beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummers: 00479-25 (530 Sv) en 00480-25 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-002323-23
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1992,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. F.J. Mascini,
Kleine Houtweg 113, 2012 CE Haarlem.
1. Procesverloop
Het verzoekschrift is op 8 juli 2025 ingekomen.
Op 23 januari 2026 heeft de advocaat-generaal een standpunt per email aan het hof en de advocaat gezonden. De advocaat-generaal is van oordeel dat het hof niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek, subsidiair dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek en meer subsidiair dat het verzoek kan worden toegewezen.
Op 27 januari 2026 heeft het hof ter voorbereiding op de raadkamer een link naar een recente uitspraak van dit hof betreffende de bevoegdheid tot kennisname aan de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker gezonden (ECLI:NL:GHAMS:2024:2731).
Op 28 januari 2026 heeft de advocaat van verzoeker laten weten het eens te zijn met het schriftelijke standpunt van de advocaat-generaal en voorts laten weten dat hij en verzoeker niet in raadkamer zullen verschijnen.
Hierop heeft het hof de advocaat verzocht toe te lichten of hij bedoelt het eens te zijn met het primaire, subsidiaire dan wel meer subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal.
Op 28 januari 2026 heeft het hof de advocaat-generaal van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in openbare raadkamer gehoord.
Verzoeker noch zijn advocaat zijn in raadkamer verschenen. Een toelichting van de advocaat is evenmin ontvangen.
De advocaat-generaal heeft in raadkamer gelet op de toegezonden uitspraak van dit hof zijn primaire standpunt over de onbevoegdheid van het hof laten vervallen.
In een na de sluiting van het onderzoek op 29 januari 2026 ingekomen email heeft de advocaat van verzoeker het hof laten weten het eens te zijn met het schriftelijke primaire standpunt van de advocaat-generaal van 23 januari 2026, dat het hof niet bevoegd is tot kennisname van het verzoek. Voorts blijkt uit de email dat na het indienen van het verzoek bij het hof op een later moment ook een verzoek ex artikel 530 en 533 Sv is gedaan bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het hof op 30 januari 2026 bericht dat nog niet op het verzoekschrift is beslist en ook nog geen behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden.
2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
3. Beoordeling van het verzoek
2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend (…)
(…)
4. De artikelen 529, tweede tot en met vijfde lid, (…) zijn van overeenkomstige toepassing.
(…)
(…)
Bevoegdheid kennisname
De verzoeker is op 15 juli 2024 nadat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld in de tegen hem aanhangige strafzaak gedagvaard voor de behandeling van zijn zaak in hoger beroep ter terechtzitting van 10 september 2024. De advocaat-generaal heeft vervolgens bij akte van 5 september 2024 het ingestelde hoger beroep ingetrokken. Door de intrekking van het hoger beroep is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het hof heeft de vraag te beantwoorden of het bevoegd is tot kennisname van het verzoek.
Artikel 530 Sv luidt - voor zover van belang -:
(…)
Artikel 529 Sv luidt -voor zover van belang-:
(…)
2. (…) De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd , en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan.
Het hof begrijpt voornoemde wetsbepalingen zo dat de bevoegdheid van het hof tot beoordeling van het onderhavige verzoek is ontstaan, indien de aan het verzoek gekoppelde zaak tijdens de beëindiging daarvan bij het hof in behandeling was.
In het kader van verzoeken zoals de onderhavige, is het hof van oordeel dat onder “in behandeling van de zaak in hoger beroep” moet worden verstaan het moment waarop de zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt ex artikel 412 Sv, welk artikel luidt:
De zaak wordt in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een oproeping of dagvaarding vanwege de advocaat-generaal aan de verdachte betekend, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer feiten hem in eerste aanleg tenlastegelegd.
Het voorgaande in samenhang beschouwd, leidt tot het oordeel dat het hof bevoegd is in een procedure als de onderhavige vanaf het moment dat in de zaak een oproep of dagvaarding aan de verdachte is betekend, teneinde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg ten laste gelegd.
In het onderhavige geval is het hoger beroep ingetrokken ná betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Het hof is daarom bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen.
Ontvankelijkheid
Een verzoek ex artikel 530 Sv kan volgens artikel 529, tweede lid, Sv worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. Een verzoek ex artikel 533 Sv kan volgens het derde lid van dat artikel eveneens worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. Indien een zaak eindigt met een intrekking van het hoger beroep, vangt de termijn voor het indienen van een verzoekschrift aan op de dag na intrekking van het hoger beroep. Onder omstandigheden kan de termijnoverschrijding verschoonbaar worden geacht. Het is aan verzoeker om een beroep te doen op de verschoonbaarheid en die verschoonbaarheid te beargumenteren.
Verzoeker is op 15 juli 2024 gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep op 10 september 2024. Op 5 september 2024 heeft de advocaat-generaal het appel in de strafzaak tegen verzoeker ingetrokken. De termijn voor het indienen van het verzoekschrift is daarom aangevangen op 6 september 2024. Het verzoekschrift is pas op 8 juli 2025, dus ruim buiten de termijn van drie maanden, bij het hof ingekomen.
In het verzoekschrift staat te lezen: “Omdat ik reeds na het vonnis van de rechtbank een soortgelijk verzoek als dit had ingediend, meende ik dat dit zou herleven na intrekking van het beroep. Daarna is het te lang blijven liggen, toegegeven. Gezien het bijzondere verloop verzoek ik u dit verzoek toch ontvankelijk te verklaren.”
De advocaat is niet in raadkamer verschenen en heeft zijn standpunt niet nader beargumenteerd.
Het hof gaat niet mee in het verzoek van de advocaat om verzoeker ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Dat voor het einde van een zaak een soortgelijk verzoek is ingediend, maakt niet dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Nu het hof ook overigens niet is gebleken van een verschoonbare overschrijding en het verzoek niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, zal het hof verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
4. Beslissing
Het hof :
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. N.R.A. Meerbeek, A.P.M. van Rijn en R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 18 maart 2026.