Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2026 en ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd dat:
1. primair
hij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 29 januari 2020 samen met anderen 650 blokken cocaïne Nederland heeft ingevoerd en vervoerd;
1. subsidiair
hij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 30 januari 2020 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om 650 blokken cocaïne Nederland in te voeren en te vervoeren;
2. primair
hij in de periode van 29 januari 2020 tot en met 30 januari 2020 samen met anderen 712,8 kilogram cocaïne Nederland heeft ingevoerd;
2. subsidiair
hij in de periode van 29 januari 2020 tot en met 30 januari 2020 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om 712,8 kilogram cocaïne Nederland in te voeren;
3.
hij zich op 25 april 2023 schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag en een [bedrijf] afkomstig uit enig misdrijf.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen achter dit arrest in bijlage I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafoplegging.
Bewijsoverwegingen
Inleiding onderzoek Porto
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 29 januari 2020 een schip met containers in Antwerpen is aangekomen met containernummers [nummer 6] en [containernummer 1] vanuit Brazilië. Het schip is via Duitse wateren, vervolgens door Nederlandse wateren gevaren en daarna in Antwerpen in de haven aangemeerd. Uit onderzoek van de Belgische politie blijkt dat [nummer 6] het haventerrein heeft verlaten en naar een loods in [plaats] is gebracht. De volgende dag is de container terug gegaan; er bleek een kopie-verzegeling op te zitten en in het midden van de lading zout die in de container lag, was een kleine verzakking te zien. Uit nader onderzoek is gebleken dat er 650 blokken cocaïne uitgehaald zijn. Uit onderzoek van de Belgische politie blijkt dat [containernummer 1] is achtergebleven in de haven in Antwerpen en dat deze op 29 januari 2020 is onderschept door de Belgische douane. In de container werd bij controle op 30 januari 2020 in de lading in totaal 624 blokken gevonden, die in totaal 712,8 kilo cocaïne bevatten (waaronder 218 pakketten met een tijgerlogo).
Ook in Nederland heeft de politie vervolgens een onderzoek ingesteld. De politie is uitgekomen bij een aantal chatgesprekken van de cryptocommunicatiedienst Sky ECC. In deze gesprekken werd gesproken over de twee containers die op 29 januari 2020 in Antwerpen aankwamen. Aan een aantal van die gesprekken namen onder meer twee accounts deel, [nummer 7] en [nummer 8] . Dat eerste account koppelt de politie op basis van onderzoek aan [persoon] en het tweede account wordt op basis van onderzoek door de politie aan de verdachte gekoppeld. Hierna is tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte € 17.000 aan contant geld gevonden. Daarnaast was de verdachte in het bezit van een [bedrijf] waarvan de politie vermoedde dat het bij dit geld en de auto om witwassen ging.
Feit 1: medeplegen van invoer en vervoer, subsidiair medeplegen van voorbereiding van invoer en vervoer 650 blokken cocaïne
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gevorderd. De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir geen afzonderlijke opmerkingen gemaakt over het subsidiair tenlastegelegde.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd met betrekking tot de in- en/of uitvoer van de 650 blokken. Hij heeft alleen uithalers geregeld en is pas twee dagen vóór aankomst van de containers gevraagd om hiermee te helpen. De verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de inhoud van het dossier. Het regelen van twee uithalers en het onderhouden van contact met hen is in deze zaak een onvoldoende cruciale bijdrage om te kunnen spreken van medeplegen van de invoer. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Primair
Bij de beoordeling van het primair tenlastegelegde is de vraag aan de orde of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316). Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:289).
Rol van de verdachte
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij de gebruiker was van het Sky ECC account (hierna: Sky-ID) [nummer 8] en dat hij daarmee aan de gesprekken in de groepschats [nummer 9] en [nummer 8] heeft deelgenomen. Op 29 januari 2020 om 13:03 uur schrijft Sky-ID [nummer 9] in de chatgroep [nummer 9] ‘[naam] zeg ze in de groep’. Daarop maakt de verdachte iets meer dan een uur later de chatgroep [nummer 8] aan. Uit de chat blijkt dat de uithalers op 29 januari 2020 zijn afgereisd naar een loods in Verrebroek, deelgemeente [plaats] . Daarvoor hebben de uithalers gewacht in een shisha-lounge in de omgeving. Tussen 19:15 uur en 21:45 uur hebben die uithalers werkzaamheden verricht. Daarna zijn zij teruggereisd naar Nederland, waar zij om 23:22 uur zijn aangekomen.
De voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Er is onvoldoende blijk van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van de verdachte aan het onder 1 primair tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht.
Het hof stelt vast dat de verdachte een beperkte rol heeft gespeeld bij de invoer en het vervoer van de 650 blokken cocaïne. De verdachte heeft met zijn Sky-ID niet deelgenomen aan de groepschat [nummer 11] , waarin wordt gesproken over het transport en de inhoud van de containers. De verdachte komt pas op 27 januari 2020 om 17:03 uur voor het eerst in beeld in de chat [nummer 9] . In die chat wordt op 29 januari 2020 om 20:37 uur door Sky-ID [nummer 11] gestuurd: ‘Bro ene al geklaard. Hopelijk morgen de ander’, waarop de verdachte reageert met ‘Zijn 2?’. Het hof is van oordeel dat uit de reactie van de verdachte blijkt dat hij niet op voorhand op de hoogte was van de hoeveelheid containers die bij het transport betrokken waren.
Daarnaast merkt het hof op dat uit het geheel aan chats over deze invoer en het vervoer van de 650 blokken cocaïne volgt dat dit ook doorgang had gevonden op het moment dat de uithalers niet door de verdachte waren geregeld. Uit de chat [nummer 8] blijkt namelijk dat op het moment dat de uithalers bij de loods aankomen er al andere personen binnen in de loods zijn. Zo stuurt de verdachte om 19:14 uur ‘aankloppen op de poort’. De uithalers zijn om 21:45 uur klaar en gaan terug naar huis. Uit de berichten verstuurd in de chat [nummer 11] blijkt dat de andere personen in de loods om 22:35 uur klaar zijn, daar wordt dan gestuurd: ‘hoe ver zijn jullie met laden’ en ‘we are close the door now’. De door de verdachte geregelde uithalers zijn dus later aangekomen en eerder vertrokken dan de overige personen die in de loods aanwezig waren.
Het dossier bevat verder beperkte informatie over de rol van de verdachte bij de invoer van de 650 blokken cocaïne. Voor de duiding van de concrete omstandigheden benoemt het hof in het licht van verdachtes procesopstelling het volgende: de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bekend dat hij twee mannen heeft geregeld om cocaïne uit te halen en dat hij die mannen naar Antwerpen heeft gestuurd. Hij wist dat die mannen dat zouden willen doen en zij konden daarmee ieder € 10.000 verdienen, zo volgt ook uit de chats. In hoger beroep heeft de verdachte nog toegelicht dat hij hiervoor in totaal € 4.000 van de uithalers heeft ontvangen; een verklaring die het hof verder niet met de onderzoeksbevindingen kan staven of weerleggen. Dat de verdachte enige vergoeding heeft gekregen voor zijn diensten acht het hof echter wel aannemelijk.
Het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de rol van de verdachte bij de invoer van de blokken cocaïne groter is geweest dan een ondergeschikte, ondersteunende rol door het regelen van twee uithalers die de al aanwezige personen bij de loods hebben ondersteund. Het hof is van oordeel dat de wijze waarop de verdachte bij dit feit betrokken is geweest onvoldoende is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking bij het medeplegen van de invoer van de blokken cocaïne.
Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Subsidiair
Het hof concludeert, evenals de raadsman, dat de verdachte wel veroordeeld kan worden voor het subsidiair tenlastegelegde.
Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a Opiumwet is vereist dat bij de dader het opzet heeft bestaan om het vervoer en de invoer voor te bereiden of te bevorderen. Ook is vereist dat de verdachte aan die intentie uiting heeft gegeven door één of meer van de voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten die in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet zijn beschreven. Voor het bewijs is niet vereist dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen. Ook is niet relevant dat de verwezenlijking van het misdrijf door bepaalde omstandigheden niet heeft plaatsgevonden. Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd of dat een poging daartoe is ondernomen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep verklaard dat hij twee uithalers heeft geregeld om de cocaïne uit de containers te halen. Ook blijkt uit de chat [nummer 8] dat de verdachte gedurende de dag contact onderhield met de uithalers, waarbij hij hen heeft geïnstrueerd over de handelingen in de voorbereiding, tijdens en na de uithaalwerkzaamheden van de container [nummer 4] . Ook heeft hij instructies doorgegeven aan de uithalers die hij weer van anderen in de chat [nummer 9] ontving. De verdachte heeft hiermee opzet gehad om het handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet mogelijk te maken en heeft aan deze intentie uiting gegeven door deze voorbereidingshandelingen (als bedoeld in artikel 10a Opiumwet) te verrichten.
