ECLI:NL:GHAMS:2026:783

ECLI:NL:GHAMS:2026:783

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 200.358.455/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

wijziging kinderalimentatie meerdere periodes, terugwerkende kracht

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.358.455/01

zaaknummer rechtbank: C/15/338991 FA RK 23-1826

beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

verzoeker,

hierna: de vader,

advocaat: mr. A. Bootsma te Leiden ,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,

verweerster,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. F.J. ten Seldam te Limmen.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en

- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (15 jaar) en [minderjarige 2] (14 jaar). De rechtbank heeft de door partijen in het ouderschapsplan van 2018 vastgestelde, door de vader aan de moeder te betalen, kinderalimentatie met terugwerkende kracht verhoogd voor verschillende periodes.

De vader is het daar niet mee eens en is van mening dat de ingangsdatum voor de wijziging niet juist is. Daarnaast is de vader van mening dat de vastgestelde bedragen te hoog zijn, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten voor zijn derde kind met zijn huidige partner, met de zorgkorting en met de verdiencapaciteit van de moeder.

De moeder verzoekt om het hoger beroep ongegrond te verklaren en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

Het hof is van oordeel dat een aantal van de door de vader opgeworpen bezwaren tegen de beschikking terecht is opgeworpen, waardoor het hof de beschikking van de rechtbank zal vernietigen en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie in verschillende periodes opnieuw zal berekenen en vaststellen.

2. De procedure in hoger beroep

De vader is op 21 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).

De moeder heeft op 6 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 15 januari 2026 met producties 9 t/m 17

- een bericht van de zijde van de moeder van 16 januari 2026 met producties 6 t/m 11

- een bericht van de zijde van de vader van 21 januari 2026 met productie 18.

De zitting heeft op 29 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door mr. C.H.C. Houben, kantoorgenoot van mr. Bootsma,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

Mr. Houben heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3. De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats C] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012, te [plaats C] .

De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest van [datum] 2009 tot 13 maart 2018.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018 is bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan en convenant deel uitmaken van de beschikking.

Hierin hebben partijen vastgelegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: de kinderen) hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, dat de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen gelijk verdeeld worden en dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie voldoet van € 62,50 per kind, per maand.

Bij beschikking van de rechtbank van 28 december 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling geduurd heeft tot 28 juni 2023.

Bij beschikking van de rechtbank van 9 mei 2022 is de zorgregeling gewijzigd naar een regeling waarbij de kinderen een weekend per twee weken alsmede de helft van de vakanties bij de vader verblijven.

De kinderen verblijven na de zomer van 2023 niet meer bij de vader.

De vader is [in] 2024 getrouwd met mevrouw [naam 1] . Uit dit huwelijk is [in] 2025 [minderjarige 3] geboren, hierna te noemen [minderjarige 3] .

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de moeder, uitvoerbaar bij voorraad, de kinderalimentatie gewijzigd in die zin, dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie voldoet van:

- € 213,- per kind, per maand in de periode van 19 april 2023 tot 1 januari 2024;

- € 355,- per kind, per maand in de periode van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025;

- € 389,- per kind, per maand vanaf 1 januari 2025; toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

Deze alimentatie bedraagt met ingang van 1 januari 2026 vanwege de wettelijke indexering € 406,89 per kind, per maand.

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

- te bepalen dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie voldoet van € 113,- per kind, per maand vanaf 22 mei 2025, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, en

- de moeder te veroordelen tot betaling van € 12.008,33 aan de vader, wegens onverschuldigde betaling, alsmede tot betaling van het nader te betalen bedrag dat tot heden te veel is ontvangen als gevolg van een eventuele wijziging van de ingangsdatum van de alimentatie in de onderhavige procedure.

De moeder verzoekt het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018, waardoor de alimentatie dient te worden herzien.

Het hof zal hierna eerst de geschilpunten tussen partijen beoordelen en vervolgens vaststellen wat dit betekent voor de verschillende periodes van de door de vader te betalen kinderalimentatie.

