ECLI:NL:GHAMS:2026:773

ECLI:NL:GHAMS:2026:773

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer 200.355.570/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Werkneemster is door werkgever op staande voet ontslagen omdat zij weigerde het gesprek aan te gaan om te komen tot afspraken met betrekking tot het opstarten van de re-integratie. Werkgever heeft na bezwaar van werkneemster het ontslag op staande voet ingetrokken. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkneemster moet worden geacht met de intrekking van het ontslag op staande voet te hebben ingestemd en op die grond de door haar verzochte vernietiging van de opzegging afgewezen bij gebrek aan belang. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat werkgever het ontslag op staande voet reeds eind januari 2025 heeft ingetrokken, de loonbetaling heeft hervat, daarmee is tegemoetgekomen aan het verzoek van werkneemster om het ontslag ongedaan te maken, en bij die stand van zaken werkneemster onvoldoende heeft onderbouwd welke toegevoegde waarde een beschikking van de kantonrechter op dit punt nog voor haar zou hebben. Daarbij komt dat voldoende is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst op alle onderdelen is hersteld. Anders dan werkneemster heeft betoogd, biedt artikel 7:683 lid 3 BW in een geval als het onderhavige het hof niet de ruimte de vernietiging van de opzegging alsnog uit te spreken. Andere door werkneemster gedane verzoeken zijn ook niet toewijsbaar, behoudens het verzoek inzake de wettelijke verhoging. Het hof stelt de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon over december 2024 en januari 2025 op 30% in plaats van de door de kantonrechter toegekende 10%. Uitsluitend op dit punt wordt de beschikking van de kantonrechter vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.355.570/01

zaak- en rekestnummer rechtbank Amsterdam : 11473679 \ EA VERZ 25-7

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026

inzake

[appellant] ,

wonende te [plaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.E. Hoetink te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. H.J. Wiarda te Amsterdam.

1. Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift tevens houdende incidenteel verzoek ex artikel 22a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tevens wijziging verzoek van 11 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaaknummer op 11 maart 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).

Nadat [geïntimeerde] op 12 augustus 2025 schriftelijk had gereageerd op het incidentele verzoek van [appellant] , heeft het hof op 30 september 2025 een tussenbeschikking gegeven waarbij het incidentele verzoek van [appellant] ex artikel 22a Rv is afgewezen en de beslissing omtrent de proceskosten in het incident is aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak (hierna: de tussenbeschikking).

Bij brief van 10 oktober 2025 heeft [appellant] - met het oog op artikel 22 lid 7 Rv - het hof verzocht, primair, terug te komen van de tussenbeschikking, subsidiair de tussenbeschikking te herzien en, meer subsidiair, een nieuw verzoek gedaan als bedoeld in artikel 22 Rv.

Op 22 oktober 2025 is een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, met producties, van [geïntimeerde] ingekomen waarbij [geïntimeerde] zich tevens heeft verzet tegen het incidentele verzoek van 10 oktober 2025 van [appellant] .

Bij tussenbeschikking van 4 november 2025 heeft het hof het incidentele verzoek van [appellant] tot het terugkomen van de beslissing in de tussenbeschikking alsmede tot herziening daarvan afgewezen, en bepaald dat het verzoek ex artikel 22 lid 7 Rv gelijktijdig wordt behandeld met de hoofdzaak.

Op 28 november 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in incidenteel appel van [appellant] ingekomen.

Het beroepschrift strekt, naar het hof begrijpt en voor zover thans nog van belang, ertoe de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

( i) primair: het ontslag op staande voet te vernietigen en te bepalen dat [geïntimeerde] binnen veertien dagen na de te geven beschikking de arbeidsovereenkomst van [appellant] op alle onderdelen van de arbeidsvoorwaarden met terugwerkende kracht tot 5 december 2025 herstelt als zou dit ontslag niet hebben plaatsgevonden;

subsidiair: [geïntimeerde] op te dragen de arbeidsovereenkomst in al zijn onderdelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking te herstellen met terugwerkende kracht tot 5 december 2024 als zou het ontslag niet hebben plaatsgevonden; en meer subsidiair: te beslissen als het hof in goede justitie vermeent te behoren alsmede [geïntimeerde] te gebieden binnen veertien dagen na de te geven beschikking de arbeidsovereenkomst op alle onderdelen te herstellen met terugwerkende kracht tot 5 december 2025 als zou het ontslag niet hebben plaatsgevonden;

(ii) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] met het ontslag op staande voet ten opzichte van [appellant] misbruik van haar opzeggingsbevoegdheid van 7:677 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gemaakt in de zin van artikel 3:13 BW;

(iii) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW;

(iv) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] ten opzichte van [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en [geïntimeerde] te veroordelen tot:

a. a) betaling van het loon c.a. vanaf 6 december 2024 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd met inachtneming van de zogenoemde 30%-regeling en te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten; b) betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zonder enige vorm van matiging over het te laat betaalde loon vanaf de maand december 2025; c) betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 3.156,- binnen zeven dagen na de te geven beschikking; d) betaling van de wettelijke rente over de vorderingen (a), (b) en (c) vanaf de respectieve vervaldata van de termijnen waarbinnen betaling had moeten plaatsvinden; (e) de afgifte van deugdelijke bruto-netto specificaties van alle verrichte en nog te verrichten betalingen, telkens binnen vijf dagen na betaling; (f) betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat na betekening van de te geven beschikking niet aan of meer van de hiervoor onder (i) vermelde veroordelingen is voldaan;

( v) [geïntimeerde] te veroordelen in de werkelijke kosten van beide instanties, althans de proceskosten die het hof in goede justitie vermeent te behoren.

Bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] . In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die betreft de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de wettelijke verhoging (10%) en de wettelijke rente, en de ter zake gedane verzoeken van [appellant] alsnog af te wijzen dan wel te matigen tot nihil, alles met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bij verweerschrift in incidenteel appel heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping van het incidentele appel en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in incidenteel appel.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen [appellant] , bijgestaan door

[naam 3] , tolk in de Tsjechische taal, en mr. Hoetink voornoemd. Namens [geïntimeerde] zijn verschenen [naam 1] , [functie 2] (hierna: [naam 1] ), en

[naam 2] , bedrijfsjurist, bijgestaan door mr. Wiarda voornoemd. Beide advocaten hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht en het woord gevoerd aan de hand van aan het hof en de wederpartij overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.8 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Met grief 1 in principaal appel betoogt [appellant] dat de kantonrechter een aantal feiten onjuist en onvolledig heeft weergegeven en verzoekt zij het hof dit te herstellen. Het hof zal, voor zover de grief terecht is voorgesteld en in hoger beroep van belang, de door de kantonrechter vastgestelde feiten voor zover daarover geen geschil bestaat, aanvullen met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

[appellant] , geboren op [datum] , is op 1 januari 2022 in dienst getreden van [geïntimeerde] als [functie 1] . Haar salaris bedroeg laatstelijk

€ 9.180,- bruto per maand. Sinds 9 februari 2024 is [appellant] arbeidsongeschikt.