Het hof stelt vast dat de betrokkenheid van de verdachte bestond uit het fungeren als aanspreekpunt voor de uithalers en doorgeefluik tussen de berichten die hij van zijn medeverdachte(n) in de chat [nummer 9] kreeg en de uithalers.
Het hof acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2: medeplegen van invoer, subsidiair medeplegen van voorbereiding van invoer 712,8 kilogram cocaïne.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gevorderd. De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir geen afzonderlijke opmerkingen gemaakt over het subsidiair tenlastegelegde.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, onder verwijzing naar het Kokosnootarrest (ECLI:NL:HR:1998:ZD0975). De handelingen door de verdachte vinden plaats nadat de partij cocaïne al in beslag is genomen. Daarnaast heeft de verdachte de uithalers enkel op stand-by laten staan.
Oordeel van het hof
Primair
In de door de Belgische douane onderschepte container [containernummer 1] worden op 30 januari 2020 624 blokken aangetroffen die in totaal 712,8 kilo cocaïne bevatten. Uit het dossier volgt dat de volgende handelingen hebben plaatsgevonden die betrekking hebben op container [nummer 5] .
In de chat [nummer 9] wordt op 29 januari 2020 om 20:37 uur door Sky-ID [nummer 11] gestuurd: ‘Bro ene al geklaard. Hopelijk morgen de ander’, waarop de verdachte reageert met ‘Zijn 2?’. Het hof stelt vast dat de verdachte op dat moment op de hoogte is van de tweede container.
Op 30 januari 2020 om 10:25 uur is de container [containernummer 1] door de Belgische douane gecontroleerd en is de cocaïne ontdekt. In de container worden 624 blokken aangetroffen die in totaal 712,8 kilo cocaïne bevatten.
In de chat [nummer 9] vraagt de verdachte op 30 januari 2020 om 11:38 uur ‘Dan moesten die mannen al weg toch’, waarop Sky-ID [nummer 12] zegt ‘Jas en hier Antwerpen’ en ‘Stand by staan’. De verdachte zegt ‘Ze gaan er pas 15:00/15:30 kunnen zijn’. Sky-ID [nummer 9] zegt om 11:40 uur ‘Laat ze nu planken’ en ‘Waar zijn ze’. De verdachte zegt ‘Ze zijn vanaf 13:30 actoef’. [nummer 9] vraagt ‘Moet ik andere manne fixe’. De verdachte zegt ‘Ze kunnen vanaf 13:30 wegrijden’. Uit de chat blijkt dat de verdachte uithalers heeft geregeld voor de tweede container en deze personen op stand-by laat staan. Duidelijk is dat de deelnemers van de chat op dat moment nog niet op de hoogte zijn van de onderschepping van container [containernummer 1] door de Belgische douane. Dit lijkt pas het geval te zijn om 14:20, als Sky-ID [nummer 9] schrijft: ‘Ehhhh bak kwijt hè neef. Shitt”.
Volgens vaste jurisprudentie kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en afleveren van die verdovende middelen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, hebben de aan de verdachte verweten handelingen, het regelen van de uithalers en deze uithalers op stand-by laten staan, plaatsgevonden na de inbeslagname van de in de container aangetroffen cocaïne.
Het hof spreekt de verdachte dan ook vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde.
Subsidiair
Het hof betrekt bij de beoordeling van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde het juridisch kader van artikel 10a Opiumwet zoals hiervoor onder punt 1.3.2. uiteengezet.
