GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.363.570/01
insolventienummer rechtbank Amsterdam : C/13/26/9 F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.C.A. Herstel te Doetinchem,
tegen
BIDFOOD B.V.,
gevestigd te Ede,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Robustella te Ede.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en Bidfood genoemd.
[appellant] is bij per e-mail op 14 januari 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2026 (hierna: het bestreden vonnis), waarbij [appellant] op verzoek van Bidfood in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. C.H. Rombouts, tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. J.A. Camphuis, advocaat te Amsterdam, als curator (hierna: de curator).
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2026. [appellant] is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Herstel voornoemd en mr. L. Veltkamp. Namens Bidfood is verschenen B. Habets, bijgestaan door mr. Robustella voornoemd. Voorts is de curator samen met kantoorgenoot mr. R. Poelsma verschenen. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die aan het dossier zijn toegevoegd.
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:
Partijen en de curator hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over deze stukken.
2. Beoordeling
Bidfood heeft op 30 oktober 2025 een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van [appellant] ingediend. Bidfood heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd een vordering van (in hoofdsom) € 74.612,89 in verband met de nakoming van twee overeenkomsten (een afnameovereenkomst en een geldleningsovereenkomst) die zij met [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) heeft gesloten. [appellant] was de bestuurder van [bedrijf 1] en heeft zich voor beide overeenkomsten persoonlijk als medeschuldenaar verbonden. [bedrijf 1] is op 17 september 2024 in staat van faillissement verklaard. Daarnaast laat [appellant] volgens Bidfood meer schulden onbetaald en verkeert [appellant] in de toestand te hebben opgehouden te betalen.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis – samengevat – geoordeeld dat summierlijk is gebleken van een opeisbare vordering van Bidfood uit hoofde van overeenkomsten waarvoor [appellant] zich heeft verbonden als medeschuldenaar. Het bestaan van het vorderingsrecht van Bidfood blijkt uit de beschikking van het gerechtshof [plaats] van 23 september 2025. De vordering van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) is een vordering die volgt uit de beschikking van de rechtbank [plaats] van 12 oktober 2023 en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2023, waarbij [appellant] in privé is veroordeeld tot betaling aan [bedrijf 2] . Op grond hiervan heeft de rechtbank [appellant] in staat van faillissement verklaard.
[appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank hem ten onrechte in staat van faillissement heeft verklaard en voert daartoe het volgende aan. Hij betwist de vordering van Bidfood. Volgens [appellant] hebben zich belangrijke, onvoorziene omstandigheden voorgedaan, waardoor [bedrijf 1] haar verplichtingen niet heeft kunnen nakomen. Zo heeft de gemeente er te lang over gedaan om de omgevingsvergunning voor het horecagedeelte te verlenen, terwijl de omgevingsvergunning voor de brouwerij, tegen alle verwachtingen in, niet werd verstrekt. Ook wordt de hoogte van de door Bidfood gestuurde facturen betwist. [appellant] betwist dat er een rechtsgrond bestaat voor de daarin opgenomen signing fees van € 10.000,00 en
€ 35.000,00. Dat volgt niet uit de inhoud van de contracten en evenmin uit de nadien opgemaakte allonges. Daarnaast heeft hij de afname- en bonusovereenkomst weliswaar als medeschuldenaar ondertekend, maar uit het contract blijkt volgens hem niet wat de inhoud van zijn verplichtingen is. Verder stelt [appellant] dat ten onrechte is aangenomen dat [bedrijf 2] een vorderingsrecht heeft. Uit de overgelegde verklaring van de bestuurder van [bedrijf 2] blijkt immers dat [bedrijf 2] geen vordering meer op hem heeft. Ten aanzien van de vordering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Ministerie SZW) voert [appellant] aan dat deze is overgedragen aan gerechtsdeurwaarder LAVG (hierna ook: LAVG). LAVG heeft bij e-mail van 22 september 2025 verklaard dat in februari 2023 van de vordering is afgezien, aldus nog steeds [appellant] . Bovendien is de vordering volgens [appellant] verjaard, zoals dit hof in zijn arrest van 23 september 2025 ook heeft geoordeeld. Verder zijn de vorderingen van Eneco en CJIB inmiddels voldaan. Ook betwist [appellant] de vordering die de curator van [bedrijf 1] , [naam] , bij de curator heeft ingediend. Naar aanleiding van de (voorgenomen) aansprakelijkstelling heeft hij gemotiveerd verweer gevoerd. Net als bij de vordering van Bidfood moet ook de bestuurdersaansprakelijkheidsvordering uit het faillissement van [bedrijf 1] eerst in rechte worden vastgesteld. Gelet op deze omstandigheden kan niet summierlijk worden vastgesteld dat Bidfood een vordering heeft en dat er andere schuldeisers zijn. Het vereiste van pluraliteit van schuldeisers is derhalve niet vervuld. [appellant] verzoekt daarom het faillissementsvonnis te vernietigen.