Ingangsdatum/terugwerkende kracht (grief 1)

De ingangsdatum voor de opnieuw te berekenen alimentatie is tussen partijen in geschil. De vader heeft in zijn eerste grief aangevoerd dat de rechtbank bij het bepalen van de ingangsdatum voor de wijziging van de kinderalimentatie ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de datum van indiening van het inleidende verzoek door de moeder, te weten 19 april 2023. De vader is van mening dat uitgegaan moet worden van de datum van de bestreden beschikking, te weten 22 mei 2025. Hij voert daartoe het volgende aan. De moeder is de alimentatieprocedure gestart tijdens het nog lopende hulpverleningstraject en was niet tot onderling overleg bereid. De moeder had in het hulpverleningstraject nog laten weten dat zij financieel in staat was de kosten van de kinderen te voldoen met de op dat moment geldende alimentatie, toen kwam uit het niets de brief van haar advocaat.

De moeder heeft aanvankelijk op basis van een alimentatieberekening een alimentatie verzocht van € 291,- per kind, per maand en heeft pas op 20 maart 2025 haar verzoeken vermeerderd in die zin dat zij met ingang van 1 januari 2024 om een bijdrage van € 355,- per kind, per maand heeft verzocht en met ingang van 1 januari 2025 om een bijdrage van € 398,- per kind, per maand. De vader kon vanwege deze vermeerdering van het verzoek gedurende de procedure niet al vanaf 19 april 2023 rekening houden met de door de rechtbank vastgestelde alimentatie van deze hoogte.

De vader voert aan dat de kinderalimentatie daarom tenminste tot 20 maart 2025 zou moeten worden gemaximaliseerd tot het door de moeder aanvankelijk verzochte bedrag van € 291,- per kind, per maand.

Tot slot voert de vader aan dat de gevolgen van de vaststelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht voor hem groot zijn. Hij moest daarom ineens € 12.187,62 betalen en heeft hiervoor een lening moeten afsluiten bij zijn werkgever.

De vader heeft het bedrag onder protest aan de moeder voldaan omdat de moeder het LBIO had ingeschakeld ter incasso van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie.

De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank om uit te gaan van de datum van indiening van haar verzoekschrift. Zij voert aan dat zij een kinderalimentatie wilde conform de wettelijke maatstaven, en dat zij vrij is een verzoek in te dienen. Het was juist de vader die een snel verloop van de procedure tegen hield, hij wilde niet meewerken aan een behandeling van de zaak door de landelijke inloopkamer. De vader wist dat er wijzigingen waren geweest waardoor de alimentatie hoger zou uitvallen, zoals het wegvallen van de zorgkorting. Dat de moeder pas later in de procedure om een hogere alimentatie heeft verzocht doet daar niet aan af. Zij heeft haar verzoek aangepast, nadat de vader zijn financiële gegevens in de procedure had overgelegd.

Beoordeling door het hof

De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (wijziging van de) alimentatieverplichting. De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit aanzienlijke gevolgen voor (de financiële positie van) partijen kan hebben. Het hof ziet in dit geval aanleiding om evenals de rechtbank uit te gaan van 19 april 2023 als ingangsdatum voor een gewijzigde kinderalimentatie waarbij de hoogte van de kinderalimentatie tot 1 april 2025 gemaximeerd is tot € 291,- per kind per maand en legt hierna uit waarom het tot deze datum en begrenzing van de hoogte is gekomen.

Met de moeder is het hof van oordeel dat de vader vanaf de datum van indiening van haar inleidende verzoekschrift (19 april 2023) op de hoogte was van het verzoek om de kinderalimentatie te verhogen. De vader had daar rekening mee kunnen houden. Maar met de vader is het hof van oordeel dat de vader tot de datum van de vermeerdering van het verzoek van de moeder (20 maart 2025) er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de hoogte van de door hem te betalen kinderalimentatie maximaal € 291,- per kind per maand zou kunnen gaan bedragen. Dit is de kinderalimentatie die de moeder blijkens haar inleidende verzoek had berekend op basis van de toen actuele financiële gegevens van beide ouders in 2022 en die zij, zonder voorbehoud, had verzocht. De vader mocht daarom vertrouwen op en kon rekening houden met een bedrag van maximaal € 291,- per kind per maand. Eerst op 20 maart 2025 heeft de moeder de rechtbank om een hogere bijdrage verzocht, waarmee de vader vanaf dat moment rekening kon gaan houden. Het hof zal gelet op het voorafgaande over de periode tot 1 april 2025 de kinderalimentatie maximeren tot € 291,- per kind per maand, waarbij is gekozen voor de eerste van de maand volgend op 20 maart 2025 omdat kinderalimentatie maandelijks wordt betaald. Pas vanaf 1 april 2025 kan van de vader gevergd worden een hogere bijdrage te betalen, zoals hierna onder 5.19 e.v. zal worden berekend en vastgesteld.

