Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, omdat de schriftuur te laat door de officier van justitie is ingediend.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie wel ontvankelijk is in het hoger beroep. De termijnoverschrijding is zodanig gering, dat het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang van sanctionering van het vormverzuim.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven moet indienen. Indien van de zijde van het openbaar ministerie een schriftuur niet is ingediend, kan in gevolge artikel 416, derde lid, Sv het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Die bepaling is mede van toepassing op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend (ECLI:NL:HR:2009:BI4078 en Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 12 en p. 36).
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de officier van justitie op 4 juli 2024 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en dat de appelschriftuur, inhoudende de redenen voor het instellen van het hoger beroep, op 19 juli 2024 is ingediend, dus niet binnen 14 dagen na het instellen van het appel.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of het belang van het hoger beroep zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig een appelschriftuur in te dienen.
In het onderhavige geval is de appelschriftuur een dag te laat ingediend. De officier van justitie heeft in de appelschriftuur hiervoor als reden opgegeven dat de datum van de uiterlijke termijn van indiening van de appelschriftuur abusievelijk verkeer was geagendeerd.
Het hof is van oordeel dat de termijnoverschrijding van een dag gelet op de omstandigheden van dit geval van onvoldoende gewicht is om daaraan als sanctie de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep te verbinden. De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft op tegenspraak plaatsgevonden. De verdediging heeft toen kennis kunnen nemen van het standpunt van de officier van justitie, dat ook in de appelschriftuur naar voren is gebracht. De appelschriftuur is daarnaast beperkt in omvang. Naar het oordeel van hof dient in het onderhavige geval het belang van het hoger beroep tegen de beslissing om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging te prevaleren boven het belang van sanctionering van dit geringe verzuim. Dit leidt ertoe dat het hof de officier van justitie ontvankelijk verklaart in het ingestelde hoger beroep.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 2 maart 2024 te Amsterdam en/of Landsmeer, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur (getransformeerd), van het merk Zoraki, model 914, kaliber 9x17 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of munitie van categorie III, te weten zes, althans een of meerdere patronen, van het merk GECO, kaliber 9x17 mm, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 maart 2024 tot en met 2 maart 2024 te Amsterdam en Landsmeer, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur (getransformeerd), van het merk Zoraki, model 914, kaliber 9x17 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en munitie van categorie III, te weten zes patronen, van het merk GECO, kaliber 9x17 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte
De raadsman heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op psychische overmacht, dan wel noodweer(exces).
De bewezenverklaring houdt weliswaar in dat de verdachte om 00.18 uur met een doorgeladen vuurwapen in zijn auto is aangetroffen. De verdachte heeft echter verklaard dat hij eerder op de avond werd aangevallen door aangever [persoon 1] en dat [persoon 1] – en dus niet de verdachte – op een gegeven moment een wapen trok. Dit wapen heeft de verdachte van de aangever afgepakt. Vrezend voor zijn leven, is hij vervolgens met het wapen gevlucht.
Gezien de voorgeschiedenis met de aangever en het conflict dat eerder had plaatsgevonden, verkeerde de verdachte in pure doodsangst, zijnde een van buiten komende drag waar hij geen weerstand aan behoefde te bieden, die heeft voortgeduurd tot het moment van aanhouding. Het verkrijgen van het wapen is dus aan te merken als een overmachtssituatie, waardoor het beroep op psychische overmacht dient te slagen, aldus de raadsman.
Indien dit verweer niet wordt gehonoreerd, komt volgens de raadsman de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toe. De ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte zijn lijf bestaat uit de mishandeling door [persoon 1] en ene ‘ [persoon 2] ’ en het kort erna door [persoon 1] tonen van een vuurwapen aan de verdachte. Het afpakken van het wapen door de verdachte was noodzakelijk en proportioneel. Indien ervan wordt uitgegaan dat de verdachte het wapen vervolgens te lang onder zich heeft gehouden, is dit het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren moeten worden verworpen. De advocaat-generaal geeft de verdachte het voordeel van de twijfel en gaat daarom uit van het scenario dat de verdachte het wapen van [persoon 1] heeft afgepakt. Dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden, is echter niet aannemelijk geworden. De verdachte komt ook geen beroep op noodweer(exces) toe, omdat geen sprake was van een noodweersituatie.
Het hof overweegt als volgt.
In verband met het beroep op voormelde strafuitsluitingsgronden ziet het hof zich allereerst voor de vraag gesteld of 1) de verdachte het wapen kort na 22.00 uur van [persoon 1] heeft afgepakt toen deze dat wapen ter hand nam of dat 2) de verdachte het wapen de hele tijd zelf bij zich heeft gehad. Het beroep op strafuitsluiting stoelt immers op de stelling dat de verdachte het wapen van [persoon 1] heeft afgepakt nadat die dat ter hand nam.