Bidfood heeft in haar verweerschrift het volgende aangevoerd. Volgens Bidfood is summierlijk gebleken van het bestaan van haar vorderingsrecht op [appellant] . Dit volgt onverkort uit de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 23 september 2025 en [appellant] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat het door Bidfood ingeroepen vorderingsrecht jegens [appellant] niet (meer) geldend kan worden gemaakt. Daarnaast is er volgens Bidfood sprake van pluraliteit van schuldeisers. De vordering van het Ministerie SZW die voortvloeit uit een boetebeschikking van 4 oktober 2010 bestaat nog steeds. Het sluiten van het dossier door de deurwaarder betekent niet dat het vorderingsrecht van het Ministerie SZW is komen te vervallen. Bovendien blijkt uit de overgelegde deurwaardersexploten dat de verjaring telkens tijdig is gestuit. Inmiddels heeft [bedrijf 2] de vordering op [appellant] aan een derde partij verkocht. Dat doet echter niets af aan het feit dat [appellant] nog steeds niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2023 en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2023. Volgens Bidfood blijft ook deze de vordering bestaan. Bidfood concludeert dan ook dat [appellant] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en dat het faillissementsvonnis dient te worden bekrachtigd.
De curator heeft in aanvulling op zijn verslag ter zitting van het hof het volgende aangevoerd. Tot op heden (6 februari 2026) hebben vier crediteuren een vordering ter verificatie ingediend voor een totaalbedrag van € 743.560,96. Dit bedrag bestaat uit een vordering van Bidfood B.V. van € 91.334,01, een vordering van de curator [naam] in het faillissement van [bedrijf 1] van € 650.000,00, een vordering van Eneco van
€ 347,95 en een vordering van het CJIB van € 1.879,00. De curator heeft van [appellant] begrepen dat de vordering van Eneco inmiddels is voldaan en de curator heeft aan Eneco gevraagd om dit te verifiëren. Het boedelsaldo is momenteel nihil. Ten aanzien van de vordering die de curator van [bedrijf 1] , [naam] , bij de curator heeft ingediend merkt de curator op dat deze vordering voorlopig erkend is maar dat nog zal moeten worden vastgesteld of [appellant] voor de volledige € 650.000,00 aansprakelijk kan worden gehouden.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6, derde lid, Faillissementswet (Fw) de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de (opeisbare) vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een (opeisbare) vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is summierlijk gebleken dat Bidfood, die de aanvraag tot faillietverklaring heeft gedaan, een opeisbare vordering heeft op [appellant] . Op 12 juli 2021 is tussen Bidfood en [bedrijf 1] een overeenkomst van geldlening gesloten waarvoor [appellant] zich ten behoeve van [bedrijf 1] als medeschuldenaar heeft verbonden. De lening is door het faillissement van [bedrijf 1] opeisbaar geworden (artikel 8.1.3 van de geldleningsovereenkomst) en is tot op heden niet volledig terugbetaald. Daarmee staat de vordering van Bidfood voldoende vast. Daarnaast is gebleken dat het Ministerie SZW een vordering op [appellant] heeft op grond van een boetebeschikking van 4 oktober 2010. Namens [appellant] is betoogd dat die vordering verjaard zou zijn, maar de advocaat van Bidfood heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken toegelicht dat uit door hem overgelegde deurwaardersexploten blijkt dat de verjaring steeds tijdig is gestuit. De omstandigheid dat de incassopogingen zijn gestaakt en het dossier is gesloten, betekent niet dat de vordering niet langer bestaat. Ten aanzien van de vordering die de curator van [bedrijf 1] , [naam] , heeft ingediend, is het hof gebleken dat het gaat om een bestuurdersaansprakelijkstelling van [appellant] op de voet van artikel 2:248 BW omdat zijn onderneming [bedrijf 1] niet aan haar administratie- en boekhoudverplichting heeft voldaan en evenmin aan haar verplichting jaarrekeningen te laten opmaken en deze op tijd te publiceren. Ter zitting heeft [appellant] , desgevraagd, bevestigd dat de administratieve bescheiden nog bij de accountant liggen om verwerkt te worden, en dat de jaarrekeningen deels te laat en deels niet zijn gedeponeerd. Onweersproken is de stelling van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] dat hij geen volledige administratie en boekhouding heeft ontvangen. Dit zijn ernstige verwijten. Het wettelijke vermoeden dat [appellant] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt is te maken en dat dit een belangrijke oorzaak voor het faillissement van [bedrijf 1] is geweest, heeft [appellant] , hoewel daartoe ter zitting in de gelegenheid gesteld, niet weten te weerleggen. Zijn stelling dat door het uitblijven van de vergunningen de bedrijfsvoering werd bemoeilijkt gaat eraan voorbij dat dit tot het normale ondernemersrisico behoort. Het is de verantwoordelijkheid van [appellant] als bestuurder dat de onderneming tijdig beschikt over de benodigde vergunningen. Het bestaan van een vordering van de curator in het faillissement van [bedrijf 1] is daarmee summierlijk gebleken. Tot slot is er nog het gegeven dat [appellant] partner blijkbaar gelden beschikbaar heeft gesteld om zijn schulden aan Eneco en het CJIB, waarvoor betalingsregelingen liepen, ineens te betalen. Zijn partner blijkt ook de vordering van [bedrijf 2] te hebben overgenomen. Het feit dat zijn partner heeft verklaard hiervoor geen verhaal op hem te zoeken, laat onverlet dat er tot zeer recent sprake was van schulden die [appellant] zelf niet kon betalen. De conclusie is dan ook dat [appellant] meerdere schuldeisers onbetaald laat. Er is sprake van forse schulden die hij niet kan voldoen. Hij verkeert aldus in de toestand dat hij is opgehouden te betalen.
Het voorgaande betekent dat ook in hoger beroep is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
3. Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, A.M. van Amsterdam en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad