GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer gerechtshof Amsterdam : 200.355.689/01
zaaknummer / rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/766038/ KG ZA 25-172 EAM/BB
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. A.T. Eisenmann te Amsterdam,
tegen
STICHTING PERSOONLIJK VO,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. L.A. van Amsterdam te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en PVO genoemd.
1. De zaak in het kort
PVO vordert in kort geding om aan [appellant] een verbod op te leggen om te handelen in strijd met afspraken zoals vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst en een proces-verbaal. De voorzieningenrechter heeft alle vorderingen toegewezen en [appellant] – kort gezegd – verboden contact op te nemen met of te procederen tegen bepaalde personen, of uitlatingen te doen gericht op het beïnvloeden van besluitvorming van PVO of waarmee de schijn wordt gewekt dat [appellant] voor of namens PVO communiceert, op straffe van een dwangsom. Het hof honoreert het beroep van [appellant] tegen een van die verboden, maar laat de opgelegde verboden voor het overige in stand. Verder verbindt het hof daar een hogere dwangsom aan.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 19 mei 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 22 april 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, gewezen onder bovenvermeld zaak- en rolnummer tussen PVO als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben de volgende stukken ingediend:
- appeldagvaarding tevens houdende grieven met producties 1 tot en met 5;
- memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van eis in incidenteel appel;
- memorie van antwoord in incidenteel appel
- productie 6 aan de kant van [appellant] .
Op 16 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voor PVO heeft ook mr. A.L. van de Pol, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd.
3. Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof zal rekening houden met hetgeen [appellant] over de feitenvaststelling heeft aangevoerd in de grieven 1 en 3. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet betwist. Voor zover in hoger beroep relevant en waar nodig aangevuld gaat het om het volgende.
[appellant] is de drijvende kracht geweest achter de oprichting van acht scholen op basis van het concept van persoonlijk onderwijs. Het concept bood leerlingen veel aandacht in kleine klassen en met extra veel onderwijstijd. De scholen waren ondergebracht in afzonderlijke onderwijsstichtingen. [appellant] had, al dan niet als (enig) bestuurder van die stichtingen, zeggenschap over de scholen, evenals zijn echtgenote [naam 1] , die als directeur optrad. PVO is rechtsopvolger van deze stichtingen. Alle acht scholen zijn inmiddels gesloten of elders ondergebracht.
[appellant] heeft daarnaast met anderen de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (hierna: SvPO) met kvk-nummer 34286138 opgericht, een ANBI-stichting om te helpen bij het opstarten van scholen volgens het concept voor persoonlijk onderwijs. Hiervan was eerst [naam 1] bestuurder, vervolgens was dit PVO. SvPO is daarna door fusie opgegaan in PVO.
Op 25 juni 2025 is een (nieuwe) Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (met kvk-nummer 97623199) opgericht, met als enig bestuurder [naam 1] . [appellant] is bestuurder van [bedrijf] ., een bedrijf dat als handelsnaam svpo voert. De website www.svpo.nl behoort toe aan Stichting Frederikssoon waarvan [appellant] eveneens bestuurder is. Deze stichting is tevens rechthebbende van het woordmerk SVPO.
In de periode 2020-2022 heeft de Onderwijsinspectie onderzoek verricht naar het bestuur van de scholen en is daarbij tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat [appellant] (financieel) wanbeleid heeft gevoerd. De Onderwijsinspectie heeft strafrechtelijk aangifte gedaan tegen [appellant] .
Bij brieven van 27 april 2022 en (vooral) 16 mei 2022, die in deze procedure niet zijn overgelegd, hebben de schoolleiders en medezeggenschapsraden van de acht scholen hun vertrouwen in [appellant] opgezegd en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft [appellant] gevraagd af te treden, wat hij op 7 juni 2022 heeft gedaan.
In de brief van 16 mei 2022 staat onder meer dat onder het bestuur van [appellant] sprake was van een angstcultuur en negatieve prikkels en dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan belangenverstrengeling en zelfverrijking.
[appellant] is tegen de conclusie van de Onderwijsinspectie, dat onder zijn bestuur sprake was van onregelmatigheden, opgekomen met een procedure bij de Accountantskamer.
Op 17 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten tussen onder meer PVO en [appellant] . Op basis van die VSO is het bestuur van SvPO aan PVO overgedragen. De strafrechtelijke procedure tegen [appellant] is rond die tijd beëindigd, althans het OM heeft [appellant] niet verder vervolgd.
