable laws and regulations, however, this plan (which by the way is not very friendly and certainly not something a fellow shareholder should want to take) does not at all have the effect desired. This inter alia is due to the following reasons

- first of all, [appellant 1] only has the desire to transfer its interest in TAB if (i.e. on the condition precedent that) Mr [naam 9] approves such transfer in advance. Without such approval of Mr [naam 9] , formally, [appellant 1] does not have any such desire at all

- secondly, if such desire should be deemed to exist, at this stage, obviously, it does not yet regard a concrete and committed transaction with [appellant 5] . As a result, there is no right of first refusal since there is no necessity to protect a fellow shareholder against an unwanted and “alien” shareholder (the rationale behind the right of first refusal)

- thirdly, Mr [naam 9] demonstrably gave you the impression that signing the letter prepared by [naam 10] was only a formality, and a first step to effectuate a transfer to Screen with the approval of Mr [naam 9]

- last but not least, even if “technically” there would be a right of first refusal, against the background set out briefly above, Mr [naam 9] of course is not entitled to exercise this right, since this would be a breach of good faith.

Feel free to forward this email to Mr [naam 9] on behalf of both [appellant 1] and Screen, and of course we (like [naam 12] and Clifford) will be willing to discuss the matter with him or his lawyer (to avoid formal proceedings with an outcome that can easily be predicted. (…)”

- onderhandelingen met [naam 9] , voorjaar – zomer 2018

In het voorjaar van 2018 hebben [naam 1] en [naam 9] gesproken over de mogelijkheid dat de een de aandelen in TAB van de ander zou kopen. Op 1 juni 2018 heeft [naam 1] [naam 9] laten weten dat [appellant 1] bereid was de aandelen van [naam 9] over te nemen voor ongeveer € 2.500.000,-. [naam 9] heeft op 4 juni 2018 laten weten dat hij dat aanbod wel wilde accepteren, en daarbij enkele voorwaarden genoemd, waaronder goede afspraken over de huur van het bedrijfspand en over een vertrekperiode voor [naam 9] . [naam 1] heeft daarop laten weten dat hij met [appellant 5] moest overleggen.

Op 8 juni 2018 heeft [naam 9] zijn aanvaarding van het aanbod van 1 juni 2018 herhaald. Daaraan heeft hij toegevoegd dat de verkoop van zijn aandelen zijn tweede keus is, omdat zijn eerste keus is om de aandelen van [appellant 1] te kopen. Hij heeft gerefereerd aan een bijeenkomst met [appellant 5] in mei, waarop vier scenario’s zijn besproken. Volgens [naam 9] zijn de andere twee scenario’s, die behoud van de status quo inhielden, niet langer aan de orde.

Op diezelfde datum heeft [naam 1] aan [geïntimeerde 2] gemaild:

“ [naam 9] biedt zijn aandelen te koop aan. En als we niet kopen dan gaat hij zijn ‘right of first refusal’ alsnog gerechtelijk afdwingen. [appellant 5] [naam 11] zijn belang niet kopen. Kun jij aan [appellant 5] nogmaals bevestigen dat hij geen poot heeft om op te staan?”

[geïntimeerde 2] heeft op 13 juni 2018 geantwoord:

“(…) hierbij nogmaals – mede voor [appellant 5] – de bevestiging dat [ [naam 9] ] een bijzonder zwakke case heeft. Om niet te zeggen: de man is wat ons betreft volstrekt kansloos. (…) Vervolgens heeft hij je in januari in de val willen laten lopen: die bestuursvergadering toen was voor jou een formaliteit i.v.m. de gewenste overdracht, maar voor hem een vooropgezet en doorzichtig plan om alsnog een right of 1st refusal te triggeren. Zo’n plan kan met de feiten en achtergrond van deze zaak nooit doel treffen. Beaamde ook [naam 10] (Frankrijk) met wie ik meermalen contact had”.

Op 2 juli 2018 heeft [naam 1] aan [naam 9] laten weten dat hij in overleg met [appellant 5] heeft besloten dat ze de aandelen in TAB in 2018 niet willen overnemen.

Na verdere e-mailwisseling tussen [naam 9] en [naam 1] heeft [naam 9] op 27 juli 2018 zijn aanvaarding van het aanbod ingetrokken. Onder verwijzing naar zijn email van

8 juni 2018 heeft [naam 9] herhaald dat handhaving van de status quo voor hem geen optie meer is. De voorkeur van [naam 9] gaat nog steeds uit naar het kopen van de aandelen van [appellant 1] , waartoe hij dankzij het right of first refusal ook de mogelijkheid heeft. [naam 9] heeft aangekondigd dat hij de noodzakelijke stappen zal ondernemen om dit recht uit te oefenen.

[naam 1] heeft de e-mailwisseling doorgestuurd aan [geïntimeerde 2] en gevraagd hoe hij hierop zou moeten reageren. [geïntimeerde 2] heeft vervolgens op 31 juli 2018 het volgende gemaild:

“Onze gedachten op hoofdlijnen:

- Het dossier staat inmiddels wel: juridisch geen specifieke reactie

- Maar niets doen lijkt me geen optie

- [ [naam 9] ] lijkt namelijk op ramkoers te liggen

- Je hebt een erg sterke case maar een rechtszaak is tijdrovend, duur en nooit 100% zeker gewonnen

- Alles in aanmerking genomen heeft het daarom onze voorkeur om eerst te kijken of misschien een beetje water bij de wijn kan worden gedaan. Dat staat ook goed voor het geval de zaak wel onder de rechter komt”

De levering van de draaddivisie en de aandelen TAB, najaar 2018

Op 2 oktober 2018 heeft [naam 1] [geïntimeerde 2] om advies gevraagd over het uitoefenen van de optie onder de CPOA (na aanpassing hiervan door middel van de AA), dat [naam 11] zeggen de verkoop van [appellant 2] aan [appellant 3] , die indirect ook de verkoop van de aandelen van [appellant 1] in TAB aan [appellant 3] inhoudt. [geïntimeerde 2] heeft hierop diezelfde dag geantwoord dat de verkoop zijn zegen heeft. Hij schrijft:

“(….) - deze aanpak heeft onze zegen

- ik zou de voorgenomen overdracht idd aan DV willen melden

- DV protesteerde al eens en gaat zeker weer protesteren. Maar dat hoeft jullie

niet tegen te houden

- wij zien – zoals jullie en Clifford destijds – nog steeds geen aanbiedingsplicht

- wij zien geen grond waarop DV jullie zou kunnen dwingen zijn deel af te nemen tegen EUR 4,3 mio. Maar voor de zekerheid hebben we [naam 10] Parijs gevraagd mee te denken (….)”

Op 26 oktober 2018 hebben [appellant 7] de aandelen in [appellant 2] verkocht aan [appellant 3] . Daaronder vielen ook de dochtermaatschappijen [appellant 4] en [appellant 1] , en dus ook de aandelen van [appellant 1] in TAB. Voor het TAB-belang heeft [appellant 3]

€ 4,3 miljoen betaald.

- de (aanloop naar de) arbitrageprocedure

Op 11 december 2018 heeft [naam 9] aan [naam 1] geschreven:

“(…) I write to you to tell you that I decided to go on with arbitration for my right of first refusal. (…) despite my attempts to negotiate during this year nothing has come out from your side and I am not convinced that [appellant 5] is interested to go further on with TAB (…)”

[naam 1] heeft deze e-mail doorgestuurd aan [geïntimeerde 2] en gevraagd om op gepaste wijze te reageren. Daarbij heeft hij ook geschreven: “Als ik mij goed herinner zijn jullie al eerder dit jaar tot de conclusie gekomen dat [ [naam 9] ] dit right of first refusal helemaal niet heeft”. [geïntimeerde 2] heeft op dezelfde dag geantwoord: “Wat ons en [ [naam 10] ] (en [Clifford Chance] vorig jaar) betreft heeft de man inderdaad geen poot om op te staan.”

[naam 9] heeft [naam 1] laten weten dat hij een arbiter heeft aangewezen om het tussen de aandeelhouders in TAB ontstane geschil te beslechten en heeft [appellant 1] verzocht een eigen arbiter aan te wijzen. [appellant 1] heeft een arbiter aangewezen, waarna de (Franse) arbitrageprocedure is gestart.

In januari 2019 hebben [naam 1] en [naam 9] nog gecorrespondeerd over mogelijke oplossingen om de arbitrageprocedure te voorkomen, te weten verkoop aan [appellant 1] , aan [naam 9] of gezamenlijke verkoop aan een derde.

