ECLI:NL:GHAMS:2026:790

ECLI:NL:GHAMS:2026:790

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 200.358.476/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

gezamenlijk gezag: geen relevante wijziging van omstandigheden, de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek om gezamenlijk gezag is door het hof bekrachtigd. Omgang: de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling is eveneens bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.358.476/01

zaaknummer rechtbank: C/15/343391 / FA RK 23-4119

beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Wagemaker te Westwoud.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] ,

- de minderjarige [minderjarige 2] ,

- de minderjarige [minderjarige 3] ,

- de minderjarige [minderjarige 4] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar ,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag van de vader over [minderjarige 1] (16 jaar), [minderjarige 2] (15 jaar), [minderjarige 3] (14 jaar) en [minderjarige 4] (12 jaar) (hierna: de kinderen) en de omgang tussen hem en de kinderen.

De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over de kinderen te belasten afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank een begeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld, waarbij zij – kort gezegd – één keer per twee weken drie uur omgang met de vader hebben. De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en wil samen met de moeder het gezag over de kinderen uitoefenen. Daarnaast wil hij dat de omgangsregeling wordt gewijzigd, in die zin dat de dinsdag wordt uitgesloten als omgangsdag. De moeder is het eens met de bestreden beschikking.

2. De procedure in hoger beroep

De vader is op 26 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De moeder heeft op 7 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de moeder van 21 januari 2026 met bijlagen.

Het hof heeft de kinderen de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. [minderjarige 2] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De voorzitter heeft op 29 januari 2026, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gesproken. Ter zitting van 30 januari 2026 heeft de voorzitter de inhoud van deze gesprekken zakelijk weergegeven. De vader heeft de gelegenheid gehad om daarop te reageren.

De zitting heeft op 30 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en zijn begeleidster van Esdégé-Reigersdaal, [naam] (hierna: mevrouw [naam] );

- de advocaat van de moeder.

De raad en de moeder waren, beiden met bericht van afmelding, niet bij de zitting aanwezig.

3. De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats C] ,

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2010 te [plaats C] ,

- [minderjarige 3] , geboren [in] 2012 te [plaats D] ,

- [minderjarige 4] , geboren [in] 2013 te [plaats D] .

De ouders zijn [in] 2009 getrouwd, welk huwelijk op 29 januari 2018 door echtscheiding is ontbonden. [minderjarige 1] is geboren uit de voorhuwelijkse relatie van de ouders. [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn geboren tijdens het huwelijk van de ouders. De kinderen wonen bij de moeder.

De moeder heeft daarnaast nog een dochter, [minderjarige 5] , geboren [in] [in] 2008 te [plaats E] . Deze zaak heeft geen betrekking op [minderjarige 5] .

Bij beschikking van 5 juli 2017 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI). De maatregel is daarna steeds verlengd en is per 5 januari 2023 geëindigd.

Bij beschikking van 26 februari 2020, bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 23 februari 2021, heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag belast.

Bij beschikking van 19 mei 2021, bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 1 maart 2022, heeft de rechtbank een begeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld, waarbij de kinderen volgens een vastgesteld schema bij de vader verbleven.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over de kinderen te belasten afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van 19 mei 2021, en met inachtneming van hetgeen onder 5.12 en 5.13 van die beschikking is overwogen, een omgangsregeling vastgesteld waarbij geldt:

- de vader en de kinderen hebben één keer per veertien dagen gedurende drie uren begeleide omgang op een doordeweekse dag;

- gedurende de zomervakantie zijn er twee extra begeleide omgangsdagen van 12.15 uur tot 18.15 uur op een doordeweekse dag;

- gedurende de kerstvakantie is er één dag van 12.15 uur tot 18.15 uur begeleide omgang op een doordeweekse dag;

- alle omgangsmomenten zijn volledig begeleid door een professionele instantie voor jeugdzorg/omgangsbegeleiding;

- de vader is gedurende de omgang te allen tijde binnen gehoorsafstand van de begeleiders, zodat de begeleiding kan horen wat er aan communicatie plaatsvindt tussen de vader en de kinderen.

