ECLI:NL:GHAMS:2026:726

ECLI:NL:GHAMS:2026:726

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 23-002328-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Mishandeling van levensgezel. Bevestiging van het vonnis behalve ten aanzien van de strafoplegging en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging vervangt en de bewijsmiddelen vervangt indien cassatie wordt ingesteld. Verwerping van het verweer dat geen sprake was van opzet en het beroep op noodweer. Oplegging van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof:

Bewijsoverweging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat geen sprake is van opzet, wat betekent dat aan een bewezenverklaring niet wordt toegekomen. De verdachte had niet de intentie om de aangeefster pijn te doen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat sprake is van noodweer. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn kind vast had en dat de aangeefster aan het kind begon te trekken. Daarop heeft de verdachte de aangeefster weggeduwd en haar daarbij geslagen, zodat zij het kind geen pijn zou doen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Uit de aangifte volgt dat de verdachte de aangeefster met een vlakke hand tegen haar hoofd heeft geslagen. De aangeefster had direct pijn op de plek waar zij was geslagen, voelde een bult op haar hoofd en had hoofdpijn. De verdachte had een ring om en dat zorgde ervoor dat het slaan extra veel pijn deed. Door op deze manier te handelen kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte wist dat de aangeefster hierdoor pijn en/of letsel zou oplopen en dat hij dus op dit gevolg vol opzet had.

Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het hof dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. Uit het dossier volgt dat tussen de verdachte en de aangeefster een ruzie ontstond en dat beiden hun kind wilden vasthouden. Daarbij was sprake van duwen en trekken over en weer, maar niet is aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het kind door aangeefster, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De verdachte heeft de hem verweten gedraging dan ook niet verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van het kind.

Ook overigens lag het onder deze omstandigheden op de weg van de verdachte het kind los te laten in plaats van de aangeefster te slaan.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin, tevens de moeder van hun kind, geslagen met een vlakke hand tegen haar hoofd. De verdachte had toen een ring om, wat de pijn door het slaan heeft versterkt. De verdachte heeft door op deze manier te handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vriendin. Het hof rekent de verdachte de mishandeling met name zwaar aan, omdat deze plaatsvond in hun woning – een plek waar zijn vriendin zich bij uitstek veilig moest kunnen voelen – en omdat hij zijn vriendin heeft mishandeld in bijzijn van hun kind van nog geen jaar oud.

Het hof acht een geldboete niet passend, omdat het in de onderhavige zaak om huiselijk geweld gaat. Alles afwegende, acht het hof in lijn met de vordering van de advocaat-generaal een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.J.A. Duker en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.

De voorzitter en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.A. de Bruijne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?