Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden, de advocaat en de moeder van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof ziet in wat door de verdachte en haar raadslieden ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde, de strafbaarheid van het feit en de verdachte.
Het hof verenigt zich dan ook met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd-, en met dien verstande dat:
Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Het hof realiseert zich dat een (vrijwel) integrale bevestiging van het vonnis in een zaak als deze – waarin er veel op het spel staat voor de verdachte en waarin door de raadslieden grondig verweer is gevoerd – voor de verdediging mogelijk teleurstellend is, nog los van de voor de verdachte negatieve uitkomst. Het hof hecht er daarom aan op te merken dat de bevestiging van vonnissen in eerste aanleg de voorkeur geniet van de wetgever en past binnen het karakter van het zogeheten ‘voortbouwend appel’: het is zelfs een belangrijk instrument om de rechtsontwikkeling te sturen en de rechtseenheid te bevorderen. Ook de Hoge Raad heeft hier eerder in zijn rechtspraak op gewezen
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden gekoppeld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden. De advocaat-generaal heeft hierbij ten voordele van de verdachte rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging heeft verzocht om, mocht het hof aan een straftoemeting toekomen, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een jonge en kwetsbare vrouw is die slachtoffer is van zowel fysieke als emotionele mishandeling binnen een gewelddadige relatie. Sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg is de verdachte onder behandeling geweest bij verschillende instanties, zoals bij het Sinai Centrum voor de behandeling van een posttraumatische stressstoornis, en bij de Blijfgroep. De verdediging wijst op het reclasseringsrapport van 4 december 2025 waarin wordt gesteld dat verdere interventies die gericht zijn op risicovermindering om die reden niet geïndiceerd zijn. Daarnaast heeft de verdachte een nagenoeg blanco documentatie en is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De context, de oudheid van de zaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte maken dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Een dergelijke strafoplegging is evenmin opportuun en de strafdoelen bieden in deze zaak ruimte om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, in combinatie met een maximale werkstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met het broertje van haar ex-partner, die toentertijd net 15 jaar oud was. De ontucht vond plaats in de woning van het slachtoffer en bestond uit tongzoenen, het laten betasten van haar blote borsten en vagina en het met zijn penis laten penetreren van haar vagina. Met haar handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van seksuele delicten, zeker in het geval van minderjarigen, daarvan blijvend dan wel langdurig de nadelige lichamelijke en psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de door zijn moeder opgestelde verklaring in hoger beroep blijkt de impact die de handelingen van de verdachte op het slachtoffer hebben gehad en nog altijd hebben. De ontwikkeling van zijn identiteit, grenzen, seksualiteit en vertrouwen is ernstig en mogelijk blijvend verstoord. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
De ernst en de aard van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer brengen mee dat met geen andere straf kan worden volstaan dan een gevangenisstraf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van geruime duur met zich mee brengt. Een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit, doen naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het feit.
Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken, en houdt daarmee rekening bij de strafoplegging. Ook houdt het hof rekening met de strafblad van de verdachte van 29 december 2025 waaruit blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld is voor een soortgelijk feit, en na het bewezenverklaarde feit ook niet meer voor een soortgelijk feit in aanraking is gekomen met justitie.
Verder heeft het hof gelet op het reclasseringsadvies van 4 december 2025 waaruit volgt dat de reclassering geen aanknopingspunten ziet voor reclasseringscontact. Het hof zal daarom afzien van het opleggen van bijzondere voorwaarden, ook omdat de verdachte reeds met verschillende hulpverleningsinstanties in contact is.
Het hof acht, gelet op al het vorenstaande, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden passend.
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overschreden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met bijna 11 maanden overschreden, omdat de rechtbank op 1 december 2022 vonnis heeft gewezen, terwijl de verdachte op 3 januari 2020 in verzekering is gesteld. Namens de verdachte is op 13 december 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 27 januari 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is gelet daarop met 1 jaar en anderhalve maand overschreden.
Alles afwegende zal het hof in dit bijzondere geval de gevangenisstraf matigen tot vier maanden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen.
De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de beperkte onderbouwing van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden, in die zin dat sprake is van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Volgens de moeder van de benadeelde partij is zijn zelfvertrouwen aangetast, voelt hij zich minder waard dan anderen en voelt hij zich beschadigd. Daarnaast geldt dat de genoemde aard en ernst van het handelen van de verdachte meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon wordt aangenomen. Zoals hiervoor reeds uiteengezet heeft de verdachte op indringende wijze de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij aangetast in een situatie waarin hij zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen. Het hof acht daarom de toewijzing van het gevorderde bedrag € 2.500,00 aan immateriële schade die de benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde heeft geleden billijk.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 januari 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M.M.H.P. Houben en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen
=========================================================================
[…]