GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.346.972/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/747124 HA ZA 24-209
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente Westland,
2. [appellant 2],
wonende te [plaats 1] , gemeente Westland,
appellanten,
advocaat: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.P.F.R. Bugter te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] (en samen: [appellanten] .) en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[appellanten] . hebben in 2022 geldleningen verstrekt aan BDI (Nederland) B.V. (hierna: BDI), een vennootschap waarvan [geïntimeerde] destijds bestuurder was. [appellanten] . stellen dat [geïntimeerde] zich hoofdelijk heeft verbonden tot nakoming van de betalingsverplichtingen van BDI uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten. [geïntimeerde] voert hiertegen aan dat die hoofdelijke verbondenheid is vervallen bij een later overeengekomen zekerhedenovereenkomst. Daarvan is echter niet gebleken. [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan [appellanten] . van hetgeen BDI aan hen verschuldigd is, vermeerderd met rente en proceskosten.
2. Het geding in hoger beroep
[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 2 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] . als eisers en onder anderen [geïntimeerde] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven en vijf producties.
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord ingediend, met vier producties.
Op 23 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. E.W.M. Rinnooy Kan, advocaat van [appellanten] ., en mr. Bugter, hebben de zaak daarbij toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
In de periode juni tot en met augustus 2022 hebben [appellanten] ., en daarnaast [naam 1] en [naam 2] , die geen partij zijn bij deze procedure, in totaal tien schriftelijke overeenkomsten van geldlening gesloten met BDI met een totale hoofdsom van € 5.400.000. Dit hield verband met een door BDI te realiseren vastgoedproject. Daarbij is overeengekomen dat de leningen uiterlijk op 30 september 2022 volledig moesten worden afgelost. Dat is niet gebeurd. De door [naam 1] en [naam 2] verstrekte leningen zijn wel afgelost. Uit hoofde van de geldleningen heeft [appellant 1] nog een vordering van € 3.780.000 op BDI en heeft [appellant 2] nog een vordering van € 1.080.195 op BDI. Beide bedragen zijn inclusief de contractueel overeengekomen rente van 3% op jaarbasis, tot en met 31 december 2023.
Op 1 september 2023 hebben (onder meer) partijen een overeenkomst gesloten waarbij [geïntimeerde] (gedefinieerd als ‘UBO’) zich tegenover [appellanten] . heeft verbonden tot terugbetaling van wat BDI verschuldigd is uit hoofde van de door [appellanten] . verstrekte geldleningen en tot het verstrekken van zekerheden. Die overeenkomst is een geprinte e-mail, waaraan handgeschreven de partijnamen, het bedrag van € 5.400.000,- en de ondertekening zijn toegevoegd. In de overeenkomst is onder meer bepaald:
1. De UBO stelt zich hierbij hoofdelijk aansprakelijk jegens de Leninggever voor de tijdige en volledige terugbetaling door de Leningnemer van al hetgeen de Leningnemer op grond van de Leningovereenkomst aan de Leninggever verschuldigd en zal worden, met inbegrip van doch niet beperkt tot, de over de Lening verschuldigde contractuele en wettelijke rente als ook alle kosten die de Leninggever zal moeten maken tot incasso van zijn vordering op de Leningnemer.
Eind september 2023 hebben (onder meer) partijen een overeenkomst tot zekerhedenvestiging gesloten (hierna: de zekerhedenovereenkomst). [geïntimeerde] heeft zich daarbij in privé verplicht om, ten behoeve van [appellanten] ., een hypotheekrecht op verschillende onroerende zaken te laten vestigen. Verder is in deze overeenkomst bepaald dat [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) zich als hoofdelijk schuldenaar tegenover [appellant 2] verbindt voor alle schulden van BDI uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten.
