GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.350.946/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/742842/ HA ZA 23/1067
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonend in [plaats 2] ,
appellanten in principaal appel,
geïntimeerden in incidenteel appel,
advocaat: mr. F.L. van Dijk te Haarlem,
tegen
BOEKX B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. E.H.F. Dings te Amsterdam.
Appellanten in principaal appel worden hierna [appellant 1] en [appellant 2] genoemd en gezamenlijk [appellanten] (aangeduid in mannelijk enkelvoud). Geïntimeerde in principaal appel wordt hierna Boekx genoemd.
1. De zaak in het kort
Advocatenkantoor Boekx heeft in 2022 werkzaamheden verricht om online gepubliceerde schadelijke uitingen over het advocatenkantoor van [appellant 1] en haar bestuurder [appellant 2] tegen te gaan. [appellanten] heeft wel de verschotten, maar niet het honorarium van Boekx betaald. Boekx vordert betaling van haar facturen. De rechtbank heeft de vordering deels toegewezen. Het hof komt tot het oordeel dat het gehele bedrag van de facturen verschuldigd is en veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk tot betaling daarvan.
2. Het geding in hoger beroep
[appellanten] is bij dagvaarding van 3 februari 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 29 januari 2025 van de rechtbank Amsterdam, zoals hersteld bij vonnis van 12 maart 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Boekx als eiseres en [appellanten] als gedaagden, de in die zaak op 19 juni 2024 en 4 september 2024 gewezen tussenvonnissen en de daarin genomen rolbeslissing van 31 juli 2024.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
Op 16 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Mr. Dings heeft voorts ter zitting een vervangende productie (25) overgelegd. [appellanten] heeft nog producties in het geding gebracht.
Op verzoek van [appellanten] van 18 december 2025 is een verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgemaakt. De in reactie hierop ontvangen e-mail van mr. Dings van 19 december 2025 is aan het dossier toegevoegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Boekx is een advocatenkantoor dat zich richt op intellectuele eigendom, media en privacy.
[appellant 1] is een bedrijf dat een advocatenkantoor heeft geëxploiteerd, waarvan [appellant 2] de uiteindelijke eigenaar (UBO) en (indirect) bestuurder is. Er worden geen activiteiten in [appellant 1] meer verricht.
Op 17 juni 2022 heeft [appellant 2] Boekx benaderd voor juridische bijstand in een geschil omtrent onrechtmatige uitlatingen over [appellanten] op een website. Boekx heeft in dat kader op 20 juni 2022 twee sommatiebrieven verstuurd, waarin onder meer staat:
“(…) On behalf of our clients, [appellant 2] (“ [appellant 2] ”) and [appellant 1] (“ [appellant 1] ”), we require your immediate attention to the following. (…)”
Op 21 juni 2022 heeft Boekx per e-mail een opdrachtbevestiging met algemene voorwaarden aan [appellant 2] toegezonden. In het e-mailbericht staat het volgende vermeld, voor zover hier van belang:
“(…) Voor de goede orde hierbij ook onze tarieven, die ik voor jou en [appellant 1] enigszins zal matigen. (…) Als cliënten noteer ik zowel jou in privé als [appellant 1] . We zullen als factuuradres [appellant 1] aanhouden. (…)”
Daarop zond [appellant 2] per e-mailbericht van 22 juni 2022 aan Boekx het volgende:
“(…) Inmiddels hadden we al telefonisch contact. Zoals gezegd zijn de financiële middelen op dit moment beperkt, dus we moeten zo lean & mean mogelijk opereren. (…)
Overigens is het niet nodig om ook namens mij persoonlijk op te treden hoor. Het gaat mij echt om [appellant 1] , niet om mijzelf. Liever niet zelfs, zeker niet in rechte. (…)”
In een e-mail later op die dag stuurde [appellant 2] onder meer aan Boekx:
“(…) Ikzelf zal wel moeten worden genoemd in de dagvaarding, maar liever niet als procespartij. Dat is ook niet nodig lijkt me. En liefst gewoon als “de bestuurder die bij naam en toenaam op de website wordt vermeld”. Ik wil namelijk voorkomen dat deze uitspraak later via Google gevonden wordt als men mijn naam googelt. (…)”
In de periode die volgde heeft Boekx werkzaamheden verricht om te bewerkstelligen dat – kort gezegd – de gewraakte website uit de lucht zou gaan. In dit verband is onderhandeld met (de advocaat van) de persoon die de website exploiteerde (hierna: de wederpartij) over een mogelijke schikking. [appellant 2] heeft daarbij bij Boekx aangegeven dat hij voornemens was het honorarium van Boekx uit de schikkingsopbrengst te betalen.