[appellant 1] is in de arbitrageprocedure bijgestaan door [naam 10] . Op 25 april 2019 hebben de arbiters geoordeeld dat [naam 9] op 5 februari 2018 rechtsgeldig zijn right of first refusal heeft uitgeoefend en bepaald dat de verkoopprijs van de aandelen van [appellant 1] door een deskundige moet worden vastgesteld. [naam 10] heeft de uitkomst op 2 mei 2019 aan [naam 1] meegedeeld. [naam 1] heeft [geïntimeerde 2] vervolgens gemaild: “Hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”. Tegen het arbitraal vonnis stond geen hoger beroep open.

Beide partijen hebben een deskundige aangesteld om de waarde van de aandelen vast te stellen. De rechter in het “Tribunal de Commerce de Rennes” heeft daarna een onafhankelijke deskundige benoemd, die de waarde van de helft van de aandelen in TAB heeft bepaald op ongeveer € 2,78 miljoen. Op 27 juli 2020 heeft [appellant 1] haar aandelen in TAB geleverd aan [naam 9] voor dit bedrag.

4. Eerste aanleg en grieven in hoger beroep

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 8 februari 2023 voor recht verklaard dat de overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde 1] rechtsgeldig is ontbonden met betrekking tot de werkzaamheden waarbij [geïntimeerde 2] in 2018 een beroepsfout heeft gemaakt en de werkzaamheden die daarvan het gevolg zijn geweest en heeft [geïntimeerde 1] veroordeeld om aan [appellant 1] een bedrag van € 52.314,76 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na de betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling. De rechtbank heeft [geïntimeerde 1] veroordeeld in de proceskosten. De overige vorderingen zijn afgewezen.

Tegen deze beslissingen en de motivering daarvan hebben [appellanten] zes grieven gericht. Ook hebben zij in hoger beroep hun eis gewijzigd, zoals hierboven onder overweging 2.6 weergegeven.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd en op hun beurt in incidenteel hoger beroep twee grieven tegen het vonnis geformuleerd. [appellanten] heeft daartegen verweer gevoerd.

5. Beoordeling

De feiten

Voor zover de eerste grief van [appellanten] ziet op de feitenvaststelling, geldt dat het hof hiervoor de relevante feiten heeft weergegeven met inachtneming van de opmerkingen van [appellanten] , voor zover terecht. De grief behoeft hier daarom verder geen bespreking.

Het geschil en de omvang van het hoger beroep

- eiswijziging

Tegen de vermeerdering van eis in hoger beroep van [appellanten] hebben [geïntimeerden] geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet ook ambtshalve geen grond die eiswijziging te weigeren. Het hof zal op de gewijzigde eis beslissen.

- het geschil

De vraag die ook in hoger beroep centraal staat is of het door [appellanten] aan [geïntimeerden] verweten handelen of nalaten heeft te gelden als beroepsfout, dan wel onrechtmatig handelen en zo ja, of [geïntimeerden] de door [appellanten] geleden schade dient te vergoeden. Daarbij speelt de vraag of de behandelend advocaat [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld en in persoon aansprakelijk is.

De opdrachtrelatie en toepasselijkheid Algemene Voorwaarden

Tussen partijen is niet in geschil dat er (op enig moment) een opdrachtrelatie heeft bestaan tussen [geïntimeerde 1] enerzijds en [appellant 7] , [appellant 9] , [appellant 1] , [appellant 4] , [appellant 2] en [appellant 3] . Dat er een opdrachtrelatie heeft bestaan tussen [geïntimeerde 1] enerzijds en [appellant 5] , [appellant 6] en [appellant 8] anderzijds, is door [appellanten] onvoldoende onderbouwd en ook niet gebleken. [appellanten] hebben weliswaar onder punt 29 van de memorie van grieven aangevoerd dat [geïntimeerde 1] ook [appellant 5] heeft geadviseerd en dat [appellant 5] partij zou zijn bij de overeenkomst van opdracht, maar hebben deze stelling niet toereikend onderbouwd.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat ook met [geïntimeerde 2] zelf een overeenkomst van opdracht zou zijn gesloten. Uit de opdrachtbevestiging volgt dat de opdracht is verstrekt aan [geïntimeerde 1] en dat deze namens [geïntimeerde 1] door [geïntimeerde 2] is ondertekend.

Tussen partijen is in geschil of de door [geïntimeerde 1] gehanteerde algemene voorwaarden op de opdrachtrelatie tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 1] , [appellant 4] , [appellant 2] en [appellant 3] van toepassing zijn. Dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] van toepassing zijn op de opdrachtrelatie tussen [geïntimeerde 1] enerzijds en [appellant 7] en [appellant 9] anderzijds is door [appellanten] niet dan wel onvoldoende betwist. [geïntimeerde 1] heeft in de opdrachtbevestiging van 6 juli 2017 haar algemene voorwaarden uitdrukkelijk van toepassing verklaard. [naam 1] (namens [appellant 7] ) en [appellant 9] hebben de opdrachtbevestiging getekend voor akkoord opdracht en voor ontvangst van de algemene voorwaarden.

ZNS c.s. hebben zich in dit kader op het standpunt gesteld dat de opdrachtrelatie tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 7] en [appellant 9] op 5 januari 2018 is geëindigd en dat met [appellant 1] , [appellant 4] , [appellant 2] en Screen Aquisition vervolgens een (stilzwijgende) overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, waarop de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] niet van toepassing zijn (geworden). Het hof deelt dit standpunt niet. Het hof is met [geïntimeerden] van oordeel dat uit de e-mail van [geïntimeerde 2] van 10 januari 2018 (productie 17 bij de inleidende dagvaarding) kan worden afgeleid dat er nog na-acties zouden lopen die verband hielden met “Transactie Screen” en dat er daarmee mogelijk nog werkzaamheden zouden volgen die verband hielden met de discussie met [naam 9] . Die laatste zijn ook de werkzaamheden waar het in deze zaak om gaat. Het hof volgt het standpunt van [geïntimeerden] dat het voortzetten van de advieswerkzaamheden de voortzetting van de bestaande opdracht betrof. Doordat [naam 1] in zijn hoedanigheid van (al dan niet middellijke) bestuurder van de vennootschappen de bijstand van [geïntimeerden] heeft verzocht in het kader van de herstructurering die in het najaar 2017 plaatsvond voorafgaand aan “Transactie Screen” en in de discussie met [naam 9] eind 2017 en 2018, zijn [appellant 1] , [appellant 4] , [appellant 2] en [appellant 3] toegetreden tot de opdrachtovereenkomst tussen [geïntimeerden] , [appellant 7] en [appellant 9] . [geïntimeerden] hebben dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. In de opdrachtbevestiging van 6 juli 2017 staat expliciet opgenomen dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] op alle nu en in de toekomst aan [geïntimeerde 1] verstrekte opdrachten van toepassing zijn. Hiermee zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] van toepassing op alle opdrachten die door [appellant 7] , [appellant 9] , [appellant 1] , [appellant 4] , [appellant 2] en [appellant 3] aan [geïntimeerden] zijn verstrekt.

Beoordelingsmaatstaf beroepsfouten.

Bij de beoordeling of sprake is van beroepsfouten dient tot uitgangspunt dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt ten eerste mee dat een advocaat zijn cliënt bij de wijze waarop hij een procedure voert, niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de zorgvuldigheidsplicht ten tweede mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR: 2003:AF1304). In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406). De zorgplicht van de advocaat brengt verder mee dat deze een eigen verantwoordelijkheid heeft, op grond waarvan de advocaat zich niet kan beperken tot wat de cliënt van hem vraagt, maar zelfstandig dient te beoordelen wat voor de zaak van belang is om daar vervolgens naar te handelen.

Als de cliënt de advocaat aanspreekt die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, maar die niet zijn contractuele wederpartij is, kan aansprakelijkheid slechts worden aangenomen met inachtneming van de daarvoor in artikel 6:162 BW gestelde eisen. Ook in dat geval is de hiervoor omschreven maatstaf mede bepalend voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering. Voor het slagen van deze vordering is niet vereist dat aan de advocaat persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van zijn werkzaamheden voor de cliënt (zie HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745). Schending van de beroepsnorm door de advocaat levert een toerekenbare tekortkoming op van de opdrachtnemer, die zich contractueel met de cliënt heeft verbonden.

Verwijten [appellanten]

[appellanten] verwijt [geïntimeerden] dat [geïntimeerde 2] als behandelend advocaat de volgende beroepsfouten heeft gemaakt:

1. [geïntimeerde 2] heeft geadviseerd om de brief van 15 januari 2018 te versturen, waarna die brief tegen de zin van [appellanten] de aanbiedingsplicht heeft geactiveerd.

2. [geïntimeerde 2] heeft geadviseerd over Frans recht, zonder daarbij de vereiste voorbehouden te maken.

3. [geïntimeerde 2] heeft bij zijn advisering op meerdere momenten onvoldoende voorbehoud gemaakt en onvoldoende gewezen op de risico’s en is hij ten onrechte blijven volhouden dat de aanbiedingsplicht niet was geactiveerd door de brief van 15 januari 2018 en dat de arbitrageprocedure voor [naam 9] kansloos was.