Bij verzoekschrift van 18 maart 2024 hebben [appellanten] . verzocht [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren. Aan dit verzoek hebben zij onder meer (het tekortschieten in) de overeenkomst van 1 september 2023 ten grondslag gelegd. Partijen hebben vervolgens gesproken over een betalingsregeling. Namens [appellanten] . is op 8 april 2024 geschreven dat € 25.000,- per week moet worden betaald aan [appellant 1] , ter aflossing van de vordering die [appellant 1] op BDI, [bedrijf 1] en [geïntimeerde] in privé heeft. In de reactie daarop namens [geïntimeerde] , van dezelfde datum, is in het voorstel ‘ in privé’ doorgehaald. Vervolgens is namens [appellanten] . op 9 april 2024 aan [geïntimeerde] en zijn advocaat onder meer geschreven:
Over de persoonlijke verblindheid [hof: verbondenheid] van de heer [geïntimeerde] in privé mag geen onduidelijkheid ontstaan: hij is en blijft ook privé verbonden.
Eveneens op 9 april 2024 is namens [geïntimeerde] geschreven dat het voorstel bijna volledig akkoord is. In de versie van het voorstel in die e-mail, is ‘ in privé’ niet langer doorgehaald.
Op 3 mei 2024 hebben onder andere BDI en [geïntimeerde] een overeenkomst gesloten met [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), waarin is bepaald dat [bedrijf 2] de rol van interim bestuurder van onder andere BDI zal gaan vervullen en dat [geïntimeerde] als bestuurder van BDI zal terugtreden. In artikel 3.2 van de overeenkomst is bepaald:
Zodra [geïntimeerde] aan de verplichtingen jegens faillissementseiser [appellant 2] heeft voldaan zal [geïntimeerde] gerechtigd zijn weer zelf in de functie als bestuurder kunnen treden en zal de functie van [bedrijf 2] beëindigd zijn.
Daarbij is tussen de woorden ‘ [appellant 2] ’ en ‘heeft’ handgeschreven toegevoegd: € 5.400.000,- en ‘akkoord Gerard [appellant 2] ’, waarbij [appellant 2] , [geïntimeerde] en de vertegenwoordiger van [bedrijf 2] hun paraaf hebben gezet.
In februari 2024 is op verzoek van [appellanten] . ten laste van [geïntimeerde] , BDI en [bedrijf 1] conservatoir beslag gelegd onder diverse derden.
4. Procedure bij de rechtbank
Samengevat hebben [appellanten] . ten aanzien van [geïntimeerde] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:
I. € 1.080.195 aan [appellant 2] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2024;
II. € 3.780.000 aan [appellant 1] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2024;
III. de proceskosten en de kosten voor de ten laste van BDI, [geïntimeerde] en [bedrijf 1] gelegde conservatoire beslagen waaronder de deurwaarderskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
Namens [geïntimeerde] en de twee andere gedaagden in eerste aanleg, BDI en [bedrijf 1] , had zich aanvankelijk een advocaat gesteld, maar die heeft zich onttrokken en vervolgens is geen nieuwe advocaat gesteld. De rolrechter heeft daarop besloten dat het recht van gedaagden om te mogen concluderen voor antwoord is vervallen.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] . tegen [geïntimeerde] afgewezen. Uit de eind september 2023 gesloten overeenkomst tot zekerhedenvestiging volgt niet dat [geïntimeerde] zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden, aldus de rechtbank.
5. Vordering in hoger beroep
[appellanten] . vorderen vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank de tegen [geïntimeerde] gerichte vorderingen heeft afgewezen en [geïntimeerde] alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen tot betaling van de in eerste aanleg gevorderde bedragen, en in de proceskosten in beide instanties.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellanten] . afwijzen met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] . in de proceskosten.
6. Beoordeling
In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of [geïntimeerde] door [appellanten] . kan worden aangesproken voor de betalingsverplichtingen van BDI uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten. [appellanten] . stellen dat [geïntimeerde] zich met de overeenkomst van 1 september 2023 hoofdelijk heeft verbonden tot betaling.