Grieven 2 t/m 5

In zijn grieven twee tot en met vijf voert de vader aan dat de kinderalimentatie door de rechtbank onjuist vastgesteld is omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de verdiencapaciteit van de moeder en de geboorte van het jongste kind van de vader. De zorgkorting van de vader voor de kinderen is volgens de vader ten onrechte op 0% vastgesteld.

Het hof zal hierna per genoemd geschilpunt de standpunten van partijen samengevat weergeven en een oordeel geven.

Zorgkorting

De vader voert aan dat hij in 2018, na het uiteengaan van partijen, toestemming heeft gegeven aan de moeder om met de kinderen naar [plaats B] te verhuizen mits het co-ouderschap in stand zou blijven. Volgens de vader ontstonden daarna problemen, waarbij hij steeds meer buiten spel werd gezet en dat dit uiteindelijk ertoe heeft geleid dat de kinderen hem helemaal niet meer zien, dit tot zijn groot verdriet. De vader voert verder aan dat het rapport Alimentatienormen (het Trema rapport) onder 4.3.5. bepaalt:

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang. In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Door een zorgkorting te hanteren van 0% wordt iedere prikkel bij de moeder weggenomen om herstel van het contact tussen de vader en de kinderen te stimuleren. De vader wil uitgaan van een zorgkorting van 15%, dan wel in ieder geval 5%.

De moeder betoogt dat de vader feitelijk niet meer de zorg voor de kinderen heeft en geen kosten maakt. De zorgkorting is door de rechtbank dan ook terecht bepaald op 0%.

De vader kijkt bovendien niet naar zijn eigen gedrag dat mede heeft veroorzaakt dat de kinderen niet meer bij hem willen komen (hij luistert niet naar de kinderen, sluit niet aan bij hun belevingswereld en geeft moeder de schuld). De co-ouderschapsregeling is op advies van de jeugdbeschermer gewijzigd omdat de ouders niet in staat zijn om het ouderschap samen vorm te geven en de kinderen in een loyaliteitsconflict zijn beland.

Beoordeling door het hof

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.8 geciteerd bedraagt de zorgkorting in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel in de kosten van de kinderen, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang. Het hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. Daarvoor is het volgende van belang.

Vast staat dat partijen samen het ouderlijk gezag over hun kinderen hebben. Tussen de vader en de kinderen is een zorgregeling van kracht die inhoudt dat de kinderen een weekend per twee weken alsmede de helft van de vakanties bij de vader verblijven. Feitelijk hebben de kinderen en hun vader al geruime tijd geen contact meer met elkaar. Gebleken is dat vader meerdere pogingen doet om het contact met de kinderen te herstellen. Daarin lijkt de vader behoedzaam te handelen om zo min mogelijk druk bij de kinderen te leggen. Het is de wens van de vader dat het contact tussen hem en de kinderen wordt hersteld. In de onderhavige procedure is niet gebleken van ontzeggingsgronden, waaruit zou volgen dat omgang tussen de vader en de kinderen niet in het belang van de kinderen zou zijn. Het hof acht het dan ook niet uitgesloten dat op enig moment de huidige blokkade in het contact doorbroken wordt en het hof zal bij de berekening van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen aan de zijde van de vader daarom een zorgkorting hanteren van 5%, het percentage dat uitgaat van gedeelde zorg gedurende minder dan een dag per week.