De VSO, die in deze procedure niet is overgelegd, luidt voor zover hier relevant als volgt:
“ DE ONDERGETEKENDEN:
1. de Stichting Persoonlijk VO (…) (de “ Stichting ”)
(…)
4. de heer [appellant] (…) “ [appellant] ”)
(…)
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
(…)
(f) De Onderwijs inspectie in 2021 en 2022 rapporten heeft opgesteld waarin de Onderwijsinspectie kort gezegd tot het oordeel komt dat sprake zou zijn geweest van wanbeheer bij de Schoolstichtingen. [appellant] heeft zich als gevolg van voornoemde rapporten op 7 juni 2022 genoodzaakt gevoeld zijn bestuurstaken over te dragen aan een door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (het “ Ministerie ”) voorgedragen (interim-)bestuur;
(g) Een achttal (deels voormalig) werknemers van de Stichting zich bij brieven van 27 april 2022 en 16 mei 2022 heeft uitgelaten over, kort gezegd, de wijze waarop [appellant] uitvoering heeft gegeven aan zijn bestuurstaken. [appellant] is van oordeel dat de inhoud van beide brieven onjuist en onrechtmatig is, en heeft in dit kader juridische stappen aangekondigd;
(h) Tussen Partijen over verschillende onderwerpen een geschil bestaat. In hoofdlijnen betreft hetgeen Partijen momenteel verdeeld houdt (i) de (on)rechtmatigheid van het door SvPO in eigendom verkrijgen en hebben van een (hierna te definiëren) viertal percelen grond met daarop gevestigd (school)gebouwen (alsook al dan niet gevestigde erfpachtconstructies en daarmee samenhangende erfpachtcanons), (ii) de wijze waarop [appellant] zijn bestuurstaken heeft vervuld, (iii) de (on)rechtmatigheid van de in overweging g genoemde brieven, (iv) (de vergoeding voor) de werkzaamheden die [appellant] voor en na zijn aftreden voor de Stichting heeft verricht, en (v) de wijze van continuering van de Stichting (tezamen aangeduid als het “ Geschil ”);
(…)
VERKLAREN ALS VOLGT TE ZIJN OVEREENGEKOMEN :
1. SvPO (...) zal de Stichting direct volgend op ondertekening door alle partijen van deze Vaststellingsovereenkomst aanstellen als enig bestuurder van SvPO, en Polet zal gelijktijdig als bestuurder van SvPO aftreden.
De Stichting wordt daarmee bestuurder van de SvPO, die geheel vrij van bemoeienis kan beschikken over zowel (...) als (vrij van beperkte rechten en enig andere (goederen)rechtelijke aanspraak door [appellant] ) alle bij SvPO in eigendom zijnde percelen grond en alle daarop gevestigde (school)gebouwen (...). [appellant] verklaart dat SvPO vrij over het Onroerend Goed (...) kan beschikken.
(…)
6. Partijen hebben jegens elkaar uitgesproken dat zij het Geschil definitief en volledig wensen af te wikkelen. Nadat volledig uitvoering is gegeven aan hetgeen in deze Vaststellingsovereenkomst is bepaald, verlenen Partijen elkaar dan ook over en weer algehele finale kwijting ten aanzien van alles wat direct of indirect samenhangt met het Geschil. De in dit artikel vastgelegde kwijting heeft geen gevolgen voor de in deze Vaststellingsovereenkomst vastgelegde afspraken.
7. Partijen zeggen toe ten aanzien van alles wat direct of indirect samenhangt met het Geschil geen procedures van welke aard dan ook (daaronder begrepen beslagprocedures, arbitrage en (voorlopig) getuigenverhoren) jegens elkaar of jegens enig (oud-) werknemer van of betrokkene bij de Stichting aanhangig te zullen maken of anderszins in welke vorm dan ook te zullen aansturen op voortzetting van het Geschil (...).
(…)
11. [appellant] zegt toe hetgeen is bepaald in artikel 6 en 7 mede uit te laten strekken tot alle (oud-)werknemer van of betrokkene bij (...) de Stichting, een en ander in de breedste zin van het woord en daaronder begrepen onder meer alle (voormalig) schoolleiders van (…) de Stichting, alsmede hun familieleden.
(...)
18. Deze Vaststellingsovereenkomst bevat alle tussen partijen gemaakte afspraken. Partijen zijn gebonden door en aan de letterlijke tekst van de in deze Vaststellingsovereenkomst vastgelegde bepalingen.”
In de zomer van 2024 stelde [appellant] zich op het standpunt dat hij weer zou zijn aangesteld als bestuurder van SvPO. Daarop heeft PVO bij de rechtbank Amsterdam een procedure aanhangig gemaakt. In die procedure hebben partijen op de zitting van 11 juli 2024 afspraken gemaakt die in een proces-verbaal zijn vastgelegd. Deze afspraken luiden als volgt:
“1. [appellant] en Stichting Frederikssoon verklaren dat:
[appellant] en/of Stichting Frederikssoon nooit rechtsgeldig benoemd zijn tot bestuurder(s) van de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs,
[appellant] en/of Stichting Frederikssoon ook in de toekomst nooit aanspraak zullen maken op het zijn van bestuurders in de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs,
Stichting Persoonlijk VO enig bestuurder is van de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs.
