afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001727-21
datum uitspraak: 31 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-728003-16 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedatum 1] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2022, 13 en 18 januari 2023, 25 april, 5 juni en 7 november 2024, 18, 24 en 26 februari en 12 en 17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Inhoudsopgave
3.1. Identificaties…………………………………………………………………………………6
3.2. Inleiding criminele organisatie……………………………………………………………13
3.2. Oogmerk Opiumwet……………………………………………………………………….15
3.3. Gewoontewitwassen (feit 2) en oogmerk witwassen (feit 1)……………………………..24
3.4. Oogmerk moord……………………………………………………………………………45
4. Bewezenverklaring………………………………………………………………………………….55
5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte………………………………...57
6. Verzoeken en eerlijkheid proces…………………………………………………………………...57
7. Oplegging van straf…………………………………………………………………………………60
8. Beslagbeslissing……………………………………………………………………………………..62
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften…………………………………………………………….62
BESLISSING………………………………………………………………………………………….…63
Bijlage I: tenlastelegging………………………………………………………………………………..65
1. Inleiding
Deze strafzaak tegen de verdachte heeft de naam 13Orinus gekregen. Binnen 13Orinus is onderzoek gedaan naar strafbare gedragingen van de verdachte en een groep personen rond de verdachte. Dit heeft geresulteerd in de verdenking dat deze groep, onder leiding van de verdachte, gedurende langere tijd in georganiseerd verband misdrijven heeft gepleegd. Als specifieke doelen van de organisatie worden in het politiedossier genoemd: (gewoonte)witwassen, het bezit van (vuur)wapens en munitie, het plegen van moorden en drugshandel. Het onderzoek heeft ook geleid tot de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen en medeplegen van het bezit van (vuur)wapens en munitie.
De verdachte is op 20 oktober 2017 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten aangehouden in Chili. Op 21 maart 2018 is de verdachte aangekomen in Nederland . Sindsdien bevindt hij zich in voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft de verdachte op 31 mei 2021 veroordeeld voor het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (gewoonte)witwassen en moord en voor het medeplegen van (gewoonte)witwassen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot het bezit van (vuur)wapens en munitie en drugshandel. Aan de verdachte is een gevangenisstraf van elf jaren opgelegd.
Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is met name gericht tegen de vrijspraak van het leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot drugshandel. Het hoger beroep van de verdachte is met name gericht tegen de beslissing tot de bewezenverklaring van het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (gewoonte)witwassen en moord en de bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen.
Onderzoek op de zitting
Het hof heeft zijn beslissingen gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dat heeft
plaatsgevonden op meerdere zittingsdagen, zoals hierboven vermeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof geoordeeld op basis van het onderzoek dat eerder bij de rechtbank heeft plaatsgevonden, zoals dat is beschreven in de processen-verbaal van die zittingen.
Het hoger beroep heeft lang geduurd. De reden daarvoor is onder meer dat er meerdere regiezittingen hebben plaatsgevonden waarop verzoeken zijn besproken en enkele getuigen zijn gehoord. Toen de zaak medio 2024 behandeld kon worden, is de zaak alsnog aangehouden omdat de getuige [getuige 1] – die zich in detentie in Italië bevond – werd gehoord.
Taak strafrechter
De strafbare feiten waarvan een verdachte door het Openbaar Ministerie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de strafrechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. Hij doet dat op basis van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
De vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. Het hof moet eerst beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk is. Daarna moet het hof beoordelen of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De vier laatste punten worden ‘de voorvragen’ genoemd. Het hof zal deze voorvragen beantwoorden in hoofdstuk 2, voor zover dat nodig is. Vervolgens moet het hof beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie hoofdstukken 3, ‘Beoordeling van het bewijs’ en 4, ‘Bewezenverklaring’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie hoofdstuk 5 ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie hoofdstuk 6 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel (zie hoofdstuk 7. ‘Oplegging van straf’). Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie hoofdstuk 8, ‘Beslissing omtrent het beslag’).
Afbakening van de zaak in hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van wat aan hem als feit 3 ten laste is gelegd; het medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie op 5 juli 2016.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en heeft het hoger beroep niet beperkt. Dit betekent dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van dat tenlastegelegde feit. Een verdachte kan niet in hoger beroep gaan tegen een beslissing van een rechtbank waarbij hij is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep tegen die beslissing is gericht.
Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat zij zich ook kan vinden in die vrijspraak en dat het als feit 3 tenlastegelegde feit in hoger beroep niet aan de orde hoeft te komen. Het hof is niet gebleken dat er een belang bestaat bij de behandeling van het hoger beroep dat door het Openbaar Ministerie is ingesteld tegen de beslissing over feit 3. Onder deze omstandigheden zal ook het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de verdachte van feit 3 vrij te spreken.
Dit alles heeft tot gevolg dat de beslissing van de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie, blijft staan. Het hof hoeft over feit 3 dan ook geen beslissing te nemen.
Beschuldiging
De tekst van de tenlastelegging met daarin de beschuldiging, is voor de rechter de basis voor het oordeel. De verdachte wordt – na meerdere wijzigingen van de tenlastelegging – kort weergegeven – in hoger beroep nog beschuldigd van:
1. Deelneming als leider aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:. (gewoonte)witwassen, . bezit van (vuur)wapens en munitie en
. moord in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017;
en
Deelneming als leider aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017;
2. Medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017.
De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage 1 opgenomen en maakt deel uit van dit arrest. Het feit waarvoor de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken, staat niet meer in de tekst van de tenlastelegging in bijlage 1.
Motivering en bewijsmiddelen
Het hof heeft in dit arrest de beslissingen neergelegd en heeft deze beslissingen ook gemotiveerd voor
zover een motivering:
- nodig is om de beslissingen te begrijpen;
- ( op grond van de wet) vereist is bij het gebruik van een bepaald bewijsmiddel;
- ( op grond van de wet) vereist is omdat het Openbaar Ministerie en de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren hebben gebracht of de verdediging een verweer heeft gevoerd.
Het hof zal in het arrest niet steeds reageren op standpunten en verweren van de verdediging wanneer de overwegingen en beslissingen van het hof in overeenstemming zijn met dat standpunt. Het is
bijvoorbeeld niet nodig om te reageren op het standpunt dat een bepaalde getuige onbetrouwbaar is, als de rechter ervoor heeft gekozen de verklaring van die getuige niet te gebruiken voor het bewijs. Het is voor het hof dus niet nodig om op alle standpunten van de verdediging te reageren. Hetzelfde geldt voor standpunten die het Openbaar Ministerie heeft ingenomen.
Vonnis
Het vonnis waartegen beroep is ingesteld, zal worden vernietigd, omdat het hof op verschillende punten tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ten aanzien van de overige beslissingen kan het hof zich in grote lijnen echter vinden in de beslissingen en de motiveringen van de rechtbank. In die gevallen heeft het hof dan ook gebruik gemaakt van de overwegingen van de rechtbank en aangepast of aangevuld waar nodig.
2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
De rechter moet oordelen op de grondslag van de tenlastelegging. Het doel van de tenlastelegging is om voor de procesdeelnemers – de rechter, het Openbaar Ministerie, de verdachte en eventueel de benadeelde partij – duidelijk vast te leggen wat de inzet van de strafzaak is en de te volgen beslissingsstructuur. Met het oog daarop moet de dagvaarding op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een opgave bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Bij die opgave wordt vermeld omstreeks welke tijd, waar en onder welke omstandigheden het feit zou zijn begaan.
Het is de vraag of de tenlastelegging voldoende duidelijk is voor zover onder feit 2 het witwassen ten laste is gelegd van:
- een of meer (andere) luxe goed(eren), te weten (onder) andere een of meer (exclusieve) horloge(s) (van het merk Audemars Piquet en/of Rolex en/of Jaeger Lecoultre en/of Franck Muller en/of Cartier en/of Panerai).
In de tenlastelegging zijn de merken van de horloges genoemd. Uit het dossier is af te leiden op welke plaatsen er horloges, certificaten en doosjes zijn aangetroffen. De hoeveelheid horloges is bovendien te overzien. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – voor wat betreft de horloges voldoende feitelijk en duidelijk is. Het is voor de verdachte voldoende duidelijk wat hem wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. In hoger beroep heeft de verdediging hierover ook geen standpunt meer ingenomen.
In de tenlastelegging zijn ook de woorden ‘(onder) andere’ opgenomen. Met die woorden is kennelijk ook het witwassen van nog andere luxe goederen ten laste gelegd dan de genoemde horloges. Er is echter op geen enkele wijze beschreven welke andere goederen bedoeld worden. Voor zover in de tenlastelegging met de woorden ‘(onder) andere’ wordt gedoeld op andere luxegoederen dan horloges, is het hof van oordeel dat de tenlastelegging (gedeeltelijk) nietig is omdat de tenlastelegging op dit punt onvoldoende feitelijk en duidelijk is. Het hof zal de tenlastelegging daarom nietig verklaren voor zover in de tenlastelegging onder feit 2 de woorden ‘(onder) andere’ zijn opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat hof dat deel van de beschuldiging verder niet zal onderzoeken en daarover niet zal oordelen.
De dagvaarding voldoet verder aan de vereisten van artikel 261 Sv. De dagvaarding is voor het overige dan ook geldig.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in Nederland niet voor leiderschap van de criminele organisatie vervolgd kan worden omdat hij niet voor dat verwijt door Chili is uitgeleverd, maar alleen voor deelneming aan de criminele organisatie. Door de verdachte wel voor leiderschap van de criminele organisatie te vervolgen, wordt het specialiteitsbeginsel geschonden. Het Openbaar Ministerie is voor dat deel van de tenlastelegging niet-ontvankelijkheid in de vervolging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de verdachte wel voor leiderschap van de criminele organisatie kan worden vervolgd omdat kortgezegd de Chileense autoriteiten de uitlevering hebben toegestaan voor ‘toebehoren aan een criminele organisatie’ en dat gelet op de inhoud van het uitleveringsverzoek van de Nederlandse autoriteiten en de daarin omschreven feiten dit ook leiderschap omvat.
Oordeel van het hof
Het specialiteitsbeginsel houdt in dat een uitgeleverde persoon niet wordt vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd in verband met enig ander vóór de uitlevering begaan feit (of feiten) dan het feit (of feiten) dat de reden tot de uitlevering is geweest. Het is dan ook de vraag of de verdachte voor zover hij wordt vervolgd voor het als leider deelnemen aan een criminele organisatie wordt vervolgd voor een ander feit dan dat waarvoor zijn uitlevering door de Chileense autoriteiten is toegestaan.
Daarvan is in de deze zaak geen sprake.
In het uitleveringsverzoek van 24 oktober 2017 is door de Nederlandse officier van justitie verzocht om uitlevering van de verdachte voor onder meer deelname aan een criminele organisatie. In de uiteenzetting van de feiten is aangegeven dat de verdachte er van wordt verdacht leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van diverse strafbare feiten. Melding is verder gemaakt van de toepasselijke wetsbepalingen waaronder artikel 140 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) die inhouden dat ten aanzien van leiders de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.
