Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2026 en in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dan ook bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:
De verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde ligt besloten in de gebezigde bewijsmiddelen.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daaraan zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals de rechtbank heeft opgelegd.
De raadsman heeft verzocht aan te sluiten bij de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging, mishandeling, bedreiging en belediging van zijn ex-partner [benadeelde partij] . Het veelvuldig en op verschillende manieren contact zoeken met [benadeelde partij] – waarmee de verdachte overigens minder dan een half jaar een relatie had – was een indringende en ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft daarbij diverse bedreigende en beledigende bewoordingen jegens [benadeelde partij] geuit, die haar angst hebben aangejaagd en haar in haar eer en goede naam hebben geschaad. Bovendien is de mishandeling door de verdachte een aantasting op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van [benadeelde partij] .
Uit het dossier komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van onvermogen om te gaan met afwijzing en verlaten worden. Dit heeft, blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 februari 2026, eerder geresulteerd in onherroepelijke veroordelingen ter zake van vergelijkbare strafbare feiten jegens (toenmalige) partners. Ook is gebleken dat de verdachte op 16 april 2025 – en dus na de onderhavige feiten – is veroordeeld voor bedreiging en belaging van een andere (nieuwe) partner, waarbij onder meer een Tbs-maatregel met voorwaarden is opgelegd. De verdachte ondergaat in dat kader momenteel een klinische behandeling, waarbij de focus ligt op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte.
De reclasseringswerker [persoon] , tevens tweede toezichthouder van de verdachte, heeft in hoger beroep als getuige-deskundige verklaard dat de verdachte momenteel verschillende vormen van therapie volgt en zich in positieve zin ontwikkelt. De huidige relatie die de verdachte inmiddels is aangegaan, wordt vanuit de kliniek en de reclassering gemonitord. De reclassering acht het niet wenselijk dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, omdat detentie de klinische behandeling van de verdachte zal doorkruisen en zijn plaats op de wachtlijst om door te stromen naar een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) teniet zal doen.
Het hof acht, alles afwegende, in deze omstandigheden een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Daaraan zullen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Het hof beoogt daarmee dat na ommekomst van de huidige Tbs-maatregel de verdachte – als stok achter de deur – zich aan de voorwaarden van de nu opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf zal moeten houden. Het hof hoopt dat een en ander leidt tot een doorbreking van het – uit het strafblad blijkende – patroon van het aangaan van relaties die eindigen met bedreiging en belaging.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 63, 266, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, in het bijzonder nu een doorkruising van het huidige behandeltraject van de verdachte (als onderdeel van de aan hem opgelegde Tbs-maatregel) onwenselijk wordt geacht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Amsterdam van 25 augustus 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2022, parketnummer 13-172113-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hierboven overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2026.