beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.351.638/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/743201 / DW RK 23/444
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 10 maart 2026
inzake
STICHTING JURIDISCH CENTRUM,
gevestigd te Hoofddorp,
appellante,
gemachtigde: D.B. Pathak,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] , gemeente Utrecht,
2. [geïntimeerde 2],
(voorheen) kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats] , gemeente Utrecht,
3. [geïntimeerde 3],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] , gemeente Utrecht,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna klaagster en de gerechtsdeurwaarders (respectievelijk de gerechtsdeurwaarder, de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder) genoemd.
1. De zaak in het kort
Ten laste van klaagster zijn op twee verschillende momenten dwangbevelen uitgevaardigd. Het kantoor van de gerechtsdeurwaarders was belast met de executie van de dwangbevelen en heeft onder meer geprobeerd bankbeslag te leggen op twee bankrekeningen van klaagster. Klaagster heeft op enig moment verzet aangetekend tegen beide dwangbevelen. Eén verzet is gedeeltelijk gegrond verklaard, waarna de desbetreffende vordering is verminderd. De gerechtsdeurwaarders hebben klaagster op verschillende momenten herinneringen van de openstaande vorderingen gestuurd, ook op het privéadres van de bestuurder van klaagster. In deze tuchtprocedure verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarders onder meer dat zij de executie hebben voortgezet ondanks het ingediende verzet, dat zij misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid door op twee bankrekeningen tegelijk bankbeslag te leggen en dat zij de Basisregistratie Personen (BRP) hebben misbruikt bij het versturen van de herinneringen. Net als de kamer voor gerechtsdeurwaarders acht het hof de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.
2. Het geding in hoger beroep
Klaagster heeft op 26 februari 2025 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 januari 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:9).
De gerechtsdeurwaarders hebben op 28 mei 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
Klaagster heeft op 17 december 2025 aanvullende producties bij het hof ingediend, maar deze zijn door het hof niet toegevoegd aan het procesdossier omdat deze te laat zijn ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2025. Klaagster, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gerechtsdeurwaarder mede namens de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De gemachtigde van klaagster heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder zijn niet verschenen.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Op 18 augustus 2022 is een dwangbevel ten laste van klaagster uitgevaardigd voor een bedrag van € 1.062,-.
Bij exploot van 7 september 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder het dwangbevel van 18 augustus 2022 aan klaagster betekend – door achterlating van het exploot in een gesloten envelop omdat niemand werd aangetroffen – met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
Bij brief van 23 november 2022 heeft een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor aan klaagster meegedeeld dat – in het dossier betreffende het dwangbevel van 7 september 2022 – de vordering op dat moment € 1.315,59 bedroeg. Als klaagster het openstaande bedrag niet binnen vijf dagen zou betalen, zou er executoriaal beslag worden gelegd.
Op 17 januari 2023 heeft de toegevoegd gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd onder ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V. ten laste van klaagster. Beide beslagen troffen geen doel.
Bij exploot van 20 januari 2023 heeft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder de processen-verbaal van de gelegde bankbeslagen aan klaagster betekend, door achterlating van het exploot in een gesloten envelop omdat niemand werd aangetroffen.
Op 22 februari 2023 is in een andere kwestie een dwangbevel ten laste van klaagster uitgevaardigd voor een bedrag van € 498,-.
Bij exploot van 27 februari 2023 heeft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder het dwangbevel van 22 februari 2023 aan klaagster betekend – door achterlating van het exploot in een gesloten envelop omdat niemand werd aangetroffen – met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
Op 27 maart 2023 heeft klaagster bij de rechtbank Midden-Nederland verzet ingediend tegen zowel het dwangbevel van 18 augustus 2022 als het dwangbevel van 22 februari 2023.
Bij e-mail van 31 maart 2023 heeft een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor aan klaagster meegedeeld dat – in het dossier betreffende het dwangbevel van 22 februari 2023 – de vordering op dat moment € 645,42 bedroeg. Als klaagster het openstaande bedrag niet binnen vijf dagen zou betalen, zou er executoriaal beslag worden gelegd.
