Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , hebbende verdachte die [benadeelde partij] gedwongen te dulden dat verdachte meermalen, althans eenmaal,
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [benadeelde partij] heeft geduwd / gebracht en/of
- zijn, verdachtes, penis en/of vinger in de vagina van die [benadeelde partij] heeft geduwd / gebracht,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- zichzelf heeft opgedrongen aan die [benadeelde partij] terwijl zij zich verzette en/of tegenstribbelde en/of
- de pols(en) van die [benadeelde partij] heeft vastgepakt en/of
- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat dat hij haar ging slaan en/of
- die [benadeelde partij] bij de keel en/of nek heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of een sok om de nek van die [benadeelde partij] heeft gedraaid waardoor die [benadeelde partij] geen lucht kreeg.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Alhoewel het hof nagenoeg tot dezelfde beslissingen komt als de rechtbank, zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd vanwege efficiëntieoverwegingen (mede ingegeven door de verweren waarop het hof heeft te reageren).
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij in de kern bezien aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is en dat er onvoldoende steunbewijs is. De raadsvrouw heeft betoogd – zo begrijpt het hof – dat niet kan worden vastgesteld dat er bij de aangeefster tijdens de seks met de verdachte letsel is ontstaan, en dat als dit wel het geval is, dat niet kan worden uitgesloten dat dit is veroorzaakt door ‘consensuele seks’. Er kan niet worden vastgesteld dat de wederzijds instemming met seks ontbrak, en voor zover die instemming wel ontbrak was dat voor de verdachte niet kenbaar, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Het staat niet ter discussie dat de verdachte en de aangeefster in de nacht van 30 op 31 maart 20218 in de woning van de aangeefster in Amsterdam seks hebben gehad die erin bestond dat de verdachte zijn penis in de mond en vagina van de aangeefster heeft gebracht. De verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep in bevestigende zin verklaard. Het hof gaat er verder vanuit dat hij ook een vinger in de vagina van aangeefster heeft gebracht, gelet op haar verklaring hierover. Dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich deze handeling niet kan herinneren, maakt dat niet anders. Het hof heeft geen reden om op dit punt te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster terwijl een dergelijke handeling op zichzelf beschouwd goed past binnen de seksuele gedragingen die ook volgens de verdachte hebben plaatsgevonden.
Kort gezegd gaat het dus om de vraag of deze seks vrijwillig heeft plaatsgevonden, of dat er sprake was van een verkrachting. Ter beantwoording van die vraag zal het hof eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van de aangeefster en vervolgens bezien of er voldoende steunbewijs is.
Betrouwbaarheid verklaring van de aangeefster
De aangeefster heeft op 24 april 2018 aangifte gedaan nadat op 31 maart 2018 (direct nadat de gestelde verkrachting zo hebben plaatsgevonden) een ‘informatief gesprek zeden’ is gevoerd. Verder is de aangeefster op verzoek van de verdediging op 3 juni 2020 door de rechter-commissaris gehoord. Die verklaringen zijn onderling en innerlijk consistent. De aangeefster benoemt in haar verklaringen ook enkele opmerkelijke details, zoals dat de verdachte zijn vinger in haar wang heeft gedrukt waardoor hij haar wang tussen haar kiezen drukte (aangifte, doorgenummerde dossierpagina 01 008) en het op enig moment doordringend besef dat en waar zij een reservesleutel had bewaard (aangifte, doorgenummerde dossierpagina p. 01 010 en informatief gesprek zeden, doorgenummerde dossierpagina 01 002). Die details komen op het hof authentiek over en dragen bij aan de betrouwbaarheid. Daarnaast zijn er geen indicaties dat de aangeefster haar verklaring heeft willen aandikken. Zo zegt zij bijvoorbeeld dat de vaginale penetratie zelf ‘fysiek geen pijn deed’ en dat de verdachte van haar niet op de bank hoefde te gaan liggen, ondanks dat hij dat aanbood en het voor haar ‘niet goed voelde’ wat er in haar woning gebeurde. Het hof ziet ook overigens in de verklaringen, of anderszins in het dossier, geen aanwijzingen die maken dat er redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. De gestelde ‘tegenstrijdigheden en leemtes’ waar de raadsvrouw in haar pleidooi op wijst maken dit niet anders, nu het daarbij gaat om ondergeschikte punten of feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof niet raken aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, dan wel stellingen waarvan niet nader is onderbouwd of gebleken waarom die afbreuk zouden doen aan de betrouwbaarheid. (Zo merkt de raadsvouw op dat buren niet hebben gehoord dat de aangeefster – in het holst van de nacht – door de brievenbus heeft geroepen, zoals de aangeefster verklaard te hebben gedaan. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom dit zou betekenen dat de aangeefster onjuist en/of onbetrouwbaar zou hebben verklaard.)