4 [geïntimeerde 2] heeft onjuist geadviseerd inzake het al dan niet uitoefenen van de CPOA.

5 Tot slot heeft [geïntimeerde 2] toen er een belangenconflict ontstond tussen [appellant 3] en de overige cliënten van [geïntimeerden] niet op dit belangenconflict gewezen en/of hierover geadviseerd. Hij had [appellanten] moeten adviseren een andere advocaat in de arm te nemen over onder meer het uitoefenen van de CPOA, aldus [appellanten] .

- Advisering over Frans recht

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat [geïntimeerde 2] zelfstandig heeft geadviseerd over Frans recht. [geïntimeerde 2] heeft vanaf het begin advies over Frans recht “ingekocht” bij [naam 10] . Dat hij de adviezen van [naam 10] niet altijd één op één heeft doorgestuurd naar [appellanten] , maakt nog niet dat hij in zijn advisering zelfstandig Frans recht heeft toegepast. Dat hij op eigen initiatief en naar eigen inzicht is afgeweken van de adviezen van [naam 10] is niet gebleken. [naam 10] heeft in de e-mail van 12 januari 2018 (productie 7 conclusie van antwoord) aangegeven dat een directe overdracht van het TAB-belang aan [appellant 3] de aanbiedingsplicht zou triggeren. Dit heeft [geïntimeerde 2] ook aan [appellanten] overgebracht in zijn e-mail van 13 januari 2018 (weergegeven onder 3.25). Het hof is van oordeel dat de keuze om hier – volgens [geïntimeerde 2] in samenspraak met [naam 1] – van af te wijken vooral een tactische keuze is en geen advies naar Frans recht. Dat de inschatting (van [geïntimeerde 2] en [naam 1] ) dat [naam 9] zou meewerken aan de directe overdracht achteraf onjuist is gebleken, maakt dit niet anders. Voor zover de keuze berustte op de gedachte dat de aandelen werden overgedragen onder voorbehoud van goedkeuring, en dat [naam 9] zich niet te goeder trouw op zijn right of first refusal kon beroepen, is onvoldoende gebleken dat dit eigen oordelen van [geïntimeerde 2] waren over het Franse recht, die niet met [naam 10] waren afgestemd en door haar niet werden gedeeld (zoals [geïntimeerde 2] schrijft in zijn onder 3.28 aangehaalde e-mailbericht). Evenmin is gebleken dat [geïntimeerde 2] heeft geadviseerd over Frans recht door zich uit te laten over de kansen van [appellanten] in de Franse arbitrageprocedure. Voor zover [geïntimeerde 2] zich heeft uitgelaten over de slagingskansen in die procedure, maakt dit niet direct dat hij daarmee ook adviseert over Frans recht. Voor zover hij de adviezen en de inschatting van [naam 10] , die later de arbitrageprocedure zou gaan voeren, te rooskleurig of onjuist heeft weergegeven is dat wel een beroepsfout (zie hierna onder 3.16), maar niet een die bestaat in het adviseren naar Frans recht.

- Advisering over de brief van 15 januari 2018

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 2] met betrekking tot de brief van 15 januari 2018 niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] steeds heeft aangegeven dat hij niet wilde dat de aanbiedingsplicht zou worden geactiveerd. Dit heeft hij nog eens bevestigd in zijn e-mail van 8 januari 2018 aan [geïntimeerde 2] : “Ik [naam 11] in geen enkel geval een aanbiedingsplicht triggeren richting [naam 9] ”. [geïntimeerde 2] heeft dit vervolgens ook in zijn e-mail van 10 januari 2018 aan [naam 10] waarin hij nader advies vraagt gemeld: “Of course, he still doesn’t want to trigger the obligation to offer to Mr. [naam 9] ”. [naam 10] heeft hierop vervolgens op 12 januari 2018 geantwoord dat ervan uitgaande dat [appellant 3] geen onderdeel uitmaakt van de [appellant 1] groep, de overdracht onderworpen zal zijn aan “the right of first refusal” van [naam 9] . [naam 10] geeft aan dat: To summarize, any transfer by [appellant 1] Holding of its TAB share to [appellant 3] BV will trigger both the prior approval of the board of directors of TAB and the right of first refusal granted to mr. [naam 9] and the amount of the purchase price shall be disclosed”. [geïntimeerde 2] heeft naar aanleiding van dit advies van [naam 10] in zijn e-mail van 13 januari 2018 nog aan [naam 1] gemeld dat een voorgenomen overdracht aan [appellant 3] de aanbiedingsplicht “triggert” en dat zowel de overdracht aan [appellant 2] als aan [appellant 3] de goedkeuring van [naam 9] vereist. Tegen deze achtergrond is het hof met de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [geïntimeerde 2] had gelegen om schriftelijk vast te leggen dat er in samenspraak met [naam 1] , of zelfs op diens verzoek, was besloten om toch rechtstreeks aan [appellant 3] over te dragen en dat [naam 1] zich bewust was van het feit dat de brief van 15 januari 2018 (mogelijk) de aanbiedingsplicht zou activeren. Dat hij dit niet heeft gedaan acht het hof in strijd met wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.

Ook het standpunt van [geïntimeerde 2] dat [naam 1] degene was die met [naam 9] in contact stond en dat hij uit die contacten overtuigd is geraakt dat [naam 9] geen behoefte meer had om het aandelenbelang van [appellant 1] in TAB te verwerven en mee zou werken aan de overdracht, hetgeen [naam 1] heeft overgebracht aan [geïntimeerde 2] en waarvan [geïntimeerde 2] ook mocht uitgaan, volgt het hof niet. Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde 2] gewezen op een telefoongesprek dat hij op 9 januari 2018 met [naam 1] heeft gevoerd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat ook na dit telefoongesprek nog niet zeker was dat [naam 9] zou instemmen. [geïntimeerde 2] schrijft in zijn e-mail van 10 januari 2018 aan [naam 10] (weergegeven onder 3.23) dat [naam 9] bereid lijkt te zijn om in te stemmen, maar dat ze (het hof begrijpt: [geïntimeerde 2] en [naam 1] ) nog niet zeker zijn. In zijn advies gaat [geïntimeerde 2] zelf ook in op de mogelijkheid dat [naam 9] zijn positie zou wijzigen en stelt hij dat een geldig beroep op het “right of first refusal” dan niet mogelijk is. Onder deze omstandigheden kan [geïntimeerde 2] niet met succes aanvoeren dat hij is afgegaan – en heeft mogen afgaan – op de verklaringen van [naam 1] over de intenties van [naam 9] , maar had hij [appellanten] moeten adviseren de toestemming van [naam 9] eerst op schrift te verkrijgen, voordat de brief van 15 januari 2018 verstuurd zou worden.

Het hof acht daarnaast van belang dat [geïntimeerde 2] in zijn advies van 13 januari 2018 aan [naam 1] heeft aangevoerd dat de door hem geadviseerde voorgenomen directe overdracht aan [appellant 3] zou gelden onder de voorwaarde dat [naam 9] hiermee zou instemmen. Het hof constateert dat een dergelijke voorwaarde niet is terug te vinden in de brief van 15 januari 2018, hetgeen – gelet op dit advies van [geïntimeerde 2] – wel voor de hand zou hebben gelegen en op basis waarvan [naam 1] ook mocht verwachten dat dit zou gebeuren. Uit de zinsnede “the following transaction is contemplated” volgt onvoldoende dat de voorgenomen overdracht alleen zou gelden onder de voorwaarde dat [naam 9] hiermee zou instemmen. [geïntimeerde 2] heeft bovendien in zijn e-mail van 13 januari 2018 aangegeven dat in de brief zou kunnen worden opgenomen dat de goedkeuring als bestuurder een “waiver” van het “right of first refusal” impliceert, maar dat hij daar zelf eigenlijk niet voor is. Volgens [geïntimeerde 2] zou het wel goedkomen. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde 2] ook hierin niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht. Het had op zijn weg gelegen om in de brief van 15 januari 2018 expliciet op te nemen dat de voorgenomen overdracht slechts zou gelden op voorwaarde dat [naam 9] met de overdracht zou instemmen. Daarnaast was het – tegen de achtergrond van de door [naam 9] eerder ingenomen standpunten en het feit dat het op dat moment nog geenszins zeker was dat [naam 9] zou instemmen (““Mr [naam 9] seems willing to approve in the meeting convened by the attached. But we are not sure”) – onzorgvuldig om te adviseren om niet op te nemen dat de goedkeuring als bestuurder een “waiver” van het “right of first refusal” impliceert. Het had op de weg van [geïntimeerde 2] gelegen om de in de brief van 15 januari 2018 voorgestelde voorgenomen directe overdracht aan [appellant 3] met meer waarborgen te omkleden. Zonder deze maatregelen kon [geïntimeerde 2] de door hem geadviseerde aanpak niet vergezeld doen gaan van de verzekering dat [naam 9] echt niet naar de rechter zou gaan en dat dat ook kansloos zou zijn.

