Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:
De raadsvrouw heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat het exacte gewicht van de drugs niet is vastgesteld, het grove tijdsverloop in deze strafprocedure, de medische kwetsbaarheid en de leeftijd van de verdachte en zijn blanco strafblad. Gelet hierop heeft de raadsvrouw verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel bestaat uit de duur van het voorarrest en daarnaast een fors voorwaardelijk deel met een proeftijd van een jaar, eventueel nog gecombineerd met een taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft samen met anderen gedurende acht maanden meerdere keren per week een grote hoeveelheid XTC-pillen vervoerd en afgeleverd. Ook heeft hij samen met anderen een grote hoeveelheid XTC-pillen, bevattende MDMA, voorhanden gehad. MDMA is een voor de gezondheid van personen gevaarlijke stof. De zeer lucratieve handel in deze drugs gaat bovendien gepaard met verschillende vormen van (niet zelden gewelddadige en/of ondermijnende) criminaliteit en heeft een corrumperende werking op de samenleving die buitengewoon zorgelijk is. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan deze handel en kennelijk zijn eigen financiële gewin gesteld boven deze zeer schadelijke gevolgen. Het hof rekent dit alles de verdachte ernstig aan.
Met de rechtbank oordeelt het hof dat dit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar rechtvaardigt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte constateert het hof dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 februari 2026 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Verder is door de verdediging ter zitting naar voren gebracht dat het gaat om een verdachte op leeftijd met diverse, langdurige gezondheidsproblemen, die voor een deel ook al speelden ten tijde van de onderhavige feiten. De verdachte heeft meerdere herseninfarcten gehad en heeft niet aangeboren hersenletsel. Daarnaast heeft hij kanker gehad, loopt hij moeilijk, moet hij gedotterd worden en moet bij hem een stent geplaatst worden. Het hof zal in strafmatigende zin rekening houden met deze omstandigheden en komt op basis daarvan tot een nog veel lagere straf dan de rechtbank, die vier jaar gevangenisstraf oplegde.
Anders dan de advocaat-generaal, is het hof echter van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten nog steeds enkel kan worden volstaan met een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel de verdachte kampt met verschillende medische problemen, is niet gebleken dat de verdachte detentieongeschikt is. Het hof vindt dat een gevangenisstraf gecombineerd met een taakstraf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en acht een taakstraf ook overigens niet haalbaar, omdat uit het dossier naar voren komt dat de verdachte volledig arbeidsongeschikt is verklaard. Gelet op de ernst van de feiten en rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht het hof daarom in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 27 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf echter ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
In dit geval is het uitgangspunt een redelijke termijn van 2 jaar. Dat betekent dat binnen 2 jaar na het instellen van hoger beroep uitspraak zou moeten volgen. De verdachte heeft op 9 december 2019 hoger beroep ingesteld. De behandeling van de zaak kon op 2 oktober 2020 niet doorgaan, omdat de toenmalige raadsvrouw in quarantaine moest vanwege een mogelijke besmetting met het coronavirus. Op 8 juni 2022 kon de behandeling wederom geen doorgang vinden vanwege ziekte van de verdachte. Deze omstandigheden liggen niet in de beïnvloedingssfeer van het hof en zijn daarom niet van zodanige aard dat deze hebben kunnen leiden tot of bijdragen aan een overschrijding van voornoemde redelijke termijn. Echter, vervolgens heeft de zaak nog ruim 3 jaar stilgelegen alvorens die is behandeld op 26 februari 2026 met als uitspraakdatum 12 maart 2026. Dit levert ten opzichte van de maximale 2 jaar een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden op. Dit moet naar het oordeel van het hof leiden tot een vermindering van 10% ten opzichte van de voornoemde gevangenisstraf van 27 maanden.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. P.J. van Eekeren en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]