GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.363.814/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11441484 CV EXPL 24-15677
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] (België),
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 16 oktober 2025 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam dat op 13 maart 2025 onder bovengenoemd zaaknummer tussen partijen is gewezen.
Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 20 januari 2026.
Bij rolbeslissing van 20 januari 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 3 februari 2026 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellante heeft zich op de rol van 3 februari 2026 bij akte, met een productie, uitgelaten over de ontvankelijkheid.
Geïntimeerde heeft op 17 februari 2026 een antwoordakte, met producties, genomen.
Arrest is nader bepaald op heden.
2. Beoordeling
In artikel 339 lid 1 Rv is de termijn van beroep bepaald op drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. In de onderhavige zaak is het bestreden vonnis uitgesproken op 13 maart 2025. Het hoger beroep is ingesteld op 16 oktober 2026, dus na afloop van de appeltermijn van drie maanden.
Appellante erkent dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld, maar stelt zich op het standpunt dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens appellante is deze overschrijding namelijk het gevolg van een apparaatsfout. Zij stelt daartoe, kort gezegd, het volgende. De rechtbank heeft ervoor gekozen om het bestreden vonnis uitsluitend per post aan partijen te verzenden. Het per post verzonden vonnis heeft appellante niet bereikt. Appellante heeft pas kennisgenomen van het bestreden vonnis, nadat dat vonnis op verzoek van appellante door de gemachtigde van geïntimeerde bij e-mail van 10 september 2025 aan haar was toegestuurd.
Het betoog van appellante komt erop neer dat het bestreden vonnis door een fout van de rechtbank pas op 10 september 2025, en dus na het verstrijken van de appeltermijn, aan haar is verzonden. Appellante is vervolgens ruim vijf weken later, op 16 oktober 2025, van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt evenwel dat in alle gevallen waarin een uitzondering op de strikte handhaving van beroepstermijnen gerechtvaardigd wordt geacht, die termijn moet worden verlengd met veertien dagen of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn. Dit betekent voor de onderhavige zaak dat, ook indien het hof appellante zou volgen in haar betoog dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege een apparaatsfout, het hoger beroep te laat, want niet binnen veertien dagen na de datum waarop zij stelt dat het bestreden vonnis aan haar is verzonden, is ingesteld. Appellante kan dan ook niet worden ontvangen in haar hoger beroep.
Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
3. De beslissing
Het hof:
verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 362,- aan verschotten en € 645,- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.