Bij schriftelijk verslag van 18 september 2025 heeft de bedrijfsarts, verbonden aan [bedrijf] , onder meer geschreven dat [appellant] kon starten met twee uur per dag gedurende twee dagen in de week op arbeidstherapeutische basis. Tevens heeft de bedrijfsarts op de vraag of [geïntimeerde] contact mag opnemen met [appellant] , bevestigend geantwoord.

Bij e-mail van 25 oktober 2024 te 15:28 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) I hope you have been well.

As discussed in our previous meeting I am reaching out to set up an in person meeting to start up your reintegration activities.

I would propose the following two possibilities:

Wednesday 29 October 2024 - 13.30 till 14:00 (approx.)

Wednesday 30 October 2024 - 14:30 till 15:00 (approx.)

Thursday 31 October 2024 - 13:00 till 13:30 (approx.)

We have discussed not to meet at the office or in the Noma building. I would propose to meet at BLCK? (…) If you would like to propose another place at the Zuid As, feel free to do so. Happy to meet you elsewhere. Please let me know which options you would prefer by Monday 28 October 12:00. Then I will send you the calendar invitation. Thank you and have a nice weekend ahead. (…)”

Bij e-mail van 25 oktober 2024 te 20:55 uur heeft [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Im happy to hear from you. I cannot tell you right know - my mum is in a critical condition at hospital and the doctors are unsure on the progress of her condition or how long she maybe with us….I’m very scared. The next days are touch and go please keep her in your prayers. Im so exhausted and sad. I will try to let you know when I know but right now im mentally and physically drained. I will reach out when and if the situation changes, please understand for now, I’m barely hanging in there…(…)”

Bij e-mail van 28 oktober 2024 te 11:06 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Thank you for your email. I am very sorry to hear. Very intense moment I can imagine. We hope all the best for you, your mom and family of course. I am also so sorry but, I do need to ask you to come and meet us. We do need to try to start your reintegration actions as advised by the company doctor. This is very important for you and your reintegration. We both have the obligation to meet the reintegration advised by the Company doctor.

Due to some changes in my calendar, I am no longer available Wednesday but happy to be flexible for you on Thursday 31st October. We don’t have to meet long. As discussed just an update and discuss what reintegration actions you will be doing going forward. We will find actions for you 2x 2 hours per wee, taking into account

May I ask you to please confirm that we will meet coming Thursday and if 13:00 – 13:30 works for you? Before Today, Monday 28 October 2024, 14:00.

Also please let me know where you would like to meet me. If there is anything we can do for you, we are happy to support!

You and your mother are in our thoughts. All the best in these challenging times. (…)”

Bij e-mail van 28 oktober 2024 te 14:20 uur heeft [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) I would really like to work on my reintegration but I can’t think straight right now. I will respond to you once I’m out of the hospital. Thank you for your understanding. (…)”

Bij e-mail van 28 oktober 2024 te 16:27 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Thank you for your reply. That is appreciated. We relate to your circumstances and are sorry for the situation. But unfortunately, this does not change that we need to meet the expectations set by the company doctor. To facilitate you in this necessary step in your reintegration we want to offer to cover the costs of transport to the Zuid As if it would help to take a taxi/ uber for instance. Please feel free to expense these costs, I will make sure they will be approved and paid to you. We do expect you on Thursday, 31 October 2024, 13:00 at BLCK on the Zuid as (…). In the case that you choose not to be present, I regret to inform you that we will have to give you an official warning. I ask you to come back to me before Tuesday 29 October 2024, 11:30. We hope that this will not be necessary and look forward meeting you and making a start in your reintegration. (…)”

Bij e-mail van 29 oktober 2024 te 11:34 uur heeft [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) I am really willing to reintegrate and meet. Please note that my mother is dying and if I am in a calamity right now and also need to be with her. She is my only surviving parent and has no one else. I can’t let her die alone. I will try to speak to the company doctor about what to do in this situation because I’m in a crisis right now. You can also call me - I wanted to call too to see what to do but I don’t have your number. The company doctor also said there should be no pressure, I feel a lot of pressure from you right now. I also recall during our call you mentioned when we meet and if I feel not good on the day I can just cancel the day off. I am not trying to be difficult please but my only surviving parent is dying. I am in a calamity. This is a crisis for me. (…)”

Bij e-mail van 29 oktober 2024 te 12:27 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Thank you for the email below. May I ask you to confirm to me your current location?

I ask you to come back to me before 15:00 today. Thank you in advance and kind regards. (…)”

Bij e-mail van 29 oktober 2024 te 15:44 uur heeft [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) I really need to stop these emails as they are only exacerbating my situation and distress. I need you to be human and treat me respectfully in this situation. You know where I am I am with my mother in Czech. I proposed a virtual connect as my mother is dying. I ask you to be human. I am willing to have this meeting on Thursday but I cannot be all the time treated with so much pressure. This is not normal to treat employees in such a way in a life event in this crisis. Please respect that. (…)”

Op 29 oktober 2024 is de moeder van [appellant] overleden.

Bij e-mail van 4 november 2024 heeft [naam 4] , partner van [appellant] , aan onder anderen [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) I am writing to you on behalf of [appellant] (…), my partner who is currently in the Czech Republic dealing with the devastating loss of her mother on October 29th and the funeral is scheduled for this week. Denisa faced unimaginable tragedies over the past year, beginning with the loss of her newborn son in February 2023, followed by the passing of her father in June 2023, and the recent loss of her mother. I am deeply troubled by the email received from Ms. [naam 1] last week, which implied that her absence right after her mother’s death would be considered a “warning” until she met you in person on 31.10.2024, before her mother’s funeral. Your email and her mothers death have worsened her medical issues and she wishes to report 100% ill as her medical complaints have aggravated. She will reach out when she feels mentally and physically able to do so. I also strongly urge you to refrain from sending such insensitive emails. I would also ask [bedrijf] to kindly reschedule the meeting with the company doctor because of these extraordinary circumstances preferrably for 10 days or more. (…)”

Bij e-mail van 29 november 2024 heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Reaching out to share our heartfelt condolences with you for the huge loss in your family. We are so sorry for this loss that must have a big impact on your and your surroundings. If there is anything we can offer to support, please feel free to let us know.

We have not reached out in the past weeks to give you space in this sad time. We realize that after 4 weeks this loss is still recent but unfortunately, we do need to proceed with next steps.

We invite you for an in person check in at the Noma office, Thursday 5 December at 15:00. (…) If you have any questions please let me know. All the best during this challenging time. (…)”

Bij e-mail van 3 december 2024 te 10:48 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) I hope you are well. Reaching out here as a reminder. May I ask you to please confirm your presence in the meeting scheduled for Thursday 5 December at 15:00.

Please do so by replying to this email before today, 3 December 2024, 15:00. (…)”

Bij e-mail van 3 december 2024 te 14:15 uur heeft [appellant] (onder anderen) aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Unfortunately I am still not doing well and my complaints have worsened.

You can help me by sending flowers and chocolates, but most importantly help me by getting in contact with the company doctor. I need to speak with them before I see you. (I also do not know what the meeting is about and that is increasing my panic and anxiety). I had three appointments with the company doctor over the last month but all were canceled. The last one was cancelled last Thursday without any explanation or rescheduled date. My partner called [bedrijf] as your email and constant rescheduling caused a lot of anxiety and pressure and they promised to call back but they never did. I only found out that [naam 5] is no longer my case worker/manager but I was not told who is my new case manager (I spoke to him at some point because I had two appointments at the same time and it was very messy/confusing/stressful but I never got the name, email or contact). Please help me by finding out who my case manager is. Please know I am working on getting better but this is not helping me in getting better at all. This confusion is also very hard for me because I take a lot of medication and I am stressed that I will miss an email or an appointment because I am just not able to function normally just yet so please understand if I do not respond immediately. (…)”

Bij e-mail van 3 december 2024 te 15:28 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Thank you for your replay. Much appreciated. We very much understand this is an challenging time for you and your family and appreciate your time. The requested flowers and chocolates are being sent to you. (…) Very sorry to hear that your communication with [bedrijf] has not been smooth to say the least. Also, we are not aware of appointments being cancelled and/or moved around. We will definitely connect with them to understand why. In the meantime, please know that you can reach out to [naam 6] via (…) or by requesting him via telephone. I will make sure that he is aware that you might connect with him.

As mentioned in my earlier email(‘s) we need to connect based on the advice of the company doctor and possible actions in reintegration. Staying in contact with the employer is a part of the reintegration. Therefore, we need to meet and discuss how to move forward. In addition we need to discuss your availability and location. I am looking forward to meeting you on Thursday 5 December at 15:00 at the [plaats] Noma office. Please let me know if you have any additional questions or concerns. Thank you and whishing you well. (…)”

Bij e-mail van 4 december 2024 te 14:40 uur heeft [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Just let you know I have spoken with [bedrijf] and they said they will contact you to explain the situation as it has changed. They have also told me that my company doctor is sick and Kraft is changing company doctors right now. I am unable to meet before I speak with the company doctor. (…)”

Bij e-mail van 4 december 2024 te 17:37 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Thank you for your email here. I am happy that you have reached [naam 6] ! As shared yesterday I have reached out to him right away after your message. I have also had an additional connect with [naam 6] after your call with him this afternoon. He did indeed informed me that your appointments were rescheduled due to the illness of your allocated company doctor. We are sorry for this inconvenience! We were not aware of this situation until you shared this with us.

[naam 6] has suggested two solutions:

A new Company doctor appointment with a different doctor at [bedrijf]

Wait till the new provider starts 01 January 2025 and plan an appointment in January.

Let discuss this during (…) our meeting tomorrow?

I understood from [naam 6] , and your emails, that you are nervous for the meeting. We understand that it is hard and appreciate your efforts. We try to keep your personal situation in mind but simultaneously it is necessary for us to discuss the current situation. We are trying to make sure we have a good base to move forward on. We would really appreciate your input. (…)”

Bij e-mail van 4 december 2024 te 18:59 uur heeft [appellant] aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) As written in my previous email I need to and it is my right to speak to the company doctor to ask for advice before we meet because my situation has changed.

As [naam 6] has surely explained to you the recent emails and emails during my mothers passing caused a lot of undue pressure/trauma. I would therefore appreciate my next meeting with the company be with someone else. I opt for option 2 as also advised by [naam 6] to aid my recovery. I am working hard on this and look forward to genuine positive contact and reintegration as I am able with the guidance of the new company doctor. (…)

PS. Due my health I will not be able to respond any further prior to meeting with the company doctor. Please understand.”

Bij e-mail van 5 december 2024 te 14:47 uur heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Thank you for your email. Your confirmation to not be present at the planned meeting today is received. (…)”

Bij brief van 6 december 2024 heeft [naam 1] , namens [geïntimeerde] , [appellant] op staande voet ontslagen. Deze brief luidt als volgt, voor zover van belang:

“After thorough consideration, we regret to inform you that your employment with [naam 7] is terminated with immediate effect as of today, 6 December 2024. This decision has been made based on the following urgent reasons, which constitute an urgent reason under Dutch law:

Since 25 October 2024 we have tried to plan a check-in meeting with you. The first request was to meet in the office (or a more neutral location) on Thursday 25 October 2024 at 13:00. We have offered you taxi transportation to the office, but you still were not able to attend. In addition, we have requested you to confirm where you were staying during your re-integration, because we had cause to believe that you were not staying in the Netherlands. You never gave us an answer.

After 4 weeks (on 26 November 2024), taking into account the big loss suffered in your family, we have requested a new check-in meeting with you in the office for 5 December 2024 at 15:00. After multiple requests for you to be present you confirmed that you wouldn’t attend the meeting without a valid reason.

Based on the above reasons we have concluded that your actions constitute a serious breach of trust that leaves no room for a continued employment relationship.

The above reasons individually but also in conjunction constitute an urgent reason for this instant dismissal according to Article 7:678 of the Dutch Civil Code. On these grounds, [naam 7] is terminating your employment contract with immediate effect.

In making this decision, we have taken you personal circumstances into account, including your current situation and loss of your mother. However, given the gravity of your actions, we are unable to justify any alternative resolution. (…)

We deeply regret that it has come to this decision but trust you understand that your actions leave us no alternative. (…)”

[geïntimeerde] heeft het loon over de periode 1 tot 6 december 2024, een bedrag van

€ 1.463,03 netto, aan [appellant] uitbetaald in december 2024.

Bij brief van 12 december 2024, bestemd voor de directie van [geïntimeerde] maar gezonden aan de receptie van [geïntimeerde] , heeft mr. Hoetink voornoemd, namens [appellant] , [geïntimeerde] verzocht het ontslag op staande voet met terugwerkende kracht in te trekken.

Vanaf 17 december 2024 is er contact geweest tussen de advocaten van partijen. Hangende dit contact heeft [appellant] op 31 december 2024 een verzoekschrift ingediend strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet.