- Verdere advisering in 2018

Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde 2] in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat heeft gehandeld door ook in de loop van 2018 in stellige bewoordingen te blijven volhouden dat de aanbiedingsplicht niet geactiveerd en dat de arbitrageprocedure voor [naam 9] kansloos was. Het hof verwijst naar de onder 3.28 en 2.29 aangehaalde e-mailberichten van 30 januari 2018 (“(…) er is geen aanbiedingsplicht getriggerd. Dat is echt onzin en doorzichtig”) en 5 februari 2018 (“Mr [naam 9] of course does not have any right of first refusal whatsoever”). [geïntimeerde 2] heeft in deze e-mails volgehouden dat de aanbiedingsplicht niet zou zijn geactiveerd, omdat het voornemen om de aandelen aan [appellant 3] over te dragen zou zijn gedaan onder het voorbehoud dat [naam 9] akkoord is en geen beroep zal doen op het right of first refusal. Volgens [geïntimeerde 2] was er met de brief van 15 januari 2018 nog geen sprake van een concreet voornemen om het aandelenbelang van [appellant 1] in TAB over te dragen. Daarnaast zou [naam 9] volgens [geïntimeerde 2] de indruk hebben gewekt dat hij zijn medewerking zou verlenen en zou hij geen beroep kunnen doen op het right of first refusal omdat dit tegen deze achtergrond in strijd zou zijn met de goede trouw. Ook hier geldt dat [geïntimeerde 2] weliswaar stelt dat het voornemen om de aandelen aan [appellant 3] over te dragen is gedaan onder voorbehoud van goedkeuring van [naam 9] , maar dat dit niet blijkt uit de brief van 15 januari 2018, zodat hij niet in zijn stellige bewoordingen kon volhouden dat er geen aanbiedingsplicht was geactiveerd.

[geïntimeerde 2] heeft vervolgens op 13 juni 2018 geschreven: “dat [ [naam 9] ] een bijzonder zwakke case heeft. Om niet te zeggen: de man is wat ons betreft volstrekt kansloos” (zie onder 3.34). Op 30 juli 2018 heeft [geïntimeerde 2] weliswaar aangegeven dat: “een rechtszaak is tijdrovend, duur en nooit 100% zeker gewonnen” (hierboven onder 3.37), maar in dezelfde e-mail schrijft hij ook dat [naam 1] een “erg sterke case” heeft. Op 2 oktober 2018 heeft [geïntimeerde 2] nogmaals herhaald geen aanbiedingsplicht te zien: wij zien (…) nog steeds geen aanbiedingsplicht (hierboven onder 3.38) en op 11 december 2018 schrijft [geïntimeerde 2] : “Wat ons en [ [naam 10] ] en [Clifford Chance] vorig jaar) betreft heeft de man inderdaad geen poot om op te staan” (aangehaald onder 3.41). Mede gelet op het feit dat [naam 9] vanaf januari 2018 heeft volgehouden dat de aanbiedingsplicht wel geactiveerd was, er geen schriftelijke instemming van [naam 9] was verkregen en het feit dat uit de brief van [geïntimeerde 2] niet expliciet volgt dat de aanbieding voorwaardelijk was gedaan, had [geïntimeerde 2] zich in minder stellige bewoordingen dienen uit te laten en [appellanten] voldoende behoren te waarschuwen voor de risico’s van een eventuele arbitrageprocedure.

- Uitoefenen van de optie uit de CPOA

[appellanten] handhaven hun standpunt dat [geïntimeerde 2] ook onjuist heeft geadviseerd over het al dan niet uitoefenen van de CPOA. Het hof is met [appellanten] van oordeel dat [geïntimeerde 2] ook op dit punt heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Het hof acht hierbij het volgende van belang. [naam 1] heeft op 2 oktober 2018 (productie 46 bij de dagvaarding 1e aanleg) [geïntimeerde 2] om advies gevraagd over het uitoefenen van de optie onder de CPOA (de verkoop van [appellant 2] aan [appellant 3] , waarbij indirect ook de aandelen van [appellant 1] in TAB werden verkocht). [naam 1] heeft in zijn e-mail nogmaals aangegeven: “Dus wij vinden expliciet dat er geen aanbiedingsplicht is, maar als [naam 9] hier anders over denkt dan zijn wij bereid voor 4.3 mio Euro onze 50%-TAB aandelen aan hem te verkopen (….). In geen enkel geval mag de situatie ontstaan dat [naam 9] ons kan dwingen zijn 50% in TAB voor 4.3 mio Euro over te nemen (hij is nl. bereid om zijn helft van TAB voor veel minder aan ons te verkopen, maar zijn aandeel in TAB [naam 11] Screen nu uberhaupt niet kopen”. [geïntimeerde 2] heeft hierop op 2 oktober 2018, zonder enige nuancering of inschatting van kansen aan te brengen, gemeld dat deze aanpak “onze” zegen heeft, dat [naam 9] al eens protesteerde en zeker weer gaat protesteren, maar dat dit [naam 1] niet hoeft tegen te houden en dat [geïntimeerde 1] nog steeds geen aanbiedingsplicht ziet. Dat [naam 9] op dat moment nog altijd van mening was dat de aanbiedingsplicht wel was geactiveerd volgt uit zijn e-mail van 27 juli 2018 aan [naam 1] (productie 45 dagvaarding 1e aanleg). [naam 9] herhaalt hierin dat zijn eerste keuze is om het aandelenbelang in TAB te kopen en dat hij hiertoe ook een “preemption right” heeft. Hij wijst er vervolgens op dat hij alle noodzakelijke stappen gaat ondernemen om het recht uit te oefenen waarop hij in de brief van 24 januari 2018 al een beroep had gedaan. Weliswaar is niet gebleken dat [naam 1] deze e-mail ook aan [geïntimeerde 2] heeft doorgestuurd, maar uit de e-mail van [geïntimeerde 2] van 2 oktober 2018 volgt dat hij er terdege van op de hoogte was dat [naam 9] al eens had geprotesteerd en zeer zeker weer zou gaan protesteren en mogelijk een beroep op zijn aanbiedingsplicht zou doen. Tegen deze achtergrond had het op de weg van [geïntimeerde 2] gelegen om in ieder geval [appellant 3] , waarvoor [geïntimeerde 2] op dat moment ook al optrad, te wijzen op de risico’s die een overdracht van [appellant 2] aan [appellant 3] , waarbij indirect ook de aandelen van [appellant 1] in TAB door [appellant 3] werden gekocht, mee zouden brengen op het moment dat [naam 9] daadwerkelijk een arbitrageprocedure zou starten. [geïntimeerde 2] had [appellant 3] moeten waarschuwen voor het risico dat de aanbiedingsplicht mogelijk toch was geactiveerd en dat zij in de toekomst verplicht kon worden om haar indirecte belang in TAB aan [naam 9] te verkopen (voor een op dat moment nog onbekend bedrag). Aan de verplichting jegens [appellant 3] om haar juist te informeren over de risico’s doet op zichzelf niet af dat – bij het niet uitoefenen van de optie – de nadelige gevolgen van de gedwongen overdracht aan [naam 9] bij een andere opdrachtgever zouden (kunnen) worden gevoeld. Of [geïntimeerden] op een belangenconflict hadden moeten wijzen is een andere, hierna te bespreken kwestie.

- niet wijzen op belangenconflict tussen [appellant 3] en de overige cliënten van [geïntimeerden] en het niet adviseren een andere advocaat in de hand te nemen over onder meer het uitoefenen van de CPOA.

[appellanten] hebben zich in de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep (en op de mondelinge behandeling) op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde 2] ook een beroepsfout heeft gemaakt door na het uitoefenen van de CPOA en het daardoor mogelijk activeren van de aanbiedingsplicht (en er het risico ontstond dat [geïntimeerden] beroepsaansprakelijk zou zijn) verder te adviseren en zich niet terug te trekken. Daarnaast heeft [geïntimeerde 2] een beroepsfout gemaakt door ten onrechte niet te wijzen op het ontstane belangenconflict tussen [appellant 3] en de overige cliënten van [geïntimeerden] . [geïntimeerde 2] had volgens [appellanten] toen dit belangenconflict ontstond [appellant 3] , dan wel de overige cliënten moeten adviseren een andere advocaat in de arm te nemen voor advies over onder meer het uitoefenen van de CPOA. Het hof is van oordeel dat deze nieuwe verwijten tardief zijn, aangezien zij in strijd met de tweeconclusieregel pas in de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep zijn aangevoerd. Deze verwijten zullen daarom niet nader worden beoordeeld en kunnen dus ook niet tot aansprakelijkheid van [geïntimeerden] leiden.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerde 2] met betrekking tot de brief van 15 januari 2018, de verdere advisering in 2018 en met betrekking tot de uitoefening van de optie onder de CPOA beroepsfouten heeft gemaakt. Daarmee is [geïntimeerde 1] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. De door [appellanten] gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] diverse beroepsfouten heeft begaan jegens [appellanten] kan worden toegewezen. Grief 2 in het principaal hoger beroep slaagt gedeeltelijk en grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt.