In de aanvulling op het uitleveringsverzoek van 22 december 2017 is nog expliciet gewezen op de maximale straf die opgelegd kan worden als het gaat om leiderschap van een criminele organisatie.
De Chileense rechter heeft op 15 januari 2018 de uitlevering toelaatbaar verklaard en onder meer overwogen dat verdachte wordt verweten dat hij als leider van een criminele organisatie zich schuldig heeft gemaakt aan kort gezegd het plegen van verschillende strafbare feiten (Dossierpagina G1456). Dit vonnis is op 7 maart 2018 bevestigd, waarna de verdachte op 21 maart 2018 feitelijk aan Nederland is uitgeleverd.
Uit de beslissing van de Chileense rechter blijkt dat in de beoordeling van deze rechter mede is betrokken het verwijt dat de verdachte ervan verdacht wordt leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie dat het oogmerk het plegen van strafbare feiten heeft. Het leiderschap van een criminele organisatie is dan ook door de Chileense rechter onder ogen gezien en uit de overweging blijkt de uitlevering hiervoor ook is toegelaten. Op grond hiervan moet het verweer worden verworpen.
Het hof verwerpt het verweer.
3. Beoordeling van het bewijs
Het hof zal hieronder de feiten en omstandigheden bespreken die van belang zijn voor het bewijs. Eerst zal worden beschreven wie de gebruikers zijn van verschillende PGP-adressen en wie er worden bedoeld met sommige bijnamen. Daarna wordt het bewijs beschreven dat betrekking heeft op de criminele organisatie (feit 1). De feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het tenlastegelegde gewoontewitwassen (feit 2) zullen worden besproken in de paragraaf over het oogmerk witwassen.
Identificaties
Verdachte
‘# [accountnaam 1] ’
Tijdens de aanhouding van de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili is onder hem een iPhone 6 inbeslaggenomen. De iPhone bleek na onderzoek eigendom te zijn van [betrokkene 1] , met wie de verdachte een relatie had. In de telefoon stond een foto van het scherm van een BlackBerry telefoon. Op het scherm was een PGP-bericht te zien dat afkomstig was van een gebruiker met de naam ‘ [accountnaam 1] ’. In het bericht beklaagde ‘ [accountnaam 1] ’ zich erover dat de gebruiker van de telefoon waar het bericht naartoe was gestuurd nooit berichten terugstuurt. ‘ [accountnaam 1] ’ zou de PGP-telefoon annuleren en hem aan iemand anders geven. Het bericht lijkt te gaan over een onenigheid in de relationele sfeer.
Op [datum 1] 2015 wordt door de gebruiker van het PGP-adres # [accountnaam 2] @pgpsafe.net aan [accountnaam 1] @limitedpgp.com (hierna # [accountnaam 1] ) gevraagd of hij zijn verjaardag nog gaat vieren. De verdachte is geboren op [geboortedatum 1] .
Onder [betrokkene 2] is een PGP-telefoon inbeslaggenomen. Deze telefoon lag in een nachtkastje op de slaapkamer waar [betrokkene 2] werd aangetroffen en aangehouden en is gekoppeld aan het PGP-adres [accountnaam 3] @blackberrysecure.biz (hierna: # [accountnaam 3] ). De telefoon bevat een PGP-gesprek van 30 november 2015, waarin # [accountnaam 1] omstreeks 17:37 uur aan # [accountnaam 3] vraagt of hij even langs het hotel kan komen en een kamer kan pakken. Daarop antwoordt # [accountnaam 3] bevestigend. Op de camerabeelden van het Van der Valk hotel in Breukelen is te zien dat [betrokkene 2] om 23:10 uur aan de balie staat om een kamer te boeken. Uit beelden bleek ook dat de verdachte diezelfde avond bij dat hotel verscheen. De verdachte checkte niet zelf in. In dezelfde telefoon met daaraan gekoppeld het account # [accountnaam 3] is ook een PGP-gesprek aangetroffen van 1 december 2015, waarin # [accountnaam 1] aan # [accountnaam 3] vraagt of hij mee naar Spanje gaat, waarop de gebruiker van account # [accountnaam 3] instemmend reageert. Op 2 december 2015 worden door de Franse politie de inzittenden van twee Audi’s met opeenvolgende kentekennummers ( [kenteken 1] en [kenteken 2] ) gecontroleerd, met als inzittenden de verdachte en [betrokkene 2] .
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte de gebruiker was van ‘# [accountnaam 1] ’. Niet gesteld of gebleken is dat deze gebruikersnaam of het PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte was die berichten via dit adres verstuurde.
‘# [accountnaam 4] ’ en bijnaam [bijnaam 1]
Het PGP-adres ‘# [accountnaam 1] ’ komt in meerdere contactlijsten van andere PGP gebruikers voor. In vijf contactlijsten is het account ‘ [accountnaam 1] ’ opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] of [bijnaam 1] of [bijnaam 1] nieuw’. Bovendien blijkt ook uit contactlijsten dat het PGP-adres [accountnaam 4] @secretblackmars.com (hierna: # [accountnaam 4] ) in de contactlijsten van twee andere PGP gebruikers ook is opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] ’.
Op 16 juni 2016 werd de verdachte aangehouden in Alcoron in Spanje. [betrokkene 3] is toen naar Madrid gegaan waar op 18 juni 2016 een hoorzitting was in de zaak tegen de verdachte. Hierover hadden [betrokkene 3] en [betrokkene 4] PGP-contact. In dat gesprek vroeg [betrokkene 4] of de advocaat ‘ [bijnaam 1] ’ had gezien. [betrokkene 3] bevestigde dit.
[getuige 1] heeft bij de raadsheer commissaris op 11 november 2024 bevestigd dat hij de verdachte ‘ [bijnaam 1] ’ noemde en als hij met hem communiceerde via PGP-toestellen dan schreef hij ‘ [bijnaam 1] ’ en de verdachte schreef dan ‘mi [bijnaam 1] ’. Ook is door hem in die verklaring bevestigd dat als hij in april 2016 berichten uitwisselt over cocaïne dat dit dan met ‘ [bijnaam 2] ’ was. [getuige 1] heeft dat verklaard over berichten die zijn gewisseld tussen het account # [accountnaam 5] (van [getuige 1] ) en de # [accountnaam 4] , die later in dit arrest nog worden besproken. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof dat de verdachte ook de gebruiker was van het account # [accountnaam 4] .
Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van de verdachte is en dat het de verdachte is die gebruik maakte van het account # [accountnaam 4] .
Overige PGP gebruikers
Op grond van de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden is het hof verder van oordeel dat de hierna te noemen PGP-adressen zijn te koppelen aan respectievelijk [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [getuige 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 9] . Door de verdachte is de toeschrijving van deze accounts aan deze gebruikers overigens ook niet weersproken.
[betrokkene 5]
‘# [accountnaam 6] ’
In de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 vindt er PGP-communicatie plaats tussen de PGP-adressen [accountnaam 6] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 6] ) en de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 7] (hierna: # [accountnaam 7] ). De berichten gaan over ‘broertje’ en het feit dat de gebruiker # [accountnaam 6] trots is dat de # [accountnaam 7] zijn broertje is en over ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘graf van papa’. Ook wordt door # [accountnaam 7] tegen # [accountnaam 6] gezegd dat hij alle zussen heeft gesproken over het kopen van kleding voor hun zelf en de kids: ‘ [bijnaam 3] 2 kids’, ‘ [bijnaam 4] 3 kids’, ‘ [bijnaam 5] 4 kids’ en ‘ [naam 3] 1 kid’.
[naam 1] is getrouwd met [naam 2] , de zus van [betrokkene 5] . Van [naam 2] is bekend dat zij twee kinderen heeft. [naam 3] is ook een zus van [betrokkene 5] . Van [naam 3] is bekend dat zij één kind heeft.
[naam 4] is ook een zus van [betrokkene 5] . Van haar is bekend dat zij vier kinderen heeft.
De vader van [betrokkene 5] is in [jaartal] overleden.
Dat de gebruiker [betrokkene 5] betreft en niet een van de andere broers of zussen van [betrokkene 5] leidt het hof af uit berichtenverkeer tussen de gebruiker van het account [accountnaam 8] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 8] ) en # [accountnaam 6] op 17 april 2016 waarin # [accountnaam 8] tegen # [accountnaam 6] zegt dat hij zijn kinderen nodig heeft en dat zij hem nodig hebben, dat hij al te lang bij zijn gezin weg is, hij veel woede in zich heeft en dat ‘ [bijnaam 6] ’ er heel erg mee zit en ook veel woede in zich heeft. [betrokkene 5] heeft een zoon [naam 5] . Het hof leidt uit dit bericht af dat de partner van [betrokkene 5] , tevens de moeder van zijn kinderen, hem hier aanspreekt.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het [betrokkene 5] is die de gebruiker van het account # [accountnaam 6] is.
‘# [accountnaam 9] ’
De telefoonboeken van de PGP-adressen # [accountnaam 6] en [accountnaam 9] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 9] ) komen nagenoeg geheel overeen met elkaar. Ogenschijnlijk zijn de telefoonboeken één op één overgezet van het ene account naar het andere account. Dit is een sterke aanwijzing dat beide accounts bij dezelfde persoon in gebruik zijn geweest. Tevens is # [accountnaam 9] in diverse andere telefoons opgeslagen onder de bij verbalisant ambtshalve bekende bijnamen van [betrokkene 5] (‘ [bijnaam 7] ’, ‘ [bijnaam 8] ’ en ‘ [bijnaam 9] ’) en werd de gebruiker in communicatie aangesproken met ‘ [bijnaam 7] ’. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat ook dit account door [betrokkene 5] werd gebruikt. De verdachte heeft de toekenning van dit account aan [betrokkene 5] overigens ook niet weersproken.
‘# [accountnaam 10] ’
Zoals hiervoor overwogen heeft [betrokkene 5] gebruik gemaakt van de accounts # [accountnaam 6] en # [accountnaam 9] . [betrokkene 7] (zoals hierna wordt vastgesteld de gebruiker van account # [accountnaam 11] ) heeft het PGP account # [accountnaam 9] opgeslagen onder de naam [bijnaam 10] . [betrokkene 7] (zoals hierna wordt vastgesteld ook de gebruiker van account # [accountnaam 12] ) heeft het PGP account # [accountnaam 10] opgeslagen onder de naam [bijnaam 10] . Het account # [accountnaam 10] wordt daarnaast door een andere gebruiker van een PGP-telefoon opgeslagen als ‘ [bijnaam 11] ’ (zoals door de gebruiker van het account # [accountnaam 13] ) terwijl dit een bekende bijnaam van [betrokkene 5] is, zoals hiervoor is overwogen. Het bekende account # [accountnaam 6] van [betrokkene 5] is door anderen eveneens opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 12] ’ terwijl het account # [accountnaam 10] door de gebruiker van account # [accountnaam 14] en account # [accountnaam 15] eveneens onder de naam ‘ [bijnaam 12] ’ is opgeslagen.