Naar aanleiding van verdere gesprekken heeft [geïntimeerde] [appellant] in de loop van januari 2025 zowel telefonisch als - nadien - per e-mail bericht dat het ontslag op staande voet in overleg tussen partijen ongedaan is gemaakt, zodat [geïntimeerde] het dienstverband als ononderbroken voortgezet beschouwde met instandhouding van alle geldende arbeidsvoorwaarden.

Bij dagvaarding van 16 januari 2025 heeft [appellant] de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam verzocht bij wijze van voorlopige voorziening [geïntimeerde] te veroordelen onder meer tot doorbetaling van loon vanaf 6 december 2024.

Op 28 januari 2025 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 9.000,- netto betaald als voorschot op het salaris over de periode van 6 december 2024 tot en met 31 januari 2025. [geïntimeerde] heeft tevens toegezegd dat vanaf februari 2025 het salaris weer op de gebruikelijke wijze zal worden betaald.

Bij mondelinge uitspraak van 13 februari 2025 heeft de kantonrechter de verzochte voorlopige voorziening afgewezen bij gebrek aan belang. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat vast staat dat [geïntimeerde] het ontslag op staande voet op verzoek van [appellant] ongedaan heeft gemaakt waarmee het feitelijk is ingetrokken, de betaling van het lopende loon is hervat, het loon over december 2024 en januari 2025 voor een groot deel is betaald en [geïntimeerde] heeft toegezegd dat achterstallige bedragen in februari 2025 zullen worden uitbetaald.

Op 19 februari 2025 heeft [naam 8] , verzekeringsarts, in het kader van een door [appellant] bij het UWV gevraagd deskundigenoordeel, een sociaal-medische beoordeling opgesteld. Daarin is als conclusie vermeld dat [appellant] op 6 december 2024 niet belastbaar was met arbeid of re-integratietaken.

[geïntimeerde] heeft ter zitting in eerste aanleg toegelicht dat een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts zal worden gemaakt en dat, zolang er geen nieuw advies van de bedrijfsarts is, [appellant] niet zal worden belast met werkzaamheden, ook niet in het kader van de re-integratie.

3. De procedure in eerste aanleg

[appellant] heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht (i) het ontslag op staande voet te vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad: (ii) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 6 december 2024 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, zijnde een maandloon van € 9.180,- bruto met inachtneming van de 30% regeling, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 3.156,- en de wettelijke rente over voornoemde bedragen; (iii) [geïntimeerde] te veroordelen tot afgifte van bruto-netto specificaties van alle uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de te geven beschikking verrichte en nog te verrichten betalingen, telkens binnen vijf dagen na het tijdstip van betaling; (iv) [geïntimeerde] te veroordelen tot het verlenen van reguliere toegang aan [appellant] tot de bedrijfssystemen van [geïntimeerde] waaronder het werknemersportaal, het personeelsdossier en het intranet van [geïntimeerde] , binnen zeven dagen na de te geven beschikking; (v) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van de te geven beschikking niet aan de uitgesproken veroordelingen voldoet; (vi) [geïntimeerde] te veroordelen in de (reële) proceskosten zoals bedoeld in artikel 237 Rv.

Nadat [geïntimeerde] verweer had gevoerd en tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] had geconcludeerd, heeft de kantonrechter bij de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I) [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van het maandloon, zijnde € 9.180,- bruto, met inachtneming van de 30% regeling en te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten over de periode vanaf 6 december 2024 tot en met 31 januari 2025, met dien verstande dat de deelbetaling van € 9.000,- netto van 28 januari 2025 hierop in mindering strekt;

II) [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van 10% wettelijke verhoging over het loon van 6 december 2024 tot en met 31 december 2024 en over het gedeelte van het loon van januari 2025 dat na verrekening met de deelbetaling van 28 januari 2025 resteert;

III) [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de onder I en II genoemde bedragen, te rekenen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;

IV) [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten, met nakosten, en

V) het meer of anders verzochte afgewezen.

Met betrekking tot de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] geen belang heeft bij die vernietiging omdat [geïntimeerde] aan het verzoek van [appellant] om het ontslag op staande voet ongedaan te maken, reeds is tegemoetgekomen. Ook het verzoek tot betaling van loon is afgewezen omdat de loonbetaling is voortgezet door [geïntimeerde] en [appellant] om die reden geen belang heeft bij haar verzoek, aldus de kantonrechter. Met betrekking tot de toegewezen wettelijke verhoging heeft de kantonrechter geoordeeld dat het loon over december 2024 en januari 2025 niet op tijd is betaald en dat daarom toewijzing van de wettelijke verhoging op zijn plaats is, maar dat deze wettelijke verhoging dient te worden gematigd tot 10% omdat de te late betaling het gevolg is van een juridisch conflict tussen partijen waarin ook [appellant] haar aandeel heeft gehad, [geïntimeerde] zich bereidwillig heeft getoond het geschil op te lossen en voortvarend is overgegaan tot uitbetaling van het voorschot. Verder heeft de kantonrechter met de betrekking tot de verzochte buitengerechtelijke kosten overwogen dat niet is gebleken dat in de procedure andere buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht anders dan de gebruikelijke werkzaamheden in het kader van de procedure. Met betrekking tot de verzochte bruto-netto specificaties heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] ter zitting heeft toegezegd dat zij die specificaties zal afgeven en dat [appellant] daarom geen belang heeft bij een veroordeling van [geïntimeerde] ter zake daarvan. Ook het verzoek van [appellant] toegang te verlenen tot de bedrijfssystemen is afgewezen omdat [appellant] volgens [geïntimeerde] die toegang heeft en [appellant] onvoldoende concreet heeft gemaakt dat er systemen zijn waartoe zij nog geen toegang heeft, aldus de kantonrechter. Omdat [geïntimeerde] het ontslag op staande voet eerst na het indienen van het verzoekschrift heeft ingetrokken, dient zij volgens de kantonrechter de proceskosten, gemaakt aan de zijde van [appellant] , te dragen. Anders dan [appellant] heeft bepleit, zullen de proceskosten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief worden berekend. Voor een veroordeling in de reële proceskosten is geen plaats omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , aldus steeds de kantonrechter.

Tegen een aantal van deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in principaal appel op met acht grieven. [geïntimeerde] bestrijdt de grieven in principaal appel en komt in incidenteel appel met één grief op tegen de toewijzing van het verzoek van [appellant] inzake de wettelijke verhoging. Volgens [geïntimeerde] dient dat verzoek te worden afgewezen, althans de wettelijke verhoging op nihil te worden gesteld. [appellant] bestrijdt de grief in incidenteel appel.