Het hof acht de verklaring(en) van de aangeefster dan ook betrouwbaar en zal van de juistheid daarvan uitgaan.
Steunbewijs
De aangeefster heeft onder meer het volgende verklaard.
De verdachte ging op haar liggen en hield haar bij haar polsen vast. Hij ging met zijn hand onder haar kleding en drong met zijn vinger haar vagina binnen. Omdat zij dit echt niet wilde heeft zij zich verzet en begon zij te vechten waardoor zij – zo begrijpt het hof – van het op de grond liggende matras op het laminaat vielen. Verder heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte met kracht een duim in haar kaak duwde en een hand om haar nek legde waardoor zijn geen lucht meer kreeg. Op enig moment heeft de aangeefster kunnen gillen waarna de verachte dreigde haar te vermoorden en een sok om haar nek draaide waardoor zij opnieuw geen lucht kreeg. Vervolgens stond de verdachte haar toe om wat te drinken in de badkamer. Die gelegenheid heeft de aangeefster aangegrepen om te proberen te vluchten. Die vluchtpoging mislukte en de verdachte pakte de sleutels van de voordeur van haar af en deed de deur op slot met deze sleutels. De verdachte dreigde toen haar nek te breken als ze dit nog een keer zou doen en hield een gebalde vuist voor haar gezicht. Vervolgens heeft zij de verdachte moeten pijpen en heeft hij haar met zijn penis gepenetreerd terwijl hij zijn handen stevig om haar nek had. Nadat de verdachte was klaargekomen is hij in slaapgevallen. De aangeefster bedacht dat en waar zij een reservesleutel had en is de woning ontvlucht en naar het politiebureau gegaan.
Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Deze verklaring vindt bovendien op meerdere punten steun in andere bewijsmiddelen (die zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest in geval er cassatieberoep wordt ingesteld).
Als belangrijkste punt van steunbewijs wijst het hof op het letsel dat bij de aangeefster is geconstateerd. Zo volgt uit de ‘verklaring onderzoek zedendelicten’ dat de aangeefster op 31 maart 2018 – de dag waarop de tenlastegelegde verkrachting zou hebben plaatsgevonden – is onderzocht door een forensisch arts. In dit onderzoek maakt de arts melding van – kort gezegd – verkleuringen op meerdere plekken van het lichaam van de aangeefster. In het oog springen daarbij de rood cirkelvormige verkleuring, de rode streepvormige verkleuring en de half cirkelvormige verkleuring aan de voorzijde van de nek en de rode streepvormige verkleuring aan de kaak. Ook de politieambtenaar die de aangeefster op 31 maart 2018 rond 04.45 het politiebureau zag binnenkomen ( [verbalisant] ) heeft waargenomen dat zij rondom haar nek rode vlekken had. Daarnaast is op een later moment een Letselrapportage (ondertekend door forensisch arts drs. [persoon] op 7 juni 2018) opgemaakt waarin diverse letsels worden beschreven. Volgens de arts kan het geconstateerde letsel passen bij de door de aangeefster aangegeven toedracht en kan de ouderdom van de letsels ‘passen bij het huidige tijdsinterval’. Er is dus vrijwel direct na de gestelde verkrachting door een politieambtenaar en een arts/geneeskundige letsel bij de aangeefster waargenomen, terwijl enige tijd later een Letselrapportage is opgemaakt door een forensisch arts waaruit volgt dat qua toedracht en tijdsverloop het letsel kan passen bij de verklaring die de aangeefster hiervoor heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat deze bewijsmiddelen steun geven aan de verklaring van de aangeefster dat zij – kort gezegd – gewelddadig is verkracht. Daarbij is naar het oordeel van het hof met name relevant het letsel aan de nek en de kaak dat door de beide artsen wordt genoemd. Dit letsel laat zich namelijk goed verklaren in de lezing van de aangeefster. Dit letsel past daarentegen niet bij de verklaring die verdachte als mogelijkheid heeft aangedragen. Die verklaring houdt immers in dat er sprake was van ruwe seks en dat die ruwheid erin bestond dat er sprake was van harde neukbewegingen waarbij hij de aangeefster bij haar schouders vasthield om – zo begrijpt het hof – haar lichaam op haar plek te houden. Die gestelde toedracht kan (in ieder geval) het letsel in de nek en op de kaak naar het oordeel van het hof niet verklaren.
