ECLI:NL:GHAMS:2026:64

ECLI:NL:GHAMS:2026:64, Gerechtshof Amsterdam, 14-01-2026, 23-000593-25

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 23-000593-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Verkort arrest. Vernietiging van het vonnis, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Veroordeling opzettelijke ontploffing, bedreiging en brandstichting. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partij.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2025, 14 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, van hetgeen de verdachte en zijn advocaten mr. N.M. Fakiri en mr. I. Kadirbaks en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

Zaak A:

1.hij op of omstreeks 7 mei 2024 te 's-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk (zwaar) vuurwerk (één of meer Cobra's) in combinatie met een brandbare/brandversnellende vloeistof te plaatsen bij/tegen de toegangsdeur tot de hal van perceel [adres 2] en/of (vervolgens) dat vuurwerk en/of die vloeistof met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten dat perceel en/of het straatmeubilair te duchten was en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.hij op of omstreeks 7 mei 2024 te 's-Gravenhage een persoon genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een enveloppe met daarin 8 patronen van het kaliber 7.65 en een brief met daarop de tekst: " [slachtoffer] , u heeft 24 uur betalen" in de brievenbus van perceel [adres 3] te deponeren;Zaak B:

1.hij op of omstreeks 14 april 2024 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht op/bij/ter hoogte van een pand, gelegen aan/bij [adres 4] , immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk (vermoedelijk een Monster 50 Flash Banger) en/of een jerrycan met (brandbare) vloeistof, voor voornoemd pand geplaatst en/of gegooid en/of aangestoken en/of tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of in de nabijheid gelegen pand(en) en/of auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.hij op of omstreeks 15 april 2024 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht op/bij/ter hoogte van een pand, gelegen aan/bij [adres 4] , immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een (brandbare) vloeistof uit een jerrycan gegoten en aangestoken, en een jerrycan met (brandbare) vloeistof, voor voornoemd pand geplaatst, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of in de nabijheid gelegen pand(en) en/of auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich op het moment van de brand in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de brand plaatsvond bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de brand in de nabijheid en/of de plek waar de brand plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.hij op of omstreeks 14 en/of 15 april 2024 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie(s) (te weten een zwaar stuk vuurwerk (Monster 50 flash banger of ander merk) en/of een hoeveelheid/jerrycan brandbare vloeistof), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Daar waar het hof de rechtbank wel volgt, zullen in het arrest delen van het vonnis worden overgenomen.

Beoordeling van het in zaak A tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

Door de advocaat-generaal is gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, kan worden afgeleid dat de verdachte de persoon is geweest die de brief in de brievenbus en het explosief bij het pand aan de [adres 2] in Den Haag heeft geplaatst.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de in zaak A ten laste gelegde feiten bepleit. Nu er geen redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte bestond, zijn de staande houding en aanhouding van de verdachte onrechtmatig geweest. Er is sprake geweest van onherstelbare vormverzuimen, waar uitsluiting van het, als gevolg daarvan verkregen, bewijs op moet volgen. De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om de verbalisanten die betrokken waren bij de totstandkoming van het signalement, de staande houding en de aanhouding te horen indien het hof overgaat tot bezigen van hun verklaringen tot het bewijs.

Daarnaast is de telefoon van de verdachte uitgelezen zonder toestemming van een onafhankelijke rechter en moeten alle gegevens die door dat uitlezen zijn verkregen, om die reden worden uitgesloten van het bewijs, aldus de verdediging.

Ook wanneer het hof niet tot bewijsuitsluiting overgaat, kan op basis van de bewijsmiddelen niet tot bewezenverklaring van de in zaak A ten laste gelegde feiten worden gekomen. Ook kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van levensgevaar voor personen zoals dat onder 1 ten laste is gelegd en evenmin van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling zoals dat onder 2 ten laste is gelegd.

Oordeel van het hof

Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

Het hof is van oordeel dat de staande houding en aanhouding van verdachte niet onrechtmatig zijn geweest. De verdachte is enkele uren na het tenlastegelegde in de omgeving van de plaats delict door verbalisanten gezien. Hij had een postuur en kleding die een grote mate van overeenkomst vertoonden met het postuur en de kleding van de dader die op camerabeelden is vastgelegd. Die beelden hadden de verbalisanten daarvoor gezien. Dat leverde een redelijk vermoeden van schuld op om de verdachte staande te houden. Voor het vervolgens vragen naar zijn identiteitsgegevens, was geen cautie nodig. Uit het doorgeven van de opgegeven identiteitsgegevens van verdachte aan de districtsrecherche, bleek dat verdachte als vermist geregistreerd stond en daarop is hij meegenomen naar het politiebureau. Naar het oordeel van het hof is uit de hiervoor omschreven gang van zaken geen enkel vormverzuim af te leiden, laat staan dat die tot de door de verdediging bepleite rechtsgevolgen (uitsluiting van het bewijs) zou moeten leiden. Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de verbalisanten wordt afgewezen, omdat onvoldoende gemotiveerd is wat nog de relevantie is van het horen van de getuigen is in het kader van het beoordelen van dit verweer.

