Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waartegen beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waartegen beroep is ingesteld en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 op een drietal punten wijzigt.
Wijziging ‘nadere bewijsoverwegingen feit 1 (bedreiging)’
Het hof neemt de nadere bewijsoverweging van de rechtbank bij feit 1 zoals weergegeven in overweging 3.3.2 van het vonnis over, met dien verstande dat het hof de passage:
“De setting van een verhoor bij de rechtercommissaris kent weliswaar een voor het publiek gesloten karakter, maar de verdachte heeft de bedreigende woorden wel geuit ten overstaan van de rechter- commissaris, de griffier en de officier van justitie. De rechter-commissaris en ook de officier van justitie hebben een bepaalde plicht om te bewaken dat de maatschappij wordt beschermd. Bovendien moest voor de verdachte duidelijk zijn dat alles wat tijdens het verhoor werd besproken in een proces-verbaal werd neergelegd. Het viel daarmee te verwachten dat de bedreigende woorden op enige wijze bij de aangever terecht zouden komen.”
vervangt door:
“De setting van een verhoor bij de rechtercommissaris kent weliswaar een voor het publiek gesloten karakter, maar de verdachte heeft de bedreigende woorden wel geuit ten overstaan van de rechter- commissaris en de griffier. De rechter-commissaris heeft een plicht om te bewaken dat de maatschappij wordt beschermd. Bovendien moest voor de verdachte duidelijk zijn dat alles wat tijdens het verhoor werd besproken in een proces-verbaal werd neergelegd. Het viel daarmee te verwachten dat de bedreigende woorden via de officier van justitie, die immers van dit proces-verbaal zou kennisnemen, of op enige andere wijze bij de aangever terecht zouden komen.”
Wijziging ‘nadere bewijsmotivering feit 2 (belaging)’
Het hof neemt de nadere bewijsoverweging van de rechtbank bij feit 2 zoals weergegeven in overweging 3.3.3 van het vonnis over, met dien verstande dat het hof de passages:
“In augustus 2024 is de verdachte door de politierechter veroordeeld wegens onder meer belaging van de aangever.”
vervangt door:
“In augustus 2024 is de verdachte door de politierechter veroordeeld wegens onder meer het overtreden van een gedragsaanwijzing jegens de aangever.”
en
“De verdachte zocht op 11 mei 2024 en op 18 juni 2024 ook fysiek contact met de aangever door zich naar het erf van de aangever te begeven. Op 18 juni heeft hij de aangever daarbij ook gefilmd.”
vervangt door:
“De verdachte zocht op 11 mei 2024 en op 18 juni 2024 ook contact met de aangever door zich naar het erf van de aangever te begeven. Op 18 juni heeft hij de aangever daarbij ook gefilmd.”
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel overweegt het hof als volgt. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 17 februari 2026 is gebleken dat de verdachte op 19 augustus 2024 door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld voor meerdere feiten. Aan de verdachte is bij dit vonnis jegens [persoon 1] en [persoon 2] een contact- en gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie jaar. Door de verdachte is tegen dit vonnis appel ingesteld. De verdachte is door dit hof op 20 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard in het appel. Daarmee is het vonnis van de politierechter onherroepelijk geworden. Nu het hof is gebleken dat de gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel in onderhavige zaak in aard en omvang overeenkomt met de reeds onherroepelijk opgelegde maatregel, ziet het hof geen noodzaak tot het opleggen van de maatregel in de onderhavige zaak.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waartegen beroep is ingesteld ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel ex. artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Bevestigt het vonnis waartegen beroep is ingesteld voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van
mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 maart 2026.
mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.