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zijn gezag over de kinderen zal herleven zodat hij samen met de moeder het gezag uitoefent. Daarnaast verzoekt de vader te bepalen dat een onbegeleide omgangsregeling tussen hem en de kinderen geldt, waarbij zij elkaar op woensdag in de woning van de vader zien, dan wel een in goede justitie te bepalen omgangsregeling vast te stellen.

De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Daarnaast verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de proceskosten.

5. De motivering van de beslissing

De standpunten

De vader wil samen met de moeder het gezag over de kinderen uitoefenen. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt en is ook in het belang van de kinderen. De vader wil betrokken zijn bij de kinderen; zonder gezag staat hij aan de zijlijn. Ook is het gezag nodig voor de vader om meer informatie over de kinderen te kunnen krijgen. Verder is het belangrijk dat omgang tussen de vader en de kinderen tot stand komt. Er is al bijna twee jaar geen contact tussen de vader en de kinderen, omdat de hulpverlening vanuit de gemeente, die zich buigt over de omgangsbegeleiding, en de moeder dat belemmeren. De gemeente blijft eraan vasthouden dat het omgangsmoment op dinsdag moet plaatsvinden, ondanks dat de vader niet beschikbaar is op die dag omdat hij dan veel last heeft van zijn diabetes en andere ongemakken. Bovendien bestaat er genoeg ruimte om de omgang op een andere dag dan dinsdag te organiseren; de vader is flexibel en hij is met uitzondering van de dinsdag elke dag beschikbaar. De vader voert voor het overige geen bezwaren meer aan tegen de omgangsregeling die de rechtbank heeft bepaald; de omgang kan onder begeleiding plaatsvinden en ook in de aanwezigheid van een mannelijke begeleider. Het ontbreken van contact is niet het belang van de kinderen en het contact moet dan ook spoedig worden hersteld. De eerste omgangsmomenten kunnen worden begeleid door mevrouw [naam] , die daartoe bereid is, zodat op korte termijn met omgang kan worden gestart.

Volgens de moeder kan de vader niet worden ontvangen in zijn verzoek om hem mede met het gezag te belasten. Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden sinds vaders gezag is beëindigd. De ouders communiceren nog altijd niet met elkaar. Hun verhouding is ernstig verstoord en zij kunnen niet met elkaar overleggen. De vader heeft een starre houding en het lukt niet om afspraken met hem te maken, ook niet met behulp van de hulpverlening. Uit het voorgaande blijkt ook dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is. Zij zouden klem en verloren raken bij gezamenlijk gezag. Ten aanzien van de omgang vindt de moeder het van belang dat de begeleide omgangsregeling die de rechtbank heeft vastgesteld wordt uitgevoerd. Vaders agenda moet daarin echter niet leidend zijn. Het is aan de vader zelf te wijten dat nog steeds geen contactherstel heeft plaatsgevonden. Door zijn starre houding lukt het de hulpverlening niet om de omgang te organiseren. Het is voor uitvoering van de omgang noodzakelijk dat de vader zich flexibel opstelt, omdat rekening moet worden gehouden met de schema’s van de kinderen en de hulpverlening. Bovendien heeft de vader zijn stelling dat de omgang op dinsdag niet haalbaar is vanwege zijn diabetes niet met stukken onderbouwd. Verder is het niet in het belang van de kinderen dat de omgang alvast wordt opgestart onder begeleiding van mevrouw [naam] . Daarvoor is eerst nodig dat de omgang goed geregeld is en op stabiele en continue wijze kan plaatsvinden.

De beoordeling door het hof

Het gezag

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechter kunnen worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Daarbij geldt als criterium dat het niet langer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag te handhaven.

