ECLI:NL:GHAMS:2026:777

ECLI:NL:GHAMS:2026:777

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer 23-001098-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:6872

Samenvatting

Ontnemingszaak. De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de verkoop van grote hoeveelheden hennepplanten en cannabis, het zonder erkenning onderhandelen over wapens en munitie en gewoontewitwassen van geldbedragen. Het hof acht aannemelijk dat deze misdrijven of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit bedrag, en de betalingsverplichting, wordt vastgesteld op € 118.657,31.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001098-24 (ontneming)

datum uitspraak: 20 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-256180-21 tegen de betrokkene:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 405.116,31.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2024 veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de verkoop van grote hoeveelheden hennepplanten en cannabis in de periode 26 maart 2020 tot 29 mei 2020, het zonder erkenning onderhandelen over wapens en munitie in de periode van 29 maart 2020 tot 2 juni 2020, en gewoontewitwassen van geldbedragen in de periode van 1 januari 2015 tot 3 november 2021. Het vonnis in de strafzaak is op 17 mei 2024 onherroepelijk geworden.

Verder heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 2 mei 2024 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 284.137,31 ter ontneming van het op hetzelfde bedrag vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de ontnemingszaak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de

rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting, overeenkomstig haar eerder bij conclusie van 30 januari 2026 ingenomen standpunt, gevorderd dat het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, wordt vastgesteld op € 284.136,24.

Ter onderbouwing heeft zij aansluiting gezocht bij het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022 en, in aanvulling daarop, het proces-verbaal van bevindingen ‘dubbeltelling en verklaring’ van 22 februari 2023. Vanwege een correctie op de (af)bouwkosten van de woonwagen, de betalingen aan [bedrijf 1] door de vader van de betrokkene en de schenkingen van de ouders en schoonouders van de betrokkene komt de advocaat-generaal op voornoemd bedrag van € 284.136,24.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verweer gevoerd overeenkomstig haar eerder bij conclusie van antwoord van 19 januari 2026 ingenomen standpunt.

Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, moet worden vastgesteld op € 50.260,19. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat niet het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022, maar de herberekening in het proces-verbaal van bevindingen ‘schenkingen en betalingen’ van 3 januari 2023, dat een onderdeel vormt van het aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 januari 2023, als uitgangspunt moet worden genomen. In dit rapport staat vermeld dat een bedrag van € 75.107,70 ‘onverklaarbaar’ is uitgegeven (op pagina 62). Vanwege een correctie in verband met betalingen aan [bedrijf 2] BV komt de raadsvrouw op voornoemd bedrag van € 50.260,19.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, moet worden vastgesteld op € 54.460,74. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de bedragen van drie posten in het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022 aanpassing behoeven. In de eerste plaats dient de post ‘beginsaldo’ te worden vastgesteld op een hoger bedrag, namelijk op € 48.115,70. Blijkens het door de betrokkene overgelegde kasboek genereerde de betrokkene immers sinds juni 2011 als zanger contante inkomsten en woonde hij tussen 2011 en 2015 nog bij zijn ouders waardoor hij een aanzienlijk deel hiervan heeft kunnen sparen. In de tweede plaats dient de post ‘legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen’ te worden vastgesteld op een hoger bedrag, namelijk op € 278.864,00. Bij het in het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022 vermelde bedrag van € 222.864,00 dienen namelijk de bedragen te worden opgeteld die verband houden met de schenking van de schoonouders van de betrokkene (€ 25.000,00), de betalingen van [persoon 1] en [persoon 2] aan de betrokkene en/of [bedrijf 2] BV voor het gebruik van huurauto’s (€ 6.000,00) en de betaling van [persoon 3] aan de betrokkene in verband met de verkoop van een Mercedes Benz (€ 25.000,00). Gecombineerd met het begin- en het eindsaldo had de betrokkene ((48.115,70 + 278.864,00) - 6.990,00 =) € 319.989,70 beschikbaar voor het doen van uitgaven. In de derde plaats dient de post ‘werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen’ te worden vastgesteld op een lager bedrag, namelijk op € 374.450,44. Van het bedrag aan bouwkosten dat is genoemd in het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022 dienen volgens de raadsvrouw de bedragen te worden afgetrokken die verband houden met opslagen en BTW, de te hoog geschatte bouwkosten en de door de vader van de betrokkene betaalde kosten. In voornoemd ontnemingsrapport wordt namelijk ten onrechte er van uitgegaan dat veel meer moet worden afgebouwd dan in werkelijkheid het geval was en wordt ten onrechte verondersteld dat sprake was van hoge kosten als gevolg van de inschakeling van (een) (professionele) (onder)aannemer(s). Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel (319.989,70 - 374.450,44 =) € 54.460,74 bedraagt.

