Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026.
Door de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij, op of omstreeks 14 oktober 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 525 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan haar voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop haar voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij, op 14 oktober 2023 te Schiphol, als bestuurder van een motorrijtuig, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 525 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan haar voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (525 microgram).
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte (bij verstek) voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van 950 euro, subsidiair 19 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 180 dagen met aftrek, waarvan 61 dagen voorwaardelijk.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 650 euro en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden, met aftrek. De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat de gevorderde geldboete in termijnen kan worden voldaan.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard over haar persoonlijke omstandigheden, en dan met name over haar financiële situatie. Zij is alleenstaande moeder en staat onder bewind, waardoor zij maandelijks een hoeveelheid geld ter beschikking heeft waar zij moeilijk van rondkomt. Daarnaast heeft zij de cursussen gevolgd die door het CBR aan haar zijn opgelegd. Ten slotte heeft de verdachte verklaard nu goed te zijn doordrongen van de gevaren die het rijden onder invloed van alcohol met zich brengt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl zij onder invloed was van alcohol. Zij reed met hoge snelheid op de Schipholweg, slingerde van links naar rechts en kon de bocht niet goed nemen. Bij controle bleek het alcoholgehalte van haar adem 525 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn. Dit terwijl de verdachte een beginnend bestuurder was en het haar niet was toegestaan met een alcoholgehalte van meer dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht een motorrijtuig te besturen. Door zo te handelen heeft de verdachte niet alleen haarzelf, maar ook de andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar kunnen brengen.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden acht het hof, alles afwegende, een geldboete van 600 euro en ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 maanden, met aftrek, passend en geboden.
Het hof acht gelet op de financiële situatie van de verdachte termen aanwezig te bepalen dat de geldboete in 6 termijnen van 100 euro per maand kan worden voldaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Bepaalt dat het totaal van de geldboete mag worden voldaan in 6 (zes) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. R.A.E. van Noort en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen