Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 13 juli 2019 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1] (hoofdagent van Politie Eenheid Amsterdam) en/of [naam 2] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, meermalen mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen (onder andere) de woorden toe te voegen:
"flikker" en/of "mongool" en/of "vuile pot" en/of "lelijke pot" en/of "je kankermoeder" en/of "je bent echt heel erg lelijk", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de aanhouding door de verbalisanten onrechtmatig is geweest. Niet bewezen kan worden dat de verdachte het woord ‘flikker’ of andere krachttermen jegens de politieagenten heeft geuit voordat zij werd aangehouden. Na en vanwege de onrechtmatige aanhouding is de situatie geëscaleerd. De politieagenten zijn niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening door de verdachte beledigd.
Het hof verwerpt dit verweer.
Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 1] en [naam 2] van 13 september 2019 volgt dat de verdachte meermalen luidkeels haar onvrede uitte jegens de verbalisanten, die op dat moment in de bouwmarkt Hornbach bezig waren met een aanhouding van een ander persoon. Verbalisant [naam 1] ging hierop met de verdachte in gesprek. Ná vordering van haar identiteitsbewijs riep de verdachte luid en verstaanbaar voor de verbalisant en aanwezig publiek het woord ''Flikker'' tegen hem. De verbalisant heeft de verdachte vervolgens op heterdaad aangehouden op verdenking van het beledigen van een ambtenaar in functie. De verklaring over die gang van zaken vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2] van 23 september 2024, waaruit blijkt dat verbalisant [naam 1] de verdachte eerst aansprak op haar gedrag, dat de verdachte hem tijdens dit gesprek heeft beledigd en dat zij hierop is aangehouden, waarna de verdachte overigens is doorgegaan met het beledigen van beide ambtenaren door gebruik van de in de tenlastelegging vermelde termen.
Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en leidt hieruit af dat de verbalisanten hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verklaringen van de getuigen bij de raadsheer-commissaris brengen het hof niet tot een ander oordeel, nu daaruit niet meer blijkt dan dat de getuigen de beledigingen niet hebben gehoord of zich niet hebben herinnerd. Bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden zijn niet aannemelijk geworden.
Gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de overige inhoud van het dossier acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 13 juli 2019 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1] (hoofdagent van Politie Eenheid Amsterdam) en [naam 2] (brigadier van politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, meermalen mondeling heeft beledigd, door hen (onder andere) de woorden toe te voegen: "flikker" en/of "mongool" en/of "vuile pot" en/of "lelijke pot" en/of "je kankermoeder" en/of "je bent echt heel erg lelijk", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht - indien het hof twijfelt over de vraag of de verdachte de tenlastegelegde termen heeft geuit voorafgaand aan haar aanhouding - [getuige] te doen horen als getuige. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat getuige [getuige] de aanhouding heeft gefilmd en dat zijn verklaring van belang is, omdat het strafdossier eenzijdig is.
Het hof ziet in de door de verdediging gegeven onderbouwing en met het oog op de volledigheid van het onderzoek geen noodzaak tot het horen van getuige [getuige] . Het hof heeft bij de beoordeling de inhoud van het strafdossier betrokken en is voldoende voorgelicht door overige onderzoeksresultaten. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor de beledigingen die zij heeft geuit na haar onrechtmatige aanhouding. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht, zodat zij niet strafbaar is.
Buiten het feit dat het verweer geen bespreking behoeft omdat de verdediging dat verweer onvoldoende heeft onderbouwd, zijn naar het oordeel van het hof in voorliggende zaak geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 400,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.
De raadsman heeft bepleit dat het hof – in het geval van een bewezenverklaring – de verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), schuldig zal verklaren zonder toepassing van straf of maatregel.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van twee politieambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Ze heeft de politieambtenaren, die hun werk deden, in hun eer en goede naam aangetast en hun gezag als ambtsdrager ondermijnd. De verdachte heeft zich daarbij met de aanhouding van een ander persoon bemoeid. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Het hof zal – anders dan door de verdediging is bepleit – gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr.
Het hof heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Uit de wettelijke strafverzwaringsgrond van artikel 267 Sr volgt dat de straf wordt verhoogd als het feit tegen een politieagent in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is begaan. Het hof heeft daarnaast gelet op het strafblad van de verdachte van 2 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet recent voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Het hof ziet daarom geen aanleiding om voor een andere strafmodaliteit dan een geldboete te kiezen.
Op grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 350,- passend en geboden is.
De verdachte heeft op 19 november 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze strafzaak ten tijde van het wijzen van dit arrest met ruim 2 jaar is overschreden. Gelet op de hoogte van de op te leggen geldboete zal het hof volstaan met deze vaststelling.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 22 juli 2019 onder CJIB-nummer 6132542003650340.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M.JA. Duker en mr. J. Boksem en, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
Mr. J. Boksem is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]