Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2025 en 8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2024 tot en met 28 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland en/of Ulrisbergspo en/of Stockholm-Arlanda, althans in Zweden, een ander of anderen, te weten [persoon 1] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of Ierland of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door - de reis en/of tickets voor deze persoon te boeken (bij hetzelfde reisbureau) en/of die tickets ter beschikking te stellen met hetzelfde reisplan, - deze persoon te begeleiden en aanwijzingen te geven voorafgaand, tijdens en na de reis naar Nederland en/of Ierland en/of - aan deze personen een niet op eigen naam gesteld (zogenaamde look-a-like) paspoort ter beschikking te stellen, terwijl hij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij -kortgezegd- aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte betrokken dan wel behulpzaam is geweest bij mensensmokkel.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het aan hem tenlastegelegde.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het door de Koninklijke Marechaussee opgestelde proces-verbaal en de daarin opgenomen bevindingen volgt dat de verdachte en [persoon 1] op 28 mei 2024 na elkaar een nationaal paspoort van Zweden en een instapkaart met bestemming Dublin overhandigden bij de grenscontrole op Schiphol. Het personeel van de grensbewaking had twijfels over de gelijkenis van [persoon 1] en de persoon die was afgebeeld op het door haar overhandigde paspoort op naam van [persoon 2] . Toen zij aan [persoon 1] vroegen wat haar bestemming was, wees [persoon 1] naar de verdachte en antwoordde zij “same”. Daarop volgend onderzoek van de Falsificaten Desk Schiphol liet zien dat [persoon 1] inderdaad niet de persoon was op het door haar overhandigde paspoort. Daarnaast komt uit het proces-verbaal naar voren dat de verdachte en [persoon 1] dezelfde reisroute hadden vanuit Stockholm, Zweden, via Amsterdam naar Dublin, Ierland, met dezelfde vluchten en opvolgende ticketnummers. Na aanhouding van de verdachte en [persoon 1] op verdenking van mensensmokkel zijn bovendien hun telefoons doorzocht. Op de telefoon van de verdachte werden foto’s aangetroffen van het paspoort op naam van [persoon 2] dat door [persoon 1] werd aangeboden en in beslag is genomen. In de telefoon van [persoon 1] werd een foto van de verdachte aangetroffen. Na zijn aanhouding heeft de verdachte over deze feiten geen verklaring willen afleggen en zich hoofdzakelijk beroepen op zijn zwijgrecht.
Uit bovenstaande feiten in samenhang bezien leidt het hof af dat sprake is geweest van een vooropgezet plan van de verdachte om samen met [persoon 1] vanuit Stockholm via Schiphol naar Dublin te reizen. Het antwoord van [persoon 1] op de vraag wat haar bestemming was, inhoudende het woord “same”, terwijl zij wees naar de verdachte, laat zich naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden niet anders verstaan dan dat de verdachte en zij samen reisden en dat de verdachte haar begeleidde. De op de telefoon van de verdachte aangetroffen foto’s van het niet op haar naam gestelde paspoort waarmee [persoon 1] reisde, geven steun aan dit oordeel. Op grond van dit alles in samenhang met de in de telefoon van de verdachte aangetroffen foto’s – waarover de verdachte niet heeft willen verklaren – is het hof van oordeel dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang of doorreis van [persoon 1] wederrechtelijk was. Het hof verwerpt daarom het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [persoon 1] behulpzaam is geweest door haar te begeleiden tijdens haar reis.
Anders dan de politierechter, acht het hof niet bewezen dat verdachte aanwijzingen heeft gegeven tijdens of na de reis naar Nederland. Daarvan zal verdachte worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 22 mei 2024 tot en met 28 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en in Zweden, een ander, te weten [persoon 1] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland door deze persoon te begeleiden tijdens en na de reis naar Nederland, terwijl hij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mensensmokkel.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als opgelegd door de politierechter.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en het meerdere geheel voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Hij heeft hiermee een ernstige inbreuk op de rechtsorde gemaakt. Met zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat in het internationale personenverkeer in op naam gestelde (identiteits-)documenten moet kunnen worden gesteld. Het is bovendien algemeen bekend dat personen die het voorwerp van mensensmokkel zijn niet zelden worden bewogen tot het betalen van onevenredig grote geldbedragen aan hun smokkelaars, waarmee een systeem van uitbuiting en aanpalende criminaliteit in stand wordt gehouden. Het hof tilt derhalve om uiteenlopende redenen zwaar aan de door de verdachte gepleegde gedraging.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft aangevoerd – hetgeen het hof niet in twijfel trekt – dat de verdachte enige (lichte) gezondheidsproblemen heeft, dat de verdachte sinds september 2024 werkloos is en dat hij moet rondkomen van een uitkering.
Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In geval van mensensmokkel gaan deze oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Naar het oordeel van het hof kan aldus, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de ernst van het feit ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onvoldoende aanleiding om te volstaan met de door de verdediging bepleite afdoeningsmogelijkheid.
Het hof acht, alles afwegende, een straf zoals opgelegd door de politierechter passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 197a van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. L.M.G. de Weerd en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.
Mr. A.C. Huisman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]