Door de verdediging is voorts verzocht alle gegevens die door het uitlezen van de telefoon van de verdachte zijn verkregen van het bewijs uit te sluiten, omdat de telefoon is uitgelezen zonder toestemming van een onafhankelijke rechter.

Het hof stelt voorop dat indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist is.

In deze zaak staat niet ter discussie dat het onderzoek naar de gegevens op de mobiele telefoon van de verdachte zo verstrekkend is geweest dat was te voorzien dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou worden gemaakt. Voor dit onderzoek was dus een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.

De vraag is vervolgens of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Bewijsuitsluiting kan allereerst aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen. Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook van deze situatie is in deze zaak geen sprake. Daarbij is van belang – wat de ernst van het vormverzuim betreft – dat ten tijde van het onderzoek aan de mobiele telefoon van de verdachte het Landeck-arrest waarnaar door de verdediging is verwezen nog niet gewezen was en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was.

Het hof zal gelet op het voorgaande volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.

Bewijsverweren

Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de verdachte de explosie bij het pand aan de [adres 2] in Den Haag heeft veroorzaakt en dat hij aangever [slachtoffer] heeft bedreigd. Ieder bewijsmiddel op zichzelf beschouwd kan deze conclusie weliswaar niet dragen, maar de combinatie van bewijsmiddelen kan dat wel.

Op camerabeelden van het incident is een persoon te zien die qua postuur en (details van) de kleding grote overeenkomsten vertoont met het postuur en (details van) de kleding van de verdachte op het moment van zijn staande houding op de ochtend na de explosie. Door de verdediging is in dit verband in hoger beroep nog naar voren gebracht dat de persoon op de camerabeelden een vlekje in zijn nek heeft, terwijl de verdachte geen vlekje in zijn nek heeft. Die conclusie kan op basis van de camerabeelden echter niet zonder meer worden getrokken. Door het hof zijn de camerabeelden ter terechtzitting in hoger beroep bekeken en daar zijn ook waarnemingen over de nek van de verdachte gedaan. Uit de vergelijking tussen beiden trekt het hof niet de stellige conclusie die de verdediging trekt, omdat de beelden die conclusie niet rechtvaardigen.

De verdachte is volgens de analyse van gegevens van de OV-chipkaart die hij op zak had toen hij werd aangehouden en blijkens de analyse van de gegevens die op zijn telefoon zijn aangetroffen, op de ten laste gelegde datum in Den Haag geweest en hij heeft zijn telefoon kort voor de explosie gebruikt om te navigeren naar de [adres 2] . Op enig moment in de ochtend na de explosie heeft de verdachte met zijn telefoon een video gemaakt van het beschadigde portiek aan de [adres 3] in Den Haag.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheden tezamen en in onderling verband redengevend zijn voor de conclusie dat de verdachte de feiten heeft begaan. Het hof is van oordeel dat de verdachte de dreigbrief in de brievenbus heeft gedaan en een ontploffing heeft veroorzaakt in het portiek van het adres [adres 3] in Den Haag.

Te duchten ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’

Om te kunnen vaststellen dat sprake was van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander als bedoeld in artikel 157 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat zulk gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Het hof merkt daarbij op dat aan het bewijs van dergelijk gevaar bepaald eisen dienen te worden gesteld, omdat een bewezenverklaring van dit gevaar (aanzienlijk) strafverhogend werkt.

Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat die dit gevaar onderbouwen. Zo bevat het dossier geen rapport van de brandweer over deze concrete situatie. De bewoners bevonden zich ten tijde van de ontploffing verder niet in de directe nabijheid van de explosie, terwijl het hof op de beelden die van de ontploffing zijn gemaakt heeft kunnen waarnemen dat de portiek waar het explosief is afgegaan niet was gemaakt van bijzonder brandbaar materiaal en dat de brand ook relatief snel is gedoofd. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar geweest dat door het teweegbrengen van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in de woningen te duchten was. De andersluidende redenering van de rechtbank is ontoereikend.

Het hof spreekt de verdachte daarom partieel vrij van het tenlastegelegde te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Bedreiging

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de dreigbrief geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling inhoudt. Dit verweer wordt verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit een kogelbrief met acht kogels en de begeleidende tekst “ [slachtoffer] , u heeft 24 uur betalen” geen enkele andere boodschap valt af te leiden dan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.

Beoordeling van het in zaak B tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

Door de advocaat-generaal is bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het aan verdachte in zaak B ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Hiertoe heeft de verdediging allereerst verwezen naar wat in zaak A is opgemerkt over de uitsluiting van het verkregen bewijs. Echter ook indien het hof hieraan voorbijgaat kan het plegen of medeplegen van de in zaak B ten laste gelegde feiten niet worden bewezen. Dit is verder uitgewerkt in de pleitnota.

Oordeel van het hof

Wat betreft het gevoerde verweer over vormverzuimen, verwijst het hof naar de verwerping daarvan in zaak A.

Het hof komt in zaak B tot een bewezenverklaring van feit 2 en zal vrijspreken van de feiten 1 en 3. Dat het hof de brandstichting op 15 april 2024 bewezen acht, houdt ermee verband dat met betrekking tot die datum extra bewijsmiddelen aanwezig zijn, in de vorm van de aanwezigheid van DNA en vingerafdrukken van de verdachte op de jerrycan die is gebruikt bij de brandstichting. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte ook betrokken was bij de explosie op 14 april 2025 zijn dergelijke bewijsmiddelen, die de verdachte expliciet linken aan de plaats delict, niet voorhanden met betrekking tot dit feit. Daarom komt het hof voor dit feit tot een vrijspraak.

Nu de jerrycan op 15 april 2024 slechts is gebruikt om daarmee benzine te sprenkelen en niet ook nog als wapen zoals bedoeld in de tenlastelegging van feit 3 wordt ook van dit feit vrijgesproken.

Voor het overige worden de bewijsverweren in zaak B geacht te zijn weerlegd door de eventueel bij cassatie uit te werken bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1.hij op 7 mei 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door zwaar vuurwerk in combinatie met een brandbare vloeistof te plaatsen bij de toegangsdeur tot perceel [adres 3] en vervolgens dat vuurwerk en/of die vloeistof met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten dat perceel en het straatmeubilair te duchten was;

2.hij op 7 mei 2024 te ’s-Gravenhage een persoon genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een enveloppe met daarin 8 patronen van het kaliber 7.65 en een brief met daarop de tekst “ [slachtoffer] , u heeft 24 uur betalen” in de brievenbus van perceel [adres 3] te deponeren.

Zaak B:

2.hij 15 april 2024 te Diemen opzettelijk brand heeft gesticht bij een pand, gelegen aan [adres 4] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een (brandbare) vloeistof uit een jerrycan gegoten en aangestoken, en een jerrycan met (brandbare) vloeistof, voor voornoemd pand geplaatst, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of in de nabijheid gelegen pand(en) en/of auto's te duchten was;

Hetgeen in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het in de zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling.

Het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 173 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen waarvan 157 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals deze ter terechtzitting zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij een veroordeling rekening te houden met het feit dat de verdachte jong en beïnvloedbaar is, dat hij niet eerder strafbare feiten heeft gepleegd en dat hij geen gemakkelijk leven heeft gehad. De verdediging heeft verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de voorwaarden zoals deze door de Raad zijn voorgesteld ter terechtzitting. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte inmiddels zijn leven op orde heeft en dat hij positieve stappen heeft gezet: hij volgt een opleiding, waaraan een stageplek gekoppeld is en woont weer thuis bij zijn ouders. De relatie met zijn familie is verbeterd en hij is niet opnieuw met politie of justitie in aanraking gekomen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing, door in de nacht een vuurwerkbom af te steken bij een portiek waar woningen aan gelegen waren. De verdachte heeft daarbij een zeer dreigende kogelbrief in een van de brievenbussen van het portiek gedaan. Ontploffingen als de onderhavige zijn inmiddels een groot maatschappelijk probleem die de directe slachtoffers en de maatschappij veel angst aanjagen. Daarnaast heeft de verdachte – eveneens in de nachtelijke uren - brand gesticht bij [café] . Die brandstichting heeft grote gevolgen gehad voor de twee café-eigenaren, zoals zij ook duidelijk hebben gemaakt in hun spreekrechtverklaring ter terechtzitting in hoger beroep. Omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen is het niet duidelijk geworden waarom hij deze feiten heeft gepleegd. Het baart het hof zorgen dat de verdachte deze keuzes heeft gemaakt en daarvoor geen verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook vanwege de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, is een aanzienlijke jeugddetentie in combinatie met een werkstraf de enige passende reactie. Daaraan doet niet af dat het hof met betrekking tot de ontploffing vrijspreekt van het te duchten levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel.