Geboorte [minderjarige 3]

Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de geboorte van zijn jongste kind. De vader voert aan al voor de geboorte van [minderjarige 3] [in] 2025 kosten te hebben gemaakt, waarmee rekening moet worden gehouden, in die zin dat zijn draagkracht vanaf 1 mei 2025 over zijn drie kinderen verdeeld wordt.

De moeder is in hoger beroep van mening dat pas vanaf de geboorte van [minderjarige 3] rekening kan worden gehouden met de kosten die de vader voor haar heeft.

Beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat pas vanaf de geboorte van [minderjarige 3] een onderhoudsplicht jegens haar ontstaat en rekening dient te worden gehouden met de kosten die de vader voor haar heeft. Er is geen grond om van een eerdere datum dan de datum van de geboorte uit te gaan. Het hof zal vanaf 1 december 2025, zijnde de eerste van de maand volgend [in] 2025, rekening houden met de kosten van [minderjarige 3] .

Verdiencapaciteit moeder

De vader voert aan dat hij het redelijk acht dat de moeder haar verdiencapaciteit benut door fulltime (40 uren per week) te gaan werken. De vader werkt ook fulltime en van de moeder mag dat ook gevergd worden. De moeder werkt op dit moment nog steeds drie dagen per week op het laboratorium van het [X] ziekenhuis (hierna: [X] ). Zij heeft een goede opleiding (HBO) en zij werkt in een vakgebied waarin veel werk is. Bovendien zijn de kinderen inmiddels 14 en 15 jaar oud waardoor het voor de moeder makkelijker is geworden om haar zorgtaken te combineren met werk.

De moeder stelt dat zij niet meer dan 24 uur kan werken bij haar werkgever. Tevens moet de moeder er ook nu nog voor de kinderen zijn omdat zij veel hebben meegemaakt door de echtscheiding en alle hulpverlening daarna. De moeder voert nog aan dat de maximale werkweek bij het [X] 36 uur is en geen 40 uur.

Beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat bij het berekenen van kinderalimentatie rekening wordt gehouden met de draagkracht van de verzorgende ouder. Ook bij het bepalen van de draagkracht van een verzorgende ouder komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij of zij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij of zij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. De moeder werkt momenteel 24 uur per week. Zij heeft een goede opleiding. De kinderen zijn 14 en 15 jaar en gaan naar de middelbare school. Bij de zorg voor kinderen van die leeftijd is naar het oordeel van het hof een vierdaagse werkweek van de moeder passend. De moeder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat uitbreiding van betaalde werkzaamheden niet mogelijk zou zijn. Het bericht van haar werkgever van 7 april 2025 heeft slechts betrekking op de mogelijkheden van dat moment voor een specifieke functie en afdeling. Uit de verklaring van de moeder ter zitting volgt dat zij verder geen pogingen heeft gedaan haar mogelijkheden tot uitbreiding elders, al dan niet binnen haar huidige werkgever en al dan niet met behoud met haar bestaande functie, te onderzoeken. Dit kan wel van haar gevergd worden Met ingang van 1 juni 2026 wordt daarom door het hof bij de vaststelling van de door de vader te betalen kinderalimentatie, aan de zijde van de moeder uitgegaan van een inkomen uit arbeid gebaseerd op 30 uren per week (in plaats van 24 uur). Het hof hanteert voor wat betreft dit hogere inkomen een ingangsdatum gelegen twee en een halve maand na deze uitspraak in hoger beroep, zodat de moeder de gelegenheid krijgt deze verdiencapaciteit te benutten. De door de vader gevraagde terugwerkende kracht ten aanzien van de verdiencapaciteit wordt door het hof afgewezen, volgens vaste jurisprudentie moet daarbij terughoudendheid worden betracht en het hof ziet mede vanwege de in het verleden intensievere zorgtaken onvoldoende aanleiding om aan de zijde van de moeder al eerder dan per 1 juni 2026 met een hoger inkomen te rekenen.

