ECLI:NL:GHAMS:2026:782

ECLI:NL:GHAMS:2026:782

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 200.358.465/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Kinder- en partneralimentatie. Ingangsdatum. Terugwerkende kracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.358.465/01

zaaknummer rechtbank: C/13/747078 / FA RK 24-1317

beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. D.M.A. Bahadori-Al Dulaimi te Zwolle.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt na te noemen minderjarigen:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (5 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar) en de partneralimentatie.

De rechtbank heeft de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking (22 mei 2025) bepaald op € 50,- per kind per maand. Over de partneralimentatie is geen beslissing genomen, omdat de vrouw dat verzoek ter zitting had ingetrokken.

De man is het daar niet mee eens. Hij wil een lagere kinderalimentatie betalen met een eerdere ingangsdatum, namelijk 19 maart 2024. Ook wil hij dat wordt vastgelegd dat hij geen partneralimentatie hoeft te betalen met ingang van 19 maart 2024.

Het hof laat de beslissing over de partneralimentatie in stand. De kinderalimentatie wordt verlaagd met ingang van 19 maart 2024.

2. De procedure in hoger beroep

De man is op 21 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

De vrouw heeft op 21 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast een bericht van de zijde van man van 16 januari 2026 met bijlagen ontvangen.

De zitting heeft op 29 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat,

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door H. Ball-Ponne, tolk in de Arabisch-Marokkaanse taal.

De advocaat van de man heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2019 te [plaats C] , Marokko. Bij de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 22 mei 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit. De man heeft de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2020 en

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2022.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 maart 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de dag van die beschikking een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) aan de vrouw dient te betalen van € 600,- per kind per maand en een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) van € 800,- per maand. De man heeft geen verweer gevoerd in deze procedure.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 1 juli 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de man om wijziging van de bij beslissing van 19 maart 2024 getroffen voorlopige voorzieningen ten aanzien van de vastgestelde kinder- en partneralimentatie afgewezen.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 mei 2025 heeft de rechtbank met wijziging van de beschikking van 19 maart 2024 bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2025 een kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand dient te voldoen aan de vrouw en de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie per 1 mei 2025 op nihil gesteld.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking (22 mei 2025) een kinderalimentatie van € 50,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De vrouw heeft haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen partneralimentatie ter zitting bij de rechtbank ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer heeft beslist.

De man verzoekt, na wijziging van zijn verzoek ter zitting in hoger beroep, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin de alimentatieverlaging niet met terugwerkende kracht is vastgesteld, te bepalen dat de man primair een kinderalimentatie dient te voldoen van € 25,- per kind per maand vanaf 19 maart 2024, waarbij het reeds door de man meer betaalde niet hoeft te worden terugbetaald. Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat hij een kinderalimentatie dient te betalen van € 30,- per kind per maand voor de periode vanaf 19 maart 2024 tot en met 31 december 2024 en een kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand vanaf 1 januari 2025.

Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie, met terugwerkende kracht geldt vanaf 19 maart 2024, althans met ingang van een eerdere datum die het hof juist acht.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de proceskosten van het hoger beroep.

5. De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vrouw de Marokkaanse nationaliteit heeft en de man de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. Het hof stelt vast dat de rechtbank in haar beschikking van 22 mei 2025 met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken van partijen kennis te nemen, gelet op artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008). De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Ontvankelijkheid

Het meest verstrekkende verweer van de vrouw is dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep. De man heeft in werkelijkheid hoger beroep ingesteld tegen de beschikking voorlopige voorzieningen. Daartegen staat geen hoger beroep open. De wet kent slechts de wijzigingsroute van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv), maar van de in dit artikel genoemde wijzigingsgronden is geen sprake. De man dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de vrouw.

De man betoogt dat zijn beroep is gericht tegen de bestreden beschikking en niet tegen de beschikking voorlopige voorzieningen. Hij heeft binnen de wettelijke termijn hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 22 mei 2025.

Het hof maakt uit het beroepschrift op dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking, hoewel de man veelvuldig naar de beschikkingen voorlopige voorzieningen verwijst. Het hof zal de man daarom ontvangen in zijn beroepschrift.

De man heeft meerdere grieven aangevoerd en het hof zal die gezamenlijk beoordelen. Samengevat komen de grieven erop neer dat de man verzoekt dat de beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie zal gelden met ingang van 19 maart 2024. Voor zover de grieven zich (ook) richten tegen een van de beschikkingen voorlopige voorzieningen, zal het hof daarop hierna ingaan.

Partneralimentatie

Uit de bestreden beschikking volgt dat de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie in de bodemprocedure heeft ingetrokken. Wel is bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 maart 2024 bepaald dat de man een partneralimentatie moet betalen van € 800,- per maand met ingang van 19 maart 2024. Deze bijdrage is bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 mei 2025 op nihil gesteld per 1 mei 2025.