In principaal appel

Met grief 2 in principaal appel betoogt [appellant] dat de kantonrechter haar verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte heeft afgewezen wegens gebrek aan belang. [appellant] voert aan dat zij wel belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Volgens [appellant] kan en mag het niet zo zijn dat een werkgever onder gebruikmaking van de mogelijkheid van onverwijlde opzegging eenzijdig de dienstbetrekking kan beëindigen. Als dat dan toch is geschied en de werknemer gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid vernietiging te vragen, kan het evenmin zo zijn dat de werkgever de arbeidsovereenkomst herstelt door middel van een eenzijdige verklaring tot herroeping/ongedaanmaking en daarmee het recht en belang van de werknemer bij een vernietiging - en dus ook van een bevestiging van de vernietigbaarheid en onrechtmatigheid van de opzegging - ontneemt. Op die manier zouden werkgevers steeds opnieuw (zieke) werknemers onder druk kunnen zetten met een ontslag op staande voet om vervolgens (vrijwel) straffeloos en zonder de aangewezen rechterlijke correctie daar eenzijdig van terug te komen. Door deze handelwijze zou de werkgever de werknemer op verdere kosten kunnen jagen als de werknemer in een aparte procedure moet aantonen dat het ontslag onrechtmatig was en de werkgever misbruik heeft gemaakt van zijn ontslagbevoegdheid. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn van het systeem waarin de werknemer gewoon vernietiging moet kunnen vragen, ook als een werkgever daarna eenzijdig het ontslag mocht herroepen/ongedaanmaken maar tegelijkertijd niet alle arbeidsvoorwaarden herstelt en de werknemer ook belang heeft bij een volledige toewijzing van schade, wettelijke verhoging, kosten en rente. Voorts is het belang bij een rechterlijk oordeel over de vernietiging ook erin gelegen dat de rechter zich uitspreekt over de vraag in hoeverre de werkgever de aan hem gegeven opzeggingsbevoegdheid misbruikt in de zin van artikel 3:13 BW. [appellant] meent dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden haar opzeggingsbevoegdheid heeft misbruikt en onrechtmatig heeft gehandeld (onder meer wegens strijd met de wet waaronder artikel 7:681 BW en het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW), althans dat haar handelen in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Daarnaast is een inhoudelijke beoordeling van het gegeven ontslag op staande voet ook van belang voor de beoordeling van de ingestelde nevenvorderingen. [appellant] meent dat het hof de vernietiging ook in hoger beroep kan uitspreken vanwege de aard van de civiele appelprocedure die tot doel heeft een in eerste aanleg gewezen onjuiste uitspraak te corrigeren. Artikel 7:683 BW beperkt in zoverre niet de mogelijkheden van het hof om de vernietiging van de opzegging uit te spreken. Dit is slechts anders als de rechter in eerste aanleg het ontslag op staande voet inhoudelijk heeft getoetst en in stand heeft gelaten, in welk geval alleen herstel van de arbeidsovereenkomst kan worden verzocht. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter de inhoudelijke toets ten onrechte achterwege gelaten. Daarom dient het hof alsnog te doen wat de kantonrechter had behoren te doen zodat [appellant] een bevestiging verkrijgt dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] . [appellant] verwijst in dit verband naar hof ‘s-Hertogenbosch 28 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:245 waar het hof onder 3.9 overwoog dat artikel 7:683 BW geen limitatieve opsomming geeft van de uitspraken die de rechter in hoger beroep kan doen en dat hij vanwege de herstelfunctie van het hoger beroep alsnog een uitspraak kan doen die in eerste aanleg gegeven had moeten worden. De situatie waarin de kantonrechter een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet niet vernietigt zonder die situatie inhoudelijk te hebben getoetst en beoordeeld, is een situatie die de wetgever met artikel 7:683 BW niet heeft voorzien, aldus steeds [appellant] .

Het onderdeel van de grief waarmee [appellant] betoogt dat het hof alsnog de opzegging kan vernietigen, faalt. Artikel 7:683 lid 3 BW biedt in een geval als het onderhavige het hof niet de ruimte de vernietiging van de opzegging uit te spreken. Dit is niet anders in het geval de kantonrechter de opzegging niet inhoudelijk heeft getoetst maar het daartoe strekkende verzoek bij gebrek aan belang heeft afgewezen, zoals in het onderhavige geval is geschied. Artikel 7:683 lid 3 BW schrijft immers expliciet voor dat indien de appelrechter oordeelt dat het verzoek van de werknemer om vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen, de appelrechter de arbeidsovereenkomst óf kan herstellen óf een billijke vergoeding in plaats van herstel kan toekennen, ongeacht op welke gronden de kantonrechter tot een afwijzing van het verzoek om vernietiging is gekomen. Ook de stelling van [appellant] dat de appelrechter in het kader van de herstelfunctie van het hoger beroep een vernietiging van een ontslag op staande voet kan uitspreken, vindt geen steun in het recht en wordt mitsdien verworpen.

Voor zover de grief ertoe strekt dat de kantonrechter het verzoek om vernietiging van de opzegging ten onrechte heeft afgewezen, faalt de grief ook op dit onderdeel. Daartoe is het volgende redengevend. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] het ontslag op staande voet reeds eind januari 2025 heeft ingetrokken, de loonbetaling heeft hervat, daarmee is tegemoetgekomen aan het verzoek van [appellant] om het ontslag ongedaan te maken, en bij die stand van zaken [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd welke toegevoegde waarde een beschikking van de kantonrechter op dit punt nog voor haar zou hebben. Het hof verenigt zich met dit oordeel. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat een ontslag op staande voet een eenzijdige rechtshandeling is en zonder haar instemming niet kan worden ingetrokken door [geïntimeerde] , maar in de gegeven omstandigheden moet [appellant] geacht worden met de intrekking van het ontslag feitelijk te hebben ingestemd. Naar de kantonrechter met juistheid heeft overwogen, is [geïntimeerde] met de intrekking immers tegemoetgekomen aan de wens van [appellant] , geuit bij brief van 12 december 2024 aan de directie van [geïntimeerde] , om het ontslag terug te draaien. Daarbij komt dat [appellant] de gevolgen van de ongedaanmaking van het ontslag, zoals de hervatting van de loonbetaling en de instandhouding van alle arbeidsvoorwaarden alsof het ontslag nooit heeft plaatsgevonden, (stilzwijgend) heeft aanvaard zonder dat zij daarbij enig voorbehoud heeft gemaakt. De ter zitting in hoger beroep door (de advocaat van) [appellant] gegeven toelichting hierop dat het behouden van de loonbetalingen niet op instemming wijst maar dat die loonbetalingen moeten worden gezien als een voorschot op schadevergoeding, is bij gebreke van concrete aanknopingspunten die daarop zouden kunnen wijzen, niet aannemelijk geworden. Naar [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep heeft toegelicht en [appellant] onvoldoende heeft weersproken, is de arbeidsovereenkomst op alle onderdelen, inclusief de opbouw van pensioen, hersteld.

