Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
27 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 6 december 2022 te Amsterdam aan [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] ,
[benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende) gehoorschade, heeft toegebracht door een of meerdere vuurwerkbommen en/of explosieven te ontsteken en die vuurwerkbommen/explosieven in de richting van voornoemde personen heeft gegooid;
2.hij op of omstreeks 6 december 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5] en/of andere personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- een of meerdere vuurwerkbommen en/of explosieven heeft ontstoken en/of
- die vuurwerkbommen/explosieven in de richting van voornoemde personen heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op of omstreeks 6 december 2022 te Amsterdam openlijk, te weten, de Cabralstraat, Hudsonstraat, Bartholomeusstraat en/of rondom het Mercatorplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten tegen verbalisanten van de Mobiele Eenheid en/of voertuigen van de Mobiele Eenheid door
- met stenen en/of (zwaar) vuurwerk in de richting van die ME te gooien.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd, omdat het letsel van de aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Het hof overweegt als volgt.
Vooropgesteld dient te worden dat, naast het bepaalde in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), lichamelijk letsel als ‘zwaar’ kan worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Voor wat betreft de aard van het letsel, zijn buiten de in artikel 82 Sr genoemde gevallen ook het verlies van het gebruik van een zintuig, verminking en verlamming als zwaar lichamelijk letsel te beschouwen (ECLI:NL:HR:2026:66).
Uit het dossier en verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte op
6 december 2022 meerdere malen (zwaar) vuurwerk in de richting van leden van de Mobiele Eenheid (hierna: ME) heeft gegooid die op dat moment in linie stonden. [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] maakten onderdeel uit van deze linie. Het vuurwerk dat de verdachte heeft gegooid, is op slechts enkele meters afstand van hun linie terechtgekomen en ontploft.
[benadeelde partij 1] heeft een enorme knal gehoord en door de klap en druk van het vuurwerk voelde hij druk aan de linkerzijde van zijn hoofd. De dag na het incident voelde hij ‘enorme druk’ in zijn linkeroor en hoorde hij een piep en ruis. De KNO-arts heeft het letsel van [benadeelde partij 1] gediagnosticeerd als een lawaaitrauma dat aanleiding heeft gegeven tot tinnitusklachten. Uit een e-mailbericht van de huisarts van 25 februari 2026 is gebleken dat de tinnitusklachten nog steeds aanwezig zijn.
[benadeelde partij 2] hoorde een zeer harde knal en merkte de volgende dag dat hij een constante piep in zijn linkeroor hoorde. Het letsel van [benadeelde partij 2] is door de KNO-arts gediagnosticeerd als tinnitus na lawaaitrauma. Uit een brief van de huisarts van 12 februari 2026 is gebleken dat [benadeelde partij 2] nog steeds last heeft van tinnitusklachten, dat geen sprake is van verbetering ten aanzien van de klachten en dat hij een piep hoort in beiden oren.
[benadeelde partij 5] hoorde op 6 december 2022 een enorme knal en merkte een dag later dat hij gehoorschade heeft opgelopen doordat hij een constante piep in beide oren hoorde. Zijn letsel is door de KNO-arts gediagnosticeerd als tinnitus.
Er bestaat geen medische behandeling van tinnitus. Met hulp kan slechts worden geleerd om met tinnitus om te gaan.
Bij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] is tot op de dag van vandaag – als gevolg van het handelen van de verdachte – sprake van tinnitusklachten waar geen medische behandeling voor mogelijk is. Door de tinnitusklachten is bij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] sprake van blijvend verlies van het volledig kunnen benutten van het gehoorzintuig.
Op grond van de aard van het letsel, het feit dat voor tinnitus geen medische behandeling beschikbaar is en geen uitzicht op volledig herstel bestaat, is het hof van oordeel dat het letsel bij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Partiële vrijspraak feit 2
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot zware mishandeling van andere personen, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om ten aanzien van deze personen te kunnen vaststellen of sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.
Het hof overweegt als volgt.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Naar het oordeel van het hof biedt het dossier, mede bezien in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij andere personen aanmerkelijk te noemen was. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de enige informatie die het dossier bevat, inhoudt dat de verdachte drie keer vuurwerk heeft gegooid, waarvan twee keer in de directe omgeving van meerdere passanten. Deze personen zijn vervolgens weggerend voor het vuurwerk. Uit het dossier volgt echter geen nadere informatie die het hof in dit verband wel van belang acht, zoals bijvoorbeeld op ongeveer welke afstand van de passanten het vuurwerk is ontploft.
Het hof zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van poging tot zware mishandeling van andere personen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 6 december 2022 te Amsterdam aan [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende gehoorschade, heeft toegebracht door vuurwerk te ontsteken en dat vuurwerk in de richting van voornoemde personen heeft gegooid.
2.hij op 6 december 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- vuurwerk heeft ontstoken en
- dat vuurwerk in de richting van voornoemde personen heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3.hij op 6 december 2022 te Amsterdam openlijk, te weten, in de Cabralstraat, Hudsonstraat, Bartholomeusstraat en rondom het Mercatorplein, in elk geval op de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen te weten tegen verbalisanten van de Mobiele Eenheid door
- met zwaar vuurwerk in de richting van die ME te gooien.
Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling,
meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling,
meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof – kort gezegd – verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij zich na de pleegdatum niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar geweldsfeit. Zij heeft het hof verzocht geen straf op te leggen die deze positieve ontwikkelingen doorkruisen en te volstaan met oplegging van een taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Een avond die feestelijk begon ter ere van de overwinning van Marokko tegen Spanje tijdens de achtste finale van het WK voetbal, eindigde mede door het handelen van de verdachte, in een zeer bedreigende en gevaarlijke situatie. De verdachte heeft zich – meermalen – schuldig gemaakt aan zware mishandeling en poging tot zware mishandeling door vuurwerk naar de aangevers – leden van de ME – te gooien. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de psychische integriteit van de aangevers. Drie aangevers hebben als gevolg van het vuurwerk dat in hun directe nabijheid is ontploft blijvende tinnitusklachten overgehouden. Daarnaast blijkt uit hun verklaringen dat zij – ondanks het feit dat zij als leden van de ME gewend zijn om op te treden in stressvolle situaties – bang waren dat zij er niet zonder ernstig letsel vanaf zouden komen en dat die angstgevoelens nog langere tijd hebben aangehouden. Daarbij geldt dat de inzet van de ME er op is gericht om de veiligheid op straat van een ieder te garanderen. Dat leden van de ME tijdens hun werk op een dergelijke wijze door de verdachte zijn belaagd is dan ook volstrekt onacceptabel.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Dergelijk geweld – zoals hierboven is omschreven – gepleegd op de openbare weg, veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij de mensen die ervan getuige zijn en voor de omwonenden. De ervaring leert dat slachtoffers, als ook de omstanders van dergelijk geweld (ernstige) psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Hoewel het hof oog heeft voor de ingrijpende gevolgen die een gevangenisstraf voor de verdachte zal hebben, kan gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in dit geval niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf heeft het hof onder meer gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Daarin wordt voor zware mishandeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden tot uitgangspunt genomen. Voor openlijke geweldpleging dat is begaan tegen personen en dat zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. In beide gevallen geldt dat de straf kan worden verhoogd wanneer het feit is begaan tegen een politieagent die aan het werk is.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden. Het hof zal er echter voor kiezen de helft van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Daarmee wil het hof de verdachte inscherpen dat hij zijn agressie in de toekomst in bedwang houdt en zich ook overigens niet aan strafbare feiten schuldig maakt.
Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5]
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] vorderen ieder € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met € 339,00 aan proceskosten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade en met € 271,00 aan proceskosten, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om de toe te wijzen bedragen aan immateriële schade te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] ten gevolge van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade – in de vorm van letsel – hebben geleden, terwijl van de zijde van de verdachte het optreden van dergelijke schade en de causale relatie daarvan met het bewezenverklaarde niet is betwist. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid op het bedrag van € 5.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
Het ter compensatie van immateriële schade méér gevorderde zal worden afgewezen, omdat dit de grenzen van de billijkheid te buiten gaat.
Resumerend is de verdachte tot vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade gehouden. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opleggen op de hierna te noemen wijze.
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532 Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Het hof zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, voor ieder van de voornoemde benadeelde partijen bepalen op € 288,00 (1 punt).
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met € 82,00 aan proceskosten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen en met € 135,00 aan proceskosten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In dit geval is de benadeelde partij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden als ME’er bekogeld met zwaar vuurwerk dat in zijn nabijheid is ontploft. Daardoor is een zeer bedreigende situatie ontstaan. De benadeelde partij heeft verklaard dat hij op dat moment werd gedreven door angst. Hij trilde over zijn hele lichaam van de adrenaline en bij de impact van de explosie besefte hij zich hoe kwetsbaar hij was. In de dagen na het incident heeft de benadeelde partij veelvuldig aan het moment van de explosie gedacht en het gevoel van machteloosheid, kwetsbaarheid en onmacht zijn in zijn gedachten blijven spelen.
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte op andere wijze in zijn persoon is aangetast en daardoor immateriële schade heeft geleden.
Gelet hierop is het hof op grond van de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij van oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in voormeld artikel 6:106 BW. Gelet hierop en gelet op de bedragen die rechters in vergelijkbare zaken aan immateriële schadevergoeding plegen toe te kennen, acht het hof het gevorderde bedrag van
€ 500,00 billijk.
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532
Sv. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Het hof zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding bepalen op € 87,00 (1 punt).
[benadeelde partij 4]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met € 204,00 aan proceskosten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het onder 2 bewezen-verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade – in de vorm van letsel – heeft geleden, terwijl van de zijde van de verdachte het optreden van dergelijke schade en de causale relatie daarvan met het bewezenverklaarde niet is betwist. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid op het gevorderde bedrag van
€ 1.500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
Resumerend is de verdachte tot vergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade gehouden. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532
Sv. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Het hof zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding bepalen op € 217,00 (1 punt).
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 288,00 (tweehonderdachtentachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 december 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 288,00 (tweehonderdachtentachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 december 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 288,00 (tweehonderdachtentachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 december 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 87,00 (zevenentachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 december 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 217,00 (tweehonderdzeventien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 december 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
13 maart 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.