Causaal verband (doorbreking)

[appellanten] stellen dat er causaal verband bestaat tussen de beroepsfouten en de gestelde schade en zij klagen met hun vijfde grief over het oordeel van de rechtbank dat dit verband is doorbroken en dat [appellanten] te weinig hebben gesteld om causaal verband aan te nemen tussen de beroepsfouten in juni 2018 en december 2018 en het verlies van de aandelen TAB. Als [geïntimeerde 2] de beroepsfouten niet zou hebben gemaakt, had [appellant 1] haar 50% aandelen in TAB kunnen behouden, daar had [naam 9] niets aan kunnen veranderen. Door de beroepsfouten zijn zij deze aandelen kwijtgeraakt tegen een te lage prijs, zijn zij (is [appellant 4] ) het synergievoordeel van een gezamenlijke inkoop kwijtgeraakt en hebben [appellanten] kosten moeten maken, waaronder de kosten voor de arbitrageprocedure. Doordat door toedoen van [geïntimeerde 2] op 15 januari 2018 de aanbiedingsplicht is geactiveerd, stond het [appellanten] niet meer vrij om zonder enig gevolg het aanbod van [naam 9] om zijn aandelen over te nemen af te slaan. Door de stellige verzekering van [geïntimeerde 2] dat [naam 9] zich niet met succes op de aanbiedingsplicht kon beroepen hebben [appellanten] van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Dat zij wilden dat [naam 9] als aandeelhouder betrokken bleef neemt niet weg dat [appellanten] voor aankoop hadden gekozen als zij hadden geweten dat (er een zeer reële kans was dat) [naam 9] zich met succes op de aanbiedingsplicht kon beroepen.

[geïntimeerden] stelt hiertegenover dat behoud van de status quo geen optie was. Zij handhaaft in hoger beroep haar, door de rechtbank gevolgde, standpunt dat het causaal verband op enig moment is verbroken doordat [appellanten] er zelf van heeft afgezien om – ondanks de hiertoe opgenomen inspanningsverplichting in de SPA – het belang van [naam 9] in TAB over te nemen. [naam 9] had direct in januari 2018 de arbitrageprocedure aanhangig kunnen maken, maar heeft dit niet gedaan. Pas toen in de loop van 2018 de onderhandelingen, waarin uitdrukkelijk de mogelijkheid dat [appellant 1] de aandelen van [naam 9] zou overnemen aan de orde is geweest en waarbij [naam 9] bereid was om zijn aandelenbelang voor een veel lager bedrag te verkopen, op initiatief van [appellanten] zijn beëindigd, heeft [naam 9] aangekondigd dat hij alsnog de arbitrageprocedure zou starten. Volgens [geïntimeerden] is de arbitrageprocedure en de uitkomst daarvan, het gevolg geweest van de beslissing van [appellant 3] om de aandelen van [naam 9] niet (meer) te willen kopen. De gevolgen van deze beslissing dienen voor rekening van [appellanten] te komen; zij kunnen deze niet op [geïntimeerden] afwentelen, aldus [geïntimeerden]

Het hof ziet anders dan de rechtbank geen reden om te oordelen dat het causaal verband tussen de beroepsfouten van [geïntimeerde 2] en de gestelde schade van [appellant 1] geheel ontbreekt. Het is de door [geïntimeerde 2] in zijn brief van 15 januari 2018 geadviseerde aanpak geweest die [naam 9] het recht op overname heeft gegeven. Dat dit anders, bij een zorgvuldiger advisering, ook zou zijn gebeurd is gesteld noch gebleken. Het verlies van het 50% belang in TAB staat daarmee in oorzakelijk verband met de eerste beroepsfout van [geïntimeerde 2] . De enkele beslissing om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om de aandelen van [naam 9] in TAB te kopen heeft het condicio sine qua non-verband niet doorbroken en het is ook geen reden om te beslissen dat de gevorderde schade niet als gevolg van zijn beroepsfouten aan [geïntimeerde 2] kan worden toegerekend of om deze volledig voor rekening van [appellanten] te laten op grond van artikel 6:101 BW. Met het oog op het al dan niet aanvaarden van dit aanbod – waarbij [naam 9] dreigde met het aanbiedingsrecht – heeft [naam 1] aan [geïntimeerde 2] gevraagd om te bevestigen dat [naam 9] geen poot had om op te staan (zie 3.33 en 3.34). Dat heeft [geïntimeerde 2] gedaan, zoals hij zich ook eerder en later in dezelfde stellige zin had en heeft uitgelaten. Wat [appellanten] hadden gedaan – in welke situatie zij zich hadden bevonden zonder deze beroepsfouten, en welke aan [geïntimeerde 1] toerekenbare schade hiervan het gevolg is geweest, dient verder te worden onderzocht in de schadestaatprocedure waarnaar het hof zal verwijzen (zie verder onder 5.39). Daarbij kan ook het beroep op artikel 6:101 BW (eigen bijdrage aan de schade) nog nader aan de orde komen. Grief 5 in het principaal appel slaagt in zoverre.

Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad

- Aansprakelijkheid [geïntimeerden] jegens [appellant 5] , [appellant 6] en [appellant 8]

[appellanten] stellen dat [geïntimeerde 2] als advocaat gehouden was om bij zijn dienstverlening aan zijn cliënt rekening te houden met hem bekende of redelijkerwijs kenbare gerechtvaardigde belangen van derden die in voor hen nadelige zin zouden kunnen worden geraakt door het (voorgenomen) handelen of nalaten waarop zijn dienstverlening betrekking heeft. De advocaat dient zijn dienstverlening aan zijn cliënt op die belangen van derden af te stemmen. Een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen onder de overeenkomst van opdracht levert dan ook tevens een onrechtmatige daad jegens [appellant 5] , [appellant 6] en [appellant 8] op, aldus [appellanten] [geïntimeerden] was volledig bekend met alle betrokken entiteiten en hun onderlinge verhoudingen, nu [geïntimeerden] juist de verkooptransactie heeft begeleid en heeft geadviseerd over de SPA, de CPOA en de AA en hoe de transactie kon worden vormgegeven. [geïntimeerden] heeft [appellant 5] meegedeeld dat er geen aanbiedingsplicht jegens [naam 9] was en dus dat er geen risico was dat [appellant 3] het TAB-belang zou kwijtraken. Als [geïntimeerden] had gewaarschuwd dat dit risico wel bestond, zou [appellant 5] wel het door [naam 9] gehouden TAB-belang hebben verworven, omdat daarmee zou worden veiliggesteld dat het bestaande 50% belang niet verloren zou gaan (en daarmee eveneens het Synergievoordeel). De onjuiste mededelingen van [geïntimeerden] aan [appellant 5] hebben er volgens [appellanten] toe geleid dat [appellant 5] niet alsnog bereid was om [naam 9] uit te kopen.

Het hof is van oordeel dat [appellanten] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] onvoldoende hebben onderbouwd dat [geïntimeerde 2] jegens [appellant 5] , [appellant 6] en [appellant 8] onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof acht hierbij van belang dat [appellant 5] en [appellant 6] professionele equity partijen zijn die werden bijgestaan door een eigen advocatenkantoor Clifford Chance. Niet gebleken is dat [appellant 5] en [appellant 6] zich hebben laten adviseren door [geïntimeerde 2] over de aanbiedingsplicht en het al dan niet aankopen van het aandelenbelang van [naam 9] in TAB. Dat volgt ook niet uit de e-mailberichten die onder 3.33 en 3.34 zijn aangehaald. [geïntimeerde 2] mocht ervan uitgaan dat [appellant 5] haar eigen afweging zou maken op basis van de adviezen van haar eigen advocaten. [appellant 5] heeft vervolgens zelf afgezien van de koop van het belang van [naam 9] in TAB.