Uit de berichten blijkt dat de gebruiker van account # [accountnaam 10] dit PGP-adres rond 1 september 2015 in gebruik neemt. Hij bevindt zich rond die tijd in Dubai en schrijft dat zijn kinderen daar naar school gaan. Van [betrokkene 5] is bekend dat hij vier kinderen heeft. Dit bevestigt dat het ook in deze gesprekken daadwerkelijk [betrokkene 5] is die hier communiceert. Het hof stelt vast dat [betrokkene 5] ook de gebruiker was van het account # [accountnaam 10] . Dit is overigens ook niet door de verdediging weersproken.
[betrokkene 6]
“# [accountnaam 7] ”
Hiervoor is uiteengezet dat [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) in de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 heeft gecommuniceerd met de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 7] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 7] ) over zijn zussen en ‘mama’ en ‘graf van papa’. [betrokkene 5] heeft ook naar # [accountnaam 7] gestuurd: “Ben echt trots op jouw en dan allah iedere dag dat je my broertje bent al ben ik hard tegen je hou van je brot tot de dood en erna!!!”. Daarop antwoordt # [accountnaam 7] : “(…) Ben ook trots op jou als broer (…)”. [betrokkene 5] is een broer van [betrokkene 6] . Dat het [betrokkene 6] is en niet de andere broer van [betrokkene 5] leidt het hof af uit het volgende. Op 18 april 2016 om 18:28 uur heeft de gebruiker van # [accountnaam 7] contact met de gebruiker van account [accountnaam 16] (hierna: # [accountnaam 16] ). De gebruiker van # [accountnaam 7] spreekt de gebruiker van # [accountnaam 16] aan als ‘sis’. ‘Sis’ vraagt: ‘he ga je nou nog trouwen van de zomer???’ # [accountnaam 7] antwoordt: ‘ Wollah sis weet t echt niet’. [betrokkene 5] heeft twee broers. [betrokkene 6] is de enige van de drie broers [betrokkene 5] die toen nog niet getrouwd was.
‘# [accountnaam 17] ’
Op 30 maart 2016 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 18] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 17] ) naar de helpdesk van Ennetcom (helpdesk3@ennetcom.com): “Amigo mij pgp geeft sos aan, hoe kan dat. Hij is pas verlengd. [accountnaam 7] @ennetcom.biz (…)”. Op 17 april 2016 stuurt # [accountnaam 7] naar het PGP-adres [accountnaam 19] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 19] ) om 11:40 uur: “(…) Kan je een pgp afgeven aan die jongen die met jou mee was gegaan na club aub”. Op de vraag van # [accountnaam 19] of hij “sims” erin moet doen, antwoordt # [accountnaam 7] : “Ja bro” en “ [accountnaam 18] @ennetcom.com Zet mij in die nieuwe toestellen. Met deze mail [bijnaam 7]”. Ook vraagt # [accountnaam 7] om 13:09 uur aan de gebruiker van account [accountnaam 20] (hierna: # [accountnaam 20] ): “Bro tekst mij zo met die nieuwe (…). Zet erbij wie mij tekst, afz [naam 6] ”. Vervolgens stuurt de gebruiker van het PGP-account # [accountnaam 20] om 13:10 uur naar gebruiker # [accountnaam 7] : ‘oke bro k tekst je meteen de mijne’. En dan stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 21] @ennetcom.com om 13:11 uur naar # [accountnaam 17] : “Afz [naam 6]”. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de gebruiker van account # [accountnaam 17] dezelfde persoon is als de gebruiker van # [accountnaam 7] , te weten [betrokkene 6] .
[betrokkene 7]
‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’, ‘# [accountnaam 23] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’
Bij de aanhouding van [betrokkene 7] in [land] op [datum 2] zijn twee PGP-telefoons aangetroffen waaraan de PGP-adressen # [accountnaam 22] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 22] ) en [accountnaam 23] @ennetcom (hierna: # [accountnaam 23] ) zijn gekoppeld. Beide toestellen ontvingen op 9 april 2016 een wipe-verzoek op verzoek van [betrokkene 6] .
Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [naam 7] , is vastgesteld dat het PGP-adres [accountnaam 2] @pgpsafe.net (hierna: # [accountnaam 2] ) door [betrokkene 7] gebruikt werd. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 15] ’ en ‘ [bijnaam 16] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [betrokkene 7] zichzelf ‘ [bijnaam 15] noemt en dat hij door anderen ‘ [bijnaam 16] wordt genoemd.
Door Ennetcom-gebruikers zijn de volgende PGP-adressen opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 15] ’: # [accountnaam 12] , # [accountnaam 23] en # [accountnaam 2] , onder de naam ‘ [bijnaam 16] ’: # [accountnaam 12] en # [accountnaam 2] en onder de naam ‘ [bijnaam 17] ’: de PGP-adressen # [accountnaam 12] , # [accountnaam 22] , # [accountnaam 2] en # [accountnaam 23] .
Op 17 november 2015 stuurt # [accountnaam 23] naar de gebruiker van het PGP-adres beginnend met # [accountnaam 24] dat hij gisteren vijf keer de verkeerde code had gedrukt. # [accountnaam 23] zegt tegen # [accountnaam 24] dat hij in [land] zit en vraagt aan # [accountnaam 24] of hij een nieuw toestel kan laten brengen. Dat # [accountnaam 23] in [land] zit mag # [accountnaam 24] tegen niemand zeggen. Uit het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [betrokkene 7] in ieder geval rond 5 november 2015 al in [land] ) verbleef.
Op 1 oktober 2015 is door de gebruiker van het PGP-adres beginnend met # [accountnaam 25] een foto met daarop de zus en moeder van [betrokkene 7] naar # [accountnaam 23] gestuurd. De gebruiker van # [accountnaam 25] is geïdentificeerd als [betrokkene 10] , de vrouw/vriendin van [betrokkene 7] .
Door de gebruiker van het account # [accountnaam 22] is de gebruiker van het account # [accountnaam 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam 18] ’ en de gebruiker van het account # [accountnaam 4] als [bijnaam 19] . De verdachte, die zoals hiervoor is overwogen, de gebruiker is van de accounts # [accountnaam 1] en # [accountnaam 4] heeft de gebruiker van account [accountnaam 22] opgeslagen als ‘ [naam 8] ’ en ‘ [naam 9] ’. De verdachte werd ‘ [bijnaam 20] ’ genoemd. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 13] GmbH is ook het PGP-adres [accountnaam 26] @PGPSAFE.NET opgeslagen. Dit PGP-adres is door contactpersonen opgeslagen onder bijnamen van [betrokkene 7] , waaronder ‘ [bijnaam 21] (news)’ en ‘ [bijnaam 9] [bijnaam 21] ’.
[betrokkene 7] is op [datum 2] in [land] aangehouden.
Op 17 en 18 april 2016 hebben de verdachte (# [accountnaam 1] ) en [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) contact met elkaar. Op 17 april 2016 stuurt [betrokkene 5] naar de verdachte een bericht door van ‘Adv’ waarin ‘adv’ schrijft: “Ik kreeg net een rare mail. Ene [naam 10] die zegt dat hij begrijpt dat ik [naam 11] bij bijsta en die vraagt of ik zijn telefoonnummer kan doorgeven aan [naam 11] , zodat die hem kan bellen. (…) Alsof ik zomaar tel nrs door geef of kan doorgeven en [naam 11] hem zomaar kan bellen. Zegt u dit iets?” [betrokkene 5] vraagt aan de verdachte “Zegt u dit iets?”. Daarop vraagt de verdachte aan [betrokkene 5] wie [naam 11] is. [betrokkene 5] antwoordt: “ [bijnaam 14] [bijnaam 7] ”.
Op 18 april 2016 vraagt de verdachte (# [accountnaam 1] ) aan [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) of [betrokkene 5] het nummer ‘van de advo van onze broer in [land] ’ kan geven. [betrokkene 5] stuurt daarop: “Ok [bijnaam 7] ga even [naam 12] mailen en vraag haar num direct [bijnaam 7] [naam 13] heet ie”. Vervolgens stuurt [betrokkene 5] naar de verdachte een bericht van ‘adv’ door, waarin ‘adv’ stuurt dat [naam 13] in Dublin ‘de barrister’ is en dat [naam 14] ‘de solicitor’ is. Ook heeft ‘adv’ gestuurd dat [naam 14] heeft gezegd dat de rechter pro deo had afgewezen, dat zij nu als advocaten graag iets vernemen over betaling en dat ze dat ook aan ‘ [bijnaam 21] ’ zouden melden. “Adv’ heeft verder geschreven dat “een vrouw naar kantoor heeft gebeld die zei dat zij de zus van F is” en vraagt hoe dat kan. Later stuurt [betrokkene 5] naar verdachte: “[bijnaam 7] [naam 12] is gebelt die persoon zei ze is zusje van [bijnaam 21] nu blykt ze heeft helemaal niet gebelt [bijnaam 7] dus iemand wilt slim spelen”.
Het hof concludeert op basis van het bovenstaande dat [betrokkene 7] de gebruiker is van de accounts ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’ en ‘# [accountnaam 23] ’ en dat zijn bijnamen ‘ [bijnaam 14] ’ en ‘ [bijnaam 13] ’ waren.
[betrokkene 8]
‘# [accountnaam 27] ’
Het onderzoek 26Tandem bevat een PGP-bericht waarin door de gebruiker van het PGP-adres met account [accountnaam 28] (hierna: # [accountnaam 28] ) het volgende bericht is gestuurd naar ‘ [naam 15] ’: “Yo… [bijnaam 22] wilt je spreken??” en “Hier is zen mail bro.. [accountnaam 27] @publicpgp.com”. Het is de verbaliserende verbalisant ambtshalve bekend dat ‘ [bijnaam 22] ’ een bekende bijnaam van [betrokkene 8] is. Vervolgens slaat # [accountnaam 28] het PGP-adres # [accountnaam 27] @publicpgp.com (hierna: # [accountnaam 27] ) op onder de naam ‘ [bijnaam 22] ’. ‘ [naam 15] ’ slaat # [accountnaam 27] op onder de naam ‘ [bijnaam 22] ’. Door andere Ennetcomgebruikers is # [accountnaam 27] opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 22] ’, [bijnaam 22] ’, ‘ [bijnaam 22] ’. Ook is # [accountnaam 27] door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 23] ’ en ‘ [bijnaam 24] ’. Dit zijn ook bekende bijnamen van [betrokkene 8] . In een onderzoek genaamd 13Ebetsu is een man die door [betrokkene 7] “ [bijnaam 22] / [bijnaam 22] ” wordt genoemd geïdentificeerd als [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 2] . Uit dat onderzoek is gebleken dat [betrokkene 7] aan een gesprekspartner in de Penitentiaire Inrichting Havenstraat te Amsterdam heeft gezegd dat [bijnaam 22] hem gaat bellen. Kort daarna wordt [betrokkene 7] gebeld door een man die hij [bijnaam 22] noemt. De man geeft zijn personalia door zodat [betrokkene 7] hem op de bezoekerslijst kan zetten, te weten [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 2] te Amsterdam. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [betrokkene 8] de gebruiker was van het account ‘# [accountnaam 27] ’.
