ECLI:NL:GHAMS:2026:746

ECLI:NL:GHAMS:2026:746

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 200.354.240
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Aanneming van werk. Geen causaal verband tussen overeengekomen timmerwerkzaamheden en opgetreden lekkage.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.354.240/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11204863/ CV EXPL 24-2296

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026

in de zaak van

s

beiden wonend in [plaats 1] , gemeente Medemblik,

appellanten,

advocaat: mr. M. Santema te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] , gemeente Medemblik,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.D.S. Lasonder te Hoorn NH.

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellanten] timmerwerkzaamheden uitgevoerd in juli 2021. De werkzaamheden zijn toen opgeleverd en betaald. Twee jaar later is lekkage opgetreden in de woning van [appellanten] Voor de daardoor veroorzaakte schade hebben zij [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld. De kantonrechter heeft de vordering van [appellanten] afgewezen. Het hof komt tot eenzelfde oordeel.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 14 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 februari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Bij tussenarrest van 17 juni 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze zitting heeft niet plaatsgevonden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met twee producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

De door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet betwist. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Het gaat om de volgende feiten.

[appellanten] hebben in 2021 in eigen beheer een aanbouw aan hun woning gebouwd.

In juli 2021 hebben partijen een aannemingsovereenkomst gesloten, die zag op het realiseren van een kap op de door [appellanten] gebouwde aanbouw.

In juli 2021 heeft [geïntimeerde] de overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd. Na voltooiing heeft [geïntimeerde] het werk aan [appellanten] opgeleverd en hebben [appellanten] de overeengekomen aanneemsom betaald.

In augustus 2023 hebben [appellanten] lekkage in hun woning geconstateerd.

In februari 2024 hebben [appellanten] opnieuw lekkage in hun woning geconstateerd, maar nu op een andere plaats.

[appellanten] hebben [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van de lekkages geleden schade. [geïntimeerde] heeft aansprakelijkheid betwist.

4. Procedure bij de kantonrechter

Samengevat hebben [appellanten] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 25.000,- als totaalbedrag aan schade.

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten.

5. Vordering in hoger beroep

[appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 25.824,15 vermeerderd met de wettelijke rente, terugbetaling van al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] hebben voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de grieven van [appellanten] ongegrond verklaren en hun vorderingen afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beoordeling

[appellanten] hebben drie grieven aangevoerd, waarbij in de toelichting op de tweede grief meer (al dan niet subsidiaire) grieven zijn opgenomen.

Zoals [appellanten] zelf schrijven is de eerste grief een algemene grief, gericht tegen de gehele argumentatie van de rechtbank vanaf 4.1 in het bestreden vonnis. Het hof laat deze grief onbesproken, omdat de grief onvoldoende duidelijk maakt op welke concrete grond [appellanten] vernietiging van de bestreden uitspraak wensen en tegen welk – bepaald – punt in het bestreden vonnis de grief is gericht.

Lekkage augustus 2023. De kilgoot. Grief 2.

Samengevat hebben [appellanten] het volgende aangevoerd. De lekkage is niet uitsluitend veroorzaakt door een onjuiste aanheling van de kilgoot, maar door fundamentele gebreken in de dakconstructie en in de kilgoot zelf. [geïntimeerde] heeft die werkzaamheden gebrekkig uitgevoerd, zoals blijkt uit het expertiserapport van de opstalverzekeraar ASR en het expertise rapport van [bedrijf 1] . Van de met [geïntimeerde] overeengekomen werkzaamheden maakten het aanhelen van de kilgoot aan de bestaande dakopbouw en oplevering van een deugdelijke en waterdichte dakconstructie deel uit. De kantonrechter heeft een te beperkte uitleg gegeven aan de overeenkomst. Indien het aanhelen niet tot de opdracht aan [geïntimeerde] behoorde, heeft hij als professioneel dakbedekker in strijd met artikel 7:754 BW [appellanten] niet gewaarschuwd dat zonder deugdelijk aanhelen geen waterdichte prestatie was te verwachten, aldus [appellanten]

De grief slaag niet. Dat oordeel berust op het volgende.