In eerste aanleg hebben [appellanten] . geen beroep gedaan op de overeenkomst van 1 september 2023. Het hof verwerpt het betoog van [geïntimeerde] dat [appellanten] . zich in hoger beroep niet op dit stuk kunnen beroepen omdat zij hebben nagelaten dit in eerste aanleg in het geding te brengen. Gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep mochten [appellanten] . alsnog de overeenkomst van 1 september 2023 overleggen en ten grondslag leggen aan hun vordering tegen [geïntimeerde] .
[geïntimeerde] heeft de inhoud van de overeenkomst van 1 september 2023 niet weersproken en heeft evenmin weersproken dat hij zijn handtekening onder die overeenkomst heeft gezet. Volgens [geïntimeerde] kan het document echter niet worden uitgelegd als een aanvaarding door [geïntimeerde] van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van BDI, waarvoor hij het volgende aanvoert. Het document is weinig specifiek en bevat onduidelijke handmatige toevoegingen. Het was kennelijk bedoeld om voorlopig iets op papier te zetten, maar de definitieve vastlegging volgde enkele weken later in de zekerhedenovereenkomst. In de zekerhedenovereenkomst is niet verwezen naar het document van 1 september 2023 of naar een eerdere aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid door [geïntimeerde] . Met de afspraken in de zekerhedenovereenkomst is kennelijk beoogd om geen gevolg te geven aan het document van 1 september 2023 en is afstand gedaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . In de zekerhedenovereenkomst is immers ook geen bepaling opgenomen waarin [geïntimeerde] zich hoofdelijk verbindt tot nakoming, terwijl dat wel is opgenomen voor [bedrijf 1] . Aangenomen moet worden dat de zekerhedenovereenkomst de eerdere overeenkomst opzij heeft gezet. Als partijen dat anders hadden gewild, hadden zij daarover andere afspraken moeten maken, aldus steeds [geïntimeerde] .
In reactie op deze betwisting heeft [appellant 2] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof uitgelegd dat zijn advocaat hem per e-mail een modelovereenkomst heeft toegezonden, dat [appellant 2] die heeft geprint en heeft meegenomen naar een afspraak met [geïntimeerde] op zijn kantoor, waar de handgeschreven toevoegingen zijn aangebracht en het document door partijen is ondertekend. [appellant 2] voert aan dat [geïntimeerde] met deze gang van zaken heeft ingestemd en dat [geïntimeerde] ook tegen hem heeft gezegd dat hij zich verantwoordelijk voelde voor het voldoen van de schuld van BDI. [appellanten] . hebben verder weersproken dat de zekerhedenovereenkomst de hoofdelijke aansprakelijkheid zoals volgt uit de overeenkomst van 1 september 2023 heeft vervangen of opzij heeft gezet. In de overeenkomst van 1 september 2023 heeft [geïntimeerde] zich verbonden om zekerheden te vestigen, en met de zekerhedenovereenkomst is daaraan uitvoering gegeven, door vast te leggen op welke onroerende zaken van [geïntimeerde] een hypotheekrecht zal worden gevestigd ten behoeve van [appellanten] .
Het hof oordeelt over de vorm van de schriftelijke overeenkomst van 1 september 2023 dat daaruit niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] de daarin opgenomen afspraken niet heeft aanvaard. [appellant 2] heeft ter zitting duidelijk uitgelegd hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en [geïntimeerde] heeft dat niet (concreet genoeg) weersproken. Verder heeft [geïntimeerde] niet uitgelegd welke handmatige toevoegingen volgens hem onduidelijk zijn. De geldleningen waren [geïntimeerde] vanuit zijn positie als bestuurder van BDI bekend, zodat het eventuele ontbreken van de geldleningsovereenkomsten als bijlage bij deze overeenkomst ook niet maakte dat [geïntimeerde] niet wist waarvoor hij tekende. Daarmee staat vast dat partijen op 1 september 2023 een overeenkomst hebben gesloten waarbij [geïntimeerde] zich hoofdelijk heeft verbonden voor de nakoming van de verplichtingen van BDI tegenover [appellanten] . uit hoofde van de geldleningen, tot een bedrag van € 5.400.000,-.
