Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 28 april 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Birmingham International met vluchtnummer [nummer] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Egypte), aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een vrijspraak komt.
Vrijspraak
Het hof is, evenals de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De boardingpass in het dossier vermeldt ‘BY: [bedrijf 2] ’, waaruit het hof opmaakt dat het vervoer van de passagier is uitgevoerd door de onderneming [bedrijf 2] B.V. Uit het door de verdediging overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel van 25 september 2025 blijkt dat [bedrijf 1] enig aandeelhouder is van deze onderneming. [bedrijf 2] B.V. is een 100% dochtermaatschappij van [bedrijf 1] , en daarmee een separate rechtspersoon van [bedrijf 1] . Omdat [bedrijf 2] een aparte entiteit is van [bedrijf 1] kan niet worden bewezen dat de verdachte de uitvoerder was van vlucht [nummer] .
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.