Afgeleide schade

Voor zover de gevorderde schade moet worden gekwalificeerd als zogenaamde afgeleide schade, is nog van belang dat niet is gebleken dat [geïntimeerde 2] jegens een of meer van de appellanten een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Uitgangspunt is dat als een derde door een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad vermogensschade toebrengt aan de vennootschap, alleen de vennootschap een vordering tot vergoeding van deze schade heeft. De aandeelhouders hebben in beginsel geen vordering tot schadevergoeding bestaande in de waardevermindering van hun aandelen die het gevolg is van de tekortkoming of onrechtmatige daad, ook wel afgeleide schade genoemd. Op deze hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt als de derde die de onrechtmatige daad of tekortkoming pleegt daarmee óók een specifieke zorgvuldigheidsnorm schendt tegenover de aandeelhouder die de schadevergoeding vordert. Wat [appellanten] hebben gesteld is onvoldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde 2] jegens een of meer van hen een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Grief 4 in het principaal hoger beroep faalt daarmee.

- Aansprakelijkheid [geïntimeerde 2]

[appellanten] klagen met hun derde grief over de verwerping van hun standpunt dat [geïntimeerde 2] ongeacht het feit dat de overeenkomst van opdracht met het advocatenkantoor [geïntimeerde 1] is aangegaan, aansprakelijk is voor zijn beroepsfout op grond van onrechtmatige daad. Volgens [appellanten] zijn de beroepsfouten gemaakt door [geïntimeerde 2] en staat daarmee vast dat hij onrechtmatige daden heeft gepleegd. [geïntimeerde 2] had als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dienen te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Volgens [appellanten] kan [geïntimeerde 2] geen beroep doen op artikel 2 lid 2 van de algemene voorwaarden omdat deze bepaling louter het regelend recht inzake de overeenkomst van opdracht terzijde stelt, maar niet de bepalingen ter zake van onrechtmatige daad.

Het hof oordeelt als volgt. [appellanten] spreken naast [geïntimeerde 1] ook [geïntimeerde 2] persoonlijk aan. In beginsel kan aansprakelijkheid van de advocaat die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, maar die geen opdrachtnemer is, slechts worden aangenomen met inachtneming van de daarvoor in artikel 6:162 BW gestelde eisen (r.o. 5.9). In dit geval dient daarom allereerst de vraag te worden beantwoord of de (persoonlijke) aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] op grond van artikel 2 lid 2 van de algemene voorwaarden ook voor onrechtmatig handelen is uitgesloten. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord enkel op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook kan van belang zijn dat het gaat om voorwaarden waarover partijen niet hebben onderhandeld.

Artikel 2 lid 2 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] luidt als volgt: “Opdrachten worden uitsluitend aanvaard door [geïntimeerde 1] , ook indien het de uitdrukkelijke of stilzwijgende bedoeling is dat een opdracht door een bepaalde persoon wordt uitgevoerd. In afwijking van de artikelen 7:404, 7:407 lid 2 en 7:409 van het Burgerlijk Wetboek zijn de advocaten en anderen die voor of ten behoeven van [geïntimeerde 1] , al dan niet in dienstbetrekking, werkzaam zijn niet persoonlijk gebonden of aansprakelijk, ook niet indien de opdracht is verleend met het oog op een bepaalde persoon". Dit betekent dat alleen [geïntimeerde 1] opdrachtnemer is met uitsluiting van de advocaten en anderen die voor of ten behoeve van [geïntimeerde 1] al dan niet in dienstbetrekking werkzaam zijn.

Het gaat in dit geval om professionele, commerciële partijen. Met de ondertekening van de opdrachtbevestiging en de aanvaarding van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] hebben [appellanten] (voor zover zij als opdrachtgever hebben te gelden; r.o. 5.4 e.v.) ermee ingestemd dat alleen [geïntimeerde 1] als opdrachtnemer moet worden beschouwd en dat alleen [geïntimeerde 1] kan worden aangesproken op grond van de overeenkomst. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] moeten begrijpen dat [geïntimeerde 1] met de uitsluiting van de artikelen 7:404 en 7:407 lid 2 BW en de zinsnede dat de advocaten en anderen niet persoonlijk gebonden of aansprakelijk zijn hebben bedoeld dat de uitvoerende advocaat [geïntimeerde 2] niet zou kunnen worden aangesproken. Niet uit hoofde van de opdracht, en ook niet op grond van onrechtmatige daad voor zover die erin bestaat dat [geïntimeerde 2] als beroepsbeoefenaar niet de zorgvuldigheid zou hebben betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Het moet ervoor worden gehouden dat [appellanten] hiermee hebben ingestemd. Het hof acht bij deze redelijke uitleg van belang dat het aansprakelijkheidsrisico dat een beroepsbeoefenaar loopt aanzienlijk is en dat het de vennootschap is die een aansprakelijkheidsverzekering heeft gesloten ten behoeve van de uitvoering van de aan haar gegeven opdrachten.

Op grond van het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] aan te nemen. Grief 3 in het principaal hoger beroep faalt eveneens.

Klachtplicht en vervaltermijn in de algemene voorwaarden

In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, dient het hof acht te slaan op de in eerste aanleg door [geïntimeerden] opgeworpen verweren. [geïntimeerden] heeft in eerste aanleg een beroep gedaan op de in haar algemene voorwaarden opgenomen klacht- en vervaltermijn.

Volgens [geïntimeerden] komt [appellanten] geen vorderingsrecht toe op grond van de artikelen 5 lid 2, 6 lid 4 en 6 lid 5 sub e van de algemene voorwaarden. Deze bepalingen (zoals hierboven al geciteerd) houden het volgende in:

Artikel 5 lid 2:

"Alle overige door de Opdrachtgever beweerde rechten wegens tekortkomingen in de nakoming van haar verplichtingen door [geïntimeerde 1] dienen schriftelijk, binnen twee maanden nadat de Opdrachtgever de tekortkoming heeft ontdekt of redelijkerwijs had kunnen ontdekken, bij [geïntimeerde 1] te worden ingediend, bij gebreke waarvan de rechten van de Opdrachtgever ter zake vervallen".

Artikel 6 lid 4:

"Onverminderd hetgeen in artikel 5 van deze algemene voorwaarden omtrent reclame is bepaald, vervalt iedere vordering tot schadevergoeding jegens [geïntimeerde 1] , behalve die welke door [geïntimeerde 1] is erkend, door het enkele verloop van zes maanden nadat Opdrachtgever de schade heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken".

Artikel 6 lid 5 sub e:

"Onverminderd de overigens in deze algemene voorwaarden opgenomen exoneraties is [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk voor schade:

(…)

e. die niet schriftelijk is gemeld binnen twee maanden nadat Opdrachtgever het ontstaan van schade heeft ontdekt of redelijkerwijs had kunnen ontdekken."

Het standpunt van [geïntimeerden] houdt in dat uit deze bepalingen volgt dat bij tekortkomingen in de nakoming door [geïntimeerde 1] een klachttermijn van twee maanden geldt vanaf het moment dat [appellanten] de tekortkoming hebben ontdekt of redelijkerwijs hadden kunnen ontdekken. Binnen deze termijn dienden zij schriftelijk te klagen, op straffe van verval van recht. Vervolgens dienden zij, nadat zij binnen twee maanden hadden geklaagd, hun vordering binnen de vervaltermijn van zes maanden in te stellen, op straffe van algeheel verval van recht, aldus [geïntimeerden] Volgens [geïntimeerde 1] wisten [appellanten] met de uitspraak in de arbitrageprocedure op 25 april 2019 dat [naam 9] in het gelijk was gesteld en dat [appellant 1] gedwongen zou zijn diens 50% aandelenbelang over te dragen aan [naam 9] . Op dat moment wisten zij ook dat [geïntimeerde 1] hen niet had behoed voor de ongewilde aanbiedingsplicht en daarmee waren zij bekend met de tekortkoming in de nakoming, alsmede met (een deel van) de schade (de kosten van de arbitrage waren al gemaakt). Volgens [geïntimeerde 1] is de eerste klacht van [appellanten] pas een jaar en twee maanden later, op 2 juli 2020, geuit. Daarmee zijn de klacht- en vervaltermijnen ruimschoots overschreden. Dit geldt ook als het rapport van de als gevolg van de Franse arbitrage benoemde deskundige van 30 mei 2020 als startpunt van de klachttermijn wordt genomen. [appellanten] hebben bovendien niet binnen de vervaltermijn van zes maanden na ontdekking een vordering ingesteld. De dagvaarding is immers pas op 21 oktober 2021 uitgebracht. Indien de vervaltermijn van zes maanden te krap was, had de advocaat van [appellanten] kunnen vragen om een waiver of verlenging van de vervaltermijn, aldus [geïntimeerden]

- (schriftelijk) melden binnen twee maanden na ontdekking tekortkoming of schade (artikelen 5 lid 2, 6 lid 5 sub e algemene voorwaarden)