Omdat [geïntimeerde] betoogt dat [appellanten] . met de daarna gesloten zekerhedenovereenkomst afstand hebben gedaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] en/of dat de zekerhedenovereenkomst de overeenkomst van 1 september 2023 opzij heeft gezet, zal het hof moeten uitleggen wat partijen in die overeenkomst hebben afgesproken. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de relevante bepalingen van de zekerhedenovereenkomst mochten toekennen en op wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval relevant.
Zoals [appellanten] . terecht aanvoeren, biedt de tekst van de zekerhedenovereenkomst geen aanknopingspunten voor de uitleg dat daarmee de hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is komen te vervallen of dat daarvan afstand is gedaan. Zoals [appellant 2] ter zitting heeft uitgelegd, vormde de zekerhedenovereenkomst het vervolg op de overeenkomst van 1 september 2023; in de zekerhedenovereenkomst werd vastgelegd op welk onderpand van [geïntimeerde] zekerheid zou worden gevestigd. Dat in de zekerhedenovereenkomst niet (opnieuw) is opgenomen dat [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk is, betekent niet dat daaruit kan worden afgeleid dat hij niét aansprakelijk is. Als partijen dat hadden beoogd had het voor de hand gelegen dat partijen expliciet in de zekerhedenovereenkomst zouden hebben opgenomen dat de eerdere hoofdelijkheid van [geïntimeerde] is komen te vervallen. Dat staat er echter niet. Ook de omstandigheid dat in die overeenkomst wel is opgenomen dat [bedrijf 1] hoofdelijk aansprakelijk is, maakt niet dat [appellanten] . daaruit redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat de hoofdelijkheid van [geïntimeerde] zou vervallen. Ten aanzien van [bedrijf 1] lag de hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van BDI – anders dan bij [geïntimeerde] – (kennelijk) nog niet schriftelijk vast. De door [geïntimeerde] naar voren gebrachte omstandigheid dat de zekerheidenovereenkomst is opgesteld door de partij-notaris van [appellanten] . leidt niet tot een ander oordeel. Uit de zekerhedenovereenkomst blijkt dat ook de partij-notaris van [geïntimeerde] bij het opstellen daarvan betrokken is geweest. Als [geïntimeerde] op dat moment terug had willen komen van de inhoud van de overeenkomst van 1 september 2023, dan had het voor de hand gelegen om daar juist wél iets over te laten opnemen in de zekerhedenovereenkomst. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] dit onderwerp aan de orde heeft gesteld bij het sluiten van de zekerhedenovereenkomst.
De uitleg die [geïntimeerde] aan de zekerhedenovereenkomst geeft, is vooral gebaseerd op een eigen lezing van de intenties van partijen, zoals dat met de overeenkomst van 1 september 2023 ‘kennelijk’ is bedoeld alvast iets op papier te zetten en dat moet worden ‘aangenomen’ dat de zekerhedenovereenkomst de overeenkomst van 1 september 2023 opzij heeft gezet. [geïntimeerde] heeft echter niet gesteld of onderbouwd uit welke concrete uitlatingen van de zijde van [appellanten] . hij dit heeft mogen begrijpen. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij na het sluiten van de zekerhedenovereenkomst niet langer hoofdelijk aansprakelijk zou zijn.
Verder blijkt ook uit de gang van zaken na het sluiten van de zekerhedenovereenkomst niet dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] opzij is gezet of door [appellanten] . is prijs gegeven. Na het verzoek tot faillietverklaring van [geïntimeerde] hebben partijen onderhandeld over een betalingsregeling. Uit de mailwisseling tussen de advocaten van partijen (zie 3.5) blijkt dat de advocaat van [geïntimeerde] heeft geprobeerd om uit de regeling te laten schrappen dat [appellant 2] een vordering op [geïntimeerde] in privé heeft. Daarop heeft de advocaat van [appellanten] . geantwoord dat over de hoofdelijke verbondenheid van [geïntimeerde] geen onduidelijkheid mag ontstaan en dat hij in privé verbonden is en blijft. Ook uit de overeenkomst van 3 mei 2024 volgt dat [geïntimeerde] in privé (betalings)verplichtingen heeft tegenover [appellant 2] als schuldeiser.