In de chat [nummer 9] wordt op 29 januari 2020 om 20:43 door de verdachte gevraagd waar de uithalers naar toe moeten en wordt besproken met welk vervoer zij moeten komen. Om 21:23 reageert Sky-ID [nummer 9] ‘En morgen is het andere loods als het doorgaat’. De volgende dag vraagt de verdachte op 30 januari 2020 om 11:38 uur ‘Dan moesten die mannen al weg toch’, waarop Sky-ID [nummer 12] zegt ‘Jas en hier Antwerpen’ en ‘Stand by staan’. De verdachte zegt ‘Ze gaan er pas 15:00/15:30 kunnen zijn’. Sky-ID [nummer 9] zegt om 11:40 uur ‘Laat ze nu planken’ en ‘Waar zijn ze’. De verdachte zegt ‘Ze zijn vanaf 13:30 actoef’. [nummer 9] vraagt ‘Moet ik andere manne fixe’. De verdachte zegt ‘Ze kunnen vanaf 13:30 wegrijden’. Nadat blijkt dat de container in beslag is genomen schrijft de verdachte op 31 januari 2020 om 14:31 uur ‘dus de helft is save’, ‘oja die vervallen dan ja klopt’, ‘risico van het vak’ en vraagt ‘en die loods mannen?’. Sky-ID [nummer 11] reageert: ‘ik had ervoor met frank besproken dat jullie dat zouden regelen omdat ik geen service kosten aanreken maar had niet verwacht dat we een bak zouden verliezen maar ik zal ze wel betalen dan.’ en vraagt ‘Hoeveel hadden jullie afgesproken?’. Uit het antwoord van de verdachte ‘jaa ik zei 10 gwn p.p.’ blijkt dat hij kennelijk – ook voor deze partij – financiële afspraken heeft gemaakt met de door hen geregelde uithalers.
Uit de berichten in de chat [nummer 9] valt op te maken dat de verdachte op 30 januari 2020 om 11:38 uur de uithalers stand-by heeft staan. Uit verdachtes verklaringen en de chats volgt dat de verdachte wist dat zijn handelingen, het regelen van de uithalers, gericht waren op het uithalen van ook deze partij cocaïne. Beide containers hadden dezelfde bestemming en modus operandi: ophalen in de haven in Antwerpen, vervoeren naar een loods, uithalen en verder vervoeren. Voor de uithaalwerkzaamheden uit deze tweede container bleken de uithalers kort voor hun vertrek niet meer nodig te zijn, omdat de resterende 712,8 kilogram cocaïne was onderschept door de douane.
Het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen, omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, ontneemt aan die voorbereidingshandelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter. Dat geldt ook als met die voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt, nadat die verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan, zoals de inbeslagneming van de verdovende middelen. Dat volgt uit Hoge Raad 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1580 en de daarin genoemde eerdere rechtspraak. Het sluit ook aan bij het wezenlijk andere karakter van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen. Het is hierbij dan ook rechtens niet relevant dat de partij al in beslag genomen was.
Het hof stelt vast dat de betrokkenheid van de verdachte bestond uit het regelen van de uithalers voor deze tweede partij cocaïne en hen op stand-by te laten staan voor het moment dat zij richting Antwerpen moesten vertrekken.
Het hof acht het onder 2 subsidiair tenlastegelegde dus wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3: witwassen
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het witwassen van het geldbedrag van € 6.000 bewezen wordt verklaard en de verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van de € 11.000 en de [bedrijf] .
Standpunt verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om hem integraal vrij te spreken van het witwassen, en verwezen naar de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over de herkomst van de € 6.000.
Oordeel van het hof
Geldbedrag van € 11.000 en de [bedrijf]
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het witwassen van een deel van het geldbedrag dat in zijn woning in contanten is aangetroffen, namelijk van het witwassen van € 11.000. De verdachte heeft verklaard dat hij dit geld heeft geleend van zijn zus, ten behoeve van de aanschaf van een nieuwe auto. De politie heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van deze verklaring. De zus en moeder van de verdachte zijn gehoord. Zij hebben bevestigd dat de verdachte € 11.000 in contanten had geleend van zijn zus, waarvan € 8.000 afkomstig was van zijn moeder en
€ 3.000 van zijn zus. Dat de verdachte met dit geld een nieuwe auto wilde aanschaffen volgt tevens uit de verklaring van de garagehouder die als getuige is gehoord. Deze getuigenverklaringen ondersteunen dus de verklaring van de verdachte. Met de verklaring van de verdachte is het witwasvermoeden in zoverre dus voldoende weerlegd.
Het hof spreekt de verdachte vrij van het witwassen van het geldbedrag van € 11.000 en van de [bedrijf] .
Geldbedrag van € 6.000
Het hof neemt de bewijsoverwegingen van de rechtbank (in overweging 4.2.3.2. van het vonnis) ten aanzien van het geldbedrag van € 6.000 over.