Het hof heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt, te weten:

Ter terechtzitting op 18 december 2025 heeft de Raad in aanvulling op voornoemde rapportage toegelicht dat er sinds het vonnis sprake is van positieve ontwikkelingen. De verdacht volgt een BBL-opleiding en kan dus werken en leren combineren. Ook woont hij weer bij zijn ouders en het contact met de IFA coach verloopt goed. De positieve ontwikkelingen zijn echter nog pril. Door het voortzetten van de begeleiding kan de positieve ontwikkeling verder doorgezet worden. Om deze reden adviseert de Raad om bij een voorwaardelijke jeugddetentie als bijzondere voorwaarden op te leggen dat de verdachte:

Dit advies werd ter terechtzitting onderschreven door de William Schrikker Stichting.

Het hof vindt het positief dat de verdachte goed heeft meegewerkt aan de begeleiding die hij sinds het vonnis van de rechtbank heeft ontvangen. Het hof zal het advies van de Raad en de William Schrikker Stichting volgen. Omdat onduidelijk is gebleven waarom de verdachte de feiten heeft gepleegd, is het belangrijk dat een belangrijk deel van de straf zal bestaan uit voorwaardelijke jeugddetentie, zodat er een stok achter de deur is om nieuwe strafbare feiten te voorkomen. Omdat het hof de verdachte vrijspreekt van de in zaak B onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten en het hof geen te duchten levensgevaar dan wel zwaar lichamelijk letsel bewezen acht in zaak A, wordt aan verdachte een lagere taakstraf opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Al met al is de straf wel hoger dan door de rechtbank opgelegd, omdat het hof ook tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring in zaak B komt.

Het hof acht, alles afwegende, een jeugddetentie van 270 dagen, waarvan 157 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 50 uren passend en geboden.

Verbeurdverklaring telefoontoestel

Het in de zaak met parketnummer A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het inbeslaggenomen telefoontoestel (Omschrijving: PL1500-2024143299-3138828, Apple 11 pro). Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen.

Primair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de toewijzing te matigen tot € 500,-, omdat de vorderingen niet zijn onderbouwd met medische stukken waaruit blijkt dat er sprake is van psychisch letsel.

Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1000,00. Dit bedrag verhoudt zich ook goed tot de normbedragen die zijn genoemd in de zogenoemde Rotterdamse Schaal. Het hof acht de vordering van de benadeelde partij op de voet van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW billijk en wijst deze toe. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en ernst van de inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij en de psychische gevolgen die door het incident zijn veroorzaakt bestaande uit stressklachten, onzekerheid over de vraag of de dreiging voorbij is en gevoelens van onveiligheid. De psychische gevolgen zijn weliswaar niet nader met medische stukken onderbouwd, maar gelet op de aard van het bewezen verklaarde kan een aantasting in de persoon met deze toelichting ook zonder concrete gegevens ter onderbouwing worden aangenomen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen.

Primair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de toewijzing te matigen tot € 500,-, nu de vorderingen niet zijn onderbouwd door medische stukken waaruit blijkt dat er sprake is van psychisch letsel.

Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1000,00. Dit bedrag verhoudt zich ook goed tot de in de zogenoemde Rotterdamse Schaal genoemde normbedragen. Het hof acht de vordering van de benadeelde partij op de voet van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW billijk en wijst deze toe. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en ernst van de inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij en de psychische gevolgen die door het incident zijn veroorzaakt bestaande uit stressklachten, onzekerheid over de vraag of de dreiging voorbij is en gevoelens van onveiligheid. De psychische gevolgen zijn weliswaar niet nader onderbouwd, maar gelet op de aard van het bewezen verklaarde kan een aantasting in de persoon met deze toelichting ook zonder concrete gegevens ter onderbouwing worden aangenomen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak B onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 157 (honderdzevenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Het hof stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK. Telefoontoestel (Omschrijving: PL1500-2024143299-3138828, Apple 11 pro).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 april 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 april 2024.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. A.W.T. Klappe en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van

mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 januari 2026. mr. J. Boksem is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Ras

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?