2. [appellant] en Stichting Frederikssoon zullen in de toekomst geen invloed proberen uit te oefenen – al dan niet via derden – op het handelen of besluiten van het bestuur van de Stichting Persoonlijk VO en de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs. Daaronder valt in ieder geval het wijzigen van de statuten van Stichting voor Persoonlijk Onderwijs en/of de Stichting Persoonlijk VO, het fuseren van Stichting voor Persoonlijk Onderwijs en/of de Stichting Persoonlijk VO en de samenstelling van het bestuur van Stichting voor Persoonlijk Onderwijs en/of Stichting Persoonlijk VO.
3. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure verzocht hebben en al hetgeen zij mogelijk nog te vorderen hebben in het kader van de rechtsbetrekking die tussen hen heeft bestaan, de lopende WNT-procedure uitgezonderd.
4. Partijen dragen ieder de eigen kosten van deze procedure en verzoeken om doorhaling van de zaak.”
Bij brief van 5 maart 2025 en gelijkluidende e-mail van 8 maart 2025 heeft [appellant] aan voormalig schoolleiders en MR-leden, met verwijzing naar de onder 3.6 vermelde brieven van 27 april 2022 en 16 mei 2022, onder meer het volgende geschreven:
“Met het eerste interim-bestuur heb ik eind 2023 afgesproken dat ik je niet meer aansprakelijk zou stellen voor de aanzienlijke schade die je brieven hebben aangericht. Het nieuwe interim-bestuur houdt zich echter zelf niet aan de afspraken. Bovendien heeft dit bestuur in een juridische procedure de onwaarheden die jullie in de brief over mij schreven, weer opgerakeld.
Op 28 februari 2025 heeft de Accountantskamer geoordeeld dat de Onderwijsinspectie ten onrechte heeft beweerd dat ik persoonlijk voordeel zou hebben behaald. De inspectie kreeg daarvoor een tuchtrechtelijke waarschuwing – niet de eerste keer overigens.
Ik geef je hierbij nog eenmaal de gelegenheid om afstand te nemen van de brieven. Ik zal je in dat geval vrijwaren van de zeer forse claim die ik van plan ben in te dienen.
(…)
Indien je niet uiterlijk 12 maart 2025 op deze wijze afstand hebt genomen, zal ik dit doorzetten naar mijn advocaten en betrek ik je in de juridische procedure waarin de daadwerkelijk geleden schade op je verhaald zal worden. Ik merk daarbij bij voorbaat op dat deze procedure zal samenvallen met de sluiting van de scholen en daardoor aan veel publiciteit onderhevig kan zijn. Ik wijs verantwoordelijkheid daarvoor af.”
Op de eerste pagina van de brief staat een logo met de tekst ‘SvPO’ en een verwijzing naar de website www.svpo.nl.
Bij brief van 3 maart 2025 heeft [appellant] de Commissie Onderwijs van de Tweede Kamer aangeschreven. Ook op deze brief staat op de eerste pagina een logo met de tekst ‘SvPO’ en een verwijzing naar de website www.svpo.nl. [appellant] heeft in deze brief, verwijzend naar een gestelde verkoop van schoolpanden van PVO, onder meer geschreven dat:
de verwachte totale verkoopopbrengst van € 7.7 miljoen moet worden gebruikt voor de leerlingen;
dit geen vrijblijvende eis is, omdat ouders een stok achter de deur hebben (terugvorderen ouderbijdragen);
er na verkoop bepaalde verplichtingen moeten worden nagekomen en dat compensatie moet worden geboden;
er € 3,3 miljoen (€ 1,1 miljoen per school) resteert, te besteden met instemming van de MR.
[appellant] heeft de brief ondertekend met ‘Oprichter en oud-bestuurder SvPO-scholen’.
Vanaf het e-mailadres ‘redactie@svpo.nl’ is op 10 maart 2025 en 13 maart 2025 aan ouders, leerlingen en personeelsleden van PVO onder meer het volgende (of woorden van gelijke strekking) geschreven:
“Gebruik vrijkomend vermogen van SvPO-scholen voor leerlingen (…). Leerlingen zijn de dupe van de sluiting van de SvPO-scholen. Het vermogen van de scholen moet gebruikt worden om hen te helpen. (…) Door de sluiting valt een miljoenenvermogen vrij. De Tweede Kamer wordt in een brief opgeroepen aan de staatssecretaris te vragen om dat vermogen te gebruiken voor de begeleiding van deze leerlingen.”
Op de website www.svpo.nl is onder het tabje nieuws op enig moment het volgende opgenomen:
“Oprichter [appellant] van SvPO heeft een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over de bestemming van het opgebouwde vermogen van de SvPO-scholen. De verkoop van de schoolgebouwen in Hoorn en Deventer levert ca. €7,7 miljoen op. Na aftrek van verplichtingen moet hieruit een persoonlijk budget betaald worden aan leerlingen die door de gedwongen overstap naar een reguliere school nadelen ondervinden. Verder moeten de drie scholen die aan scholenkoepel [naam 2] worden overdragen, uit dit vermogen een bruidsschat meekrijgen, om het bijzondere persoonlijk onderwijs zoveel mogelijk te behouden. Ouders hebben het recht om te eisen dat het vermogen op deze wijze wordt besteed aan persoonlijk onderwijs, omdat het daar oorspronkelijk voor bedoeld was.”
Bij e-mailberichten van 10 maart 2025 en 17 maart 2025 heeft (de advocaat van) PVO aan [appellant] te kennen gegeven dat zijn handelen in strijd is met de onder 3.9. vermelde VSO van 17 november 2023 en het onder 3.10. vermelde proces-verbaal van 11 juli 2024. [appellant] is niet bereid gebleken zijn handelen te staken en gestaakt te houden.
4. Procedure bij de voorzieningenrechter
Samengevat heeft PVO - na eiswijziging - bij de voorzieningenrechter gevorderd om [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verbieden om:
contact te leggen met de auteurs van de brieven van 27 april en 16 mei 2022 met een vordering, gebod, verzoek of mededeling in strijd met de VSO;
een juridische procedure te starten of voort te zetten tegen PVO of enige (oud-) werknemer van of betrokkene bij PVO (daaronder begrepen de onder a genoemde auteurs) met een vordering in strijd met de VSO;
gebruik te maken van, te citeren uit of aan te halen of te verwijzen naar een verklaring zoals door [appellant] verzocht bij e-mail van 8 maart 2025;
uitlatingen te doen die zijn gericht op beïnvloeding van het handelen en besluiten van PVO ten aanzien van het onroerend goed en de wijze van continuering van PVO;
in zijn uitlatingen (daaronder begrepen communicatie met een e-mailadres met de extensie ‘@svpo’ en/of op een webpagina met in de url het woord ‘svpo’) de schijn te wekken dat [appellant] voor of namens PVO en/of SvPO communiceert;
een en ander op straffe van dwangsommen;
met veroordeling van [appellant] in de werkelijke proceskosten, subsidiair in proceskosten volgens het hoogste liquidatietarief, telkens te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
De voorzieningenrechter heeft het gevorderde, behoudens de gevorderde werkelijke proceskosten, toegewezen en daarbij een dwangsom bepaald van € 1.000,- voor iedere keer dat [appellant] in strijd met de opgelegde verboden handelt, tot een maximum van € 100.000,-, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten conform het liquidatietarief met nakosten en wettelijke rente.
5. Vorderingen in hoger beroep
[appellant] vordert in principaal appel vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende – uitvoerbaar bij voorraad – PVO niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van PVO alsnog af te wijzen, met veroordeling van PVO tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het bestreden vonnis aan PVO heeft voldaan, met rentevergoeding over dat bedrag en veroordeling van PVO in de kosten van het geding in beide instanties. [appellant] voert hiertoe twaalf grieven tegen het vonnis aan, genummerd 1 tot en met 11 (er zijn twee grieven genummerd 8; het hof zal hierna de grieven doornummeren met 1 tot en met 12).
Volgens PVO moet het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen toewijzen met oplegging van een hogere dwangsom zoals toegelicht in het incidenteel appel, met beslissing over de proceskosten met nakosten en rente. Hiertoe voert PVO drie grieven aan. Bij de mondelinge behandeling heeft PVO haar derde incidentele grief (gericht tegen de afwijzing van een volledige proceskostenvergoeding) ingetrokken.
[appellant] concludeert in het incidenteel appel tot niet-ontvankelijkheid van PVO, althans tot afwijzing, met veroordeling van PVO in de kosten van het incidenteel appel.
6. Beoordeling
Principaal appel
Spoedeisend belang
Tussen partijen is niet in geschil dat PVO ook in hoger beroep voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen zoals hierboven in 4.1. onder a. tot en met d. weergegeven. [appellant] betwist wel dat PVO (spoedeisend) belang heeft bij de vordering onder e., omdat PVO inmiddels in liquidatie verkeert. Het hof stelt voorop dat PVO ter zitting haar vordering onder e. heeft verminderd in die zin dat de verwijzingen naar ‘svpo’ wordt geschrapt, zodat zij niet langer vordert dat het [appellant] wordt verboden de schijn te wekken dat hij voor of namens SvPO communiceert. Deze eisvermindering hangt samen met het feit dat SvPO inmiddels niet meer bestaat aangezien zij door fusie in PVO is opgegaan. Het besluit tot ontbinding van PVO brengt niet mee dat zij geen (spoedeisend) belang meer heeft bij haar verminderde vordering onder e. PVO heeft toegelicht dat zij nog gedurende maanden, zo niet jaren, bezig zal zijn met de vereffening en [appellant] heeft dat niet betwist. Gedurende de periode van vereffening bestaat PVO nog voort en heeft zij (spoedeisend) belang bij de (gewijzigde) vordering onder e.