Op 29 augustus 2022 heeft Boekx per e-mail aan [appellant 2] het volgende geschreven:
“(…) Wij willen met jou concrete afspraken maken over onze openstaande declaraties. Wij gaan daarom eerst nog in op het financiële aspect van de zaak.
Wij hebben onder grote druk in opdracht van jou en [appellant 1] een ex parte en bewijsbeslag voorbereid, die uiteindelijk met succes zijn gelegd waardoor er nu (de facto) een prachtig resultaat is geboekt. (…)
Wij hebben aangeboden om het honorarium voor de werkzaamheden tot op dit moment aanzienlijk te matigen tot EUR 15.000,- ex BTW. Jij gaf aan dat dit een schijntje was voor het geleverde werk, maar dat [appellant 1] dat niet kan betalen. (…)
Je informeerde ons dat het met [appellant 1] in financiële zin slecht gaat, en dat je overweegt over te stappen naar een ander kantoor. Volgens jou zou dat mogelijk leiden tot een faillissement van [appellant 1] Om die reden is het jouw wens dat de wederpartij (…) ons honorarium (…) betaalt. Dat ontneemt uiteraard niet jouw verplichting en de verplichting van [appellant 1] om ons werk te vergoeden.
Naast de getoonde bereidheid om te matigen, willen we ook akkoord gaan met een andere betalingsregeling met uitstel en gespreide betaling.
Dat moet dan wel gepaard gaan met zekerheid voor nakoming van betaling. Nogmaals, wij gaan er niet mee akkoord dat betaling afhankelijk wordt gemaakt van de uitkomst van de onderhandelingen. (…)”.
Op 2 september 2022 heeft [appellanten] besloten het schikkingsaanbod van de wederpartij niet te accepteren en de zaak verder zelf ter hand te nemen. Daarop heeft Boekx [appellant 2] verzocht het honorarium van € 15.000,- zo snel mogelijk te betalen, waarbij is aangegeven dat de verleende korting zou vervallen als betaling niet binnen 30 dagen zou zijn ontvangen. Op dezelfde dag heeft Boekx een factuur van € 15.000,- gestuurd, die was geadresseerd aan zowel [appellant 1] als aan [appellant 2] .
Bij e-mail van 5 september 2022 heeft [appellant 2] onder meer als volgt gereageerd:
(…) Ook heb ik direct duidelijk gemaakt dat niet ikzelf als cliënt heb te gelden, maar alleen [appellant 1] . Dat neemt niet weg dat er mij persoonlijk veel aan gelegen is om jullie inspanningen niet onbeloond te laten, maar aansprakelijk daarvoor ben ik niet.
(…) Tegelijk was mijn belangrijkste doel om ervoor te zorgen dat jullie niet onbetaald zouden blijven. (…)
(…) Enfin, bij de huidige stand van zaken begrijp ik dat jullie geen verdere werkzaamheden willen doen zonder dat jullie honorarium gedekt is. Daarom zal ik de zaak zelf verder ter hand nemen en trachten onder druk van een inzage-kortgeding een hoger schikkingsbod te krijgen, wederom met als primaire doel om jullie volledig te betalen. (…)”
Op 6 september 2022 heeft Boekx haar werkzaamheden voor [appellanten] neergelegd.
Bij e-mail van 7 september 2022 heeft Boekx aan [appellant 2] onder meer geschreven:
“(…) We noteerden jou als cliënt, niet alleen omdat het om jouw persoonlijke eer en goede naam gaat, zodat jij ook persoonlijk belanghebbende bent, maar ook nog om een andere reden. Je maakte bij aanvang namelijk duidelijk dat er met grote spoed rechtsmaatregelen moesten worden getroffen maar dat [appellant 1] op dat moment “beperkte financiële middelen had” om de kosten te voldoen. Het ging niet goed, liet je weten.
Ook om die reden heb ik uiteraard jou mede in privé als opdrachtgever genoteerd. (…)
Hiertegen heb jij geen bezwaar gemaakt. Je hebt aangegeven dat je liever niet persoonlijk in de processtukken zou worden opgenomen als eisende partij, en in het bijzonder niet als beslaglegger, omdat je vreesde dat je schadeplichtig zou kunnen worden en die kwetsbaarheid wilde je vermijden. Ik heb je telefonisch toen gesuggereerd dat [appellant 1] als lasthebber kan optreden van jou persoonlijk, zodat jij niet persé als eisende partij genoteerd hoefde te worden. Daar slaat dus jouw laatste zin op in de mail van 21 juni jl. (…)
Nogmaals, indien je zou hebben aangegeven dat jij niet in privé cliënt/opdrachtgever wilde zijn van Boekx, hadden we onmiddellijk onze werkzaamheden gestaakt.”