Al het voorgaande leidt er toe dat (i) de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de periode 19 april 2023 tot 1 januari 2024 in stand blijft. De grief met betrekking tot de verdiencapaciteit van de moeder slaagt niet voor deze periode en de overige grieven zien niet op deze periode. De alimentatie is vastgesteld op € 213,- per kind, per maand, derhalve lager dan € 291,-, zie r.o. 5.6, zodat maximering ook niet aan de orde is.

Het voorgaande leidt er voorts toe (ii) dat het hof voor de periode na 1 januari 2024 per periode wel opnieuw de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie zal berekenen.

Het hof komt tot drie periodes:

1 januari 2024 tot 1 december 2025 (zorgkorting van 5% );

1 december 2025 tot 1 juni 2026 (geboorte [minderjarige 3] en zorgkorting van 5 %);

vanaf 1 juni 2026 (verdiencapaciteit moeder en zorgkorting 5% )

Periode 1 januari 2024 tot 1 december 2025

Behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2024 € 1.338,- per maand voor beide kinderen bedroeg. Het hof gaat dan ook uit van een behoefte van € 669,- per kind per maand.

Draagkracht

Het hof neemt bij de bepaling van ieders draagkracht steeds ieders netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en het eventueel te ontvangen kindgebonden budget, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Gerekend wordt met de tarieven 2024. Het NBI van de vader (op basis van de jaaropgaven 2024 en heffingskortingen) bedroeg € 3.660,-, dat na toepassing van de draagkrachtformule leidt tot een draagkracht van € 904,- per maand. Het NBI van de moeder (op basis van de jaaropgave 2024, KGB en heffingskortingen) bedroeg € 3.445,-. Geen rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat [minderjarige 2] op [in] 2025 al 13 jaar werd. Na toepassing van de draagkrachtformule leidt dit tot een draagkracht aan de zijde van de moeder van € 679,- per maand.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat een zorgkorting van 5% dient te worden toegepast. Op basis van de draagkrachtvergelijking is het aandeel van de vader na aftrek van de zorgkorting € 349,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2025 (6,5%) bedraagt de bijdrage € 372,- (berekening module 2024, bijdrage loopt door in 2025).

Zoals hiervoor overwogen onder 5.6 maximeert het hof de bijdrage over de periode tot 1 april 2025 tot € 291,- per kind per maand, omdat de vader over die periode geen rekening hoefde te houden met een hogere bijdrage. Over de periode van 1 april 2025 tot 1 december 2025 dient de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen van € 372,- per kind per maand.

Periode 1 december 2025 tot 1 juni 2026:

Behoefte [minderjarige 3]

Na de geboorte van [minderjarige 3] dient zoals hiervoor is overwogen rekening te worden gehouden met de kosten van de vader voor [minderjarige 3] . Het inkomen van de vader bedroeg in 2025 bruto € 62.520,- per jaar. Het WIA-inkomen van de echtgenote van de vader, [naam 2] , bedroeg € 18.660,- te vermeerderen met vakantietoeslag per jaar. Gezien het inkomen van de vader kan geen aanspraak worden gemaakt op het kindgebonden budget. Ook kan het eerste half jaar na geboorte nog geen aanspraak gemaakt worden op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

De behoefte van [minderjarige 3] bedraagt € 691,- per maand. Niet in geschil is dat het aandeel van [naam 2] in deze kosten € 25,- bedraagt.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Tussen partijen is niet in geschil dat de totale behoefte van de kinderen in 2025 geïndexeerd € 1.424,- per maand bedroeg en dus € 712,- per kind per maand.

Draagkracht

Zoals hiervoor overwogen neemt het hof bij de bepaling van ieders draagkracht steeds ieders netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt. Gerekend wordt met de tarieven 2025-2. Het NBI van de vader (op basis van de jaaropgaven 2025 en heffingskortingen) bedroeg € 3.747,-, dat na toepassing van de draagkrachtformule leidt tot een draagkracht van € 919,- per maand. Het NBI van de moeder (op basis van de jaaropgave 2025, KGB en heffingskortingen) bedroeg € 3.243,-. Na toepassing van de draagkrachtformule leidt dit tot een draagkracht aan de zijde van moeder van € 672,- per maand.