[appellant] erkent dat hij door het sturen van de brief op 5 maart 2025 en de e-mail op 8 maart 2025 (3.11) in strijd heeft gehandeld met de VSO. Met de grieven in het principaal appel voert [appellant] in de kern aan dat hij de VSO niet (meer) hoefde na te leven en dat de in het bestreden vonnis opgelegde verboden niet in stand kunnen blijven, omdat i) de VSO waarop de verboden gebaseerd zijn, onder invloed van (be)dreiging tot stand is gekomen, ii) hij zijn verplichtingen mocht opschorten omdat PVO haar verplichtingen uit de VSO niet nakomt en iii) de verboden een ontoelaatbare schending inhouden van hem toekomende rechten. Verder voert [appellant] aan dat het hem vrij moet staan om al ontvangen verklaringen van de auteurs van de brieven te gebruiken en de auteurs van de brieven als getuigen op te roepen in een procedure tegen de Staat en klaagt hij erover dat de voorzieningenrechter niet (kenbaar) kennis heeft genomen van het door hem ingediende verweerschrift. De grieven slagen niet. Het hof licht dat als volgt toe.
Beroep op vernietigbaarheid VSO, grieven 5, 6 en 7
Het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van de VSO op grond van artikel 3:44 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vanwege (be)dreiging wordt verworpen, omdat hij aan dat beroep geen juridische consequenties heeft verbonden. Vast staat dat [appellant] de VSO niet door middel van een buitengerechtelijke verklaring heeft vernietigd en dat hij ook geen vernietiging daarvan heeft gevorderd. Overigens acht ook het hof op basis van de stellingen van [appellant] niet aannemelijk dat de VSO onder (be)dreiging tot stand is gekomen. Op grond hiervan falen de grieven 5, 6 en 7.
Geen opschortingsrecht, grief 8
[appellant] meent dat PVO haar verplichtingen uit de VSO op drie punten niet is nagekomen (grief 8) en dat brengt in zijn visie mee dat hij zich kan beroepen op opschorting (artikel 6:262 lid 1 BW). PVO heeft de gestelde tekortkomingen harerzijds (deels) betwist en voert daarnaast aan dat opschorting in dit geval zou betekenen dat [appellant] wordt bevrijd van zijn verplichtingen uit de VSO, terwijl PVO van haar kant de belangrijkste prestaties uit de VSO reeds heeft verricht.
Het hof volgt niet het betoog van PVO dat partijen in artikel 14 van de VSO afstand hebben gedaan van de mogelijkheid tot opschorting. Dat artikel luidt - onbetwist: “Partijen doen onherroepelijk afstand van het recht een voor akkoord ondertekende versie van deze Vaststellingsovereenkomst op welke grond dan ook geheel of gedeeltelijk te ontbinden, op te zeggen, te vernietigen (…) of nietig te verklaren, of om ontbinding, opzegging, vernietiging, nietigverklaring of anderszins wijziging van deze Vaststellingsovereenkomst te vorderen.”. Uit deze bepaling volgt niet dat partijen afstand hebben gedaan van de mogelijkheid om hun wederzijdse verplichtingen op te schorten.
De tekortkomingen die [appellant] PVO verwijt zijn: (1) schending van de geheimhoudingsclausule, (2) handelen in strijd met de finale kwijting en (3) het doen van negatieve uitlatingen over [appellant] in strijd met de VSO. Het hof is van oordeel dat aan [appellant] op grond hiervan geen opschortingsrecht toekomt en licht dat hieronder toe. Grief 8 faalt.
(1) Schending van de geheimhoudingsclausule
Tussen partijen is niet in geschil dat zij zijn overeengekomen om de (inhoud van) de VSO geheim te houden. PVO heeft erkend dat zij de VSO eind 2024 heeft gedeeld met medewerkers. De VSO is volgens PVO per ongeluk toegevoegd aan een informatiepakket dat is toegezonden aan leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en PVO voert aan dat zij de leden direct na ontdekking van deze fout heeft verzocht de VSO te verwijderen. Met deze erkenning door PVO staat vast dat zij de geheimhoudingsverplichting heeft geschonden. De gevolgen daarvan zijn echter beperkt gebleven, omdat vast staat dat PVO, nadat [appellant] haar had gewezen op de schending, de leden heeft verzocht de VSO te verwijderen. Zonder toelichting van [appellant] , die ontbreekt, valt niet in te zien dat deze tekortkoming van PVO rechtvaardigt dat [appellant] de nakoming van zijn verplichtingen uit de VSO opschort in die zin dat hij niet langer gebonden zou zijn aan de daarin gemaakte afspraken. Een dergelijke blijvende bevrijding van de verplichtingen van [appellant] uit de VSO strekt verder dan alleen tijdelijke opschorting daarvan. Daarnaast kan de door [appellant] beoogde opschorting ook niet leiden tot nakoming door PVO van haar verplichting tot geheimhouding, nu deze eenmaal is geschonden.