Het hof acht het op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting aannemelijker dat de verdachte het wapen van [persoon 1] heeft afgepakt dan dat hij dat wapen van aanvang af zelf bij zich had, en het zal dan ook, overigens met de advocaat-generaal, van die stelling van de verdachte uitgaan.
Daarbij heeft het hof onder meer in overweging genomen dat het [persoon 1] is geweest die de verdachte in de portiek verraste door zijn komst en hem daar samen met [persoon 2] begon te slaan en schoppen om hem vervolgens mee naar buiten te nemen en - zo lijkt het - aan te spreken op diefstal uit de woning van getuige [getuige] . Zo bezien ligt het meer voor de hand dat [persoon 1] een wapen bij zich had en dit eenmaal buiten het zicht van een portiekcamera zou gebruiken dan dat de verdachte een wapen bij zich zou hebben maar dit ongebruikt liet toen hij door [persoon 1] werd aangevallen en meegenomen. Daarbij komt dat het door de politie verrichte sporenonderzoek geenszins uitsluit dat ook [persoon 1] het wapen inderdaad heeft vastgehad. Het hof gaat er bij gebreke van een aannemelijker gang van zaken dus vanuit dat de verdachte het wapen van [persoon 1] heeft afgepakt toen deze dat wapen ter hand nam.
Desondanks acht het hof het feitelijk niet voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte het wapen vervolgens vanwege psychische overmacht of noodweer(exces) gedurende ruim twee uur onder zich heeft gehouden. Daartoe overweegt het als volgt.
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden.
Omdat de verdachte na zich aan de bedreigende situatie te hebben onttrokken gedurende ruim twee uur het wapen onder zich heeft gehouden, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefte te bieden. Nadat de verdachte met het wapen was gevlucht, had hij immers ruim de gelegenheid om de politie te bellen en/of zich van het wapen te ontdoen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.
Ook het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. Hoewel op het moment van het afpakken van het wapen naar het oordeel van het hof sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte zijn lijf, althans een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, was dit niet langer het geval toen hij ruim twee uur later werd aangehouden. Op dat moment was dus geen sprake meer van een noodweersituatie.
Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan echter ook sprake zijn indien op het tijdstip van de aan de verdachte weten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat zijn gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden oordeelt het hof echter dat daar geen sprake van is. Immers is niet voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte gedurende de ruim twee uur dat hij het wapen onder zich had, in een hevige gemoedsbeweging is blijven verkeren, die als het onmiddellijk gevolg van enige aanranding kan worden aangemerkt.
Nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte uitsluiten, zijn het bewezen verklaarde en de verdachte strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte niet strafbaar verklaard voor het bewezen verklaarde en hem ontslagen van alle rechtsvervolging.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft in het kader van een strafmaatverweer aangevoerd dat hernieuwde detentie niet passend zou zijn en daarom verzocht de eis van de advocaat-generaal te volgen, maar het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te matigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen pistoolmitrailleur. Hij had dit wapen tijdens een conflict met de voormalige partner van zijn vriendin van hem afgepakt. De verdachte heeft dit wapen vervolgens enkele uren voorhanden gehad en heeft dit uiteindelijk opgeborgen in zijn auto in het compartiment boven de bestuurder. Er was dus geen sprake van het slechts onverhoeds of ongewild kortstondig over het wapen beschikken. De verdachte had ondertussen voldoende gelegenheid zich van het wapen te ontdoen, hetgeen hij ook had moeten doen, maar hij koos ervoor het bij zich te houden en mee te nemen in zijn auto. Het ongeoorloofde bezit van een dergelijk wapen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich vanwege de kans op het gebruik daarvan, met alle mogelijke levensgevaarlijke gevolgen van dien. Het hof rekent de verdachte dit feit met name zwaar aan, omdat hij het wapen in het openbaar voorhanden had en het wapen doorgeladen en voor onmiddellijk gebruik gereed was.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof constateert wel dat hij het onderhavige feit heeft gepleegd, terwijl hij in een proeftijd van een eerdere veroordeling liep.
In het reclasseringsadvies van 23 mei 2024 wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. De risico’s op recidive en onttrekken aan voorwaarden kunnen niet worden ingeschat. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Gezien de ernst van het feit, de straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen worden opgelegd en de omstandigheid dat hij nog in een proeftijd liep, acht het hof in beginsel een straf passend die langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is echter met de advocaat-generaal van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een fors voorwaardelijk deel volstaat. Het hof acht daarom, alles afwegende, een gevangenisstraf van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Beslag
Onder de verdachte zijn een pistool en een patroon in beslag genomen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot deze voorwerpen en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 december 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 258 (tweehonderdachtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2024049989-G6469788, Zoraki), en
2. 1 DV Patroon (Omschrijving: PL1300-2024049989-G6469789, Geco).
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Amsterdam van 6 mei 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 december 2022, parketnummer 15-125097-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. P.J. van Eekeren en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]