Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2026 en in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de verdachte naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1980 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vrijspraak
Op 1 juni 2020 wordt [persoon 1] als bestuurder van zijn auto staande gehouden naar aanleiding van een ANPR-melding. In de auto bevinden zich ook [persoon 2] als bijrijder en de verdachte als passagier op de achterbank. Achter de bijrijdersstoel staat een oranje tas met daarin een handdoek en daaronder een plastic tas. In de plastic tas worden twee pakketten (blokken) met in totaal 1,98 kilogram cocaïne aangetroffen.
De drie personen zijn vanaf Amsterdam Bijlmer naar Den Haag gereden. Op de terugweg zijn zij staande gehouden. De verdachte heeft niet verklaard wat het doel van de reis was, noch waarom hij met de twee anderen is meegereden.
Volgens de verklaringen van [persoon 1] – afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris – hadden [persoon 2] en de verdachte hem gevraagd naar Den Haag te rijden; in Den Haag is op een parkeerplaats een plastic tas met blokken aan [persoon 2] overhandigd, die [persoon 2] aan de verdachte heeft gegeven; de verdachte heeft de plastic tas vervolgens in de oranje tas gestopt; de verdachte had de oranje tas bij zich toen [persoon 1] hem en [persoon 2] ophaalde.
Het dossier bevat, onder meer gelet op deze verklaringen van [persoon 1] , in beginsel voldoende wettig bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde vervoer en aanwezig hebben van cocaïne.
Het hof vindt echter dat de verklaringen van [persoon 1] – die doorslaggevend zouden moeten zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit – onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, om op grond daarvan de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde naast wettig ook overtuigend te bewijzen.
Daarbij wordt meegewogen dat [persoon 1] een groot eigen belang heeft bij zijn afgelegde verklaringen, omdat hijzelf ook als verdachte van overtreding van de Opiumwet is aangemerkt en het vervoer in zijn auto plaatsvond terwijl hij de auto bestuurde. Daarenboven is nagelaten om onderzoekshandelingen te verrichten in de vorm van het afnemen van bijvoorbeeld (dactyloscopische) of andere sporen op (de inhoud van) de oranje tas. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of de verdachte (de inhoud van) de oranje tas, zoals [persoon 1] heeft verklaard, ook daadwerkelijk heeft vastgehad.
Nu ook geen andere aanwijzingen bestaan voor de wetenschap van de verdachte van de aangetroffen cocaïne, acht het hof niet overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2026.