(2) Handelen in strijd met de finale kwijting
[appellant] voert verder aan dat PVO in strijd handelt met de in de VSO aan hem verstrekte finale kwijting doordat zij betaling vordert van [appellant] vanwege een vermeende overschrijding van de WNT (Wet Normering van Topinkomens). PVO heeft dit bestreden en [appellant] heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep erkend dat PVO niet zelf een betaling van hem vordert. Reeds hierom is geen sprake van een tekortkoming. Daarnaast is de WNT-procedure in het proces-verbaal uitdrukkelijk uitgezonderd van de kwijting (zie hierboven onder 3.10).
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] nog toegelicht dat hij een brief heeft ontvangen waarbij is aangekondigd dat de Inspectie (van het Onderwijs, zo begrijpt het hof) op grond van de WNT geld van hem zal vorderen, omdat in de jaarrekening van PVO ten onrechte staat dat hij als bestuurder aanspraak maakt(e) op een te hoge bezoldiging. De tekortkoming van PVO in de nakoming van de VSO bestaat er volgens [appellant] uit dat PVO een vergoeding had moeten vaststellen voor zijn ict-werk (naast die voor zijn bestuurswerk), zodat per saldo niet langer sprake zou zijn van overschrijding van de krachtens de WNT geldende maximale bezoldiging voor zijn bestuurswerk, en dit had moeten doorvoeren in de jaarrekening. Daardoor zou hij niet langer blootstaan aan het risico dat deze Inspectie een WNT-vordering tegen hem instelt, aldus [appellant] . Het hof verwerpt dit betoog. Uit de tekst van de VSO (voor zover ingebracht) noch uit enig ander document blijkt dat op PVO een dergelijke verplichting rust. Uit de kwijtingsbepaling in de VSO (artikel 7) volgt slechts dat PVO geen vorderingen meer tegen [appellant] mag instellen, niet dat PVO ook gehouden is te voorkomen dat derden op grond van de WNT of anderszins vorderingen tegen hem kunnen instellen. [appellant] heeft bovendien erkend dat hij PVO niet schriftelijk of mondeling heeft verzocht om de jaarrekening aan te passen, zoals PVO volgens hem op grond van de VSO zou moeten doen. Het hof concludeert dat bij die stand van zaken geen tekortkoming van PVO op dit punt kan worden aangenomen.
(3) Negatieve uitlatingen in strijd met de VSO
In artikel 3 lid 5 van de VSO zijn partijen overeengekomen: “Partijen zullen zich onthouden van negatieve bewoordingen en uitingen jegens de andere Partij”. [appellant] voert aan dat PVO in strijd met deze bepaling heeft gehandeld en beroept zich in dit verband op uitlatingen van (een advocaat van) PVO in een gerechtelijke procedure, waarvan hij rectificatie heeft geëist, een en nader zoals nader aan de orde in het arrest van dit hof van 4 november 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3023). Het hof heeft in die uitspraak de uitlatingen niet in strijd met de VSO geacht. Ter onderbouwing van zijn betoog in de onderhavige zaak heeft [appellant] niet meer of anders aangevoerd dan in die procedure. Het hof ziet daarom geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen en concludeert voorshands dat de uitlatingen geen tekortkoming van PVO vormen en daarmee geen grond kunnen zijn voor opschorting.
Bij de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog aangevoerd dat PVO zich ook buiten de rechtszaal negatief over hem heeft uitgelaten, waarbij hij een citaat heeft aangedragen van een beweerdelijk door een schoolleider gedane uitspraak in een tv-uitzending van een regionale omroep van 14 juli 2025. Nog daargelaten dat het beroep op deze uitlating te laat in de procedure is gedaan, kan dit [appellant] ook inhoudelijk niet baten. Het citaat kan niet worden aangemerkt als een uitlating van PVO omdat de schoolleider niet met PVO kan worden vereenzelvigd. Bovendien kan het citaat niet worden aangemerkt als een negatieve uitlating over [appellant] . De schoolleider heeft slechts gezegd dat de school vanwege onvoldoende leerlingen moest sluiten mede door negatieve publiciteit door een bestuur dat dubieuze beslissingen had genomen. Met ‘een bestuur’ hoeft niet [appellant] te zijn bedoeld.
Tussenconclusie
Al hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van zijn overtredingen van de VSO wordt dus verworpen. Het hof is ook overigens van oordeel dat de voorzieningenrechter de vorderingen onder a. en b. terecht heeft toegewezen.
Gebruik van al ontvangen verklaringen – vordering onder c, grieven 9 en 10
Onder c vordert PVO om [appellant] een verbod op te leggen om gebruik te maken van verklaringen zoals door [appellant] verzocht bij e-mail van 8 maart 2025. Met de grieven 9 en 10 komt [appellant] op tegen de toewijzing daarvan door de voorzieningenrechter. Hij betoogt dat het hem toegestaan moet zijn om in de procedure tegen de Staat gebruik te maken van de schriftelijke verklaringen die hij ontvangt of heeft ontvangen van de door hem aangeschreven auteurs van de brieven van 27 april en 16 mei 2022 (hierna: de auteurs). Dat de brief van 5 maart 2025 en de e-mail van 8 maart 2025 aan de auteurs in strijd zijn met de VSO staat tussen partijen niet ter discussie. Het gebruik van reeds door [appellant] ontvangen verklaringen op basis van de e-mail van 8 maart 2025 houdt daarom een voortzetting in van het geschil en ook dat is in strijd met de VSO, zodat een verbod daarop gerechtvaardigd is. Deze grieven slagen daarom niet.