Oordeel van het hof

Grondslag van de vordering

Zoals hiervoor vermeld, is de betrokkene bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2024 veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de verkoop van grote hoeveelheden hennepplanten en cannabis, het zonder erkenning onderhandelen over wapens en munitie en gewoontewitwassen van geldbedragen. Het hof acht aannemelijk dat deze misdrijven of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zoals bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof de bevindingen uit het ontnemingsrapport van 9 augustus 2022(hierna: het ontnemingsrapport) tot uitgangspunt genomen, met de daarop door het hof in dit arrest gemaakte correcties, en niet het aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 januari 2023. Reden hiervan is dat dit aanvullende rapport is opgemaakt naar aanleiding van onder meer het door de betrokkene verstrekte kasboek over de jaren 2011 tot en met 2021. Het hof is van oordeel dat dit kasboek teveel hiaten bevat om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene op te baseren. Zo blijkt uit dat kasboek dat het saldo vanaf april 2019 negatief wordt, hetgeen een feitelijke onmogelijkheid is. Daarnaast blijkt uit een analyse dat in de jaren 2017 (viermaal), 2018 (eenmaal) en 2019 (eenmaal) dubbele factuurnummers worden gebruikt en dat in de jaren 2017, 2018 en 2020 sprake is van ontbrekende factuurnummers. In de jaren 2016, 2017 en 2018 is bovendien sprake van dubbele boekingen waarbij, volgens de administratie van de betrokkene, bepaalde betalingen tegelijkertijd per bank en contant worden voldaan. Verder ontbreken in de administratie de bedragen die de betrokkene van [persoon 2] en [persoon 4] zou hebben ontvangen ten behoeve van de betalingen aan [bedrijf 2] BV. Het niet-vermelden van inkomsten vindt ook plaats met betrekking tot de verkoop van cd’s en de ontvangst van sponsorgelden. De betrokkene stelt dat hij van verschillende personen sponsorgelden ontving, maar deze transacties zijn niet terug te vinden in zijn kasboek. Dat het kasboek incompleet is, wordt ook bevestigd door de betrokkene zelf. Geconfronteerd met de bevinding dat een verkochte cd bij een optreden niet is terug te vinden in het kasboek, verklaarde de betrokkene: “Nee maar als ik er twee verkoop gaat het om € 20 dat ga ik er niet in zetten hoor” (proces-verbaal van verhoor verdachte op 11 januari 2023, pagina 7, doorgenummerde pagina 20). Het primaire verweer van de raadsvrouw wordt om deze reden verworpen.

In het ontnemingsrapport wordt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikgemaakt van een eenvoudige kasopstelling. In deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Het hof gaat hierna in op (de onderdelen van) deze posten en bespreekt daarbij eventueel gevoerde verweren.