Op 25 april 2023 treft de politie in de woning aan de Deken Schmidtstraat 6 in Krommenie € 17.000 aan contant geld aan in een plastic tas in een opbergvak, boven de kledingkast in een slaapkamer.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij € 11.000 van zijn zus heeft geleend en dat € 6.000 van hem is. Uit deze verklaring volgt dat de verdachte het bedrag van € 17.000 voorhanden had op 25 april 2023 in Krommenie. Ten aanzien van € 6.000 van het aangetroffen contante geld dat de verdachte voorhanden heeft gehad, kan witwassen worden bewezen.
Op grond van het dossier is niet meteen duidelijk uit welk specifiek misdrijf dit geld afkomstig is. De feiten en omstandigheden in het dossier (een contant geldbedrag van deze omvang, in combinatie met de vastgestelde betrokkenheid bij drugshandel) zijn zodanig dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen ten aanzien van dit geldbedrag. Algemeen geldt dat, indien sprake is van een witwasvermoeden, van een verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft waaruit de legale herkomst van het voorwerp blijkt. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van dat voorwerp worden bewezen.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 24 mei 2023 verklaard dat hij de € 6.000 heeft gespaard over de afgelopen twee/drie jaar. Op de zitting van 24 januari 2024 heeft hij verder verklaard dat hij ook de kledinglijn van [persoon] runde en dat hij daarvoor deels zwart en deels wit betaald werd. De verdachte heeft hieraan ter terechtzitting in hoger beroep nog toegevoegd dat [persoon] hem vaak € 100 of € 200 gaf, waardoor hij het bedrag heeft kunnen sparen.
Door de politie is, naar aanleiding van de verklaring van de verdachte, onderzoek gedaan naar het inkomen van de verdachte. Uit de bij de Belastingdienst bekende inkomens- en omzetgegevens van de verdachte blijkt dat deze onvoldoende zijn om én van te leven én een bedrag opzij te leggen. Alhoewel de verdachte staat ingeschreven op het adres van zijn ouders, lijkt hij samen te wonen en een gezamenlijke huishouding te voeren met zijn partner en hun gezamenlijke kinderen. Daarom is ook onderzoek gedaan naar de financiële situatie van zijn partner. Zij heeft – buiten het saldo op haar bankrekeningen – geen vermogen, verdient onder modaal en ontvangt zorg- en huurtoeslag. Ook als beide inkomens samengenomen worden is het onwaarschijnlijk dat de verdachte legaal heeft kunnen sparen.
Het is daarmee onduidelijk op basis van welke legale inkomsten de verdachte een bedrag van € 6.000 heeft kunnen sparen in een periode van twee tot drie jaar. Uit het door de politie verrichte onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de € 6.000 een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst een aanvaardbare, aannemelijke verklaring is. De verklaring van de verdachte dat hij ook zwart geld ontving van [persoon] , maakt dit niet anders. Voor zover de verdachte zwarte inkomsten heeft gehad, geldt namelijk dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis Sr.
Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen het witwassen van het bedrag van € 6.000.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiairin de periode van 27 januari 2020 tot en met 29 januari 2020 in Nederland en/of België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en/of België brengen en/of vervoeren van ongeveer 650 blokken cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen
- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en
- zich en anderen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft trachten te verschaffen, en
- één voorwerp voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat dit bestemd was tot het plegen van dat feit,
immers, heeft hij, verdachte, toen en daar opzettelijk (zakelijk weergegeven):
- personen benaderd voor het ophalen/uithalen van pakketten met die cocaïne uit een in een (mede via Nederlands grondgebied per schip vanuit Brazilië vervoerde) container waarin die pakketten met cocaïne waren verborgen tussen een deklading (bestaande uit pakketten met zout)
- en met die daarvoor benaderde personen (via telecommunicatie) contact onderhouden en besprekingen gevoerd en deze personen daarbij aanwijzingen voor en instructies gegeven tot het ophalen/uithalen van die pakketten met cocaïne uit die container en het (verdere) vervoer van die pakketten met cocaïne
- een telecommunicatiemiddel (cryptotelefoon met een SKY-ECC-account) voorhanden gehad;
2. subsidiair
in de periode van 29 januari 2020 tot en met 30 januari 2020 in Nederland en/of België, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en/of België brengen van ongeveer 712,8 kilo cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen
- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en
- zich en anderen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft trachten te verschaffen, en
- één voorwerp voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat dit bestemd was tot het plegen van dat feit, immers, heeft hij, verdachte, toen en daar opzettelijk (zakelijk weergegeven):
- personen benaderd voor het ophalen/uithalen van pakketten met die hoeveelheid cocaïne uit een in een (mede via Nederlands grondgebied per schip vanuit Brazilië vervoerde) container waarin die pakketten met cocaïne waren verborgen tussen een deklading (bestaande uit pakketten met zout)