Verder vindt de verklaring van de aangeefster ook wat betreft de feitelijke context steun in ander bewijs. Zo biedt de omstandigheid dat de politieambtenaren de sleutelbos van de aangeefster hebben aangetroffen op het kastje in de slaapkamer, op welk kastje ook de kleding van de verdachte lag, steun aan haar verklaring dat de verdachte haar sleutels had afgepakt en haar (mede) daardoor heeft belet de woning te verlaten.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof bovendien onmiskenbaar dat de seksuele handelingen plaatsvonden tegen de wil van de aangeefster, en ook dat het ontbreken van instemming met die handelingen voor de verdachte glashelder moet zijn geweest.
Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens in de bewijsmiddelen is vervat (zoals die zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest in geval er cassatieberoep wordt ingesteld) acht het hof het tenlastegelegde bewezen zoals hierna opgenomen.
Voorwaardelijke verzoeken
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw een drietal voorwaardelijke verzoeken gedaan.
Horen verbalisant [verbalisant]
Allereerst heeft de raadsvrouw verzocht om verbalisant [verbalisant] te horen in geval het door hem opgemaakte proces-verbaal voor het bewijs zal worden gebezigd. Nu aan de gestelde voorwaarde is voldaan zal het hof dit verzoek beoordelen.
In hoger beroep is de verdediging in de gelegenheid gesteld om schriftelijk vragen te stellen aan [verbalisant] . [verbalisant] heeft de vragen in een proces-verbaal van bevindingen beantwoord. De zeer duidelijke strekking van dit verbaal was dat hij zich – een kleine zeven jaar na dato – niets meer kon herinneren van de situatie in het politiebureau waarover de raadsvrouw hem vragen wilde stellen. Tegen die achtergrond bezien zal het hof het ter terechtzitting gedane (voorwaardelijke) verzoek om [verbalisant] te doen horen afwijzen. Bij de afwijzing neemt het hof in aanmerking dat het antwoord op de meeste vragen die de raadsvrouw wenst te stellen besloten liggen in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 31 maart 2018, terwijl de raadsvrouw geen begin van een aanknopingspunt heeft gegeven dat en waarom er aan de waarheidsgetrouwheid van dit proces-verbaal moet worden getwijfeld.
Nu [verbalisant] een zogenoemde [getuige 1] getuige betreft en het hof diens verklaring gebruikt voor het bewijs zonder dat de verdediging [verbalisant] heeft kunnen horen (anders dan via het stellen van schriftelijke vragen), zal het hof nagaan of door dit gebruikt inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijk proces dat onder meer voortvloeit uit art. 6 EVRM.
Zoals overwogen is er naar het oordeel van het hof een goede reden om [verbalisant] niet te horen: hij heeft zeer stellig duidelijk gemaakt dat hij zich niets kan herinneren van de situatie waarover de verdediging hem wil bevragen. Verder is van belang dat de rol van het voor het bewijs gebruikte onderdeel van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van zeer beperkte betekenis is, en zeker niet ‘sole and decisive’. Het gaat enkel om diens waarneming dat de aangeefster rode vlekken rondom haar nek had. Dit letsel is ook terug te vinden in de op dezelfde dag opgemaakte ‘verklaring onderzoek zedendelicten’, alsook in genoemde Letselrapportage. Bovendien is er sprake van compenserende factoren doordat de verdediging de aangeefster heeft kunnen horen.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, staat het recht op een eerlijk proces naar het oordeel van het hof niet eraan in de weg dat het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] voor het bewijs wordt gebruikt op de wijze waarop het hof dat heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is en er sprake is van een “overall fairness of the trial” in de zin van artikel 6 EVRM.