Beschikbaar voor het doen van uitgaven

Beginsaldo contant geld

Het beginsaldo contant geld betreft het contante bedrag dat de betrokkene tot zijn beschikking kon hebben aan het begin van de onderzoeksperiode. In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een beginsaldo contant geld van € 520,00. Er is onderzoek verricht naar de bankafschriften van de betrokkene en zijn partner en er is onderzoek verricht naar de door de betrokkene opgegeven vermogensbestanddelen. Blijkens de bankafschriften heeft de betrokkene in 2015 geen contante opnames gedaan en heeft hij geen box 3 vermogen aangegeven in zijn aangifte van het jaar 2015. Hoewel van de betrokkene daarom niet bekend was hoeveel contant geld hij had, is in het ontnemingsrapport rekening gehouden met het maximale bedrag dat in 2015 contant voorhanden mocht zijn zonder dat dit aangegeven moest worden in box 3, te weten een bedrag van € 520,00. De advocaat-generaal heeft zich in haar berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel hierbij aangesloten.

Het voorgaande laat onverlet dat het hof aannemelijk acht dat de betrokkene op 1 januari 2015 een hoger beginsaldo contant geld voorhanden had dan het bedrag van € 520,00, waar het ontnemingsrapport en de advocaat-generaal in haar berekening van uitgaan. De betrokkene heeft op de terechtzitting in hoger beroep voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf relatief jonge leeftijd werkzaamheden verrichtte en daarmee contante inkomsten genereerde. Ook acht het hof aannemelijk dat hij een deel van zijn inkomsten kon sparen, omdat hij in de jaren 2011-2015 nog bij zijn ouders woonde.

Gelet op deze omstandigheden, de leeftijd van de betrokkene destijds en zijn uitgavenpatroon, schat het

hof het beginsaldo contant geld op een bedrag van € 10.000,00.

Het verweer van de raadsvrouw, dat moet worden uitgegaan van een hoger beginsaldo, te weten een bedrag van € 48.115,70, dient te worden verworpen, nu dit gegrond is op het kasboek van de betrokkene, welk kasboek, zoals hiervoor reeds overwogen, niet als uitgangspunt kan worden gehanteerd nu het teveel hiaten bevat.

Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen

In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen van

een totaalbedrag van € 222.864,16. Dit bedrag is opgebouwd uit contante ontvangsten van de betrokkene

vanuit legaal inkomen van € 82.877,16, contante opnamen van de betrokkene en zijn (ex-)partner vanaf bankrekeningen van € 13.660,00 en de verkoop van voertuigen voor een totaalbedrag van € 126.327,00.

Het hof is van oordeel dat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schenkingen heeft ontvangen van zijn ouders en (toenmalige) schoonouders van, respectievelijk, € 10.000,00 en € 25.000,00. Het hof baseert zich daarbij op de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de vader en schoonvader van de betrokkene. Daarnaast is het hof met de raadsvrouw, en anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat ook voldoende aannemelijk is gemaakt dat [persoon 4] € 5.000,00 en [persoon 2] € 1.000,00 aan de betrokkene en/of [bedrijf 2] BV hebben betaald ten behoeve van de huur van auto’s op naam van de betrokkene. Dit blijkt uit de verklaringen die [persoon 4] en [persoon 2] tegenover de rechter-commissaris hebben afgelegd. Het hof is ook met de raadsvrouw, en anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene van [persoon 3] een geldbedrag heeft ontvangen van € 25.000,00. Dit blijkt, behalve uit de eigen verklaring van de betrokkene, uit het e-mailbericht van [persoon 3] aan de raadsvrouw van 22 januari 2026. Hierin schrijft [persoon 3] dat hij destijds van de betrokkene een Mercedes C-Klasse Coupé in ontvangst heeft genomen en deze vervolgens heeft verkocht. De opbrengst was bestemd voor de aanschaf van een ander voertuig. De betreffende vennootschap is echter nadien failliet gegaan en in dat kader heeft [persoon 3] zich destijds ‘persoonlijk garant gesteld’ voor de afbetaling van deze schuld. [persoon 3] schrijft in zijn e-mailbericht dat hij in 2020 een totaalbedrag van € 25.000,00 in contanten aan de betrokkene heeft betaald.

Nu het hof voornoemde betaling door [persoon 3] meeneemt in de kasopstelling, behoeft het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw tot het horen van [persoon 3] als getuige geen bespreking meer.