- een telecommunicatiemiddel (cryptotelefoon met een SKY-ECC-account) voorhanden gehad;
3.op 25 april 2023 in Krommenie een geldbedrag van 6.000 euro, heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn en zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een voorwerp voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van dat feit.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn en een voorwerp voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van dat feit.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor de bewezenverklaring in eerste aanleg van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor diezelfde bewezenverklaring zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 4 maanden met aftrek van het voorarrest.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de proceshouding van de verdachte en de beperkte rol die hij in het geheel heeft gehad. De raadsman stelt zich daarnaast op het standpunt dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. In de Belgische strafzaak is op 12 juni 2020 uitspraak gedaan en toen heeft de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren gekregen voor soortgelijke misdrijven. De tenlastegelegde feiten in deze zaak hadden in theorie meegenomen kunnen worden in die Belgische strafzaak, en de opgelegde gevangenisstraf was dan niet heel veel meer geworden dan de opgelegde 4 jaar. Daarnaast heeft de raadsman verwezen naar de uitspraak tegen een van de medeverdachten van de Rechtbank Zeeland-West Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2026:1145). Die medeverdachte is – na procesafspraken – veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, terwijl deze medeverdachte zich schuldig had gemaakt aan meermalen invoer van cocaïne, voorbereidingshandelingen voor de invoer en handel in cocaïne, het bemiddelen in wapens en het uitlokken van een afpersing.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan strafbare voorbereiding bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne, verborgen in een tweetal containers afkomstig uit Brazilië. Cocaïne vormt een bedreiging voor de volksgezondheid en de grootschalige handel in cocaïne kan in verband worden gebracht met zeer ernstige (gewelds)delicten en dus de veiligheid in de samenleving. De verdachte heeft uithalers geregeld waardoor hij ook hen betrokken heeft in deze criminele activiteiten en risicovolle wereld. De wetgever heeft door middel van de zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in artikel 10a Opiumwet onder meer tot uitdrukking gebracht dat ook bij deze handelingen een krachtige strafrechtelijke reactie aangewezen is. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 6.000. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en het tast de integriteit van het financiële economische verkeer ernstig aan.
De verdachte heeft aan het hof toegelicht dat hij inmiddels toe is aan een andere leefwereld die gericht is op zijn gezin en niet op de eerdere criminele omgeving.
Gezien echter de ernst van de feiten dient te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf en kan niet met een andere of lichtere straf worden volstaan dan een straf die een substantiële duur van vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2026. De verdachte is op 12 juni 2020 door de rechtbank Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren voor drugshandel en het deelnemen aan een criminele organisatie. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een buitenlandse rechterlijke beslissing geen veroordeling oplevert als bedoeld in artikel 63 Sr. Hieraan staat echter niet in de weg dat de rechter een buitenlandse veroordeling als mitigerend in aanmerking kan nemen. Dit sluit ook aan bij artikel 3, vijfde lid (tweede volzin), Kaderbesluit 2008/675/JBZ betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie dat bepaalt dat lidstaten er op toezien dat eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen, al dan niet op grond van artikel 63 Sr, door rechters anderszins in aanmerking kunnen worden genomen. Het hof ziet, gelet op het bovenstaande, aanleiding om in enigszins strafverminderende zin de tussentijds uitgesproken forse veroordeling in België mee te wegen.
Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren – dus 48 maanden – passend en geboden gezien de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 26 maart 2026 arrest. Gelet hierop is de redelijke termijn – die het hof vanwege verdachtes voorlopige hechtenis op 16 maanden stelt – met ruim 9 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 4 maanden te verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 44 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het door de raadsman ter terechtzitting van 12 maart 2026 gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt gelet op al het voorgaande afgewezen. Wel beveelt het hof de opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Beslag
De advocaat-generaal heeft gevorderd het oordeel van de rechtbank over te nemen.
De raadsman heeft om teruggave verzocht van alle in beslag genomen goederen.