[getuige 1]
‘# [accountnaam 5] ’
[getuige 1] heeft als getuige in de zaak van de verdachte verklaard dat hij met de verdachte communiceerde via PGP-telefoons en hij heeft bevestigd dat het account [accountnaam 5] @luxberry.cc door hem werd gebruikt.
[betrokkene 2]
‘# [accountnaam 3] ’
De PGP-telefoon die onder [betrokkene 2] in beslag is genomen (in zijn slaapkamer), was gekoppeld aan het PGP-adres [accountnaam 3] @blackberrysecure.biz (hierna: # [accountnaam 3] ). Met dit PGP-adres was (zoals hierboven al uiteengezet) contact met # [accountnaam 1] . Ook is [betrokkene 2] naar aanleiding van contact met # [accountnaam 1] gezien bij het Van der Valk hotel en werd hij staande gehouden door de Franse politie. Het account # [accountnaam 3] was dus in gebruik bij [betrokkene 2] .
[betrokkene 9]
‘# [accountnaam 24] ’
Op 1 februari 2015 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 24] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 24] ) naar een PGP-adres dat begint met # [accountnaam 29] een bericht over een vingerafdruk die van hem op een papiertje zou zijn aangetroffen. Aan hem zou zijn gevraagd of hij dit kan uitleggen en of hij een Turk kent. In de politiesystemen is een mutatie aangetroffen, waarin staat dat in het onderzoek 13Ebetsu een vingerafdruk van [betrokkene 9] is aangetroffen op een foto van het beoogde slachtoffer van een schietpartij. In deze mutatie staat ook de naam [naam 16] , die de bijnaam ‘ [bijnaam 25] ’ heeft. [betrokkene 9] is tijdens een getuigenverhoor in het onderzoek 13Ebetsu onder andere gevraagd naar de vingerafdruk die van hem op de foto is aangetroffen en of hij [naam 16] kent.
Op 17 november 2015 stuurt de gebruiker van # [accountnaam 24] een bericht naar het PGP-adres # [accountnaam 23] (zoals hiervoor vastgesteld in gebruik bij [betrokkene 7] ), waarin hij zegt dat hij morgen om 09:00 uur ‘die zitting’ heeft. Op 18 november 2015 om 09:00 uur stond bij het Gerechtshof Amsterdam een zaak van [betrokkene 9] op de rol.
‘# [accountnaam 30] ’
In het adresboek van de # [accountnaam 23] van [betrokkene 7] , is het PGP-adres # [accountnaam 24] van [betrokkene 9] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 26] ’. Het PGP-adres [accountnaam 30] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 30] ) is in dit adresboek opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 26] 2’. Tussen [betrokkene 7] en ‘ [bijnaam 26] 2’ vindt op 6 april 2016 communicatie plaats waaruit volgt dat ‘ [bijnaam 26] 2’ zich in Dubai bevindt. Blijkens gegevens van American Express bevond [betrokkene 9] zich ook daadwerkelijk in april 2016 in Dubai. [betrokkene 9] zelf heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij meerdere keren in Dubai is geweest en dat het mogelijk is dat hij hier ook in april 2016 was. Het hof koppelt de accounts # [accountnaam 24] en # [accountnaam 30] dan ook aan [betrokkene 9] .
Samenvatting
Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte gebruiker was van de PGP-adressen ‘# [accountnaam 1] ’ en ‘# [accountnaam 4] ’ en dat hij de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ had.
Voorts stelt het hof vast dat de hierna genoemde personen de gebruikers zijn van de volgende PGP adressen en/of bijnamen hadden:
[betrokkene 5] : ‘# [accountnaam 6] ’, ‘# [accountnaam 9] ’ en ‘# [accountnaam 10] ’
[betrokkene 6] : ‘# [accountnaam 7] ’ en ‘# [accountnaam 17] ’
[betrokkene 7] : ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’, ‘# [accountnaam 23] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’
[betrokkene 8] : ‘# [accountnaam 27] ’
[getuige 1] : ‘# [accountnaam 5] ’
[betrokkene 2] : ‘# [accountnaam 3] ’
[betrokkene 9] : ‘# [accountnaam 24] ’, ‘# [accountnaam 30] ’ en bijnaam ‘ [bijnaam 26] ’
Voor de leesbaarheid van dit arrest zullen in het vervolg bij de weergave van PGP-gesprekken de door het hof aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden genoemd.
Inleiding criminele organisatie
Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met gewoontewitwassen, het bezit van vuurwapens en munitie, met drugsdelicten en met moorden.
Juridisch kader
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Voor de beoordeling of een verdachte heeft deelgenomen aan een zogenoemde criminele organisatie gebruikt de rechter de volgende criteria (voor zover in deze strafzaak van belang).
Een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Voor het bewijs van die ‘deelneming’ is nodig dat komt vast te staan dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – of gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Voor het bewijs gaat het erom dat de organisatie het ‘oogmerk’ heeft tot het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. Het oogmerk, of het doel, van de organisatie hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit het bewijs blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor de vraag of de verdachte kan worden aangemerkt als ‘leider’ van die organisatie, gaat het erom of die deelnemer binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of een bepaald gezag bezit. Omstandigheden die daarvoor van belang kunnen zijn, zijn dat de deelnemer dwingende aanwijzingen aan andere deelnemers kan geven of dat de deelnemer binnen de organisatie belangrijke initiatieven ontplooit, waarnaar andere deelnemers zich richten. Het hof acht daarnaast dat de omstandigheid dat door andere deelnemers verantwoording aan de verdachte wordt afgelegd, duidt op een bepaalde macht of gezag binnen de organisatie.
Beoordeling van de feiten in deze zaak
Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen, volgt -samengevat- dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van witwassen, drugsdelicten en het plegen van moorden had. Het hof zal deze bewijsmiddelen bespreken aan de hand van de verschillende criminele activiteiten van deze organisatie: witwassen, drugsdelicten en moorden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de organisatie naast de verdachte bestond uit [betrokkene 11] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] , [betrokkene 7] en één (of meer) onbekend gebleven ander(en) , waarbij de verdachte de spil in de organisatie was, en de overige leden betrokken waren bij tenminste een van het type delicten waar het oogmerk van de organisatie op was gericht: [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] bij het plegen van witwassen, [betrokkene 11] en één (of meer) onbekend gebleven ander(en) bij drugsdelicten en [betrokkene 7] bij het plegen van moorden.
Anders dan de rechtbank, vindt het hof niet bewezen dat [betrokkene 5] en [getuige 1] deel uitmaakten van de organisatie van de verdachte. In het dossier bevinden zich aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de organisatie van de verdachte bij gelegenheid samenwerkte met de organisatie van [betrokkene 5] en de organisatie van [getuige 1] . In het dossier bevindt zich onvoldoende bewijs waaruit blijkt dat deze samenwerking voldoende duurzaam was en een structuur had om als een samenwerkingsverband als bedoeld in art 140 Sr of art. 11b Opiumwet te kunnen worden aangemerkt.
Ten aanzien van het bezit van vuurwapens
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken voor zover aan de verdachte ten laste is gelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot het bezit van (vuur)wapens en munitie. De verdediging en het Openbaar Ministerie zijn het in hoger beroep met die beslissing eens. Ook het hof zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Ten aanzien van het witwassen
Het hof is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen, zoals later in dit arrest zal worden uitgelegd.
Op grond van de feiten en omstandigheden waarop dat oordeel is gebaseerd, is het hof van oordeel dat ook worden bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de spil was in deze organisatie. Hij was de leider en [betrokkene 4] was zijn coördinator. [betrokkene 3] verving de verdachte als dat nodig was. Aan hen gaf de verdachte opdrachten door, waarna [betrokkene 4] en [betrokkene 3] deze naar de uitvoerders zoals [betrokkene 2] en [betrokkene 12] doorzetten. Er was sprake van een duidelijke hiërarchie.
Er was ook een hoge mate van georganiseerdheid. Verdachte en zijn vermogen moesten buiten beeld blijven en daarvoor waren geraffineerde afschermconstructies opgetuigd. In kasboeken werden de inkomsten en uitgaven van zeer grote geldbedragen bijgehouden. [betrokkene 4] moest daarover verantwoording afleggen aan de verdachte. Uit de kasboeken en notities blijkt ook het duurzame karakter van de organisatie, nu daarin inkomsten en uitgaven staan genoteerd over de jaren 2015 en 2016. Maar ook in 2014 was de organisatie al actief. Op 4 augustus 2014 is namelijk de energierekening van de [adres 1] , de woning die feitelijk aan de verdachte toebehoorde, betaald vanaf de bankrekening van [betrokkene 12] . Er was dan ook sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Door bewust afschermconstructies op te zetten om buiten beeld van politie en justitie te blijven en van geld te leven dat van misdrijf afkomstig is, heeft de verdachte opzet gehad op zowel het oogmerk gewoontewitwassen als op zijn leiderschap.
Ten aanzien van drugsdelicten
Het hof vindt ook bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk - kort gezegd- drugshandel, zoals later in dit arrest zal worden uitgelegd.
Uit het bewijs volgt dat er gedurende een langere tijd cocaïne werd ingevoerd waarbij verschillende mensen samenwerkten, waaronder [betrokkene 11] . De verdachte betrok anderen bij de levering van de cocaïne. Uit het bewijs wordt duidelijk dat de verdachte een spilfunctie had en anderen aanwijzingen gaf. Ook [betrokkene 11] was betrokken bij de invoer zoals blijkt uit het gesprek dat hij op 15 april 2016 heeft. [betrokkene 11] moest aan de verdachte vragen of hij voor 300 kilo aan dit transport wil meedoen.
Ten aanzien van de moorden
Tot slot vindt het hof bewezen dat de verdachte ook leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk moord. Uit het hierna te bespreken bewijs volgt dat de verdachte een samenwerkingsverband leidde dat zich richtte op het plannen van en helpen bij moorden op verschillende doelwitten.
Oogmerk Opiumwet
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het samenwerkingsverband waaraan de verdachte leiding heeft gegeven, zich bezig hield met drugshandel. Het Openbaar Ministerie heeft – onder meer – gewezen op notities, documenten en goederen die zijn gevonden bij doorzoekingen, op de inhoud van PGP-gesprekken en op de verklaringen die de getuige [getuige 1] heeft afgelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover ten laste is gelegd dat hij als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van opiumwetdelicten als oogmerk had. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd dat deze niet de betekenis hebben die het Openbaar Ministerie daaraan toekent. Ook uit de verklaring van de getuige [getuige 1] kan niet worden afgeleid dat de verdachte of zijn groep betrokken is geweest bij drugshandel. Er is ook geen bewijs voor een duurzame samenwerking tussen de verdachte en [getuige 1] . Uit de verklaring van [getuige 1] kan hooguit blijken dat de verdachte [getuige 1] in contact heeft gebracht met anderen die aan [getuige 1] cocaïne hebben geleverd.
Oordeel van het hof
[verdachte] wordt [bijnaam 1] genoemd zoals hiervoor al is vastgesteld. Nadat [getuige 1] in 2014 uit de gevangenis kwam, kreeg hij weer contact met [bijnaam 2]. Toen [bijnaam 2] naar Dubai verhuisde, had hij een aanzienlijk kapitaal, 80 of 100 miljoen euro. [bijnaam 2] stond aan het hoofd van een organisatie. Hij was de belangrijkste man van een groep waar meerdere mensen bij hoorden. [bijnaam 2] was altijd samen met [naam 17] . [naam 17] was een man van [bijnaam 2] . [getuige 1] herkende [naam 17] op een foto van [betrokkene 11] . [bijnaam 2] sloot joint-ventures met de Colombiaanse kartels. Het aandeel van de verdachte in de internationale cocaïnehandel was ongeveer van hetzelfde niveau als van [getuige 1] en van [bijnaam 27] (het hof begrijpt: [naam 18] ). [bijnaam 27] was middelgroot.
Communicatie met [getuige 1]
Aan de getuige [getuige 1] zijn tijdens zijn verhoor op 27 september 2023 chatgesprekken getoond. [getuige 1] verklaarde daarbij dat hij in gesprekken zelf ‘ [bijnaam 1] ’ schreef (het hof begrijpt: dat de getuige de verdachte aansprak met ‘ [bijnaam 1] ’) en dat de verdachte dan ‘Mi [bijnaam 1] ’ zei (het hof begrijpt: dat de verdachte de getuige aansprak met ‘Mi [bijnaam 1] ).
lmperiale heeft de gebruiker van mailadres [accountnaam 4] @secretblackmars.com ( [verdachte] ) opgeslagen als ‘ [accountnaam 31] ’. [getuige 1] 's eigen toestel staat opgeslagen als ‘ [accountnaam 32] ’.
[verdachte] heeft de gebruiker van mailadres [accountnaam 5] @luxberry.cc ( [getuige 1] ) opgeslagen als ‘ [accountnaam 33] ’. [verdachte] 's eigen toestel staat opgeslagen als ‘ [accountnaam 34] ’.
Het hof zal voor deze mailadressen en gebruikersnamen steeds de namen [getuige 1] en [verdachte] gebruiken, voor de leesbaarheid van het arrest. Zoals ook uit het vervolg nog zal blijken, volgt uit de verklaring van [getuige 1] dat hij en de verdachte de deelnemers waren aan deze gesprekken.
Op 11 april 2016 in de avond en de vroege ochtend van 12 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats tussen [getuige 1] en de verdachte.
[verdachte]
(..) Mi [bijnaam 1] , can you please tell me what time tomorrow we meet whit you lads [bijnaam 1] ?
onbekend
What time is good for you?
[getuige 1]
[bijnaam 1] please if your people can
Can we move the phones friday to not keep in the warehouse for many days because I think will not before friday or saturday morning like last time
[verdachte]
No mi [bijnaam 1] , we will not be able to do that mi [bijnaam 1] , we have to do other things, Please let us do it tomorrow mi [bijnaam 1] , sorry…!
[verdachte]
Hermani , what time are we seeing the lads tomorrow for the phones ?
[getuige 1]
Any time you want the guy is in alicante waiting for my message
Aan [getuige 1] is een bericht voorgehouden – dat hieronder is weergegeven – waarin wordt gesproken over ‘some phones we have in holand’. De getuige verklaarde dat ‘phones’ cocaïne is.
Het hof stelt vast dat [verdachte] in het hiervoor genoemde gesprek aan [getuige 1] vraagt hoe laat zij de jongens van [getuige 1] zullen ontmoeten. [getuige 1] vraagt daarop of het mogelijk is dat zij de cocaïne (‘phones’) vrijdag verplaatsen, als dat voor de mensen van [verdachte] (‘your people’) mogelijk is. Dat blijkt niet mogelijk omdat de verdachte en een ander of anderen (‘we’) andere dingen te doen hebben.
Het is kennelijk niet de eerste keer dat er cocaïne wordt geleverd, omdat [getuige 1] verwijst naar een eerdere keer: ‘like last time’. Uit het vervolg van het gesprek blijkt verder dat het gaat om cocaïne die zich in Spanje bevindt. Op de vraag van de verdachte hoe laat zij de jongens morgen kunnen verwachten, antwoordt [getuige 1] namelijk dat zijn jongen al in Alicante aan het wachten is op zijn bericht.
De berichten die hierboven zijn weergegeven, worden opgevolgd door de volgende berichten:
[verdachte]
One other thing mi [bijnaam 1] .. Can we give you some phones we have in holand ..
Please help us whit that [bijnaam 1] .. !!
[getuige 1]
[bijnaam 1] are good quality?
I only need warehouse and I already have one taxi always going to holand I was
changing he rout and put also to sp to have 2 taxi a week in spain because I thought we don't do any more in holand but for me is perfect because this taxi I trust the driver and he is the one bring the money for me so if you want I let you come next week because I have also money ready for you and he can bring money and drive back with phones
Only problem the quality [bijnaam 1]
[verdachte]
No [bijnaam 1] , .. Better is spain , better .. Y think you have somethings all ready going in holland , .. we have there 48 phones , price 22 you can take and send ..
But we don't work there . .. And we don't have ware house nothinq .. Pff ..
[getuige 1]
[bijnaam 1] why price 22 is not good quality?
[verdachte]
Because we are direct whit people and we want to help them , they sell them for 24
normal .. And we help them , .. They are between 8 / 9 .. And smell good , if you can look [bijnaam 1] ..
[getuige 1]
Ok [bijnaam 1] tom if you want I can look
[verdachte]
Where do we have to bring them
[getuige 1]
Amsterdam [bijnaam 1] tom I ask my friend where he want meet
Behalve over het afhalen van cocaïne in Spanje spreken [getuige 1] en [verdachte] op de vroege ochtend van 12 april 2016 ook over een andere kwestie (‘one other thing’). [verdachte] vraagt aan [getuige 1] of zij hem cocaïne kunnen geven die zij in Holland hebben liggen. [getuige 1] vraagt waarom de prijs 22 is en of het van goede kwaliteit is. Hij heeft dan wel een opslagplek (‘warehouse’) nodig. Hij had al een taxi die altijd naar Holland gaat en was al bezig de route aan het veranderen om hem ook naar sp (het hof begrijpt uit het vervolg: Spanje) te laten rijden zodat hij twee taxi’s per week in Spanje zou hebben. Hij dacht namelijk dat ze niets meer deden in Holland.
Maar het zou perfect voor [getuige 1] zijn omdat er al een chauffeur naar Nederland gaat die het geld voor hem brengt. [getuige 1] heeft geld gereed voor [verdachte] . Dus als [verdachte] dat wil, dan laat hij hem de volgende week komen. Hij kan geld brengen en met de cocaïne terugrijden.
De verdachte antwoordt dat het tussen de 8/9 is en dat het goed ruikt, normaal wordt het verkocht voor 24. [betrokkene 2] heeft op 8 juli 2016 uitgelegd dat de beste kwaliteit cocaïne 8 is en dat je er 23.000 per kilo voor moet betalen. Het hof gaat er daarom van uit dat met 8/9 de kwaliteit van de cocaïne wordt genoemd en dat deze cocaïne (op dat moment) normaal wordt verkocht voor € 24.000,00.
Uit het gesprek tussen de verdachte en [getuige 1] blijkt verder dat de verdachte direct in contact staat met de verkopende partij die hij wil helpen. De verdachte vraagt waar zij de cocaïne kunnen brengen. [getuige 1] zal een vriend vragen om te gaan kijken.
[getuige 1] heeft verklaard dat dit bericht over drugs gaat. Met ‘taxi’ wordt een vrachtwagen voor drugstransport bedoeld.
Op 12 april 2012 in de avond en de vroege ochtend van 13 april 2016 wordt het gesprek tussen [getuige 1] en de verdachte vervolgd:
[verdachte]
Here all ok mi [bijnaam 1] , .. What happen to the friend , to look in holland at the flat (holland ) ?
[getuige 1]
Sorry [bijnaam 1] I forget )))
Tell me tom what time and where
[verdachte]
(..) Please tomorrow you tell me what time we do and we fix ok
Y will y look what time and we fix ok [bijnaam 1] .
[getuige 1]
Ok [bijnaam 1] I ask now the guy
onbekend
[accountnaam 35] @ennetcom.biz
[bijnaam 1] this is the pgp of old man that is with me he is like my uncle any thing happen to me you keep in contact with him
And right now he is in holand he can check the phones tom from 12 any time you want
Het hof leidt uit deze berichten af dat [getuige 1] vergeten is om de vriend te sturen om naar de cocaïne te kijken. Hij gaat het de vriend alsnog vragen. Op enig moment wordt een PGP-adres gestuurd van een oude man die in Nederland is, deze man kan de volgende dag vanaf 12:00 uur de cocaïne checken. Uit de inhoudelijke samenhang van de berichten volgt dat [getuige 1] de verzender van dat bericht is. Dit volgt ook uit het eerste bericht hieronder. [getuige 1] stuurde dus het PGP-account van zijn vriend die de cocaïne zou komen bekijken.
Op 13 april 2016 in de middag vindt het volgende berichtenverkeer plaats:
[getuige 1]
Hola [bijnaam 1] how are you?
Yesterday I sent to you the pgp of my friend did you received ?
[verdachte]
Good day mi [bijnaam 1] , yes got it , sorry was away, ..Perfecto !
[getuige 1]
Bro he is in holand now let me know what time he can see the phones And please sent one invitation to him so he also have your pgp
[verdachte]
Right away mi [bijnaam 1] .. He has a place ?
[getuige 1]
I think so [bijnaam 1] let me ask
[getuige 1]
Hahahaha
[bijnaam 1] the friend in holand flight [naam 46] can we have look today we can do to his house or [nam] house as you like
Om 17:25 uur (UTC) stuurt [verdachte] een bericht door aan [getuige 1] van [accountnaam 36] .
Het bericht luidt: “Kunnen ze om 20 30 op de lindegracht zijn [bijnaam 12] . By cafe de kat dan komt er een Hele lange jongen die neemt ze mee naar die woning waar ze kunnen chekken. Die 3. De rest ligt in noord vlakby de ring als ze ze goed vinden krygen ze de rest daar Oke?”