Op basis van het voorgaande schat het hof de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen op een bedrag van (222.864,16 + 25.000,00 + 10.000,00 + 5.000,00 + 1.000,00 + 25.000,00 =) € 288.864,16.

Eindsaldo contant geld

Bij de doorzoeking op 3 november 2021 van de woning van de betrokkene werd een contant geldbedrag

van € 6.990,00 inbeslaggenomen. Het hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het

eindsaldo contant geld daarom uit van een bedrag van € 6.990,00. De hoogte van dit bedrag is door de advocaat-generaal en de verdediging ook niet betwist.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene een bedrag van ((10.000,00 + 288.864,16) - 6.990,00 =) € 291.874,16 beschikbaar had voor het doen van uitgaven.

Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen

In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen van een totaalbedrag van € 617.610,47. Dit bedrag is opgebouwd uit contante stortingen op bankrekeningen van € 36.750,00, contante uitgaven van € 298.057,47 en de afbouwkosten van de woonwagen van de betrokkene voor een bedrag van € 282.803,00.

Contante stortingen op bankrekeningen

In de onderzoeksperiode zijn de volgende contante stortingen gedaan op de bankrekeningen van de betrokkene in de jaren 2015 tot en met 2021: € 19.500,00 in 2015, € 12.650,00 in 2016, € 600,00 in 2019 en € 4.000,00 in 2020. Dit betekent een totaalbedrag van € 36.750,00. Het hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft de contante stortingen op bankrekeningen uit van een bedrag van € 36.750,00. De hoogte van dit bedrag is door de advocaat-generaal en de verdediging ook niet betwist.

Contante uitgaven

In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een bedrag van € 298.057,47 aan contante uitgaven, die in bijlage 2 bij het ontnemingsrapport zijn uiteengezet. Ten aanzien van de posten [bedrijf 2] BV en [bedrijf 1] is verweer gevoerd.

Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de betrokkene, overeenkomstig het ontnemingsrapport, een bedrag van € 46.588,44 contant heeft uitgegeven aan [bedrijf 2] BV. Uit de door [bedrijf 2] BV aan de politie verstrekte gegevens blijkt immers dat door de betrokkene de volgende bedragen contant aan het bedrijf zijn betaald: € 21.847,51 in 2018, € 19.740,93 in 2019 en € 5.000,00 in 2020. Dit betekent een totaalbedrag van € 46.588,44. Het verweer van de raadsvrouw dat de betrokkene niet méér contant aan [bedrijf 2] BV heeft betaald dan het bedrag dat hij in verband met die betalingen in het kasboek heeft genoteerd, wordt verworpen. Om de redenen die het hof reeds uiteen heeft gezet, kan het kasboek van de betrokkene immers niet als uitgangspunt worden genomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof is evenwel met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat een deel van de kleding die bij [bedrijf 1] is gekocht, aankopen betreffen die door de vader van de betrokkene zijn gedaan. In bijlage 2 bij het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een bedrag aan contant betaalde kleding bij [bedrijf 1] van € 6.351,19. Het hof schat, evenals de rechtbank, de kosten van de betrokkene op de helft van dit bedrag, (afgerond) € 3.176,00.

Hieruit volgt dat de contante uitgaven in het ontnemingsrapport, in het voordeel van de betrokkene, met een bedrag van € 3.176,00 moeten worden verminderd.

(Ver)bouwkosten woonwagen

In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een bedrag van € 282.803,00 aan (ver)bouwkosten voor de woonwagen van de betrokkene.