Horen getuige [getuige 2] (alias ‘ [alias] ’)
De raadsvrouw heeft verzocht [getuige 2] te horen als getuige indien en voor zover zijn verklaring en/of de e-mail bedoeld op doorgenummerde pagina B van het dossier (met als onderwerpregel “Help [verdachte] is here call police rape”) voor het bewijs gebruikt. Het hof zal dit verzoek onbesproken laten nu niet is voldaan aan de gestelde voorwaarde, doordat het hof noch de verklaring van [getuige 2] , noch ‘de e-mail’ (waarmee tevens wordt bedoeld: verklaringen of processen-verbaal over die e-mail) gebruikt voor het bewijs.
Verzoek ‘tegenonderzoek letselrapportage’
Het hof begrijpt het verzoek van de raadsvrouw aldus, dat zij vraagt om een deskundige onderzoek te laten doen naar het door de verdachte geopperde scenario dat het bij de aangeefster geconstateerde letsel is veroorzaakt door ruwe seks erin bestaande dat er sprake was van harde neukbewegingen waarbij hij de aangeefster bij haar schouders vasthield om – zo begrijpt het hof – haar lichaam op haar plek te houden. Voorwaarde bij dit verzoek is dat het hof eerder genoemde Letselrapportage, ondertekend door drs. [persoon] op 7 juni 2018 voor het bewijs gebruikt. Nu aan de gestelde voorwaarde is voldaan zal het hof het verzoek beoordelen.
Het verzoek, dat getoetst wordt aan het noodzaakscriterium, wordt afgewezen. De reden hiervoor is dat het scenario van de verdachte hooguit letsel kan verklaren aan het onderlichaam en de schouders van de verdachte, maar niet de letsels aan de kaak en hals, zoals hiervoor beschreven. Immers: de verdachte heeft gesteld de aangeefster enkel bij haar schouders te hebben vastgepakt en harde neukbewegingen te hebben gemaakt. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geenszins aannemelijk geworden dat het doen van ‘tegenonderzoek’ zoals door de raadsvrouw verzocht, enige meerwaarde kan hebben voor de op grond van de artikelen 348 en 350 Sv door het hof te nemen beslissingen, laat staan dat de noodzaak van dergelijk onderzoek is gebleken. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Amsterdam door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , hebbende verdachte die [benadeelde partij] gedwongen te dulden dat verdachte:
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [benadeelde partij] heeft geduwd/gebracht en
- zijn, verdachtes, penis en vinger in de vagina van die [benadeelde partij] heeft geduwd/gebracht,
en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- zichzelf heeft opgedrongen aan die [benadeelde partij] terwijl zij zich verzette en
- de polsen van die [benadeelde partij] heeft vastgepakt en
- die [benadeelde partij] bij de keel en nek heeft vastgepakt en vastgehouden en een sok om de nek van die [benadeelde partij] heeft gedraaid waardoor die [benadeelde partij] geen lucht kreeg.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht geen straf op te leggen gelet op het vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de raadsvrouw het hof verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een forse taakstraf vanwege de ouderdom van de zaak en de grote gevolgen van een gevangenisstraf voor de verdachte. Tot slot heeft de raadsvrouw het hof verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van het slachtoffer in haar woning. De verdachte heeft haar bij haar polsen vastgehouden, bij haar keel gegrepen en een sok om haar keel gebonden. Toen zij even water mocht drinken probeerde ze de woning te ontvluchten, maar de verdachte heeft dit belet en gedreigd haar dood te maken als ze dat nog een keer zou proberen. Uiteindelijk heeft hij haar gedwongen om meerdere seksuele handelingen te verrichten en te ondergaan. Daarbij is de verdachte zonder condoom in het slachtoffer klaargekomen, hetgeen voor haar buitengewoon onaangenaam moet zijn geweest en ertoe heeft geleid dat zij een morning afterpil heeft moeten gebruiken. Nadat de verdachte vervolgens in slaap was gevallen is het slachtoffer haar huis uit kunnen vluchten. Het slachtoffer had op verschillende plekken op haar lichaam zichtbaar letsel en uit haar verklaringen blijkt dat het een zeer beangstigende en nare ervaring is geweest. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft op dat moment alleen gedacht aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoefte en geen rekening gehouden met het slachtoffer.