Vordering onder d, grief 11
Aan het gevorderde verbod onder d heeft PVO ten grondslag gelegd dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met de VSO en het proces-verbaal door de brief van 3 maart 2025 (3.12) aan de Tweede Kamer te sturen en door het aanhalen van die brief in e-mails aan ouders van 10 en 13 maart 2025 en op de website www.svpo.nl (3.13 en 3.14). Met grief 11 komt [appellant] terecht op tegen de toewijzing van dit deel van de vordering door de voorzieningenrechter. Het hof is van oordeel dat de door PVO aangevoerde grondslagen het gevorderde niet kunnen dragen. In de VSO heeft [appellant] verklaard dat PVO vrij kan beschikken over het onroerend goed en in het proces-verbaal zijn partijen overeengekomen dat [appellant] in de toekomst geen invloed zal proberen uit te oefenen op het handelen en besluiten van het bestuur van PVO. Met de brief aan de Tweede Kamer wordt niet beoogd invloed uit te oefenen op besluiten van PVO ten aanzien van het onroerend goed, maar op de besluitvorming van de Staat over de besteding van de eventueel aan haar toevallende opbrengst van de verkoop daarvan. (Dat [appellant] niet de schijn mag wekken dat hij communiceert voor of namens PVO, hetgeen ook geldt als [appellant] brieven schrijft aan de Tweede Kamer, komt hieronder aan bod bij de behandeling van het verbod onder e.) Schending van de VSO en het proces-verbaal door [appellant] kan ook niet worden aangenomen ten aanzien van de e-mails van 10 en 13 maart 2025 (3.13) en de verwijzing naar de brief aan de Tweede Kamer op de website www.svpo.nl (3.14). [appellant] heeft betwist dat hij de afzender is geweest van die e-mails en voert aan dat de redactie van de website verantwoordelijk is voor het plaatsen van die brief op de website. Daar tegenover heeft PVO niet (voldoende) aannemelijk weten te maken dat [appellant] die handelingen heeft verricht. Grief 11 slaagt dus en het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd.
E-mailadres en website – verbod onder e, grief 12
Het verbod om in zijn uitlatingen met gebruikmaking van een e-mailadres met de extensie @svpo.nl of op een webpagina met in de url het woord ‘svpo’ de schijn te wekken dat [appellant] namens PVO en/of SvPO communiceert (vordering onder e), is volgens [appellant] in strijd met een gedeponeerd merkrecht en belemmert hem bij de uitoefening van een door hem onder de naam SvPO gevoerde onderneming, omdat het praktisch gezien betekent dat de mailadressen met de extensie @svpo.nl, de website www.svpo.nl en het briefpapier met het woordmerk SvPO niet meer gebruikt kunnen worden.
Deze grief gaat uit van een onjuiste lezing van de vordering. PVO vordert onder e niet [appellant] in algemene zin te verbieden (direct of indirect) gebruik te maken van mailadressen met de extensie @svpo.nl, van de website www.svpo.nl of van briefpapier met het woordmerk SvPO, maar alleen op zodanige wijze dat hij de indruk wekt voor of namens PVO te communiceren. Bij de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat de stichting SvPO (met kvk-nummer 34286138) door fusie niet langer bestaat en PVO heeft daarbij haar vordering in die zin verminderd dat zij niet langer vordert dat het [appellant] wordt verboden in zijn uitlatingen de schijn te wekken dat hij voor of namens SvPO communiceert. Het hof zal daarom de vordering in die zin toewijzen dat het [appellant] wordt verboden om in zijn uitlatingen de schijn te wekken te communiceren voor of namens PVO. Het bestreden vonnis wordt op dat punt vernietigd.
Verweerschrift eerste aanleg, grieven 2 en 4
De grieven 2 en 4, die inhouden dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen acht heeft geslagen op het door [appellant] voor de mondelinge behandeling ingebrachte verweerschrift, slagen ook niet. Het hoger beroep dient ertoe om eventuele gebreken in de procedure in eerste aanleg te herstellen. Aangezien het hof kennis heeft genomen van het verweerschrift van [appellant] in eerste aanleg is een eventuele omissie op dit punt (waarvan het hof overigens niet is gebleken) hersteld.
Incidenteel appel
PVO komt in incidenteel appel op tegen i) de overweging van de voorzieningenrechter dat [appellant] niet in strijd handelt met de VSO als hij de auteurs als getuigen oproept in de procedure tegen de Staat en ii) de hoogte van de opgelegde dwangsommen. Het incidenteel appel slaagt in zoverre dat het hof hogere dwangsommen zal opleggen. Ter toelichting geldt het volgende.