Ook het betoog van [appellant] dat zij belang heeft bij een vernietiging van de opzegging zodat zij een bevestiging verkrijgt dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] , althans in strijd heeft gehandeld met de verplichting zich als goed werkgever te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW, wordt verworpen. Vast staat dat [geïntimeerde] [appellant] op 6 december 2024 op staande voet heeft ontslagen nadat zij herhaaldelijk had geweigerd om met [geïntimeerde] in gesprek te gaan teneinde overleg te plegen met betrekking tot de start van de re-integratie. Ondanks dat de bedrijfsarts op 18 september 2024 haar daartoe in staat achtte en [geïntimeerde] in haar contacten met [appellant] zich telkens daarop beriep, bleef [appellant] weigeren het bedoelde gesprek met [geïntimeerde] aan te gaan. Nadat [appellant] in haar weigering bleef volharden, ook nadat [geïntimeerde] haar vier weken de tijd had gegeven in verband met het verlies van haar moeder en [appellant] had aangegeven op het geplande gesprek van 5 december 2024 niet te zullen verschijnen, heeft [geïntimeerde] haar op 6 december 2024 op staande voet ontslagen. Weliswaar heeft [geïntimeerde] met dit ontslag een te zwaar middel ingezet voor de weigering van [appellant] het gesprek ten behoeve van de re-integratie aan te gaan - [geïntimeerde] had in dat stadium een schriftelijke waarschuwing kunnen geven eventueel gevolgd door een loonstop om vervolgens te bezien of [appellant] haar houding zou wijzigen - maar uit de hiervoor onder 2.3 tot en met 2.10 en 2.13 tot en met 2.20 weergegeven correspondentie tussen partijen volgt niet dat [geïntimeerde] in aanloop naar het ontslag haar opzeggingsbevoegdheid heeft misbruikt, onrechtmatig heeft gehandeld of heeft gehandeld in strijd met het goed werkgeverschap. Uit de ontslagbrief volgt dat de reden van het ontslag is gelegen in de weigerachtige houding van [appellant] om te komen tot overleg met betrekking tot het opstarten van de re-integratie zoals de bedrijfsarts had voorgeschreven. Niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] ten tijde van het ontslag op de hoogte was van de inhoud van de hiervoor onder 2.12 weergegeven brief van 4 november 2024 van de partner van [appellant] en de daarin beschreven (persoonlijke) ontwikkelingen. Anders dan [appellant] heeft betoogd is uit de hiervoor bedoelde correspondentie evenmin gebleken dat [geïntimeerde] haar (ontoelaatbaar) onder druk heeft gezet. Uit die correspondentie blijkt veeleer dat [geïntimeerde] , in de persoon van [naam 1] , begrip toonde voor de moeilijke persoonlijke omstandigheden waarin [appellant] verkeerde, waaronder het overlijden van haar moeder op 29 oktober 2024, en dat [geïntimeerde] in verband daarmee [appellant] gedurende een periode van ongeveer vier weken rust heeft gegund alvorens haar weer te benaderen teneinde een afspraak te maken voor een fysiek gesprek ten behoeve van het opstarten van de re-integratie, een en ander conform het advies van de bedrijfsarts. Ook blijkt uit de genoemde correspondentie dat [appellant] niet openstond voor dit gesprek zonder dat zij daarvoor een legitieme reden had. Deze niet coöperatieve houding van [appellant] waarin zij hardnekkig bleef volharden en daarmee de start van de re-integratie belette, heeft onmiskenbaar bijgedragen aan het ontstaan van het conflict dat uiteindelijk tot het ontslag op staande voet heeft geleid. De omstandigheid dat uit het deskundigenoordeel van het UWV volgt dat [appellant] op 6 december 2024 niet in staat was haar eigen werk te doen en re-integratietaken uit te voeren, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat eerst op 19 februari 2025 het deskundigenoordeel is verschenen en [geïntimeerde] ten tijde van het ontslag hiermee niet bekend was, ziet het deskundigenoordeel enkel op de vraag of [appellant] op 6 december 2024 haar eigen werk kon doen en niet op het conflict tussen partijen dat, zoals hiervoor is overwogen, ging over het door [appellant] herhaaldelijk weigeren het gesprek aan te gaan ten behoeve van het opstarten van de re-integratie. Daarbij komt dat [geïntimeerde] , zoals vermeld, voorafgaand aan het ontslag op staande voet begrip had getoond voor de persoonlijke omstandigheden van [appellant] en haar zelfs had geholpen met het in contact komen met de arbodienst en de bereidheid had getoond de kosten van vervoer om naar het gesprek te komen op zich te nemen. De omstandigheid dat [appellant] ten tijde van het ontslag ziek was, leidt niet tot een ander oordeel aangezien artikel 7:670a lid 2 sub c BW bepaalt dat dit opzegverbod niet geldt in geval van een ontslag op staande voet. De verzochte verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] met het ontslag op staande voet misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid, in strijd heeft gehandeld met het opzegverbod tijdens ziekte en onrechtmatig heeft gehandeld, zijn mitsdien niet toewijsbaar. Grief 2 in principaal appel faalt ook voor het overige.

Met grief 3 in principaal appel komt [appellant] op tegen de beslissing tot afwijzing van haar verzoek het lopende loon te betalen wegens gebrek aan belang. Ter toelichting voert [appellant] aan dat zij er belang bij heeft dat [geïntimeerde] het loon blijft betalen en dat het verzoek daarom alsnog wordt toegewezen. De grief faalt omdat [geïntimeerde] de loonbetaling heeft hervat en de reguliere maandelijkse loonbetaling tot op heden wordt verricht, zoals van een en ander ter zitting in hoger beroep is gebleken. [appellant] heeft tegen deze achtergrond onvoldoende toegelicht welk afzonderlijk belang zij heeft bij haar verzoek.