Een medewerker van klaagster heeft hierop diezelfde dag gereageerd met de mededeling dat tegen beide dwangbevelen verzet was ingesteld. Bij e-mail van 4 april 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder vervolgens bewijs van beide verzetprocedures bij klaagster opgevraagd. Hierop heeft een medewerker van klaagster op 11 april 2023 gereageerd door de brieven van de rechtbank met betrekking tot de verzetprocedures toe te sturen. Ook ontkende deze medewerker dat klaagster het exploot van 7 september 2022 had ontvangen.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 31 mei 2023 is het verzet van klaagster tegen het dwangbevel van 18 augustus 2022 ongegrond verklaard.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 31 mei 2023 is het verzet van klaagster tegen het dwangbevel van 22 februari 2023 gedeeltelijk gegrond verklaard. De griffier heeft vervolgens op 2 juni 2023 een creditnota van € 370,- opgemaakt.
Omdat het verzet ongegrond was verklaard en het dwangbevel dan ook terecht was uitgevaardigd, heeft een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor bij e-mail van 10 juli 2023 aan klaagster opgave gedaan van de openstaande vordering met betrekking tot het dwangbevel van 18 augustus 2022.
Omdat het verzet deels gegrond was verklaard, waardoor de hoofdsom werd verminderd naar € 128,-, heeft een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor bij e-mail van 17 juli 2023 aan klaagster opgave gedaan van de openstaande vordering met betrekking tot het dwangbevel van 22 februari 2023.
Op 2 oktober 2023 en 16 november 2023 zijn door een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor herinneringen van de openstaande vorderingen per e-mail aan klaagster gestuurd. Op 29 november 2023 is naar drie (e-mail)adressen van klaagster en haar bestuurder opnieuw een herinnering van de openstaande vorderingen gestuurd.
4. De klacht
De kamer heeft de klacht van klaagster als volgt samengevat.
De gerechtsdeurwaarders hebben klaagster op 29 november 2023 per brief naar zowel het postbusadres als naar de vestigingsadres en ook nog via e-mail gedreigd met beslagleggingen en zij hebben dergelijke aankondigingen ook gericht aan het (afgeschermde) thuisadres/privéadres van de bestuurders waarbij klaarblijkelijk de toegang tot de Basisregistratie Personen (BRP) is misbruikt.
De aankondiging van beslaglegging is gedaan door een niet-gerechtsdeurwaarder, die zijn/haar aankondiging ook niet waar kan maken.
De gerechtsdeurwaarders hebben nagelaten om een specificatie te verschaffen van de door hen in rekening gebrachte hoge kosten.
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen de gerechtsdeurwaarders in al zijn onderdelen ongegrond verklaard.
Voortzetting executie ondanks ingesteld verzet (klachtonderdeel a)
Het dwangbevel van 22 februari 2023 is op 27 februari 2023 door de kandidaat-gerechtsdeurwaarder aan klaagster betekend. Het verzet tegen dit dwangbevel is pas op 27 maart 2023 door klaagster ingesteld. Ook in hoger beroep heeft klaagster niet nader toegelicht hoe de kandidaat-gerechtsdeurwaarder op het moment van de betekening al op de hoogte zou kunnen zijn geweest van het ingestelde verzet. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat de gerechtsdeurwaarders pas op 31 maart 2023 door een medewerker van klaagster op de hoogte werden gebracht van het ingestelde verzet.
Verder sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het verzet tegen dit dwangbevel op 31 mei 2023 niet maakt dat de betekening van het dwangbevel op 27 februari 2023 onrechtmatig was of dat het dwangbevel zelf daarmee nietig was geworden.
Ten slotte is ook in hoger beroep niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarders – na de gegrondverklaring van het verzet – executiemaatregelen of andere vervolgacties hebben ondernomen in het dossier van klaagster. Het hof is daarom, net als de kamer, van oordeel dat klachtonderdeel a ongegrond is.
Gelijktijdig beslag leggen op twee bankrekeningen (klachtonderdeel b)
De kamer heeft geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat het dwangbevel op 7 september 2022 aan klaagster is betekend door achterlating van het exploot in een gesloten envelop, omdat klaagster geen bewijs heeft geleverd van haar enkele, niet onderbouwde stelling dat er vaak brieven en stukken in de verkeerde brievenbus zijn bezorgd. Ook in hoger beroep heeft klaagster geen bewijs overgelegd van deze stelling; het meermaals ontkennen van de ontvangst van het exploot is onvoldoende. Dit betekent dat, gezien artikel 157 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), ook voor het hof vaststaat dat op 7 september 2022 het exploot door de gerechtsdeurwaarder is achtergelaten op de wijze zoals is beschreven in het exploot.
Ten overvloede wijst het hof erop dat klaagster ook nog bij brief van 23 november 2022 van het gerechtsdeurwaarderskantoor op het betekende dwangbevel is gewezen en op de hoogte is gebracht van de openstaande vordering.
Verder sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat de gerechtsdeurwaarders niet tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld door het (betekende) dwangbevel van 18 augustus 2022 te executeren. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een handelwijze waarbij ter inning van één vordering (gelijktijdig) verschillende bankbeslagen worden gelegd zonder een gerechtvaardigd vermoeden dat de debiteur bij die banken een rekening aanhoudt, niet is toegestaan. De gerechtsdeurwaarders hebben echter onweersproken aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat klaagster bij beide banken een of meer bankrekeningen aanhield. De kamer heeft terecht overwogen dat klaagster op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met haar hele vermogen instaat voor de vordering en dat het de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 435 Rv vrij staat beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klaagster, dus ook op meer bankrekeningen van haar. Redenen om daarover in dit geval anders te denken, zijn niet gebleken. Anders dan klaagster stelt, hebben de gerechtsdeurwaarders hiermee geen misbruik gemaakt van hun executiebevoegdheid. Het hof is daarom, net als de kamer, van oordeel dat klachtonderdeel b ongegrond is.
Versturen herinneringen aan diverse adressen en misbruik BRP (klachtonderdeel c)
De kamer heeft geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarders, op grond van artikel 50 Rv, bevoegd waren om exploten bestemd voor klaagster (ook) op het privéadres van de bestuurder van klaagster achter te laten. Het versturen van een brief naar een adres waar tevens exploot aan klaagster gedaan mag worden, is volgens de kamer niet tuchtrechtelijk laakbaar. Ten slotte is het de kamer gebleken dat de gerechtsdeurwaarders het privéadres van de bestuurder van klaagster hebben verkregen uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en geen misbruik hebben gemaakt van hun toegang tot de BRP.
Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en het oordeel van de kamer en maakt die tot de zijne. Het beroepschrift van klaagster, het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders en de behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep hebben geen ander licht op de zaak geworpen en geven het hof geen aanleiding tot een andere beoordeling dan die van de kamer of tot een nadere motivering.
Aankondiging beslaglegging door een niet-gerechtsdeurwaarder (klachtonderdeel d)
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de kamer dat ook een medewerker van een gerechtsdeurwaarderskantoor kan aankondigen dat beslag zal worden gelegd, omdat het aankondigen van een beslag geen ambtshandeling is en daarom niet per se door een gerechtsdeurwaarder hoeft te worden gedaan. Ook het hof acht klachtonderdeel d dus ongegrond.
Niet verschaffen specificatie (klachtonderdeel e)
De kamer zag met betrekking tot dit klachtonderdeel onvoldoende grond om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarders vast te stellen, omdat klaagster haar stellingen niet nader had onderbouwd en had volstaan met algemeenheden zonder nadere toelichting. Ook in hoger beroep heeft klaagster dit klachtonderdeel niet nader onderbouwd, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Conclusie
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarders in al zijn onderdelen ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.
6. Beslissing
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door de rolraadsheer.