Uit de stukken en op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn in december 2016 feitelijk uit elkaar gegaan. Tijdens hun relatie en daarna waren er spanningen tussen de ouders en zij hebben zich over en weer belastend over elkaar uitgelaten in het bijzijn van de kinderen. Al lange tijd lopen er juridische procedures tussen de ouders, onder meer omdat zij het niet eens kunnen worden over het gezag en de omgang. Na het uiteengaan van de ouders zijn de kinderen bij de moeder gaan wonen, waar zij nog altijd wonen. Destijds waren de kinderen één keer in de twee weken een weekend bij de vader. In februari 2017 is de omgang gestagneerd. Sindsdien zijn er periodes geweest waarin geen omgang plaatsvond en waarin er omgang onder begeleiding was, eerst van MEE & Wering en later van LOEK-HAL, onderdeel van Esdégé-Reigersdaal. Omgangsbegeleiding werd nodig geacht omdat bij de kinderen weerstand bestond ten aanzien van het contact en omdat er vanuit [minderjarige 5] zorgelijke signalen kwamen over de vader. In juli 2017 heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht van de GI gesteld, naar aanleiding van de zorgen die over het gezin bestonden. Die zorgen zagen op de strijd tussen de ouders en het feit dat er niet voldoende zicht kwam op de gebeurtenissen die in het verleden in het gezin hadden gespeeld en het effect daarvan op de kinderen. De ondertoezichtstelling heeft tot januari 2023 geduurd. Gedurende de maatregel is verschillende hulp ingezet voor het gezin. Ook kregen de ouders individuele hulp, onder meer bij het dagelijks functioneren. Esdégé-Reigersdaal is nog altijd bij het gezin betrokken voor hulp en biedt ook nog persoonlijke ondersteuning aan de vader. Vanaf mei 2021 vond weer structureel omgang plaats, die werd begeleid door LOEK-HAL. Nadat LOEK-HAL de omgang niet langer kon begeleiden, is de omgang in juli 2024 opnieuw gestagneerd. Vervolgens heeft de rechtbank de huidige omgangsregeling vastgesteld. De praktische uitvoering daarvan ligt, vanwege de omgangsbegeleiding, bij het wijkteam van de gemeente [gemeente 2] . Ten tijde van de zitting in hoger beroep werd de door de rechtbank vastgestelde regeling niet uitgevoerd, omdat het de gemeente tot op dat moment niet was gelukt om een omgangsmoment te organiseren waarop de kinderen, de begeleiding en de vader beschikbaar zijn.

Aan het hof ligt nu ter beoordeling voor de vraag of de situatie sinds de beëindiging van het gezag van de vader zodanig is gewijzigd dat hij in zijn gezag moet worden hersteld. Gebleken is dat de ouders een belaste voorgeschiedenis hebben en dat hun verhouding al vele jaren ernstig verstoord is. Het hof constateert dat daarin, ondanks de inzet van hulpverlening, weinig verbetering is gekomen. De ouders hebben geen rechtstreeks contact en hun communicatie verloopt via e-mail of via de hulpverlening. Het lukt de ouders niet om onderling afspraken met elkaar te maken. Naar het oordeel van het hof is onder deze omstandigheden dan ook geen sprake van een zodanige verbetering van de communicatie tussen de ouders dat gezamenlijk gezag wel mogelijk zou zijn. Ook heeft de strijd tussen de ouders veel impact gehad op de kinderen en is het voor hen van belang dat de rust die is ontstaan door het eenhoofdig gezag voortduurt. Dat biedt ook meer ruimte om de omgang tussen de vader en de kinderen op een goede manier vorm te geven (zoals hierna wordt toegelicht bij 5.7 en 5.8). Het voorgaande maakt dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds de beëindiging van het gezag van de vader. Gelet op het voorgaande is het verzoek van de vader tot herstel van het gezamenlijk gezag over de kinderen niet toewijsbaar. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