Half september 2022 heeft [appellant 1] een schikking bereikt met de wederpartij inzake de smaadzaak en heeft daarbij een bedrag van € 24.000,- ontvangen.
Op 14 november 2022 heeft Boekx aan [appellant 2] het volgende geschreven:
“We zijn weer een maand verder. Vergeefs is bij herhaling verzocht om betaling of een acceptabel betalingsvoorstel. Mijn bemoeienis met een minnelijke oplossing stopt hier. De uit coulance gegeven korting was voorwaardelijk en is inmiddels vervallen.
Boekx zal vergoeding voor de gemaakte uren gaan incasseren. (…)”
Op 15 november 2022 heeft Boekx een aanvullende factuur gestuurd van het vervallen kortingsbedrag van € 8.673,50 exclusief btw, alsmede een betalingsherinnering van de factuur van 2 september 2022.
In antwoord daarop heeft [appellant 2] bij e-mailbericht van 15 november 2022 het volgende geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) In het licht van deze omstandigheden is een honorarium van € 15.000 niettemin redelijk, en mijn oprechte intentie was toen om die € 24.000 na ontvangst primair aan te wenden om jullie rekening te betalen. Tijdens de bespreking (…) heb ik ook meermaals duidelijk aangegeven dat de financiële mogelijkheden van [appellant 1] weliswaar beperkt zijn, maar dat het mijn eer te na zou zijn als die rekening onbetaald zou blijven.
Ondanks die duidelijke intentieverklaring, vond [naam 1] [een partner bij Boekx, hof] het nodig om kort daarna mij een mail te sturen waarin werd gesuggereerd (…) dat ik maar een hypotheek op mijn privé woning moest vestigen als zekerheid voor de betaling (…)
(…) vond ik deze benadering van zodanig weinig empathie getuigen dat ik mijn intentie verloor om jullie bij voorrang uit de ontvangen schadevergoeding te betalen. Kennelijk stonden jullie er heel zakelijk in, en daarbij past niet de prioritering die ik aanvankelijk in gedachten had. (…)
[appellant 1] zal jullie rekening (…) in een aantal termijnen proberen te betalen, (…). Voorwaarde is wel dat de adressering van de factuur wordt aangepast. De factuur is nu gericht aan [appellant 1] en mij persoonlijk, maar moet slechts aan [appellant 1] gericht zijn. Zodra ik een aangepaste factuur heb ontvangen, zal de eerste € 4.000 direct worden betaald. Ik zal mijn best doen om [appellant 1] spoedig daarna in termijnen het resterende bedrag te laten betalen. (…) Ik meen dat het in deze omstandigheden niet redelijk is om dat extra honorarium in rekening te brengen. (…).”
Per e-mail van 9 februari 2023 heeft Boekx aan [appellant 2] onder meer het volgende bericht:
“(…)
Wij stellen voor het te betalen bedrag alsnog te matigen tot EUR 15.000 ex BTW. Waarvan een deel EUR 5.000,- ex BTW nu wordt betaald, en de resterende EUR 10.000,- ex BTW in termijnen in 2023. Invulling van deze regeling in verder overleg. Voor de nakoming van die betalingsregeling sta je persoonlijk in.
(…)
Wat betreft je dreiging met een klacht (…): bij gebreke van overeenstemming over de voorgestelde betalingsregeling, stellen wij voor om de deken in Amsterdam te vragen om een bindend oordeel te geven over deze zaak. (…)”
[appellant 2] heeft bij e-mail van 17 februari 2023 onder meer geschreven:
“(…) Ik ga ermee akkoord dat we gezamenlijk de deken vragen om bindend advies te geven over deze kwestie. Fijn dat we het daar in ieder geval over eens zijn geworden. (…)
Voorts zie ik het dan als volgt voor me:
Wij vragen de deken om (bindend) advies in onze hoedanigheid van advocaat. (…)
De strekking van het verzoek is om (bindend) advies te verkrijgen hoe de deken meent dat wij als advocaten deze kwestie tussen de BV’s en mij persoonlijk zouden moeten oplossen.
We benaderen de deken gezamenlijk met één e-mail (…)
In die mail stellen wij de deken voor dat wij ieder ons verhaal op papier zetten en aan de deken en aan elkaar doen toekomen (…).