Het hof oordeelt daarom dat [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk is voor de vorderingen van [appellanten] . op BDI uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten. [appellanten] . hebben hun vorderingen (van respectievelijk € 3.780.000 en € 1.080.195) voldoende onderbouwd door overlegging van de geldleningsovereenkomsten, een overzicht van de afbetalingen en een berekening van de rente. [geïntimeerde] heeft de hoogte van deze vorderingen niet weersproken. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van deze bedragen aan [appellanten] . Dit betreft een hoofdelijke veroordeling naast BDI en [bedrijf 1] . Dit betekent dat indien en voor zover één van hen betaalt ook de anderen zijn bevrijd. De door [appellanten] . gevorderde wettelijke handelsrente, vanaf 1 januari 2024, is niet betwist door [geïntimeerde] en is toewijsbaar.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft succes. Bij een afzonderlijke behandeling van de grieven bestaat geen belang omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden. Het bestreden vonnis wordt vernietigd. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
[geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties en, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv, in de ten laste van hem door [appellanten] . gemaakte beslagkosten. [geïntimeerde] heeft daar geen verweer tegen gevoerd. Ook de door [appellanten] . over de proceskosten en beslagkosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar.
Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg als volgt vast:
- explootkosten € 118,49
- griffierecht € 5.929,00
- salaris advocaat € 4.357,00 (tarief VIII, 1 punt)
- nakosten € 178,00
Totaal € 10.582,49
In het bestreden vonnis zijn BDI en [bedrijf 1] al veroordeeld tot betaling aan [appellanten] . van deze proceskosten in eerste aanleg (€ 10.582,49). [geïntimeerde] wordt, naast BDI en [bedrijf 1] , hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg aan [appellanten] . Dit betekent dat indien en voor zover één van hen betaalt ook de anderen zijn bevrijd.
Uit de door [appellanten] . overgelegde beslagexploten blijkt dat de explootkosten voor de ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen € 2.822,76 bedragen. Het hof stelt de beslagkosten als volgt vast:
- explootkosten € 2.822,76
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 4.357,00 (tarief VIII, 1 punt)
Totaal € 7.867,76
In het bestreden vonnis zijn BDI en [bedrijf 1] al veroordeeld tot betaling aan [appellanten] . van hetzelfde bedrag aan griffierecht en salaris advocaat (samen € 5.045,-). [geïntimeerde] wordt, naast BDI en [bedrijf 1] , hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze beslagkosten aan [appellanten] . Dit betekent dat indien en voor zover één van hen betaalt ook de anderen zijn bevrijd. De explootkosten zien alleen op de ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen. Daarvoor geldt de hoofdelijke veroordeling niet.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 112,99
- griffierecht € 6.561,00
- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)
Totaal € 19.891,99
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover door [appellant 1] en [appellant 2] onderworpen aan het oordeel van het hof, en doet opnieuw recht:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant 1] van € 3.780.000,-, met inachtneming van het bepaalde in 6.10, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 januari 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant 2] van € 1.080.195,-, met inachtneming van het bepaalde in 6.10, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 januari 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant 1] en [appellant 2] in eerste aanleg, tot nu vastgesteld op € 10.582,49, met inachtneming van het bepaalde in 6.14, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] in de beslagkosten van [appellant 1] en [appellant 2] , tot nu vastgesteld op € 7.867,76, met inachtneming van het bepaalde in 6.16, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant 1] en [appellant 2] in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 19.891,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, C. Bakker en A.S. Gratama en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.