Grief 4 in principaal appel is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen tot 10%. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat de te late betaling ‘het gevolg is van een juridisch geschil tussen partijen waarin ook [appellant] haar aandeel heeft gehad en dat [geïntimeerde] bereidwillig zou zijn geweest het geschil op te lossen en voortvarend is overgegaan tot betaling van een voorschot’. Ter toelichting op de grief voert [appellant] ten eerste aan dat de te late betaling het gevolg is van misbruik van bevoegdheid van [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dat die opzegging onrechtmatig was en vernietigd had moeten worden. Tot 6 december 2024 bestond er geen juridisch geschil tussen partijen. Dat dit na 6 december 2024 anders was, is niet aan [appellant] te verwijten, laat staan dat zij daarin een aandeel zou hebben gehad. [appellant] verwijst in dit verband naar het deskundigenoordeel van het UWV en onderliggende documenten waaruit volgt dat zij op 6 december 2024 volledig arbeidsongeschikt was en als gevolg daarvan niet in staat was re-integratieactiviteiten te verrichten. Ten tweede bestrijdt [appellant] dat [geïntimeerde] voortvarend heeft gehandeld. Zij vroeg al bij brief van 12 december 2024 om betaling van haar salaris en de bevestiging daarvan binnen twee dagen. [geïntimeerde] betaalde geen voorschot maar deed uiteindelijk op 29 januari 2025 een gedeeltelijke nabetaling betreffende het salaris van december 2024 en januari 2025. Dat was 48 dagen na de brief van 12 december 2024 hetgeen niet kan worden gezien als het ‘voortvarend overmaken van een voorschot’. Ten derde bestrijdt [appellant] dat [geïntimeerde] bereidwillig is geweest het geschil op te lossen. [appellant] moest een kort geding starten om loon te vorderen. Omdat betaling van loon uitbleef, heeft [appellant] op 14 januari 2025 - nadat gebleken was dat [geïntimeerde] eigen risicodrager was voor de Ziektewet - een ziektewetuitkering aangevraagd bij [geïntimeerde] . Eerst daarna en nadat de kantonrechter de datum voor de kort gedingzitting had bepaald op 14 februari 2025, is [geïntimeerde] overgegaan tot het betalen van het reeds genoemde voorschot. [appellant] meent dat er op grond van het voorgaande geen enkele grond is voor matiging van de wettelijke verhoging en dat over het te laat betaalde loon een wettelijke verhoging van 50% gerechtvaardigd is.

Het hof overweegt als volgt. De wettelijke verhoging op vertraging in de betaling van het loon zoals geregeld in artikel 7:625 BW is een prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. De verhoging is verschuldigd als de te late betaling aan de werkgever kan worden toegerekend, waarbij de rechter wel een matigingsbevoegdheid heeft. Nadat [geïntimeerde] op 6 december 2024 [appellant] op staande voet had ontslagen, heeft (de advocaat van) [appellant] bij brief van 12 december 2024, gericht aan de directie van [geïntimeerde] , daartegen bezwaar gemaakt en daarbij uitdrukkelijk verzocht het ontslag terug te draaien. Vervolgens heeft [geïntimeerde] zich op 2 januari 2025 daartoe bereid verklaard zoals daarvan blijkt uit hetgeen onder randnummers 54 en 71 van het verweerschrift in hoger beroep is vermeld. Dat het na de brief van 12 december 2024 nog ongeveer drie weken heeft geduurd voordat [geïntimeerde] vorenbedoelde bereidheid uitsprak, heeft - zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en door [appellant] onvoldoende is weersproken - ermee te maken dat de brief was gericht aan de directie van [geïntimeerde] en dat in een grote organisatie als die van [geïntimeerde] het dan langer duurt voordat een inhoudelijke reactie wordt gegeven en die door de wederpartij wordt ontvangen. Het was wellicht praktischer geweest als de brief van 12 december 2024 rechtstreeks was gestuurd naar [naam 1] , de afzender en ondertekenaar van de ontslagbrief, om daarmee de lijnen kort te houden. Na de bereidwilligheid van [geïntimeerde] het ontslag terug te draaien, heeft het desondanks nog tot 28 januari 2025 geduurd voordat [geïntimeerde] het loon over december 2024 - in de vorm van een voorschot - is gaan uitbetalen terwijl [geïntimeerde] wist dat [appellant] tot die tijd onbetaald was gelaten. Niet is gebleken dat het voor [geïntimeerde] niet mogelijk was de betaling van het voorschot kort na 2 januari 2025 te doen. De betaling op 28 januari 2025 is dan ook te laat geweest. Ook het gedeelte van het loon over januari 2025 dat resteert na verrekening van het voorschot, is niet op tijd betaald zoals de kantonrechter met juistheid heeft overwogen. [geïntimeerde] heeft, ter zitting in hoger beroep daarnaar gevraagd, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de (omvang van de) opgetreden vertraging rechtvaardigen. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding de wettelijke verhoging vast te stellen op 30%. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de te late betaling het gevolg is van misbruik van bevoegdheid van [geïntimeerde] de arbeidsovereen-komst op te zeggen danwel sprake was van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en om die reden geen enkele matiging van de wettelijke verhoging gerechtvaardigd is, stuit dat betoog af op hetgeen hiervoor onder 3.6.3 reeds is overwogen.

Met grief 5 in principaal appel komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de wettelijke rente alleen over de toegewezen vorderingen wordt toegekend. Inzet van het hoger beroep is dat alle (geld)vorderingen - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ingesteld - alsnog worden toegewezen, met inbegrip van de daarover gevorderde wettelijke rente, aldus [appellant] .

Deze grief slaagt voor zover die betrekking heeft op de wettelijke rente over de (alsnog) toewijsbaar geachte wettelijke verhoging. Voor het overige faalt de grief, omdat de overige vorderingen worden afgewezen en de wettelijke rente het lot van deze hoofdvorderingen deelt.

Grief 6 in principaal appel is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 3.156,-. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat niet is aangetoond dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. [appellant] voert aan dat deze werkzaamheden wel zijn verricht en dat zij deze werkzaamheden over de periode van 9 tot en 20 december 2024 door middel van overlegging van een specificatie bij het verzoekschrift heeft aangetoond. Omdat op 20 december 2024 duidelijk was geworden dat [geïntimeerde] niet genegen was aan het verzoek van [appellant] tot ongedaanmaking van het ontslag te voldoen, zijn na 20 december 2024 werkzaamheden verricht ten behoeve van het starten van een procedure. Deze werkzaamheden bestonden onder meer uit het bespreken van de achtergronden van de zaak en de in te stellen vorderingen, het bestuderen van stukken, het adviseren van [appellant] , het opstellen van brieven en

e-mails aan [appellant] en het communiceren met de advocaat van [geïntimeerde] . Al deze werkzaamheden rechtvaardigen toewijzing van het hiervoor genoemde bedrag, aldus [appellant] .

De grief faalt. Daartoe is het volgende redengevend. Het is vaste rechtspraak dat verrichtingen voorafgaand aan het geding in beginsel worden gezien als voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak, en dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, wil sprake zijn van afzonderlijk voor (forfaitaire) vergoeding in aanmerking komende kosten. De in de artikelen 237 - 240 Rv bedoelde proceskosten plegen immers ook een vergoeding in te sluiten voor verrichtingen voorafgaand aan het geding, zoals die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak (vgl. onder meer HR 11 juli 2003, NJ 2003, 566 en HR 17 november 2006, NJ 2006, 621). De hiervoor onder 3.12 genoemde werkzaamheden zijn geen buitengerechtelijke werkzaamheden maar verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak.