Vervolgens verzoeken wij de deken om ons uit te nodigen om de kwestie met elkaar en de deken bespreken.
Mocht ik iets over het hoofd zien, of mocht bovenstaand plan volgens jullie op onderdelen moeten worden aangepast, dan verneem ik dat graag. (…)
Hierop heeft Boekx bij e-mail van 15 maart 2023 onder meer gereageerd:
“Jouw opzet is akkoord met de volgende aanvulling.
Als de deken besluit dat [appellanten] en / of jij persoonlijk een bepaald bedrag aan Boekx B.V. verschuldigd is, zal jij ervoor zorgen dat dit bedrag binnen 14 dagen – dan wel binnen een door de Deken vastgestelde termijn – wordt betaald (door [appellant 1] , door jouzelf of door een derde).”
[appellant 2] is daarmee niet akkoord gegaan. De declaraties van Boekx zijn onbetaald gelaten.
4. Procedure bij de rechtbank
Boekx heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 28.601,38, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 29 november 2022 en de proceskosten.
Bij eerste incident heeft [appellanten] gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het gevorderde, dan wel Boekx niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen. Bij tweede incident heeft [appellanten] gevorderd [bedrijf] in vrijwaring te mogen oproepen.
De rechtbank heeft de vorderingen in beide incidenten afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. In de hoofdzaak zijn [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 18.150,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 januari 2025 en de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe – samengevat – het volgende overwogen. [appellant 1] moet als enige opdrachtgever van Boekx worden aangemerkt. Omdat de facturen van Boekx onvoldoende zijn gespecificeerd, is [appellant 1] gehouden tot betaling van een redelijk loon, dat wordt vastgesteld op € 15.000,- plus € 3.150,- aan btw. Door de betaling van Boekx bewust en op subjectieve gronden achter te stellen ten opzichte van andere schuldeisers heeft [appellant 2] als bestuurder van [appellant 1] persoonlijk ernstig verwijtbaar en dus onrechtmatig jegens Boekx gehandeld. [appellant 2] is aansprakelijk voor de daardoor geleden schade, zodat de vordering tot betaling ook tegen hem wordt toegewezen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellanten] concludeert in principaal appel – na wijziging van eis – dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest het vonnis van 29 januari 2025, zoals hersteld bij vonnis van 12 maart 2025, de tussenvonnissen van 19 juni 2024 en 4 september 2024 en de rolbeslissing van 31 juli 2024 zal vernietigen en primair zal verklaren dat de rechtbank en het hof onbevoegd zijn om van het geschil kennis te nemen, subsidiair Boekx niet-ontvankelijk zal verklaren en meer subsidiair de vorderingen van Boekx zal afwijzen, met veroordeling van Boekx tot terugbetaling aan [appellant 2] van hetgeen hij uit hoofde van de (tussen)vonnissen heeft betaald, met rente en met veroordeling van Boekx in de kosten van het geding in beide instanties en van de incidenten, met rente. [appellanten] voert hiertoe zeven grieven aan.
Boekx concludeert dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, kort gezegd, het principaal hoger beroep zal verwerpen en – in het incidenteel hoger beroep – het vonnis van 29 januari 2025 zal vernietigen voor zover haar eerste vordering deels is afgewezen en deze alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, met nakosten en rente. Boekx voert hiertoe vier grieven aan.
[appellanten] concludeert in incidenteel appel dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest de incidentele grieven zal verwerpen, met veroordeling van Boekx in de proceskosten, met rente.
6. Beoordeling
Het hof zal eerst ingaan op de grieven in het principaal appel die zien op de incidentele vonnissen en de rolbeslissing (grieven 5, 6 en 7), waarna de grieven in de hoofdzaak worden behandeld.