De man wil dat de door hem te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf 19 maart 2024 op nihil wordt gesteld. Hij voert daartoe aan dat de partneralimentatie van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, omdat hij onvoldoende draagkracht had. Daarnaast stelt hij dat de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie bij de rechtbank heeft ingetrokken. Volgens de man dient deze intrekking te gelden vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding door de vrouw. Dit betekent dat de partneralimentatie met terugwerkende kracht op nihil dient te worden gesteld.

De vrouw is van mening dat terugwerkende kracht zou leiden tot rechtsongelijkheid en onduidelijkheid voor haar. Zij baseert haar financiële planning op de beschikking van 22 mei 2025.

Deze procedure betreft het hoger beroep tegen de beschikking van 22 mei 2025. Die beschikking is gegeven op verzoek van de vrouw. In haar inleidende verzoekschrift heeft zij, naast het verzoek om de echtscheiding uit te spreken, een aantal nevenverzoeken gedaan. Het nevenverzoek dat betrekking had op de partneralimentatie, heeft zij echter ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling.

Omdat het verzoek om partneralimentatie is ingetrokken, heeft de rechtbank geen inhoudelijke beslissing gegeven op dit punt. Er is dan ook geen beslissing ten aanzien van de partneralimentatie waartegen hoger beroep openstaat. Alleen al om deze reden wijst het hof het verzoek van de man om de partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 19 maart 2024 af. Bovendien volgt uit de wet dat de partneralimentatie niet kan ingaan op een datum die is gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Ook om die reden zal het hof het verzoek van de man afwijzen.

Voor zover de man heeft willen betogen dat een intrekking van het verzoek om partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure ook betekent dat het verzoek om partneralimentatie in de voorlopige voorzieningenprocedure is komen te vervallen, gaat het hof daaraan voorbij. Het betreft twee verschillende procedures. De beslissing ten aanzien van de partneralimentatie in de voorlopige voorzieningenprocedure betreft een ordemaatregel, waaraan een andere rechtsgrond ten grondslag ligt. Immers, op dat moment waren partijen nog gehuwd en waren zij verplicht elkaar het nodige te verschaffen (artikel 1:81 BW). De grondslag voor partneralimentatie na de echtscheiding daarentegen is gelegen in de lotsverbondenheid die is ontstaan als gevolg van het huwelijk (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695).

Voor zover de man heeft bedoeld te verzoeken de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 maart 2024 te wijzigen, overweegt het hof dat dit niet mogelijk is in deze echtscheidingsprocedure. Immers, daarvoor dient hij een procedure tot wijziging van de voorlopige voorzieningen te voeren.

Kinderalimentatie

Overeenkomstig het aanbod van de man in zijn verweerschrift in eerste aanleg is bij de bestreden beschikking de kinderalimentatie bepaald op € 50,- per kind per maand, met ingang van 22 mei 2025.

De kinderalimentatie is bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 maart 2024 bepaald op € 600,- per kind per maand met ingang van 19 maart 2024 en bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 mei 2025 gewijzigd naar € 25,- per kind per maand met ingang van 1 mei 2025.

De man stelt in hoger beroep dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 19 maart 2024 moet worden vastgesteld op € 25,- per kind per maand, omdat hij van meet af aan niet over voldoende draagkracht heeft beschikt om de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen, zoals blijkt uit de financiële stukken die hij heeft overgelegd. De ontstane alimentatieschuld heeft geleid tot stressklachten bij de man en een verslechtering van zijn mentale gezondheid. Doordat hij arbeidsongeschikt is, ontbreekt de verdiencapaciteit. Hij is onder behandeling van een psycholoog en hij ontvangt inmiddels een ziektewetuitkering. De man heeft € 30,- per kind per maand betaald vanaf 19 maart 2024 en € 32,- per kind per maand vanaf 1 januari 2025 tot en met 22 mei 2025. Voor zover hij al meer zou hebben betaald dan waartoe hij verplicht zou zijn als wordt uitgegaan van € 25,- per kind per maand met ingang van 19 maart 2024, hoeft hij dat niet terug. Er zal geen sprake van een terugbetalingsverplichting door de vrouw. Een wijziging met terugwerkende kracht zou de vrouw dan ook niet financieel benadelen, aldus de man.

De vrouw wijst erop dat de man in de procedure voorlopige voorzieningen onvoldoende concrete financiële gegevens heeft aangeleverd. Ook nu is sprake van onvoldoende gegevens. De fiscale stukken zijn onvolledig en niet verifieerbaar. In de aangifte IB 2024 zijn veel gegevens onleesbaar gemaakt, zonder toelichting. De stukken roepen eerder vragen op dan dat ze duidelijkheid geven. Het ligt op de weg van de man om duidelijkheid te verschaffen over zijn inkomsten en dat heeft hij nagelaten. De vrouw heeft schade geleden. Als de man de vastgelegde alimentatie had betaald, had zij geen bijstandsuitkering hoeven aanvragen, aldus de vrouw.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft eerder verzocht om een wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 maart 2024, maar dat verzoek is bij beschikking van 1 juli 2024 afgewezen, omdat de man, in het licht van de betwisting door de vrouw, onvoldoende met financiële stukken heeft onderbouwd dat de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat tot wijziging moet worden besloten. Voor zover de eerste grief van de man tegen deze beschikking is gericht, faalt de grief. Immers, zoals het hof hiervoor ook heeft overwogen, betreft de onderhavige procedure geen procedure tot wijziging van de voorlopige voorzieningen, maar een procedure waarin de man wijziging wenst van een vastgestelde nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure.