De door [appellanten] geaccepteerde offerte van [geïntimeerde] bevat onder meer het volgende:

Kap huis

(…)

Incl. kielgoot

Incl. verholde goot opstand t.b.v. gevel

(…)

EXCLUSIEF!!!!

EX goot / uit timmeren goot

EX aanhelen bestaande woning naar doorbraak nieuwe dakopbouw

EX aanhelen dak bestaande aanbouw / dakbedekking

Het hof is het eens met de kantonrechter dat uit deze offerte volgt dat het aanhelen van de bestaande woning naar de nieuwe dakopbouw niet tot de met [geïntimeerde] overeengekomen werkzaamheden behoorde. [appellanten] hebben verwezen naar ‘de context, de bedoeling van partijen en hun redelijke verwachtingen’ en aangevoerd dat ‘uit de offerte, de correspondentie en deskundigenrapporten volgt dat [geïntimeerde] was gehouden een waterdichte dakconstructie en kilgoot op te leveren.’ Hiermee hebben zij onvoldoende concreet aangevoerd dat en waarom de door de rechtbank gegeven uitleg van de overeengekomen werkzaamheden te beperkt is. Dat klemt temeer gelet op de hiervoor aangehaalde omschrijving in de offerte en bovendien omdat vaststaat dat [appellanten] de aanbouw aan hun woning in eigen beheer hebben uitgevoerd.

Het hof volgt [appellanten] evenmin in hun subsidiaire betoog dat [geïntimeerde] zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden. [geïntimeerde] heeft terecht erop gewezen dat de waarschuwingsplicht zich niet uitstrekt tot feiten of omstandigheden die algemeen bekend zijn of waarvan mag worden aangenomen dat de opdrachtgever daarmee bekend is. Dat een deugdelijke aanheling noodzakelijk is voor een waterdicht resultaat, is zo’n algemeen bekend feit, althans in ieder geval een omstandigheid waarmee [appellanten] bekend mochten worden verondersteld.

Verder volgt uit de in opdracht van [appellanten] uitgebrachte expertiserapporten niet dat de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden de lekkage hebben veroorzaakt.

In het rapport van [bedrijf 2] N.V. d.d. 21 augustus 2023 (hierna: het [bedrijf 2] ) staat onder meer:

Evenement (naar opgave verzekerde)

Eind juli 2023 werd duidelijk dat er lekkage was ter plaatse van de overgang van het

oorspronkelijke dak naar het aangebouwde gedeelte.

(…)

Na onderzoek bleek de kilgoot tussen de oorspronkelijke kap en de kap van het

aangebouwde gedeelte niet juist te zijn aangebracht.

(…)

Er is sprake van een constructiefout.

Hieruit blijkt geen causaal verband tussen de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden en de lekkage. Integendeel, het [bedrijf 2] bevestigt de juistheid van het verweer van [geïntimeerde] dat de oorzaak van de lekkage in de (in eigen beheer door [appellanten] uitgevoerde) aanheling moet worden gezocht.

Evenmin blijkt uit het expertiserapport van [bedrijf 1] dat de lekkage is veroorzaakt door werkzaamheden van [geïntimeerde] . Het rapport vermeldt weliswaar dat de door [geïntimeerde] vervaardigde kilgoot ‘niet naar behoren is’, maar de toelichting op deze bevinding wijst eerder op kritiek op de wijze waarop de kilgoot is aangebracht op de overgang van bestaande bouw naar de nieuwe aanbouw dan op de kilgoot zelf. Zo schrijft deze deskundige:

De kilgoot is grotendeels vervaardigd zonder onderconstructie en bestaat deels uit een

rubber kilgootprofiel dat vervolgens met een beperkte overlap overgaat in een

“kilgoot” vermoedelijk bestaande uit een latei slabbe.

