GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.529/01
rekestnummer rechtbank : C/15/371854 FT RK 25/909
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend te [plaats] , gemeente Haarlemmermeer,
appellante,
advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp.
1. Het geding in hoger beroep
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.
[appellant] is bij op 4 februari 2026 per e-mail ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2026, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 3 maart 2026. Bij die behandeling is verschenen mr. Raaijmakers voornoemd die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. [appellant] is, hoewel op de hoogte van de zitting, niet verschenen ter zitting.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, en de namens [appellant] op 3 maart 2026 nader overgelegde (medische) stukken. Mr. Raaijmakers heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.
2. Beoordeling
Blijkens het bestreden vonnis heeft de rechtbank aan haar beslissing tot afwijzing van het verzoek van [appellant] ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] bij aanvang van het schuldhulpverleningstraject een gokverslaving had en voorts het volgende. Hoewel de schuldhulpverlener tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft verklaard dat zij ervan uitgaat dat [appellant] deze verslaving inmiddels onder controle heeft, is het onvoldoende duidelijk geworden hoe zij hieraan heeft gewerkt, of er andere problematiek speelt die mogelijk de oorzaak van de gokverslaving is geweest en of [appellant] behandeling heeft gehad voor psychische problemen. Bij besluit van 30 oktober 2025 heeft [appellant] in het kader van de Participatiewet wegens dringende redenen een tijdelijke ontheffing gekregen van de sollicitatieplicht voor de periode 31 oktober 2025 tot en met 31 maart 2026. Het is echter niet duidelijk geworden of, en zo ja, welke psychische klachten [appellant] heeft. Ook heeft [appellant] of haar schuldhulpverlener niet kunnen toelichten of [appellant] stappen heeft gezet om aan haar persoonlijke situatie te werken. [appellant] heeft niet toegelicht waarom zij in de periode 16 juni 2025 tot en met 31 oktober 2025 niet heeft gesolliciteerd, terwijl de gemeente Haarlemmermeer bij besluit van 16 juni 2025 heeft bepaald dat zij actief diende te solliciteren naar betaald werk. Medische stukken waaruit blijkt dat [appellant] niet in staat was te werken, ontbreken. De rechtbank heeft daarom niet kunnen vaststellen dat de persoonlijke situatie van [appellant] op het moment van het wijzen van het vonnis stabiel genoeg was om aan het strenge regime van de schuldsaneringsregeling te kunnen voldoen. Meer in het bijzonder is de rechtbank er niet van overtuigd dat [appellant] tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan haar inspanningsverplichting zal voldoen om betaald werk te krijgen.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. [appellant] is medisch niet in staat geweest de zitting in eerste aanleg bij te wonen en haar verhaal afdoende te onderschrijven. Er is geen sprake van onwil, maar van onmacht. Er is ook geen sprake van een verslaving of van andere omstandigheden waardoor [appellant] niet zou kunnen voldoen aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling.
Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten slechts wordt toegewezen indien de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Tegen de hiervoor onder 2.1 weergegeven beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft [appellant] in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden ingebracht die maken dat het hof tot een ander oordeel moet komen. Allereerst is ook in hoger beroep niet toegelicht of onderbouwd met stukken of, en zo ja op welke wijze, [appellant] de gokverslaving onder controle heeft gekregen. De opmerking van mr. Raaijmakers ter zitting in hoger beroep dat [appellant] niet meer gokt omdat zij daarvoor niet meer de financiƫle middelen heeft sinds zij onder beschermingsbewind is gesteld, is onvoldoende om te concluderen dat [appellant] op dit vlak een gedragsverandering heeft ondergaan en de verleiding kan weerstaan om te voorkomen dat zij in haar oude gokgedrag vervalt zodra zij op enig moment over meer financiƫle middelen zou komen te beschikken. Ook overigens is onvoldoende gebleken dat de situatie van [appellant] thans zodanig is gestabiliseerd dat aannemelijk moet worden geacht dat [appellant] de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling naar behoren zal kunnen nakomen. Integendeel, uit de op 3 maart 2026 overgelegde (medische) stukken blijkt immers dat [appellant] (nog steeds) angst- en stemmingsklachten en slaapproblemen heeft, en dat [appellant] - naar zeggen van mr. Raaijmakers - vanwege deze klachten niet ter zitting in hoger beroep is verschenen. Daarbij komt dat mr. Raaijmakers over deze klachten heeft verklaard dat zij een verklaring kunnen zijn voor de omstandigheid dat [appellant] niet steeds heeft gesolliciteerd, terwijl zij daartoe verplicht was. Verder is in dit kader van belang dat de ontheffing van de sollicitatieplicht op 31 maart 2026 afloopt en dat niet is gebleken dat deze ontheffing is verlengd of hoe [appellant] na die datum aan de sollicitatieplicht zal (kunnen) gaan voldoen.
Ten slotte is onvoldoende duidelijk geworden of [appellant] op dit moment behandelingen ondergaat en of die aanslaan, althans tot welk resultaat die hebben geleid, en welke hulpverlening [appellant] na het instellen van het beschermingsbewind in juni 2024 heeft gekregen, en welk effect dat heeft (gehad).
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat ook in hoger beroep niet is gebleken van een zodanige stabiele situatie op grond waarvan aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen nakomen en zich zal kunnen inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank en zal het bestreden vonnis dan ook bekrachtigen.
Mede gelet op de zware verplichtingen die in het kader van de schuldsaneringsregeling op [appellant] van toepassing zullen zijn, is het van belang dat zij in de komende tijd verder aan de stabilisatie van haar situatie werkt. Indien [appellant] op termijn aan de hand van stukken voldoende aannemelijk maakt dat zij met succes een behandeling heeft ondergaan en haar situatie voldoende gestabiliseerd is, staat het haar vrij om nogmaals een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ter beoordeling voor te leggen.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, K.A.J. Bisschop en A. van Zanten-Baris en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.