Ontvankelijkheidsincident
De vijfde grief van [appellanten] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in het eerste door [appellanten] opgeworpen incident. Samengevat luidt deze grief dat partijen op 17 februari 2023 zijn overeengekomen hun geschil voor bindend advies voor te leggen aan de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, zodat de rechtbank zich onbevoegd dan wel Boekx niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Deze grief faalt. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen volgt dat zij bereid waren om via bindend advies tot een oplossing te komen, maar daarmee is nog geen overeenkomst daartoe tot stand gekomen. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat overeenstemming is bereikt over de essentiële onderdelen daarvan. Bovendien impliceert een overeenkomst tot bindend advies dat partijen afstand doen van het recht op toegang tot de overheidsrechter, hetgeen ondubbelzinnig moet blijken. In dit geval waren partijen nog in overleg over de voorwaarden waaronder de bindendadviesprocedure zou plaatsvinden. Zo stelde [appellant 2] bij e-mail van 17 februari 2023 een aantal uitgangspunten voor, waarmee Boekx akkoord ging “met de volgende aanvulling” (zie hiervoor onder 3.18 en 3.19). Die aanvulling kwam erop neer dat [appellant 2] ervoor moest zorgen dat een eventueel door de deken aangenomen betalingsverplichting van [appellanten] zou worden nagekomen. Boekx heeft voldoende onderbouwd dat deze voorwaarde voor haar essentieel was en dat [appellanten] dit redelijkerwijs had moeten begrijpen, gelet op de achtergrond van het geschil en de eerdere correspondentie tussen partijen over door Boekx gewenste zekerheid voor de betaling. [appellanten] is niet met deze voorwaarde akkoord gegaan, zodat partijen ten minste over dit onderdeel geen overeenstemming hebben bereikt.
Het betoog van [appellanten] , dat Boekx niet mocht eisen dat [appellant 2] zou instaan voor betaling omdat zijn persoonlijke gebondenheid juist aan de deken zou worden voorgelegd, kan niet worden gevolgd. De voorwaarde ziet op de afwikkeling van een eventuele uitkomst van de bindendadviesprocedure, zonder daaraan af te doen. Het staat partijen vrij om daarover afspraken te maken en het stond [appellant 2] dan ook vrij om met de voorwaarde niet akkoord te gaan. Dat [appellant 2] niet akkoord ging met de gestelde voorwaarde bracht mee dat er geen overeenstemming werd bereikt en de gesprekken zijn gestaakt voordat een overeenkomst tot bindend advies tot stand is gekomen.
Het hof komt tot de conclusie dat de rechtbank op goede grond heeft geoordeeld dat er geen sprake is van onbevoegdheid of van niet-ontvankelijkheid van Boekx. Het vonnis in het incident van 19 juni 2024 zal worden bekrachtigd.
Vrijwaringsincident
[appellanten] heeft voorts gegriefd tegen de afwijzing van de vordering in het vrijwaringsincident. De grief, genummerd 6, is vergeefs aangevoerd. Volgens zijn eigen toelichting heeft [appellanten] het belang bij de oproeping in vrijwaring inmiddels “op andere wijze” ondervangen en wordt in hoger beroep afgezien van oproeping van [bedrijf] in vrijwaring. De grief heeft daarom enkel tot doel dat Boekx in de proceskosten in het incident in eerste aanleg wordt veroordeeld. Dat betekent dat het hof moet onderzoeken of de incidentele vordering in eerste aanleg terecht is afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van dit arrest (Hoge Raad 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050). [appellanten] beroept zich op een vrijwaringsovereenkomst met [bedrijf] maar heeft ook in hoger beroep nagelaten zijn stelling dat die vrijwaringsovereenkomst zich mede uitstrekt tot de facturen van Boekx, voldoende te onderbouwen. De enkele stelling dat is overeengekomen dat [appellant 1] en diens (indirecte) belanghebbenden door [bedrijf] zullen worden gevrijwaard van alle negatieve gevolgen van het overlijden van [naam 2] (voormalig compagnon van [appellant 2] , hierna: [naam 2] ) is daarvoor in elk geval niet genoeg. De gevorderde oproeping in vrijwaring is dus terecht afgewezen. Het vonnis in het incident van 4 september 2024 met de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten zal daarom eveneens worden bekrachtigd.
Rolbeslissing
Grief 7 van [appellanten] richt zich tegen de rolbeslissing van de rechtbank, waarbij is beslist dat de hoofdzaak wordt voortgezet tijdens het vrijwaringsincident. Deze grief kan niet leiden tot een ander oordeel in de hoofdzaak en behoeft daarom geen bespreking. Ook deze grief faalt.
Incidenteel appel
Het hof ziet aanleiding om bij de bespreking van de grieven in de hoofdzaak eerst in te gaan op het incidenteel appel.