De omgang

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Ten aanzien van de omgang overweegt het hof als volgt. Er heeft al bijna twee jaar geen omgang tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden. Aan de omgangsregeling zoals vastgesteld door de rechtbank is tot op heden geen uitvoering gegeven. De moeder staat achter contactherstel, mits de omgang begeleid wordt en op stabiele en continue wijze plaatsvindt. [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben in hun gesprekken met de voorzitter op 29 januari 2026 aangegeven dat zij contact met de vader willen. Zij hebben aan de voorzitter verklaard dat omgangsbegeleiding daarvoor wel een belangrijke voorwaarde is. Ter zitting bij het hof is gebleken dat de vader de bezwaren die hij eerder had tegen de omgangsbegeleiding en de persoon van de begeleider niet langer heeft. Contactherstel staat voor hem voorop. Ondanks dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat contactherstel moet plaatsvinden, lukt het niet om de praktische uitvoering van de omgang te bewerkstelligen. Het wijkteam van de gemeente [gemeente 2] , verantwoordelijk voor de organisatie van de omgang, is het tot op heden niet gelukt een dag te plannen waarop de kinderen, de omgangsbegeleiding en de vader beschikbaar zijn. Het wijkteam wil het omgangsmoment op een dinsdag plannen, omdat dat past in de schema’s van de kinderen en de omgangsbegeleiding, maar volgens de vader is dat vanwege zijn medische gesteldheid voor hem geen optie.

Het hof stelt voorop dat het in het belang van de kinderen is dat de omgang met de vader zo spoedig mogelijk wordt opgestart. Naast het feit dat de kinderen hun wens om de vader te zien hebben laten blijken aan de voorzitter, acht het hof het van belang dat de vader een rol heeft in de levens van de kinderen en dat zij een band met elkaar hebben. Het hof overweegt dat de kinderen gebaat zijn bij voorspelbaarheid, structuur en duidelijkheid ten aanzien van de rol van hun vader in hun leven. Op dit moment wordt hen dat niet geboden, doordat het al lange tijd niet lukt om het contact te herstellen. Het hof gaat er, net als de rechtbank, vanuit dat bij het plannen van de omgang de agenda’s van de kinderen in beginsel leidend zullen zijn. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de hulpverlening. Het hof benadrukt dat dat enige flexibiliteit van de vader vergt. Wel staat het belang van de kinderen om contact te hebben met hun vader voorop. De vader heeft herhaaldelijk en consequent aangegeven dat dinsdag voor hem geen optie is en kennelijk is dat een dermate [naam] obstakel dat de uitvoering van de omgang daarop vastloopt. Wat daar ook van zij, het betekent dat de kinderen nog altijd geen contact hebben met de vader. Het hof benadrukt dat het van belang is dat de hulpverlening vanuit de gemeente alles in het werk stelt om omgang te bewerkstelligen en dat het daarom helpend zou zijn als de dinsdag wordt uitgesloten en de omgang op een andere dag wordt gepland. Ook is gebleken dat de woensdag geen optie is vanwege de schema’s van de kinderen. Verder hebben [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] nog aan de voorzitter aangegeven dat zij willen dat de omgang met alle vier de dochters gezamenlijk plaatsvindt en niet wordt opgesplitst. Het hof acht het in het belang van de kinderen om daarmee waar mogelijk rekening te houden, zodat bij hen zoveel mogelijk draagvlak blijft bestaan voor goed contact met de vader. Wel blijft voorop staan dat contactherstel plaatsvindt. Wat betreft de opstart ziet het hof geen belemmering dat de eerste omgangsmomenten onder begeleiding van mevrouw [naam] plaatsvinden, zolang de omgang daarna constructief is geregeld. Dit, zodat het contact niet stagneert na de opstart. Het hof overweegt verder dat, zodra het lukt om de reguliere omgangsregeling op te starten, de hulpverlening zich kan buigen over de uitvoering van de omgang in de vakanties. Alles overwegende is het hof van oordeel dat de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen in het belang van de kinderen is en ook praktisch uitvoerbaar en haalbaar zou moeten zijn. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.

Proceskosten

Het hof ziet geen aanleiding om de vader in de proceskosten te veroordelen, zoals de moeder heeft verzocht. Het hof zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat hetgeen is overwogen onder 5.8 in acht wordt genomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. B.F. Beijderwellen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?