In de avond van 13 april 2016 en de vroege ochtend van 14 april 2016 worden de volgende berichten verstuurd:
[getuige 1]
[bijnaam 1] my friend is on the way is that ok?
[verdachte]
Yes mi [bijnaam 1] , he look at them and did like them !
onbekend
Yes [bijnaam 1] very bad I think even present nobody will take )))
[verdachte]
Hahaha .. He say good mi [bijnaam 1] !!..haha
Why you make me scare .. Haha .
[verdachte]
Hahaha .. Ok , then no problem , then don't take them ,.. Your man say it was good, but then we understand wrong you don't take ..
[verdachte]
“Tomorrow what time they take the phones in holand ? They will give 50 y think ok .”
[verdachte]
Hahaha .. You are crazy mi [bijnaam 1] , almost we put in de basura .. Hahaha
[getuige 1]
[bijnaam 1] I really want help you but this is not phones we will not be able to sell believe me [bijnaam 1] is to bad
Het hof stelt vast dat de vriend van [getuige 1] op 13 april 2016 alsnog is gaan kijken naar de cocaïne. [verdachte] gaat er eerst van uit gaat dat deze vriend tevreden was over de kwaliteit, dat had deze vriend namelijk gezegd nadat hij de cocaïne had gezien. [getuige 1] heeft juist van die vriend begrepen dat de cocaïne te slecht is (‘very bad en ‘to bad’).
[getuige 1] heeft over één van deze berichten verklaard dat het gaat over een andere deal in Nederland van 50 kilo. De verdachte vraagt hem in dit bericht hoe laat hij de drugs gaat ophalen, 50 kilo. Het ging om 50 kilo cocaïne die [verdachte] verkocht.
De getuige herinnert zich deze deal overigens niet. Wel verklaart [getuige 1] in dat verband dat er snelle deals waren die hij aannam.
Op 14 april 2016 vanaf het einde van de middag vindt de volgende interactie plaats:
[verdachte]
Mi [bijnaam 1] , Here all good, we move the ones in holland to some where else, they where from a colombian friend there.. He had 150
Where they so bad mi [bijnaam 1] ? And mi [bijnaam 1] , your man have always have to tell if things are NOT good. Because he say to the friends…They were …GOOD…He make the friend happy and know the friend in holland think y don’t want.. Hahaha..
[getuige 1]
Bro I don’t know why he told the guy is good very strange I will ask him now
To me he sent message and he said bro I never see something so bad in my life
of course you right if not good he should tell to the guys first then to us but le me ask because for sure is misunderstanding
[getuige 1]
Sorry for that [bijnaam 1]
[verdachte]
No .. Never say sorry mi [bijnaam 1] , .. Its not your fault and it was mistake , but please ask the friend why he say that .. Please and if can make good he mail the friend he make mistake so y don't look like the one that don't want to help the friend .. Please .
[getuige 1]
[bijnaam 1] I alredy spoke with him and I told him to sent mail to you
He told me he did not say any thing good or bad only say ok I will tell to my friend
Het hof leidt uit deze berichten af dat [getuige 1] de cocaïne, die door zijn vriend in Nederland is bekeken, niet door hem is afgenomen. De cocaïne was te slecht. [verdachte] laat [getuige 1] later ook weten dat de cocaïne naar een ander is gegaan. De cocaïne was van een Colombiaanse vriend van [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [getuige 1] of hij zijn vriend wil vragen te erkennen dat hij een fout heeft gemaakt door niet te zeggen dat hij de cocaïne te slecht vond. Anders zou het erop kunnen lijken dat de verdachte iemand is die deze Colombiaanse vriend niet wilde helpen: ‘Please and if can make good he mail the friend he make mistake so y don't look like the one that don't want to help the friend .. Please’.
De inhoud van deze berichten bieden ook ondersteuning voor de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte joint-ventures sloot met de Colombiaanse kartels.
Op 13 april 2016 werden ’s avonds ook de volgende berichten gewisseld:
[verdachte]
Mi [bijnaam 1] , .. We gave you today 100 ok .
From that is 25 for .. No ?
And when you send other taxi so we send other 100?
Onbekend
“ [bijnaam 1] as you told me 750
550/200
Now I receive 250 at the end we do bookholding. Very soon I start to sent 2 truck a
week and every weeks sent money and take phones when we reach 750 we close the bookhoudong and we start again”
Uit deze berichten volgt dat [verdachte] en een ander of anderen (‘we’) die dag 100 hebben gegeven. Omdat uit de berichtenwisseling volgt dat [verdachte] de cocaïne levert en [getuige 1] daarvoor betaalt, gaat het hof ervan uit dat op die dag 100 kilo cocaïne aan [getuige 1] is geleverd.
Opvallend is verder dat er ook een tussenstand wordt doorgegeven: ‘now I receive 250, at the end we do bookholding’. De verzender van het bericht laat weten dat hij binnenkort per week twee vrachtwagens stuurt, elke week wordt geld gestuurd en wordt de cocaïne in ontvangst genomen. Als de 750 wordt bereikt, dan wordt de boekhouding gesloten en wordt er opnieuw begonnen. Het hof stelt dan ook vast dat het niet gaat om een eenmalige samenwerking.
Op 15 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats:
[getuige 1]
Today the 100 left [bijnaam 1] all ok
Please we like M to much if you have more keep all for us and the AMG is also good ciao [bijnaam 1] we speak later
[verdachte]
Okmi [bijnaam 1] , no problem .. You are the boss we do what we can ok mi [bijnaam 1] ..Thak you .
[getuige 1] heeft over dit bericht verklaard dat hij hier zegt dat er 100 kilo vertrokken is. Hij zegt tegen de verdachte dat ze die met het logo M heel fijn vinden en vraagt hem alles met dat logo te bewaren, ook die met AMG. Uit de verklaring van de getuige blijkt dat ‘M’ en ‘AMG’ in dit bericht, logo’s zijn. [getuige 1] zag de verdachte dus als iemand die meer cocaïne beschikbaar had of beschikbaar zou kunnen krijgen dan de hoeveelheid die hij al aan [getuige 1] had geleverd.
De getuige [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoren op 18 oktober 2024 en op 11 november 2024 zijn eerder afgelegde verklaring gerelativeerd. Zo heeft de getuige verklaard dat de verdachte hem nooit persoonlijk heeft verteld dat hij zich in de periode van 2014 tot 2017 heeft bezig gehouden met de handel in verdovende middelen. Verder heeft de getuige verklaard dat de verdachte hem slechts in contact heeft gebracht met anderen met betrekking tot drie transporten van 100 kilo cocaïne, in totaal 300 kilo cocaïne. Dit was de enige deal waar de verdachte bij betrokken is geweest, uitsluitend door [getuige 1] in contact te brengen met mensen in Spanje.
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep geen antwoord gegeven op de vraag of hij de gesprekspartner was in deze gesprekken. De verdachte heeft uitgelegd niet de ruimte te hebben dat te erkennen. Wel heeft de verdachte verklaard hoe deze gesprekken zouden kunnen worden uitgelegd. Die uitleg komt in hoofdlijnen overeen met wat [getuige 1] daarover heeft verklaard. De gesprekspartner van [getuige 1] - de verdachte dus - had [getuige 1] in contact gebracht met een leverancier van cocaïne. De verdachte stond daarom over en weer garant, als een waarborg van vertrouwen, voor zowel de leverancier van de cocaïne als voor [getuige 1] .
De verklaring van [getuige 1] en de uitleg van de verdachte zijn op deze punten in strijd met de inhoud van de hiervoor weergegeven berichten. Het hof volgt die verklaring van [getuige 1] en de uitleg van de verdachte op deze punten dan ook niet. Uit die berichten blijkt dat [verdachte] zelf met anderen actief betrokken is bij de aflevering van cocaïne. Het is de verdachte die contact heeft met de personen waar de cocaïne wordt opgehaald en het is de verdachte die op de hoogte wordt gehouden van de tussenstand en de boekhouding. [getuige 1] stuurt het geld naar de verdachte. Als er een misverstand ontstaat over de kwaliteit van de cocaïne die in Nederland ligt en op 13 april 2016 wordt bekeken door een vriend van [getuige 1] , zorgt de verdachte ervoor dat hij niet door zijn Colombiaanse vrienden er op wordt aangekeken. Zonder uitzondering spreekt de verdachte in termen van ‘wij’. Als de uitleg van de verdachte waar zou zijn, moet dat op de een of andere manier te lezen zijn geweest in de berichten. Dan was er ook gesproken in termen van ‘zij’, zoals in de gesprekken te zien is over de ‘Colombiaanse vrienden’ van de verdachte.
Het hof houdt voor mogelijk dat de organisatie van de verdachte een tussenschakel was tussen leveranciers en afnemers. Dat neemt alleen niet weg dat de organisatie van de verdachte nauw betrokken was bij de invoer van cocaïne en dat de organisatie van de verdachte dat oogmerk had.
Uit de inhoud van het bewijs volgt ook dat het niet gaat om een eenmalige deal tussen [getuige 1] en de verdachte. Op 13 april 2016 verwijst [getuige 1] naar een eerdere keer (‘like last time’). Er wordt gesproken over een langere samenwerking. [getuige 1] zal binnenkort twee vrachtwagens per week sturen, elke week wordt geld gestuurd en wordt de cocaïne in ontvangst genomen. Als een totaal van 750 kilo is bereikt, dan wordt de boekhouding gesloten en wordt er opnieuw begonnen (‘when we reach 750 we close the bookhoudong and we start again’).
Gesprek [betrokkene 11]
Dat verdachte met anderen actief is in de cocaïnehandel volgt ook uit gesprekken tussen [betrokkene 11] en een andere persoon. [betrokkene 11] werd door anderen opgeslagen als ‘ [bijnaam 28] ’, ‘ [bijnaam 29] ’ en ‘ [bijnaam 30] ’. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 28] ’ is op een ander toestel het pgp-adres [accountnaam 37] @publicpgp.com opgeslagen. Dit wijst er op dat [betrokkene 11] gebruik maakt van het account [accountnaam 37] @publicpgp.com.
Op 16 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats tussen [accountnaam 37] @publicpgp.com en [accountnaam 38] @ennetcom.biz. Het hof zal voor het adres [accountnaam 37] @publicpgp.com hieronder de naam [betrokkene 11] gebruiken voor de leesbaarheid van het arrest.
[accountnaam 38]
Rustig aan bro .......die mo heeft nog altyd niets laten weten of het mogelyk is 200 stuks te zetten ...... ! ! Pfff
En lh zegt geef mail of nummer .....ik heb hem gestuurd van kan niet via tel bespreken !
[accountnaam 38]
Haha toevallig reageerd die mo net .....hy zegt die mensen willen niet 200 .,......hy zegt 300 we'll
[betrokkene 11]
Oke ga het vragen maar ik kan niks garanderen
Staat hij garant voor deze ook net als die andere verhaal
[accountnaam 38]
Ja zowiezo bro ......hoe gaat hy niet garrant staan als hy het niet kan uithalen ..,..of eruit of scoutoe
andere is betalen toch
[betrokkene 11]
Wat had je me garantie gegeven bij de vorige bro?