Opdrachtgeverschap
Met haar eerste incidentele grief brengt Boekx naar voren dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen [appellant 1] als opdrachtgever van Boekx heeft te gelden. Boekx stelt zich op het standpunt dat ook [appellant 2] als opdrachtgever moet worden aangemerkt, omdat zij mondeling met [appellant 2] is overeengekomen dat Boekx zou optreden namens zowel [appellant 1] als [appellant 2] in privé. Deze afspraak wordt volgens Boekx bevestigd in de twee sommatiebrieven die zij kort daarna namens [appellanten] heeft verstuurd en de naar [appellant 2] verstuurde opdrachtbevestiging waarin zij mededeelde dat zowel [appellant 1] als [appellant 2] als cliënt werd genoteerd. Het ligt bovendien voor de hand dat ook [appellant 2] in privé opdrachtgever is omdat de lastercampagne primair tegen hem in persoon was gericht, aldus Boekx. [appellant 2] betwist de afspraak dat hij in persoon opdrachtgever zou zijn en wijst erop dat hij meteen in het begin en herhaaldelijk aan Boekx heeft medegedeeld dat alleen [appellant 1] haar opdrachtgever is.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant 1] opdrachtgever is van Boekx. Partijen twisten alleen over de vraag of, naast [appellant 1] , ook [appellant 2] in privé als opdrachtgever van Boekx moet worden aangemerkt. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Uitgangspunt daarbij is het criterium zoals door de Hoge Raad weergegeven in zijn arrest van 29 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1615). Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die moeten worden meegewogen behoren ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Verder kunnen gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, van belang zijn.
[appellant 2] betwist dat mondeling is afgesproken dat Boekx hem naast [appellant 1] als opdrachtgever zou aanmerken. Dat die afspraak is gemaakt, wordt evenwel bevestigd door de twee sommatiebrieven die kort daarna door Boekx zijn verstuurd namens “our clients, [appellant 2] (“ [appellant 2] ”) and [appellant 1] ” (zie onder 3.3). [appellant 2] heeft niet betwist dat hij deze twee brieven vóór verzending in concept heeft ontvangen en geaccordeerd, zonder te kennen te geven dat de vermelding van hem in privé als cliënt van Boekx onjuist is. Hieruit kan worden afgeleid dat Boekx had begrepen dat [appellant 2] mede-opdrachtgever was en, vanwege zijn stilzwijgen, dat [appellant 2] daarmee instemde. Deze conclusie volgt ook uit de opdrachtbevestiging bij e-mail van 21 juni 2022, waarin Boekx mededeelde dat zowel [appellant 1] als [appellant 2] in privé als cliënt werd genoteerd. Daarop reageerde [appellant 2] met het bericht dat het “niet nodig [is] om ook namens mij persoonlijk op te treden (…) zeker niet in rechte” (zie onder 3.4 en 3.5). Deze mededeling is voor meerderlei uitleg vatbaar. Boekx heeft toegelicht dat zij hieruit begreep dat [appellant 2] hiermee de wens uitte om niet zichtbaar te zijn als procespartij, ter bescherming van zijn reputatie en uit vrees voor mogelijke persoonlijke schadeplichtigheid. Die wens blijkt volgens Boekx ook uit zijn mail van later die dag, waarin [appellant 2] schreef “liever niet als procespartij” in de dagvaarding te worden genoemd (zie onder 3.6). [appellant 2] onderkent dat zijn zorg om schadeplichtigheid en reputatieschade een rol speelde, maar stelt dat zijn voornaamste doel was om als bestuurder van [appellant 1] het kantoor en zijn medewerkers te beschermen tegen de aantijgingen aan hun aller adres. Het hof overweegt dat de uitlatingen op de gewraakte website (zie onder 3.7), waarvan prints in het geding zijn gebracht, vrijwel uitsluitend zien op het handelen van [appellant 2] na zijn toetreding tot het kantoor en de effecten daarvan op thans wijlen [naam 2] (destijds partner in het kantoor) en niet (uitdrukkelijk) op het kantoor of de andere medewerkers. Daaruit volgt dat vooral [appellant 2] in persoon belang had bij het tegengaan van deze uitingen, namelijk om zijn eer en goede naam als advocaat en bestuurder van [appellant 1] te beschermen. Dit geldt ook als ervan uit wordt gegaan dat [appellant 2] pas op 22 juni 2022 met naam en toenaam op de website werd genoemd, dus een dag na de opdrachtbevestiging, omdat daarvóór op de website steeds werd gesproken van “de vierde compagnon”. Voor een ieder die bekend was met het kantoor [appellant 1] was eenvoudig te herleiden dat hiermee [appellant 2] werd bedoeld. Tegen deze achtergrond heeft Boekx de berichten van [appellant 2] redelijkerwijs niet hoeven begrijpen als een bezwaar tegen het feit dat ook hij werd aangemerkt als cliënt, maar alleen als een verzoek om hem niet bij naam in de processtukken op te nemen. Bovendien wordt in de opdrachtbevestiging ook vermeld dat Boekx de facturen alleen aan [appellant 1] zal richten. Deze afspraak over de facturering zou niet nodig zijn geweest als vooraf duidelijk was dat alleen [appellant 1] opdrachtgever zou zijn en benadrukt juist het dubbele opdrachtgeverschap. Dat Boekx de facturen voor de verschotten aan [appellant 1] heeft gericht en de latere facturen voor het honorarium aan zowel [appellant 1] als [appellant 2] , werpt hierop geen ander licht. Uit die adressering blijkt niet meer dan dat Boekx aanvankelijk alleen [appellant 1] heeft gefactureerd conform afspraak, naar het hof begrijpt vanwege btw-verrekening. Hieruit volgt dan ook niet dat [appellant 2] géén opdrachtgever is geweest.