Onder de verdachte zijn de nader in het dictum gespecificeerde voorwerpen in beslag genomen.
Het hof beslist overeenkomstig de rechtbank op de in beslag genomen voorwerpen als volgt.
De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan met behulp van de onder de verdachte in beslag genomen en aan hem toebehorende iPhone. Die zal dan ook verbeurd verklaard worden. Het onder 3 bewezenverklaarde is met betrekking tot het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 6.000 begaan: ook in zoverre beslist het hof ten aanzien van voorwerp 1 tevens 12 tot verbeurdverklaring.
Van de overige in beslag genomen voorwerpen – dus ook ten aanzien van € 11.000 euro (voorwerp 1, tevens 12) vanwege in zoverre een vrijspraak van witwassen – gelast het hof de teruggave aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 (vierenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. B.A.A. Postma en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2026. Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Bijlage I: (gewijzigde) tenlastelegging
1. primairhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 29 januari 2020 in Amsterdam en/of Antwerpen en/of Verrebroek, althans in Nederland en/of België, via de Westerschelde, in elk geval via de Nederlandse wateren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht en/of opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ( ongeveer) 650 blokken cocaïne, althans (ongeveer) 650 kilogram cocaïne, althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 30 januari 2020 te Amsterdam en/of Antwerpen en/of elders in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, of alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en/of België brengen en/of vervoeren van ongeveer 650 (blokken van telkens 1) kilo, althans een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/ of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een ander of anderen inlichtingen tot het plegen van die dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of
- één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/ of zijn mededader(s) wist( en) of ernstige reden had( den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en), immers, heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar opzettelijk (zakelijk weergegeven):
- een of meer personen benaderd voor het ophalen/uithalen van (pakketten met) die hoeveelheid cocaïne uit een in een (mede via Nederlands grondgebied per schip vanuit Brazilië vervoerde) container waarin die (pakketten met) cocaïne was (waren) verborgen tussen een deklading (bestaande uit pakketten met zout)
- en/of met die daarvoor benaderde persoon of personen (via telecommunicatie) contact onderhouden en/of besprekingen gevoerd en/of deze persoon of personen daarbij opdracht, aanwijzingen voor en/of instructies gegeven tot/voor/over het ophalen/uithalen van die pakketten met cocaïne uit die container en/of het (verdere) vervoer van die pakketten met cocaïne
- een telecommunicatiemiddel (cryptotelefoon met een SKY-ECC-account) voorhanden gehad
2. primairhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 januari 2020 tot en met 30 januari 2020 in Amsterdam en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, via de Westerschelde, in elk geval via de Nederlandse wateren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk via de Noordzee en de Westerschelde, binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht
- ( ongeveer) 712,8 kilogram cocaïne, althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
in of omstreeks de periode van 29 januari 2020 tot en met 30januari 2020 te Amsterdam en/of Antwerpen en/of elders in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, of alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en/of België brengen en/of vervoeren van ongeveer 712,8 kilo, althans een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een ander of anderen inlichtingen tot het plegen van die dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of
- één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/ of zijn mededader(s) wist( en) of ernstige reden had( den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en), immers, heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar opzettelijk (zakelijk weergegeven):
- een of meer personen benaderd voor het ophalen/uithalen van (pakketten met) die hoeveelheid cocaïne uit een in een (mede via Nederlands grondgebied per schip vanuit Brazilië vervoerde) container waarin die (pakketten met) cocaïne was (waren) verborgen tussen een deklading (bestaande uit pakketten met zout)
- en/of met die daarvoor benaderde persoon of personen (via telecommunicatie) contact onderhouden en/of besprekingen gevoerd en/of deze persoon of personen daarbij opdracht, aanwijzingen voor en/of instructies gegeven tot/voor/over het ophalen/uithalen van die pakketten met cocaïne uit die container en/of het (verdere) vervoer van die pakketten met cocaïne
- een telecommunicatiemiddel (cryptotelefoon met een SKY-ECC-account) voorhanden gehad
3.hij op een of meer moment(en) op of omstreeks 25 april 2023 in Krommenie, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerpen, te weten (onder meer) een of meer geldbedragen en/of goederen, te weten:
- ( ongeveer) 17.000 euro en/of
- een auto van het merk [bedrijf] met kenteken [kenteken]
althans enig geldbedrag en/of goed, heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, en/of (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie die voorwerpen voorhanden had, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
[…]
.