Naar het oordeel van het hof kan in het onderhavige geval in het midden blijven op welk moment [appellanten] de tekortkoming, dan wel de schade hebben ontdekt, omdat een beroep van [geïntimeerden] op de zeer korte termijn van twee maanden vermeld in de artikelen 5 lid 2 en 6 lid 5 sub e van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde 1] in dit geval hoe dan ook moet falen. Het hof acht hierbij het volgende van belang. [geïntimeerde 2] was de advocaat van [appellanten] en hij behoorde uit dien hoofde te waken voor de belangen van zijn cliënten. [appellanten] mochten daarop rekenen en er daarbij van uitgaan dat hij hun de vereiste juridische adviezen zou geven. [geïntimeerde 2] had zich met de uitspraak in de arbitrageprocedure op 25 april 2019 en de e-mail van [naam 1] van 2 mei 2019, (productie 51 dagvaarding eerste aanleg, weergegeven onder 3.43), waarin deze aangeeft “Hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”, kunnen en moeten realiseren dat [appellanten] hem mogelijk zouden aanspreken op zijn rol bij het activeren van de aanbiedingsplicht, temeer omdat [geïntimeerde 2] meermaals in zeer stellige bewoordingen te kennen had gegeven dat de aanbiedingsplicht naar zijn mening niet was geactiveerd. In aanmerking genomen dat nog steeds sprake was van een lopende adviesrelatie, en [geïntimeerde 2] heeft nagelaten om [appellanten] te wijzen op de zeer korte en voor [appellanten] zeer nadelige termijnen in artikel 5 lid 2 en artikel 6 lid 5 sub e van twee maanden, is beroep van [geïntimeerden] op deze zeer korte termijnen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

- vervallen vordering tot schadevergoeding door het enkele verloop van zes maanden nadat Opdrachtgever de schade heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken (artikel 6 lid 4 Algemene voorwaarden)

Met betrekking tot de termijn van zes maanden van artikel 6 lid 4 algemene voorwaarden, oordeelt het hof als volgt. Het hof is met [appellanten] van oordeel dat het moment van bekendheid met de schade met betrekking tot het verlies van het aandelenbelang moet worden bepaald op 2 juli 2020. Op dat moment was de definitieve prijs voor het 50% belang in TAB bekend én was bekend dat [naam 9] ook daadwerkelijk zou afnemen (productie 56 dagvaarding eerste aanleg). Uit de bepaling van 6 lid 4 algemene voorwaarden volgt bovendien geenszins dat [appellanten] binnen zes maanden een vordering in rechte hadden moeten instellen. [appellanten] heeft deze bepaling niet in die zin hoeven te begrijpen. Een aansprakelijkstelling volstond in dit geval. [appellanten] hebben hier met de e-mail van 7 juli 2020 en de brief van 23 oktober 2020 (productie 57 dagvaarding eerste aanleg) binnen zes maanden aan voldaan. Voor zover zou moet worden geoordeeld dat [appellanten] wel al eerder bekend was met bepaalde schade (bijvoorbeeld door het verlies van de arbitrageprocedure), geldt dat het hof ook hier van oordeel is dat een beroep van [geïntimeerden] op de bepaling van artikel 6 lid 4 algemene voorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook hier acht het hof van belang dat [geïntimeerde 2] , die zich gelet op de uitkomst van de arbitrageprocedure en de e-mail van [naam 1] van 2 mei 2019, had kunnen en moeten realiseren dat [appellanten] hem mogelijk zouden aanspreken op zijn rol bij het activeren van de aanbiedingsplicht, heeft nagelaten om zijn cliënten te wijzen op de vervaltermijn, in dit geval die van artikel 6 lid 4 van de algemene voorwaarden. Dit geldt temeer nu er vanaf 23 oktober 2020 schikkingsonderhandelingen tussen [appellanten] en [geïntimeerden] hebben plaatsgevonden waarbij de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerden] betrokken was. [appellanten] mochten erop vertrouwen dat [geïntimeerden] niet alsnog beroep zouden doen op de in de algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn. Dat [appellanten] inmiddels werd bijgestaan door een andere advocaat maakt dit niet anders.

Schade

- Schadeposten

[appellanten] hebben in dit geding een drietal schadeposten opgevoerd. De eerste schadepost betreft de schade die [appellanten] hebben geleden doordat [appellant 1] haar aandelen in TAB (tegen een te lage prijs) aan [naam 9] heeft moeten verkopen. Volgens [appellanten] kon [appellant 1] bovendien niet meer profiteren van de waardestijging van de aandelen en geen aanspraak meer maken op dividend. [appellanten] begroten deze schadepost in hoger beroep primair op € 3.586.000,- (voor het geval de status quo – een belang van 50% – zou zijn behouden), subsidiair op € 4.67.000,- (voor het geval zij was ingegaan op het aanbod van [naam 9] om zijn aandelen over te nemen) en in ieder geval, meer subsidiair op € 1.520.000,-. De tweede schadepost heeft betrekking op het verlies van synergievoordeel, omdat [appellanten] ( [appellant 4] ) niet meer samen met TAB ruw staal konden inkopen. Deze schade wordt door [appellanten] begroot op € 16.201.816,-. De derde schadepost heeft betrekking op de door [appellanten] gemaakte kosten inzake de Franse arbitrageprocedure, het waarderingsrapport waarin de overnameprijs is vastgesteld en de buitengerechtelijke kosten van Stonewater. [appellanten] begroten deze schadepost in hoger beroep (onder aftrek van het in eerste aanleg toegewezen bedrag) op een bedrag van € 580.404,76.

-- verlies van aandelenbelang TAB

Met betrekking tot deze schadepost is het hof van oordeel dat er nog teveel punten besproken en wellicht bewezen dienen te worden om de vergoedingsplicht al in deze procedure te kunnen begroten of schatten. Daarbij gaat het vooral om de vaststelling wat de gevolgen zijn geweest van de verschillende beroepsfouten en in welke situatie [appellanten] zich zouden hebben bevonden als deze fouten niet waren gemaakt. Mogelijk is ook nader onderzoek nodig naar de “werkelijke waarde” van het belang in TAB. Het hof ziet dan ook aanleiding om de zaak met betrekking tot deze schadepost te verwijzen naar de schadestaatprocedure.

-- verlies synergievoordeel

Met betrekking tot het verlies van het synergievoordeel is het hof van oordeel dat deze schadepost niet toewijsbaar is. Het hof acht hierbij het volgende van belang. [appellanten] hebben aangevoerd dat het gezamenlijk optrekken door [appellant 4] en TAB in het kader van onderhandelingen bij de inkoop van staal, hun een betere onderhandelingspositie gaf bij de inkoop van staal bij het Italiaanse bedrijf Riva Group (de enige partij in Noord-Europa die volgens [appellanten] het volume kan leveren dat [appellant 4] en TAB nodig hadden voor hun productie). De aanzienlijke korting die zij (gezamenlijk) konden bedingen is verloren gegaan. Daarnaast konden zij grotere volumes afnemen en daarmee anticiperen op prijsstijgingen van staal. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] – tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] – onvoldoende onderbouwd dat [appellant 4] en TAB daadwerkelijk gezamenlijk zijn opgetrokken bij de aankoop van staal. Uit de door [geïntimeerden] in de conclusie van antwoord aangehaalde correspondentie volgt dat [appellant 4] en TAB (in 2019) afzonderlijk van elkaar onderhandelden met Riva Group over de prijs voor het walsdraad. [naam 1] vraagt op 14 januari 2019 aan [naam 9] welke prijs deze heeft bedongen bij Riva. [naam 9] geeft de prijs door en vraagt vervolgens aan [naam 1] welke prijs hij heeft bedongen. [naam 1] geeft daarop aan een verlaagde prijs te hebben gekregen, maar nog in onderhandeling te zijn met Riva voor een nog betere prijs.

Het hof is daarnaast met [geïntimeerden] van oordeel dat de synergieschade – als deze al is geleden – gelet op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud en strekking van de geschonden norm, de aard van de schade en – vooral – de voorzienbaarheid van de schade, niet als een gevolg van het foutief handelen van [geïntimeerden] aan haar kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Het hof acht daarbij de volgende omstandigheden van belang:

- [geïntimeerde 2] heeft als advocaat zijn zorgplicht geschonden, door met betrekking tot de brief van 15 januari 2018 niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, door vol te blijven houden dat de aanbiedingsplicht niet was geactiveerd en door te adviseren dat de CPAO kon worden uitgeoefend.

- Dat [appellanten] , die de aanbiedingsplicht per se wilden vermijden, door een succesvol beroep op de aanbiedingsplicht schade zouden kunnen lijden was voor [geïntimeerde 2] te voorzien, maar dat (zij via) [appellant 4] schade zou(den) kunnen lijden door het verlies van synergievoordeel was voor [geïntimeerde 2] niet kenbaar. De volgende omstandigheden zijn daarbij van belang.

- In de correspondentie die met [geïntimeerden] is gevoerd is nooit ter sprake gekomen dat het verliezen van een aanwezig synergievoordeel zou moeten worden vermeden.