Uit het voorgaande volgt dat naast [appellant 1] ook [appellant 2] in persoon als opdrachtgever van Boekx moet worden aangemerkt. Daarbij geldt dat [appellant 2] de overeenkomst van opdracht met Boekx niet is aangegaan als consument, maar als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. De eerste incidentele grief slaagt.
Facturen
De tweede en derde incidentele grief betreffen de facturen die Boekx aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Deze worden gelet op hun samenhang gezamenlijk behandeld.
Boekx beoogt met de grieven volledige betaling van haar facturen, met een totaalbedrag van € 28.601,38 (inclusief btw).
Gelet op voorgaande vaststelling dat [appellant 1] en [appellant 2] opdrachtgever zijn, kunnen zij allebei worden aangesproken tot betaling voor de werkzaamheden die Boekx in hun opdracht heeft verricht. Daartoe heeft [appellanten] twee facturen ontvangen. De facturen zijn gebaseerd op het aantal bestede uren maal het geldende uurtarief, zoals in de opdrachtbevestiging uiteengezet. Uit de overgelegde urenspecificaties volgt genoegzaam welke werkzaamheden zijn verricht door welke medewerker en de daaraan bestede tijd.
[appellanten] betwist niet dat de gefactureerde werkzaamheden – naar tevredenheid – zijn verricht, maar wel de redelijkheid daarvan mede gelet op zijn instructie aan Boekx om de zaak “lean & mean” aan te pakken. [appellanten] heeft in dit kader een spreadsheet overgelegd waarin hij per tijdregel van de urenspecificaties heeft genoteerd welke werkzaamheden/uren volgens hem excessief zijn en daarom niet worden geaccepteerd. Zo is bij de geschreven tijd voor “aanpassen conceptdagvaarding nav input [appellant 2] ” aangetekend dat dit werk onnodig is omdat [appellant 2] had aangeboden een deel van het concept aan te leveren. Aan dat aanbod is evenwel geen gevolg gegeven, zodat het door Boekx verrichte werk (2:12 uur) niet onnodig is geweest. Bij alle tijdregels vanaf 1 september 2022 heeft [appellanten] aangetekend dat deze niet in rekening kunnen worden gebracht omdat Boekx toen al had aangekondigd geen verdere actie te ondernemen. Blijkens de specificaties ziet deze tijd op de afronding en overdracht van het dossier. Die werkzaamheden zijn terecht verricht en de daaraan bestede tijd (1:54 uur) is redelijk. De overige aantekeningen van [appellanten] bij de betwiste tijdregels bevatten niet meer tekst dan “niet lean & mean”, wat onvoldoende is ter onderbouwing van de stelling dat in die gevallen steeds sprake is geweest van onnodig verricht werk. Anders dan [appellanten] meent, is het voeren van intern overleg niet reeds excessief om de enkele reden dat dergelijk overleg niet nodig was geweest als één medewerker de zaak zou hebben gedaan. Dat geldt ook voor communicatie met de wederpartij waar verschillende medewerkers bij betrokken waren. Daarbij is van belang dat Boekx onbetwist heeft toegelicht dat de vereiste spoed en inhoud van de zaak de inzet vergde van meerdere medewerkers en dat [appellanten] daarover werd geïnformeerd. Bovendien heeft [appellanten] niet betwist dat ook een aantal gewerkte uren door Boekx niet in rekening is gebracht. [appellanten] heeft evenmin weersproken dat het gefactureerde bedrag redelijk is en dat gewerkt is op basis van een gereduceerd tarief. Gelet op al het voorgaande heeft [appellanten] de hoogte van de facturen onvoldoende betwist, zodat deze voor het volledige bedrag verschuldigd zijn. De grieven slagen.