Die msc va hem? Noot verbalisant: Msc staat vermoedelijk voor Mediterranean Shipping Company (MSC), een internationale rederij die gespecialiseerd is in containertransport.
[accountnaam 38]
Ja daar had hy ook garantie gegeven .....hy betaald
invest moest het niet eruit kunne halen
[betrokkene 11]
Ja dat bedoelde ik nu dus ook
En deze mensen zijn ze ook nieuw voor hem? Of heeft hij al met ze gewerkt?
[accountnaam 38]
lk ga hem vragen ....maar die mensen werken we'll al eerder
[betrokkene 11]
Maar ik vraag je dat omdat we op zijn woord vertrouwen toch
En als hij nooit met hun gewerkt heeft dan bluft hij gewoon maar dat maakt niet uit want hij staat garant
Dat is belangerijk om te weten want [bijnaam 1] gaat daar geen grappen over maken als je zegt hij staat
garant dan staat hij garant geen nee maar of zulke dingen
[accountnaam 38]
Ja bro begryp je zeker en ze hebben doekoe …..ik
hem vragen of hy eerder met ze heeft gewerkt dn ?
[betrokkene 11]
Maar dat je doekoe hebt wil niet zeggen dat je
betaaald en we moeten hem ook op ze woord vertrouwen met alles begrijp je
[accountnaam 38]
Ja daarom moeten we eerst kyken of we eruit komen met aantal en dan met betaling ....,......dan komen wy met ons voorwaarden aan tafel toch ....dan pas
opzetten !
Maar ze praten zo zeker van hun zaak bro !
[betrokkene 11]
Maar overknat en [bijnaam 1] moeten toch de keuze maken met de garantie die ze krijgen of ze die 300 willen doen?
Of wil je eerst 300 akkoord dan pas voorwaarden dat kan toch niet bro
Hun lopen 20 procent mee dus ze mogen vertellen
wat hun garanties zijn want hun vertrellen toch ook
hun voorwaarden meteen... ! !
[accountnaam 38]
Ik bro….zeg maar als het kan die 300 dan praten we verder wat we gaan doen dan…die zyn zeker van hun zaak en die zegt zelfde voorwaarden zoals msc
[betrokkene 11]
Oke bro
Uit de inhoud van deze berichten volgt dat [betrokkene 11] heeft laten vragen of het mogelijk is om 200 stuks te zetten. Het antwoord luidt dat 200 niet mogelijk is, maar 300 wel. [betrokkene 11] gaat het vragen en vraagt zijn contactpersoon of men garant staat. In de berichten wordt ook gesproken over ‘uithalen’ en over een vorige, die ‘msc’. Deze termen zijn aanwijzingen dat het gaat om een transport van verdovende middelen. [betrokkene 11] zegt dat [bijnaam 1] geen grappen maakt over garant staan; ‘als hij zegt dat hij garant staat, dan staat hij garant’. [bijnaam 1] (en ‘overkant’) moet de keuze maken of ze die 300 willen doen met de garantie die ze krijgen.
Het hof ziet geen andere uitleg dan dat het gaat om de vraag of het mogelijk is om mee te doen aan een transport van verdovende middelen voor een deel van 300 kilo. [betrokkene 11] vraagt door over de identiteit van de transporteurs en de garantie die wordt gegeven en deelt mee dat hij het [bijnaam 1] zal vragen. Het is de verdachte dus die de beslissingen neemt.
Gesprek [betrokkene 7]
Op 20 maart 2016 vindt een PGP-gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 7] . Dit gesprek houdt het volgende in. Voor de leesbaarheid zijn de PGP-adressen vervangen door de namen [verdachte] en [betrokkene 7] :
[verdachte]
Pfffff .. En hoe broer , die man speelt zeker spelletjes , en wilt lekker op de achter grond blijven .. Fuk hem !!!!
En ja [bijnaam 1] , dat las ik , maar met wie werken ze dan , .. Toch niet met mensen van [naam 19] en [naam 20] ???
[betrokkene 7]
Zo lees ik het broer want hij zegt nu weet ik zeker dat die 400 door hiun is genakt waar wij ook op zaten broer !!
[verdachte]
Lekker dan .... Hoe zit dat dan, ik ga [bijnaam 30] even goed mailen .. En dan moet die btalen, want is genakt !! Lekker dan!!
[betrokkene 7]
Klopt toch heleen maal niks van [naam 19] bemoeid niet maar zegt openlijk tegen [bijnaam 30] dat ie met [naam 20] met gesprek met die broertje van [naam 19]
Voor het bewijs is van belang dat in dit gesprek wordt gesproken over 400 die ‘door hun is genakt waar wij ook op zaten broer !!’. Dat gesprek zou zo kunnen worden uitgelegd dat er 400 kilo verdovende middelen is gestolen van een transport waar de gespreksdeelnemers ook op zaten.
Met de verdediging leest het hof dit gesprek zo dat de verdachte en [betrokkene 7] uitwisselen hoe ze een bepaald bericht lezen dat van een ander afkomstig is. De verdachte en [betrokkene 7] vragen zich naar aanleiding van dat bericht af met wie bepaalde mensen samenwerken en of die mensen misschien met ‘ [naam 19] ’ en ‘ [naam 20] ’ werken. [betrokkene 7] leest dat bericht van die ander ook zo want hij (het hof begrijpt: degene waarvan het bericht afkomstig is) zegt dat hij nu zeker weet dat die 400 is genakt waar wij ook op zaten broer. [verdachte] reageert daarop dat hij [bijnaam 30] (het hof begrijpt: [betrokkene 11] ) gaat mailen. In het bericht dat daarop volgt spreekt [betrokkene 7] er over dat ‘ [naam 19] ’ openlijk tegen ‘ [bijnaam 30] ’ zegt dat hij met ‘ [naam 20] ’ (het hof begrijpt: met [naam 20] is).
Uit het vervolg van het gesprek wordt duidelijk dat de verdachte en [betrokkene 7] twijfelen over met wie die mensen samenwerken. Deze twijfel gaat niet over de 400 kilo die is gestolen op het transport waar ‘wij’ ook op zaten. De verdediging heeft terecht aandacht gevraagd voor de vraag wie wordt bedoeld met ‘wij’. Het gaat immers om een bericht van een ander, als een ander over ‘wij’ spreekt, hoeft dat niet over [verdachte] en [betrokkene 7] te gaan. Het hof leidt uit de reactie van [verdachte] af dat het gaat om een transport waar zijn organisatie bij betrokken was. Hij gaat [betrokkene 11] (‘ [bijnaam 30] ’) namelijk even goed mailen en dan moet die betalen, want er is genakt. Wie er moet betalen, is voor de beoordeling van het bewijs niet relevant. Het gesprek gaat niet alleen over de vraag met wie die mensen samenwerken, het gesprek gaat er ook over dat er met deze nieuwe informatie een aanwijzing is gekomen wie er verantwoordelijk is voor de gestolen 400 kilo, in dat geval moet er betaald gaan worden. [verdachte] gaat daarover contact opnemen met [betrokkene 11] .
Uit dit bewijs volgt dus dat er een drugstransport heeft plaatsgevonden waar de verdachte ook aan deelnam.
Samenwerkingsverband
Uit het bewijs dat hiervoor is beschreven volgt dat de verdachte anderen betrok bij de levering van cocaïne. Als het gaat om de aflevering van de cocaïne door de verdachte aan [getuige 1] en de keuring van de cocaïne op 13 april 2016 spreken [getuige 1] en de verdachte steeds in meervoud en over meerdere personen. Zo vraagt [getuige 1] op 11 april 2016 of het voor de mensen van de verdachte (‘your people’) mogelijk is dat de cocaïne later wordt opgehaald. Ook met betrekking tot de cocaïne die in Holland ligt en wordt bekeken door een vriend van [getuige 1] spreekt de verdachte over ‘we’: ‘ Can we give you some phones we have in holand’ en ‘Please help us whit that (..)’. Op 13 april 2016 schakelt de verdachte een andere persoon in die de cocaïne aan de vriend van [getuige 1] laat zien.
Ook [betrokkene 11] is betrokken bij de invoer zoals blijkt uit het gesprek dat hij op 15 april 2016 heeft met [accountnaam 38] @ennetcom.biz. [betrokkene 11] gaat aan [bijnaam 1] (het hof begrijpt: de verdachte) vragen of hij voor 300 kilo aan dit transport wil meedoen.
Gewoontewitwassen (feit 2) en oogmerk witwassen (feit 1)
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden bewezen heeft verklaard dat de verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat gewoontewitwassen als oogmerk heeft en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen. Het hof neemt hieronder een groot deel van de overwegingen van de rechtbank over. Daarnaast geeft het hof aanvullend een aantal nadere overwegingen.
Het hof zal net als de rechtbank eerst feit 2 bespreken (medeplegen van gewoontewitwassen) en daarna feit 1 (als leider deelnemen aan een criminele organisatie met als oogmerk gewoontewitwassen).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld – kort gezegd - dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van tien auto’s, een woning in Marbella, diverse geldbedragen van in totaal € 11.641.333,65 en vier horloges.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit – samengevat – dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte stelt daartoe dat de diverse goederen een legale herkomst hebben, en dat de aangetroffen geldbedragen en boekhouding niets te maken hebben met criminele activiteiten, maar met zijn werkzaamheden als “underground banker”.
Oordeel van het hof
De beschuldiging van witwassen bestaat uit verschillende onderdelen, namelijk bedragen genoemd in kasboeken, aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en horloges. Het hof zal deze onderdelen hieronder bespreken, maar zal voorafgaand hieraan beoordelen wat het (legale) inkomen van de verdachte was.
Gewoontewitwassen (feit 2)
Legaal inkomen
Uit door de ICOV (het hof begrijpt: de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) verstrekte gegevens over de verdachte blijkt dat hij vanaf 1 januari 2011 geen geregistreerd inkomen heeft gehad en dat het totaal vermogen uit bankspaargelden, effecten en verzekeringen bedroeg:
€ 4.785,00 in 2011,
€ 41.794,00 in 2012,
€ 45.313,00 in 2013 en
€ 49.474,00 in 2014.
De verdachte was verder in het bezit van twee creditcards. Daarmee zijn in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 maart 2016 geen transacties gedaan.
In Colombia beschikte de verdachte over een spaarrekening, een woningkrediet en twee consumentenkredieten, waarvan geen saldogegevens bekend zijn.