Oproepen van auteurs als getuigen
In r.o. 4.6 van het vonnis heeft de voorzieningenrechter een ten overvloede overweging opgenomen die inhoudt dat een eventuele procedure van [appellant] tegen de Staat niet onder de tussen partijen gemaakte afspraken valt, nu dat geen procedure tegen PVO of haar (oud)werknemers is. [appellant] handelt volgens de voorzieningenrechter dan ook niet in strijd met de VSO als hij hen als getuigen zou oproepen in de procedure tegen de Staat. PVO heeft geen verbod gevorderd op het oproepen van de auteurs als getuigen in een procedure tegen de Staat, zodat dit geen onderdeel uitmaakt van het geschil. Grief I kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Om een eventueel nader geschil te voorkomen, acht het hof het echter wel van belang om zich op dit punt uit te spreken. Het hof deelt de opvatting van de voorzieningenrechter dat de artikelen 7 en 11 van de VSO niet zo ver strekken dat daarin ook een verbod valt te lezen om (oud-)werknemers van PVO en haar rechtsvoorgangers als getuigen op te roepen in een procedure tegen een derde.
Hoogte van de dwangsommen
Grief II is gericht tegen de hoogte van de toegekende dwangsommen. PVO heeft aangevoerd dat de opgelegde dwangsom van € 1.000,- per overtreding met een maximum van €100.000,- een onvoldoende financiële prikkel vormt voor nakoming van het vonnis door [appellant] . Daarbij heeft PVO er onder meer op gewezen dat [appellant] al verschillende keren in strijd met de VSO heeft gehandeld. [appellant] heeft daar tegenin gebracht dat PVO vanwege haar liquidatie geen belang meer heeft bij een hogere dwangsom. Verder heeft hij betwist dat hij over voldoende vermogen beschikt om de opgelegde dwangsom te kunnen betalen en voert hij aan dat hij niet voornemens is de in het vonnis opgelegde verboden te schenden.
Het hof stelt voorop dat het besluit tot ontbinding van PVO niet meebrengt dat zij geen belang meer heeft bij de gevorderde dwangsom. Niet alleen zal de vereffening van PVO nog geruime tijd in beslag zal nemen en zal zij gedurende de vereffening nog voortbestaan, ook geldt dat (a) de afspraken in de VSO mede zijn gemaakt ten behoeve van (oud)werknemers van PVO en haar rechtsvoorgangers die daar een voortdurend belang bij hebben en (b) de dwangsommen, ook in het geval PVO ophoudt te bestaan, onverkort verschuldigd zullen worden als [appellant] het vonnis overtreedt (de dwangsommen vormen dan een nagekomen bate van PVO). Gelet op alle omstandigheden ziet het hof aanleiding een dwangsom op te leggen van € 5.000,- per overtreding met een maximum van € 500.000,-. Daarmee slaagt grief II.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het principaal hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre dat een hogere dwangsom wordt opgelegd. Voor de duidelijkheid zal het hof het bestreden vonnis geheel vernietigen, behoudens de daarin gegeven proceskostenveroordeling en een nieuw dictum formuleren. [appellant] is in het hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van PVO. Gezien de samenhang bestaat geen aanleiding voor afzonderlijke kostenveroordelingen in principaal en in incidenteel hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.580,00(tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407,00
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, met uitzondering van de daarin gegeven proceskostenveroordeling en doet opnieuw recht:
verbiedt [appellant] , met onmiddellijke ingang na betekening van dit arrest:
i.) op welke wijze dan ook direct of indirect rechtstreeks contact te leggen met alle auteurs van de brieven van 27 april 2022 en 16 mei 2022 met (als insteek) enige vordering, gebod, verzoek of mededeling die in strijd is met overweging g t/m h en artikel 6,7 en 11 van de VSO;
ii.) een juridische procedure te starten of voort te zetten tegen (a.) enig (oud-) werknemer van of betrokkene bij PVO (daaronder begrepen alle auteurs van de brieven van 27 april 2022 en 16 mei 2022 en (b.) PVO met (als insteek toewijzing van) enige vordering die in strijd is met (het bepaalde in) overweging f t/m h en artikel 1,6, 7 en 11 van de VSO;
iii.) op enigerlei wijze gebruik te maken van, te citeren uit, aan te halen van of te verwijzen naar een verklaring zoals door [appellant] verzocht bij e-mail van 8 maart 2025;
iv.) in zijn uitlatingen de schijn te wekken dat [appellant] voor of namens PVO communiceert;
veroordeelt [appellant] om aan PVO een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere keer dat hij in strijd handelt met een of meer van de in dit arrest opgelegde verboden, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;
wijst het meer of anders gevorderde af;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.407,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, O.J. van Leeuwen en M. Mieras en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.