De door de vader te betalen alimentatie

Niet in geschil is dat de draagkracht van de vader naar rato van de behoeftes van de drie kinderen gelijkelijk verdeeld dient te worden. Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat ook in deze periode een zorgkorting van 5% dient te worden toegepast. De zorgkorting kan maar voor een klein deel worden toegepast door een tekort in draagkracht. Op basis van de draagkrachtvergelijking is het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na aftrek van de zorgkorting € 307,- per kind per maand tot 1 januari 2026. Geïndexeerd naar 2026 (6,5%) bedraagt de bijdrage van de vader € 321,- per kind per maand.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vader van 1 december 2025 tot 1 januari 2026, dus voor één maand, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te betalen van € 307,- per kind en van 1 januari tot 1 juni 2026 en bijdrage van € 321,- per kind per maand.

Periode vanaf 1 juni 2026

Zoals hiervoor door het hof overwogen wordt in deze periode rekening gehouden met verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder. De overige uitgangspunten zijn dezelfde als bij de berekening uit de vorige periode. De berekening is uitgevoerd volgens de tarieven die gelden voor 2026-1.

Behoefte

De behoefte van de kinderen bedraagt na indexering in deze periode € 1.490,- per maand en dus € 745,- per kind per maand.

Draagkracht

De inkomensgegevens over 2026 zijn nog niet bekend, zodat gerekend wordt met de gegevens over 2025. Het NBI van de vader (op basis van de jaaropgaven 2025 en heffingskortingen) bedraagt dan € 4.031,-, dat na toepassing van de draagkrachtformule leidt tot een draagkracht van de vader € 1.020,- per maand. Rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor [minderjarige 3] ( [minderjarige 3] is nu ouder dan een half jaar). Het NBI van de moeder op basis van een 30-urige werkweek (afgeleid van de jaaropgave 2025, KGB en heffingskortingen) bedraagt € 3.642,-. Na toepassing van de draagkrachtformule leidt dit tot een draagkracht van de moeder van € 829,- per maand.

De door de vader te betalen alimentatie

Niet in geschil is dat de draagkracht van de vader ook in deze periode naar rato van de behoeftes van de drie kinderen gelijkelijk verdeeld dient te worden. Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat ook in deze periode een zorgkorting van 5% dient te worden toegepast. Op basis van de draagkrachtvergelijking is het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na aftrek van de zorgkorting € 301,- per kind per maand vanaf juni 2026.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vader vanaf 1 juni 2026 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te betalen van € 301,- per kind per maand.

Terugbetaling (onverschuldigde betaling)

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, volgt dat de door het hof vastgestelde door de vader te betalen kinderalimentatie lager is dan door de rechtbank in de bestreden beschikking is bepaald. De door de vader reeds betaalde hogere alimentatie heeft hij onverschuldigd betaald. De vraag die aan het hof voorligt, is of de moeder hetgeen zij teveel heeft ontvangen aan de vader dient terug te betalen. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Gebleken is dat de vader onder nadrukkelijk protest de door de rechtbank bepaalde (hogere) kinderalimentatie heeft voldaan en dat hij daartoe geld heeft moeten lenen van zijn werkgever. De moeder kon rekening houden met een andere beslissing van het hof en zij wist ook dat de vader om terugbetaling verzocht. De vader heeft van meet af aan om vaststelling van lagere bijdragen verzocht. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat van de moeder in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het door haar teveel ontvangene (als onverschuldigd) terugbetaalt aan de vader.

Proceskosten

Het hof zal de proceskosten compenseren vanwege het familierechtelijke karakter van het geschil.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van 22 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor zover het de kinderalimentatie betreft in de periode van 19 april 2023 tot 1 januari 2024;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft vanaf 1 januari 2024, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de kinderalimentatie zoals opgenomen in het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018,

en bepaalt dat:

de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :

toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat hetgeen de vader over de periode vanaf 19 april 2023 tot heden teveel heeft betaald of op hem is verhaald, de moeder het teveel ontvangene aan de vader dient terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. F. Kleefmann en mr. J.M. van Baardewijk in tegenwoordigheid van de griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?