GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.355.437/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11633717 / VV EXPL 25-48
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. F.B.M. Groos te Vijfhuizen,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. R.M.J. Muit te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 28 mei 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van 6 mei 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 24 juni 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze heeft niet plaatsgevonden.
[appellant] heeft een memorie van grieven, met producties, ingediend. Deze memorie bevat een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) totdat het hof op het hoger beroep heeft beslist, wat betreft de veroordeling van appellant om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [geïntimeerde] zijn, en de sleutels af te geven aan [geïntimeerde] .
[geïntimeerde] heeft daarop een memorie van antwoord in het incident, met producties, ingediend en daarbij geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.
2. Beoordeling
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter – voor zover van belang – bij wijze van voorlopige voorziening [appellant] veroordeeld om de door hem van [geïntimeerde] gehuurde bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [geïntimeerde] zijn, en de sleutels af te geven aan [geïntimeerde] . Deze veroordeling is (niet gemotiveerd) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[appellant] heeft op 12 juni 2025 bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland een executiegeschil op grond van artikel 438 lid 3 Rv aanhangig gemaakt en onder meer gevorderd de executie van het bestreden vonnis te staken en gestaakt te houden gedurende de tijd dat het hoger beroep daartegen nog loopt, althans gedurende een in goede justitie te bepalen termijn (hierna: het executiegeschil). De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 18 juni 2025 (hierna: het executievonnis) de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst tot en met 31 december 2025, of – indien dat eerder zou zijn – totdat over dat vonnis in hoger beroep zou zijn beslist, en heeft bepaald dat deze schorsing alleen geldt zolang [appellant] tijdig aan zijn toegezegde wekelijkse betaling van € 2.250,00 aan [geïntimeerde] voldoet en blijft voldoen.
Het hof stelt voorop dat een geëxecuteerde, naast het recht om in kort geding een vordering tot schorsing van de executie in te stellen op grond van artikel 438 lid 2 Rv, in beginsel ook het recht toekomt een soortgelijke vordering door middel van een incident op grond van artikel 351 Rv in te stellen in hoger beroep. Is echter, voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv afgewezen en zijn door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering krachtens artikel 351 Rv niet toekomen omdat deze in dat geval moet worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. In dat geval zou immers dezelfde vordering wederom aan de rechter worden voorgelegd zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat.
De voorzieningenrechter heeft de in kort geding door [appellant] ingestelde vordering tot schorsing ten dele, onder een voorwaarde, toegewezen en verder afgewezen.
[appellant] heeft in deze procedure geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een hernieuwde beoordeling van de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid rechtvaardigen.
Het hof zal daarom de incidentele vordering van [appellant] afwijzen wegens strijd met de goede procesorde.
Het hof zal de beslissing over de proceskosten in dit incident alsmede iedere verdere beslissing aanhouden tot het eindarrest in deze zaak en in de hoofdzaak de zaak verwijzen naar de rol voor memorie van antwoord.
3. Beslissing
in het incident:
wijst de vorderingen af.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 4 juni 2024 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.C.W. Rang en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.