Het hof constateert dat dit bedrag voor € 200.997,00 bestaat uit ‘directe bouwkosten bouwkundig’ en voor het overige uit ‘opslagen’ en ‘21% BTW’. Het hof is, met de raadsvrouw en de advocaat-generaal, van oordeel dat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de (ver)bouw van de woonwagen voor een groot deel in eigen beheer is gedaan en derhalve geen professionele (onder)aannemers zijn ingeschakeld. Ook is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de betrokkene niet of nauwelijks BTW heeft betaald over de door hem aangeschafte bouwmaterialen. Zo blijkt uit een telefoonbericht tussen de betrokkene en een leverancier van stenen dat de factuur ‘uiteraard intern en uit de boeken’ wordt gehouden. Dat betekent dat de opslagen en BTW niet bij de betrokkene in rekening zijn gebracht en dus niet door hem zijn betaald. De vraag is vervolgens of op het (resterende) bedrag van € 200.997,00 aan directe bouwkosten nog andere bedragen in mindering moeten worden gebracht. Hierbij neemt het hof het volgende in overweging. Het hof acht het aannemelijk dat een aantal onderdelen die zijn betrokken bij de berekening van de (ver)bouwkosten reeds in de casco woonwagen waren inbegrepen, zoals de betrokkene op de terechtzitting heeft verklaard en met foto’s van de (casco) woonwagen heeft onderbouwd. Daarnaast acht het hof aannemelijk dat de vader van de betrokkene, blijkens zijn eigen verklaring bij de rechter-commissaris, een deel van de keuken en (een deel van) de badkamer heeft (aan)betaald. De betrokkene heeft op de terechtzitting in hoger beroep desgevraagd het door hemzelf contant uitgegeven bedrag aan (ver)bouwkosten van de woonwagen geschat op € 50.000,00. Deze schatting vindt het hof, gelet ook op de luxueuze afwerking van de woonwagen van de betrokkene, niet aannemelijk geworden. Het hof schat daarom dat de betrokkene een bedrag van ten minste € 75.000,00 heeft uitgegeven aan (ver)bouwkosten voor zijn woonwagen.

Hieruit volgt dat de (ver)bouwkosten van de woonwagen in het ontnemingsrapport, in het voordeel van de betrokkene, met een bedrag van (282.803,00 - 75.000,00 =) € 207.803,00 moeten worden verminderd.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat een bedrag van (3.176,00 + 207.803,00 =) € 210.979,00 in mindering moet worden gebracht op het bedrag aan werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen van € 617.610,47, zoals opgenomen in het ontnemingsrapport. Dat betekent dat de betrokkene een bedrag van (617.610,47 - 210.979,00 =) € 406.631,47 werkelijk contant heeft uitgegeven inclusief bankstortingen.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het verschil tussen het bedrag dat de betrokkene en zijn (ex-)partner [persoon 5] beschikbaar hadden voor het doen van uitgaven enerzijds en het bedrag dat zij werkelijk contant hebben uitgegeven anderzijds, is (291.874,16 - 406.631,47 =) € - 114.757,31. Hieruit volgt dat sprake is van onbekende ontvangsten. Men kan immers niet meer uitgeven dan men aan geld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante ontvangstenbron. Van deze onbekende ontvangstenbron van € 114.757,31 kan worden aangenomen dat deze ten minste gelijk is aan het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen dubbeltelling en verklaring van 22 februari 2023 moet een wijziging worden aangebracht op het ontnemingsrapport. Enerzijds omdat een dubbeltelling in het ontnemingsrapport was opgenomen, waardoor het bedrag met € 4.100,00 moet worden verminderd. Anderzijds omdat de betrokkene op 2 februari 2023 heeft verklaard dat hij ook stoelen en een tafel heeft gekocht voor € 8.000,00 tot € 10.000,00, zodat het bedrag met € 8.000,00 moet worden vermeerderd.

Gelet op het voorgaande kan het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op (114.757,31 - 4.100 + 8.000 =) € 118.657,31.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de betrokkene de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 284.137,31.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom een lagere betalingsverplichting moet worden opgelegd dan het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Oordeel van het hof

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 118.657,31.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 118.657,31 (honderdachttienduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en eenendertig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 118.657,31 (honderdachttienduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en eenendertig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.095 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. M. Senden en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2026.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.G. Hijink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?