Verkrachting en het daarmee gepaarde geweld is een zeer ernstig feit, dat bij slachtoffers naast pijn en angst ook ernstige en langdurige psychische problemen kan veroorzaken. Hoe ingrijpend de gevolgen voor de aangeefster zijn geweest, blijkt uit de namens haar ter terechtzitting in eerste aanleg voorgedragen slachtofferverklaring. In hoger beroep is namens haar naar voren gebracht dat het feit al acht jaar veel impact op haar leven heeft gehad: ze heeft lange tijd niet kunnen werken en had fysieke en psychische klachten. Zij heeft haar appartement in Nederland verkocht en woont momenteel in Spanje om haar leven daar opnieuw op te bouwen.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan op feiten als deze niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht volgt voor ‘verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang’ en voor ‘verkrachting met ernstig geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang’ als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 respectievelijk 48 maanden.
Het hof heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van het strafblad van 27 januari 2026. Hoewel er geen recente veroordelingen zijn, merkt het hof op dat uit dit strafblad volgt dat de verdachte in 2007 onherroepelijk is veroordeeld voor verkrachting. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de straf.
Ook heeft het hof gekeken naar het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 december 2025. Hierin is onder meer te lezen dat de verdachte een stabiel leven heeft opgebouwd. Hij beschikt over vaste huisvesting, een fulltime dienstverband, een ondersteunende partnerrelatie en is actief betrokken bij de zorg voor zijn minderjarige kind. Er zijn geen aanwijzingen voor middelengebruik, financiële problematiek of psychosociale ontregeling. De reclassering acht interventies of toezicht niet nodig en adviseert dan ook bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. Het hof ziet aldus onder ogen dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ingrijpende gevolgen heeft voor de verdachte (en zijn naasten). De aard en ernst van het strafbare feit zijn echter van een zodanige orde, dat vanuit het oogpunt van vergelding en normbevestiging, en in mindere mate ook speciale preventie, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plek is.
Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden.
Het hof houdt echter rekening met de omstandigheid dat het in artikel 6 lid 1 EVRM opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, ruimschoots is geschonden. Voor wat betreft de behandeling in eerste aanleg geldt dat de verdachte op 31 maart 2018 in verzekering is gesteld en dat op 25 februari 2022 eindvonnis is gewezen. Uitgaande van een redelijke termijn van 2 jaren per instantie, is de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg overschreden met ruim 1 jaar en 11 maanden. In hoger beroep is de redelijke termijn opnieuw overschreden. Namens de verdachte is op 3 maart 2022 hoger beroep ingesteld en op 24 februari 2026 wordt eindarrest gewezen. Dat betekent dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep is overschreden met ruim 1 jaar en 11 maanden. Het hof is van oordeel dat deze forse overschrijding van de redelijke termijn matiging van de straf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof in plaats van voornoemde gevangenisstraf van 42 maanden een gevangenisstraf van 33 maanden oplegt.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering van € 10.000,00, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de ernst van het feit en het gegeven dat er geen psychisch letsel is vastgesteld door een deskundige. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw het hof verzocht om het gevorderde bedrag te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij is in haar eigen woning met ernstig geweld verkracht, waarbij er meerdere ongewenste binnendringende seksuele handelingen zijn verricht door de verdachte die hierbij geen condoom heeft gebruikt. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), bestaande uit blauwe plekken op verschillende plekken op haar lichaam en problemen met slikken vanwege het geweld dat op haar hals is uitgeoefend. Daarnaast is sprake van een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Hoewel het hof niet naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan vaststellen, brengen naar het oordeel van het hof de aard en de ernst van de bewezenverklaarde verkrachting – zoals volgt uit hetgeen bij de motivering van de straf is overwogen – mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen die het bewezenverklaarde feit heeft gehad voor de benadeelde partij en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel C, Smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel, hoofdstuk 15 ‘Seksuele misdrijven’, wordt voor een verkrachting in de categorie ‘(b) ernstig’ een bedrag tussen de
€ 7.500,00 tot € 15.000,00 genoemd. In deze categorie gaat het onder andere om een eenmalige verkrachting, waarbij sprake is van bijzonder ernstige omstandigheden zoals het gebruik van geweld en/of ernstige gevolgen voor de benadeelde. Het hof is van oordeel dat dit het geval is in de onderhavige zaak.
Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 10.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 maart 2018.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. N.E. Kwak en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2026.
=========================================================================
[…]