Het hof begrijpt de grieven van de man echter aldus, dat hij (ook) van mening is dat de nevenvoorziening op een eerdere datum dan de echtscheidingsbeschikking moet ingaan. Daarnaast verzoekt hij de bijdrage op een lager bedrag vast te stellen.

Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende onderbouwd met financiële stukken dat hij al geruime tijd geen draagkracht heeft om meer dan € 25,- per kind per maand te betalen. Tot 1 mei 2024 heeft de man (geringe) inkomsten uit zijn eigen onderneming gehad. Vanaf 1 mei 2024 tot en met 31 december 2024 is hij werkzaam geweest in loondienst voor 20 uur per week, waarbij hij een loon ontving van € 1.600,- bruto per maand, zoals blijkt uit de overgelegde arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties. Uit de aangifte IB 2024, in combinatie met de aanslag 2024, blijkt naar het oordeel van het hof, ondanks de vele weggelakte stukken, voldoende dat de man naast een verlies van € 6.683,- in zijn onderneming, een inkomen uit loondienst had van € 14.174,-. Vanaf 1 januari 2025 tot en met 28 februari 2025 heeft de man een WW-uitkering van € 1.032,- bruto per maand ontvangen en vanaf 1 maart 2025 een ZW-uitkering van € 963,- bruto per maand. Met ingang van 1 april 2025 tot op heden ontvangt de man een ZW-uitkering van € 1.066,- bruto per maand. Hieruit volgt dat de man sinds 19 maart 2024 een inkomen heeft op of onder bijstandsniveau. Naar het oordeel van het hof heeft de man daarmee voldoende aangetoond dat hij vanaf 19 maart 2024 onvoldoende draagkracht heeft gehad om een hogere kinderalimentatie te kunnen voldoen dan de door hem aangeboden € 25,- per kind per maand.

Ingangsdatum

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Daarbij heeft te gelden dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum.

Op grond van artikel 826 lid 1 Rv verliest de beschikking voorlopige voorziening in beginsel pas op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zijn werking, tenzij de rechter in de echtscheidingsprocedure met ingang van een eerdere datum dan die inschrijvingsdatum, bijvoorbeeld met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking of de beschikking voorlopige voorzieningen, een andere kinderalimentatie bepaalt.

De man heeft naar eigen zeggen een kinderalimentatie van € 30,- per kind per maand betaald vanaf 19 maart 2024, hetgeen de vrouw niet heeft betwist. De man heeft aangegeven dat de vrouw de teveel ontvangen kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen. Het hof neemt in aanmerking dat bij een ingangsdatum van 19 maart 2024 dan ook geen sprake zal zijn van een terugbetalingsverplichting voor de vrouw. Het hof zal de kinderalimentatie daarom bepalen op € 25,- per kind per maand met ingang van 19 maart 2024, met dien verstande dat voor zover de man over de periode vanaf 19 maart 2024 tot heden meer heeft voldaan, de bijdrage tot heden wordt bepaald op de bedragen die de man heeft betaald of die op hem zijn verhaald. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook vernietigen.

Met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 juli 2025 in rechtsoverweging 3.2.6. (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de man verschuldigde kinderalimentatie te verhogen per 1 januari 2025 en 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (19 maart 2024).

Voor het inkomen van de vrouw heeft toepassing van een indexering, gelijk aan de wettelijke indexering geen gevolgen. Immers, zij ontvangt een uitkering krachtens de Participatiewet. Een ontvangen alimentatie uitkering wordt hierop in mindering gebracht. Anderzijds moet de man zowel in 2024 als in 2025 rondkomen van een inkomen op of onder bijstandsniveau. Gelet op deze omstandigheden zal het hof de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2025 en 1 januari 2026 niet verhogen met enige indexering.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding voor een kostenveroordeling van de man in hoger beroep. Het hof zal de kosten compenseren.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover die ziet op de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 maart 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 25,- (zegge: vijfentwintig euro) per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat, voor zover de man vanaf 19 maart 2024 meer aan de vrouw heeft voldaan dan de in deze beschikking vastgestelde kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand vanaf 19 maart 2024, de door de man te betalen bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen wordt bepaald op de bedragen die de man heeft betaald of die op hem zijn verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Blijleven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?