De deskundige vermeldt ook dat de kilgoot aan de zijkanten niet is opgezet en dat tijdens forse regenval grote in de kilgoot verzamelde hoeveelheden regenwater in de dakconstructie kunnen komen met lekkages tot gevolg. Dat is echter in het licht van de hiervoor aangehaalde bevindingen van beide deskundigen onvoldoende voor de conclusie dat de lekkage is veroorzaakt door de kilgoot zelf.

Ten slotte bevat het rapport [bedrijf 1] kritiek op de opbouw van de dakconstructie (niet juist aanbrengen damp remmende folie, onvoldoende overlappen, te lange gipsplaat schroeven). Of deze punten onder de door [geïntimeerde] geoffreerde werkzaamheden vallen en zo ja, of ze gebrekkig zijn uitgevoerd, kan in het midden blijven. Immers nergens blijkt uit dit rapport dat dit de lekkage heeft veroorzaakt. Integendeel, uit beide rapporten blijkt dat de lekkage is veroorzaakt door de wijze waarop de kilgoot was aangebracht op de overgang van bestaande bouw naar nieuwe aanbouw. Kortheidshalve verwijst het hof naar rov. 6.9 voor het [bedrijf 2] . Verder blijkt uit het rapport [bedrijf 1] dat ‘ter voorkoming van verdere schade’ een derde partij een nieuwe kilgoot heeft aangebracht en is niets vermeld over eventuele aanpassing van de dakconstructie.

Het komt erop neer dat alles wijst op lekkage ten gevolge van een op de overgang ‘oudbouw naar nieuwbouw’ onjuist aangebrachte kilgoot, waarvoor niet [geïntimeerde] maar [appellanten] zelf verantwoordelijk waren. Dat is het gevolg van het feit dat [appellanten] ervoor hebben gekozen de nieuwe aanbouw in eigen beheer uit te voeren en alleen de kap op die aanbouw en de vervaardiging van de kilgoot uit te besteden aan [geïntimeerde] . In het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , de offerte en de hiervoor aangehaalde bevindingen van de deskundigen, hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door de lekkage ontstane schade. Bewijslevering is dan ook niet aan de orde.

Lekkage februari 2024. Noodhout. Grief 3.

De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat deze lekkage is veroorzaakt door het door [geïntimeerde] geplaatste noodhout. Volgens [appellanten] blijkt dit wel uit een door hen in hoger beroep overgelegde factuur van een andere timmerman. Ook hebben zij aangevoerd dat [geïntimeerde] in september 2021 had toegezegd het noodhout te verwijderen, maar dat nooit heeft gedaan.

Deze grief slaagt evenmin. [geïntimeerde] heeft betwist dat deze lekkage door het door hem geplaatste noodhout is veroorzaakt en aangevoerd dat het tegendeel niet uit de door [appellanten] overgelegde factuur blijkt. Daarbij heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat die factuur als oorzaak van de schade vermeldt dat de gootconstructie niet goed is aangebracht en dat verkeerde materialen zijn gebruikt. Dat valt niet onder de met hem overeengekomen werkzaamheden en heeft niets met het noodhout te maken, aldus [geïntimeerde] .

Ten aanzien van het causaal verband tussen het door [geïntimeerde] aangebrachte noodhout en de lekkage van februari 2024 ligt de stelplicht (en bewijslast) bij [appellanten] De door hen overgelegde factuur van een andere timmerman bevat (veel te) weinig aanknopingspunten voor de juistheid van hun stellingen en daarentegen wel voor de juistheid van de betwisting van het causaal verband door [geïntimeerde] . [appellanten] hebben dus ook in hoger beroep het vereiste causaal verband tussen het noodhout en deze lekkage onvoldoende onderbouwd. Ook op dit punt is bewijslevering daarom niet aan de orde.

Slotsom en kosten

Het hoger beroep heeft dus geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De terugbetalingsvordering van [appellanten] wordt afgewezen. Omdat zij ook in hoger beroep ongelijk hebben gekregen worden [appellanten] veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt die proceskosten als volgt vast:

- griffierecht € 827,-

- salaris advocaat € 1.670,-

Totaal € 2.497,-

7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.497,-;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, E.K. Veldhuijzen van Zanten en D.J.W.M. Kemperink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?