De vierde en laatste grief van Boekx ziet op de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. Boekx wijst op de betaaltermijn van veertien dagen die is vermeld op zowel de facturen als in haar algemene voorwaarden en maakt daarom aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf 29 november 2022 – de dag na het verstrijken van de betaaltermijn van haar laatste factuur. Ook deze grief treft doel. Anders dan [appellant 2] betoogt, is ook hij wettelijke handelsrente verschuldigd. Hij heeft immers de overeenkomst met Boekx gesloten als advocaat en bestuurder van [appellant 1] en daarmee in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Op grond van artikel 6:119a, eerste lid, BW is dan ook sprake van een handelsovereenkomst zodat de wettelijke handelsrente van toepassing is. Het hof verwerpt het beroep van [appellanten] op lid 7 van dat artikel. Zoals wordt toegelicht in principaal appel (hierna onder 6.17) oordeelt het hof dat Boekx niet in schuldeisersverzuim verkeert vanwege de adressering van de facturen en ook niet vanwege het (tijdelijk) ontbreken van een urenspecificatie bij de eerste factuur. [appellanten] borduurt voort op zijn stelling dat de facturen niet correct zijn en betoogt onder verwijzing naar artikel 6:119a lid 8 BW dat de betaaltermijn om die reden niet is gaan lopen en hij daarom geen rente is verschuldigd. Ook dat volgt het hof niet. De betaaltermijn van veertien dagen is ingegaan op de factuurdatum en is niet afhankelijk van de juistheid van de inhoud van de factuur, nog daargelaten dat in dit geval de facturen juist zijn, zoals hiervoor is overwogen.
Gegeven de overeengekomen betalingstermijn van veertien dagen en het feit dat [appellanten] niet betaald heeft, is de wettelijke handelsrente toewijsbaar vanaf 29 november 2022 zoals gevorderd.
Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven in het incidenteel appel slagen.
Principaal appel
[appellanten] betoogt met zijn eerste grief dat de vordering niet opeisbaar is op drie gronden. Aan de grond dat de facturen ten onrechte zijn geadresseerd aan [appellant 1] en aan [appellant 2] waardoor schuldeisersverzuim zou zijn ontstaan, gaat het hof voorbij omdat die adressering – aan beide opdrachtgevers – juist is. Met betrekking tot de tweede aangevoerde grond dat een urenspecificatie ontbreekt bij de eerste factuur, overweegt het hof dat het op de weg van Boekx had gelegen om de eerste factuur bij eerste verzending van een urenspecificatie te voorzien, maar dat het ontbreken daarvan niet aan de opeisbaarheid van de factuur in de weg staat. Dat op die grond sprake zou zijn van schuldeisersverzuim, heeft [appellanten] onvoldoende toegelicht. Tot slot kan de weigering van Boekx om akkoord te gaan met de door [appellanten] voorgestelde betalingsregeling de opeisbaarheid van de vordering niet aantasten. Boekx kan dus nakoming van de overeenkomst door [appellanten] verlangen, bestaande uit betaling van de facturen. De grief faalt.
De tweede en derde grief, die zien op de grondslag van de vordering en de wettelijke handelsrente, zijn voor zover van belang aan bod gekomen in het incidenteel appel. Aan de vierde grief, met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant 2] , wordt niet toegekomen. Grieven 5, 6 en 7 zijn reeds beoordeeld.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven in het principaal appel falen.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het principaal hoger beroep faalt en het incidenteel hoger beroep slaagt. De twee incidentele vonnissen zullen worden bekrachtigd. Het vonnis in de hoofdzaak, zoals hersteld bij later vonnis, zal worden vernietigd met uitzondering van de proceskostenveroordeling. Daarmee heeft [appellanten] geen belang meer bij beoordeling van zijn grief tegen het herstelvonnis. [appellant 1] en [appellant 2] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de facturen, met de wettelijke handelsrente, een en ander zoals in de beslissing vermeld.
[appellanten] zal worden veroordeeld in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Boekx als volgt vast:
- griffierecht € 2.255,-
- salaris advocaat € 5.845,- (tarief III, 3½ punt)
Totaal € 8.100,-.
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis in incident van 19 juni 2024;
bekrachtigt het vonnis in incident van 4 september 2024;
vernietigt het vonnis van 29 januari 2025, zoals hersteld bij vonnis van 12 maart 2025, met uitzondering van de proceskostenveroordeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk tot betaling van € 28.601,38, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 november 2022;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 8.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, O.J. van Leeuwen en M. Mieras en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.