- In de onderhandelingen met [naam 9] na de bestuursvergadering van 29 januari 2018 is het aandelenbelang in TAB aan [naam 9] aangeboden zonder dat daarbij enige overweging aan de synergievoordelen is gewijd. Ook de daarbij gehanteerde prijs wijst er niet op dat voor [appellanten] een synergievoordeel van de gestelde omvang in het geding was.

- [naam 1] heeft op 2 juli 2018 aan [naam 9] laten weten dat in overleg met [appellant 5] is besloten de aandelen in TAB (ondanks de in de SPA opgenomen intentie daartoe) niet over te nemen. Op dat moment kon het aandelenbelang nog worden overgenomen voor de prijs van € 2.500.000,-, waarmee de beweerde synergievoordelen veiliggesteld konden worden. [appellanten] hebben dit niet gedaan en ook in dit verband niet aan [geïntimeerde 2] laten blijken dat er voor hen belangrijke inkoopvoordelen op het spel stonden.

Gelet het voorgaande is het hof van oordeel dat deze schade – mocht die er zijn – op grond van artikel 6:98 BW (toerekening naar redelijkheid) niet ten laste van [geïntimeerde 1] kan worden gebracht.

-- overige schade (kosten arbitrageprocedure, waarderingsrapport, buitengerechtelijk kosten)

Ook hier geldt dat er nog te weinig aanknopingspunten zijn om te beslissen over de verschillende scenario’s en zal het hof de zaak voor de begroting of schatting van de omvang door [geïntimeerde 1] te vergoeden schade verwijzen naar de schadestaatprocedure.

- Exoneraties in de algemene voorwaarden

Het hof merkt nog op dat in de schadestaatprocedure nog zal moeten worden beslist op het beroep van [geïntimeerden] op de artikelen 6 lid 1 en 6 lid 3 van haar algemene voorwaarden. Op grond van artikel 6 lid 1 is [geïntimeerde 1] slechts aansprakelijk jegens haar opdrachtgever tot het bedrag dat de aansprakelijkheidsverzekeraar in het concrete geval uitkeert. Op grond van artikel 6 lid 3 is [geïntimeerden] niet aansprakelijk voor bedrijfs-, gevolg of indirecte schade. Of [geïntimeerden] een beroep kan doen op deze bepaling(en) en wat partijen hieronder hebben kunnen en mogen verstaan, zal hierbij (mogelijk) nog aan de orde komen.

- Matiging

Daarnaast zal in de schadestaatprocedure het beroep van [geïntimeerden] op matiging nog aan de orde kunnen komen. Gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de geringe ernst van de tekortkoming, de wetenschap bij [appellanten] en de mogelijkheid die [appellanten] had om de aandelen van [naam 9] over te nemen (voor 2.5 miljoen), de aard van de schade en de draagkracht van [geïntimeerden] , leidt toewijzing van de vordering volgens [geïntimeerden] tot onaanvaardbare gevolgen voor hen. De vorderingen van [appellanten] overstijgen de verzekerde som (in ruime) mate, aldus [geïntimeerden] .

De ontbinding van de overeenkomst van opdracht

[geïntimeerden] hebben in het incidenteel hoger beroep een grief gericht tegen de toewijzing door de rechtbank van de door [appellanten] gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst van opdracht gedeeltelijk is ontbonden en de veroordeling van [geïntimeerden] om een bedrag van € 52.314,76 terug te betalen.

Voor zover [geïntimeerden] in deze grief wederom het standpunt innemen dat er geen sprake is van beroepsfouten, faalt de grief. Uit het voorgaande volgt dat er wel sprake is geweest van beroepsfouten aan de zijde van [geïntimeerde 1] . Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde 1] rechtsgeldig (partieel) is ontbonden met betrekking tot de werkzaamheden waarbij [geïntimeerde 2] in 2018 een beroepsfout heeft gemaakt en de werkzaamheden die daarvan het gevolg zijn geweest.

[geïntimeerden] heeft in hoger beroep alsnog betwist dat (een gedeelte van) de factuur van

5 januari 2018 onderdeel uitmaakt van haar ongedaanmakingsverplichting. Deze factuur zag op een totaalbedrag van € 64.369,-. Volgens [geïntimeerden] zou hierop een bedrag van € 10.771,50 in mindering moeten worden gebracht omdat deze werkzaamheden geen verband houden met de gestelde beroepsfouten. [geïntimeerden] heeft in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd dat deze factuur enkel ziet op werkzaamheden die zijn uitgevoerd tot en met 22 december 2017. Deze werkzaamheden zagen op de reguliere advisering omtrent Transactie Screen en als ze al betrekking hadden op de benodigde toestemming van [naam 9] , hielden zij volgens [geïntimeerden] geen verband met de verzending van de brief van 15 januari 2018 en daarmee met de beroepsfout. Volgens [geïntimeerden] is zij als gevolg van de partiële ontbinding maximaal een bedrag van € 41.543,26 verschuldigd. Aangezien [geïntimeerden] het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 52.314,76 reeds heeft voldaan, vordert [geïntimeerden] het teveel betaalde bedrag van € 10.771,50 terug.

Het hof oordeelt als volgt. De overeenkomst is partieel ontbonden met betrekking tot de werkzaamheden waarbij [geïntimeerde 2] in 2018 beroepsfouten heeft gemaakt en de werkzaamheden die daarvan het gevolg zijn geweest. Dat de posten tot een totaal van € 10.771,50 betrekking hebben op zulke werkzaamheden is onvoldoende gebleken. De geel gearceerde posten op de declaratie van 8 januari 2018 (productie 17 dagvaarding eerste aanleg) zien op werkzaamheden die zijn verricht tussen 22 november 2017 en 22 december 2017 en die afgaande op de omschrijving slechts (zeer) ten dele zijn besteed aan [naam 9] . Bovendien is niet alle aan contacten met [naam 9] (en de van hem te verkrijgen toestemming) bestede tijd zonder meer te beschouwen als nodeloos nu de opzet om de aanbiedingsplicht te vermijden, door de beroepsfouten van [geïntimeerde 2] , is mislukt. Het ontbreekt daarmee aan toereikende aanknopingspunten om te oordelen dat deze prestaties voor het gevorderde bedrag, of een deel ervan, door de ontbinding zijn getroffen en daarom ongedaan moeten worden gemaakt.

Het hof is van oordeel dat de vordering van [appellanten] voor zover het de op de declaratie van 8 januari 2018 geel gearceerde werkzaamheden betreft niet toewijsbaar is. De vordering is toewijsbaar tot een bedrag van € 41.543,26. Voor zover [geïntimeerden] inmiddels heeft betaald, zal [appellanten] het bedrag van € 10.771,50 moeten terugbetalen. Grief 2 in het incidenteel hoger beroep slaagt.

De conclusie

In het principaal hoger beroep kan grief 1 onbesproken blijven, slagen grief 2 en grief 5 (gedeeltelijk), falen de grieven 3 en 4 en heeft grief 6 geen zelfstandige betekenis. In het incidenteel hoger beroep faalt grief 1 en slaagt grief 2. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en het hof zal voor de leesbaarheid een nieuw dictum formuleren. Hierin zal ook de proceskostenveroordeling in eerste aanleg worden meegenomen, die in stand kan blijven. [geïntimeerde 1] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. De proceskosten in het incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd omdat partijen daarin voor een deel in het gelijk en voor een deel in het ongelijk worden gesteld.

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellanten] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 129,14

- griffierecht € 11.379,00

- salaris advocaat € 9.262,00 (2 punten × appeltarief VIII € 4.631,00)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)

- totaal: € 20.959,14

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6. Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel

vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2023, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] jegens [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 7] en [appellant 9] de onder 5.12 tot en met 5.16 omschreven beroepsfouten heeft gemaakt;

veroordeelt [geïntimeerde 1] tot vergoeding van de schade die [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 7] , en [appellant 9] als gevolg van voormelde beroepsfouten hebben geleden en nog zullen lijden, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

verklaart voor recht dat de overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde 1] rechtsgeldig is

ontbonden met betrekking tot de werkzaamheden waarbij [geïntimeerde 2] in 2018 beroepsfouten heeft gemaakt en de werkzaamheden die daarvan het gevolg zijn geweest;

veroordeelt [geïntimeerde 1] om aan [appellant 1] te betalen een bedrag van € 41.543,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf twee dagen na de betekening van het vonnis in eerste aanleg tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant 1] – voor het geval [geïntimeerde 1] reeds volledig aan de veroordeling in eerste aanleg had voldaan – tot terugbetaling van een bedrag van € 10.771,50;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de proceskosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [appellant 1] tot het vonnis van 8 februari 2023 vastgesteld op € 6.664,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na 8 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 20.959,14, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [geïntimeerde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening;

veroordeelt [geïntimeerde 1] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;

bepaalt dat in het incidenteel hoger beroep iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?