Met grief 7 in principaal appel komt [appellant] op tegen de afwijzing van haar verzoek tot het verstrekken van bruto-netto specificaties en het verzoek tot het opleggen van een dwangsom. [appellant] voert in dit verband aan dat zij weliswaar thans loonstroken kan inzien en downloaden in het daarvoor beschikbare systeem maar dat die loonstroken compleet onnavolgbaar zijn. Zij meent daarom dat zij nog steeds belang heeft bij een veroordeling van [geïntimeerde] tot het verstrekken van (volledig begrijpelijke) specificaties met betrekking tot de aan haar verrichte betalingen, verrekeningen, wettelijke verhogingen, rente, kosten e.d., evenals oplegging van een dwangsom.

Ook deze grief faalt. Genoegzaam is gebleken dat [appellant] (inmiddels) toegang heeft tot Workday, het administratieve systeem van [geïntimeerde] waarbinnen zij de loonstroken kan raadplegen. Indien deze loonstroken enige onduidelijkheid bevatten, staat het [appellant] vrij zich met vragen daarover te wenden tot de HR-afdeling van [geïntimeerde] . Overigens is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan.

Met grief 8 in principaal appel, ten slotte, betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet de werkelijke door haar gemaakte proceskosten heeft toegewezen maar alleen forfaitaire bedragen. [appellant] meent dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] met het ontslag op staande voet - in de volle wetenschap dat dit ontslag niet houdbaar zou zijn - en haar weigering nadien om op eerste verzoek van [appellant] het ontslag ongedaan te maken, maken dat [geïntimeerde] alle kosten van rechtsbijstand - met inbegrip van de kosten die [appellant] van 21 december 2024 tot 11 maart 2025 heeft gemaakt - dient te dragen. Door de opstelling van [geïntimeerde] is [appellant] op kosten gejaagd terwijl haar geen enkele schuld treft en [geïntimeerde] heel goed wist, onder meer uit de e-mail van haar partner van 4 november 2024, hoe kwetsbaar zij was. Daarom is volgens [appellant] een veroordeling in de werkelijke proceskosten op zijn plaats.

Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan, ook in een verzoekschriftprocedure, alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Naar hiervoor onder 3.6.3 is overwogen, volgt uit de feiten en omstandigheden voorafgaand aan het ontslag op staande voet niet dat [geïntimeerde] met dat ontslag misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:13 BW heeft gemaakt dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] . Alhoewel [appellant] in haar recht stond het ontslag aan te vechten met het indienen van het verzoekschrift op 31 december 2024, is aannemelijk geworden dat het feit dat zij op laatstgenoemde datum nog geen reactie had ontvangen van [geïntimeerde] op haar protestbrief van 12 december 2024 mede het gevolg van de omstandigheid dat die brief was verzonden naar de raad van bestuur van [geïntimeerde] in plaats van naar de ondertekenaar van de ontslagbrief, zoals hiervoor onder 3.9 reeds is overwogen, waarbij ook nog komt dat tussen 12 en 31 december 2024 de feestdagen lagen. In zoverre is de opgetreden vertraging ook deels aan [appellant] zelf te wijten of komt deze voor haar risico. Maar hoe dan ook, op 2 januari 2025 was de kou uit de lucht nadat [geïntimeerde] zich bereid had verklaard het ontslag op staande voet terug te draaien en de arbeidsovereenkomst te doen herleven alsof deze nooit geëindigd was. Daarmee was een situatie ontstaan waarin het verzoekschrift had kunnen worden ingetrokken en partijen tot nadere afspraken hadden kunnen komen. [appellant] heeft evenwel de procedure bij de kantonrechter voortgezet, in welke procedure partijen elkaar over en weer verwijten zijn blijven maken. Het verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten stuit op bovenomschreven gang van zaken af. Grief 8 in principaal appel faalt.

In incidenteel appel

Met haar grief in incidenteel appel komt [geïntimeerde] op tegen de beslissing van de kantonrechter tot toekenning van de wettelijke verhoging van 10% over het loon van 6 december 2024 tot en met 31 december 2024 en over het gedeelte van het loon van januari 2025 dat na verrekening met de deelbetaling van 28 januari 2025 resteert. [geïntimeerde] verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en de wettelijke verhoging alsnog af te wijzen, althans te matigen tot nihil.

De grief faalt reeds omdat deze afstuit op hetgeen hiervoor onder 3.9 is overwogen met betrekking tot grief 4 in principaal appel.

In principaal en in incidenteel appel

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot andere oordelen kunnen leiden dan hiervoor vermeld.

De slotsom is dat de grieven 4 en 5 in principaal appel (gedeeltelijk) slagen en dat de overige grieven in principaal appel evenals de grief in incidenteel appel falen. De bestreden beschikking zal worden vernietigd uitsluitend voor zover daarbij de wettelijke verhoging is bepaald op 10%. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de wettelijke verhoging toewijzen tot 30% en voor het overige de bestreden beschikking bekrachtigen. [appellant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal appel. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in incidenteel appel omdat zij daarin ongelijk krijgt. De proceskosten worden overeenkomstig het liquidatietarief als volgt begroot:

In principaal appel:

- griffierecht € 827,-

- salaris advocaat € 2.428,- (tarief II, 2 punten)

Totaal € 3.255,-

In incidenteel appel:

- salaris advocaat € 1.214,- (helft tarief II, 2 punten)

In het incident

Het verzoek van [appellant] ex artikel 22 lid 7 Rv met betrekking tot vertrouwelijke gegevens, ten aanzien waarvan bij beschikking van 4 november 2025 is bepaald dat dit gelijktijdig met de hoofdzaak zal worden behandeld, wordt afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, valt niet in te zien wat de relevantie is van kennisneming van vertrouwelijke gegevens, zoals medische stukken, voor de beoordeling van het geschil tussen partijen. [appellant] heeft ook niet concreet toegelicht welke gegevens of stukken in het kader van welke stellingen relevant zijn voor de beslissing in de hoofdzaak.

[appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident ex artikel 22a Rv. Deze kosten bedragen € 1.214,-.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking doch uitsluitend onder II, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling aan [appellant] van 10% wettelijke verhoging over het loon van 6 december 2024 tot en met 31 december 2024 en over het gedeelte van het loon van januari 2025 dat na verrekening met de deelbetaling van 28 januari 2025 resteert, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van 30% wettelijke verhoging over het loon van 6 december 2024 tot en met 31 december 2024 en over het gedeelte van het loon van januari 2025 dat na verrekening met de deelbetaling van 28 januari 2025 resteert;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.255,-, bestaande uit € 827,- voor griffierecht en

€ 2.428,-voor salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.214,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident ex artikel 22a Rv, begroot op € 1.214,-;

verklaart deze beschikking ten aanzien van bovenstaande betalings- en kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. van der Burg, M.L.D. Akkaya en S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?