[betrokkene 13] heeft verklaard dat zij de zakenpartner van de verdachte was in het bedrijf [bedrijf 1] . Zij verklaarde dat het bedrijf begon als grenswisselkantoor, maar dat het kantoor niet van de grond kwam omdat er geen vergunning was. De economische activiteit van het bedrijf is toen veranderd, waarna het bedrijf zag op dienstverlening in onroerend goed en administratievoering bij de koop en verkoop van onroerend goed. Volgens [betrokkene 13] kreeg de verdachte vanuit dat bedrijf ongeveer € 3.500,00 aan inkomsten. Zij verklaarde dat zij in Dubai een dochteronderneming hebben opgericht. Verdachte zou daarmee ongeveer 16.000,00 USD hebben verdiend.
Verder is naar voren gekomen dat de verdachte in 2007 onroerend goed met (omgerekend naar euro’s) € 14.088,23 winst heeft verkocht.
Het hof stelt vast dat er vanaf 2011 geen legale inkomsten van de verdachte in Nederland bekend zijn en de verdachte geen voldoende concrete en onderbouwde verklaring heeft afgelegd over de inkomsten die hij in Colombia en/of Dubai heeft gegenereerd. Ook heeft de verdachte geen stukken overgelegd op basis waarvan zijn inkomsten en vermogen in Colombia en Dubai kunnen worden vastgesteld. Het hof gaat er daarom van uit dat buiten bovenvermelde gegevens, de verdachte niet beschikte over ander legaal inkomen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de betreffende periode voor 52% aandeelhouder was van een geldwisselkantoor in Colombia, en daarmee ongeveer 4.000 dollar loon per maand verdiende, dat hij daarnaast inkomsten had uit de verhuur van onroerend goed, dat hij een bankkrediet had van 150.000 en een banklening van 150.000 voor onroerend goed, en dat hij vier creditcards had met een limiet van 4.000. De verdachte heeft dit ter zitting niet met nadere stukken onderbouwd.
Herkomst van goederen en geld
Het hof zal hieronder onderzoeken wat de herkomst is van de bedragen genoemd in de kasboeken, de aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en de horloges.
Kasboeken en notities: € 10.132.703,00
Op 5 juli 2016 werd de woning van [betrokkene 12] aan de [adres 2] in Amsterdam doorzocht. Er is een notitieboek in beslag genomen. Op die dag werd ook de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] in Amstelveen doorzocht. Ook daar werd een notitieboek gevonden en in beslag genomen. De inhoud van de notitieboeken is nagenoeg identiek. Uit deze notitieboeken kan worden afgeleid dat dit kasboeken zijn, waarin inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode zijn weergegeven.
In de woning van [betrokkene 4] vond de politie ook nog drie losse notities. Deze drie notities zijn onderdeel van een kasboek uit 2015 en hebben betrekking op een periode van achttien weken. De notities zaten verstopt in een boek in de slaapkamer van [betrokkene 4] .
Verder trof de politie in de woning van [betrokkene 12] een telefoon van het merk BlackBerry (goednummer 5216793) aan. In deze telefoon zijn notities opgeslagen die overeenkomen met de bij [betrokkene 12] en [betrokkene 4] aangetroffen kasboeken. Ook bevatten de notities gegevens die betrekking hebben op de periode van 27 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 en op de periode van 1 juli 2016 tot en met 4 juli 2016.
De verdachte heeft op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2026 verklaard dat [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor hem werkten. Hij gaf opdrachten aan [betrokkene 4] en – bij afwezigheid van [betrokkene 4] – aan [betrokkene 3] .
Ter terechtzitting van de rechtbank van 9 maart 2021 heeft de verdachte bevestigd dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven door [betrokkene 4] werden bijgehouden en dat hij opdrachten van geldoverdrachten altijd aan [betrokkene 4] gaf. [betrokkene 4] gaf weer opdrachten aan [betrokkene 12] .
De politie heeft de bedragen die in de kasboeken en de losse notities zijn vermeld bij elkaar opgeteld. Daaruit blijkt dat in een periode van 40 weken een bedrag van € 10.132.703,00 contant is uitgegeven. In een schema ziet dat er als volgt uit:
Het hof concludeert dat op basis van de bevindingen kan worden vastgesteld dat de notitieboeken en notities zagen op contante in- en uitgaven die kunnen worden gerelateerd aan activiteiten van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank en bij het hof verklaard dat in de kasboeken weliswaar inkomsten en uitgaven staan die [betrokkene 4] in opdracht van hem heeft ontvangen dan wel gedaan, maar dat de kasboeken niet met zekerheid alleen zijn boekhouding betreffen. De verdachte stelt dat [betrokkene 4] ook persoonlijke uitgaven kan hebben genoteerd. Hij heeft verder verklaard dat de werkwijze was dat hij ook voor zichzelf een kasboek bijhield en dat hij regelmatig samen met [betrokkene 4] afsprak om de kasboeken te vergelijken. Op die manier moest [betrokkene 4] verantwoording afleggen voor de door hem genoteerde inkomsten en uitgaven en werd bepaald wat persoonlijke uitgaven van [betrokkene 4] waren en wat bedrijfsuitgaven waren.
Het hof gaat niet mee in deze stelling van de verdachte. De verdachte heeft dat kasboek – waaruit deze verschillen zouden kunnen blijken en daarmee aldus ondersteuning van zijn verklaring zou kunnen bieden – niet overhandigd, ook niet nadat hij daartoe nadrukkelijk door het hof was uitgenodigd. Hij heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij ook in hoger beroep zijn eigen kasboek niet wil overleggen. De verdachte heeft ook verder geen stukken overhandigd die zijn verklaring zouden kunnen ondersteunen. Daar komt bij dat het hof – op basis van het dossier – niet is gebleken dat in de kasboeken persoonlijke inkomsten en uitgaven zijn genoteerd die klaarblijkelijk zijn te herleiden naar [betrokkene 4] , [betrokkene 12] of andere personen die voor de verdachte werkten.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de kasboeken uitsluitend op de activiteiten van de verdachte zagen en dus niet ook op privéuitgaven ten behoeve van anderen.
De conclusie is dan ook dat door de organisatie van de verdachte in de betreffende periode € 10.132.703,00 contant is uitgegeven.
Het hof overweegt over de inhoud van de kasboeken het volgende.
[adres 1] te Amsterdam
In de kasboeken komen maandelijkse betalingen terug met de omschrijving: appartement en elektra (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘Depa-Luz’) en de vermelding van de betreffende maand. Zo staat in het kasboek vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra februari – 01-03’ (bijlage 10 op pagina A 1409). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [betrokkene 12] blijkt dat op 2 maart 2016 in totaal € 2.100,00 contant op de bankrekening van [betrokkene 12] is gestort, waarna € 1.754,00 is overgeboekt naar [bedrijf 2] met als omschrijving ‘C579300’ (bijlage 4 op pagina A 1401). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [betrokkene 12] blijkt voorts dat in de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 maart 2016 in totaal € 19.213,16 is betaald voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam (bijlage 4 op pagina A 1401). In het kasboek staat ook vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra maart – 04-04’ (bijlage 10 op pagina A 1410). Uit gegevens van een ABN AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 12] blijkt dat op 5 april 2016 € 2.000,00 contant op deze bankrekening is gestort, waarna € 1.755,00 naar [bedrijf 2] met als omschrijving ‘C579300’ (bijlage 3 op pagina A 1400) en € 218,00 naar NUON (klantnummer [klantnummer 2] ) is overgeboekt (bijlage 8 op pagina A 1405). In de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 juni 2016 is in totaal € 5.265,00 voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam betaald (bijlage 3 op pagina A 1400). Het dossier bevat een brief van [bedrijf 2] BV van 25 april 2016, gericht aan [verdachte] en betreft het perceel [adres 1] te Amsterdam. Als kenmerk staat vermeld: C579300. Het dossier bevat tevens een acceptgiro van 27 april 2016, gericht aan [verdachte] voor de [adres 1] in Amsterdam. Het daarop vermelde klantnummer is: [klantnummer 1] .
De verdachte stond van 22 mei 2006 tot en met 30 november 2007 ingeschreven op het adres [adres 1] in Amsterdam. Na deze datum heeft niemand zich meer op dit adres ingeschreven. Het energiecontract voor deze woning staat vanaf 1 augustus 2005 op naam van de verdachte (klantnummer [klantnummer 1] ). Vanaf 4 augustus 2014 tot en met 24 november 2015 zijn de rekeningen betaald met het ING bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Dit bankrekeningnummer staat op naam van [betrokkene 12] .
Op 14 februari 2012 werd de verdachte in een ander onderzoek aangehouden. Voorafgaand aan de aanhouding werd gezien dat [betrokkene 14] zeer vermoedelijk een sleutel van de verdachte kreeg, waarna [betrokkene 14] het perceel [adres 1] in Amsterdam betrad. [betrokkene 14] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat de woning waar hij naar binnenliep van ‘ [naam 21] ’ is.
De verdachte stond op 9 november 2011 weliswaar voor één dag ingeschreven op het adres [adres 4] in Amsterdam, maar de bewoners van dit adres hebben verklaard dat de verdachte een zoon van een kennis is, dat hij niet woonachtig is op dat adres en hier nooit heeft gewoond. De verdachte was op het adres ingeschreven vanwege een inschrijfadres voor zijn rijbewijs.
Op 5 juli 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het perceel [adres 1] in Amsterdam. In de hal en in de slaapkamers hingen foto’s van de verdachte en zijn vriendin. Er lagen ook diverse persoonlijke goederen in het huis, zoals telefoons, harddisks en een notebook. Op één van de harddisks stonden foto’s van de verdachte. Op een iPhone die in de slaapkamer is aangetroffen is een iCloud account aangetroffen met emailadres [e-mailadres 1] @hotmail.com. Op een notebook zijn honderden foto’s en filmpjes aangetroffen, waaronder veel vakantiefoto’s van de verdachte. Op het notebook staan de Windows Live Messenger Contactpersonen van de e-mailadressen [e-mailadres 2] @hotmail.com en [e-mailadres 3] @hotmail.com.
De verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat de woning aan de [adres 1] van hem was, maar dat hij er weinig gebruik van maakte. Als hij er niet was, konden anderen gebruik maken van de woning.
Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat er – ten behoeve van kosten voor een appartement – contante geldbedragen op één van de bankrekeningen van [betrokkene 12] werden gestort, waarna betalingen voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam werden verricht. Ook kan op grond van de aangetroffen foto’s, notebook en harddiscs worden vastgesteld dat deze woning feitelijk aan de verdachte toebehoorde.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de woning van hem was, maar dat [betrokkene 4] de woning van hem mocht gebruiken vanaf het moment dat hij geëmigreerd was. Wel wilde hij van de woning gebruik kunnen maken als hij in Nederland was en dan zou hij ook voor die periode huur betalen (documentcode 11557416, pagina U 0131). De verdachte heeft deze verklaring ten overstaan van het hof bevestigd. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. In de woning zijn veel persoonlijke spullen aangetroffen die aan de verdachte kunnen worden gekoppeld. Hij heeft bovendien tijdens de uitleveringszitting in Chili een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij het appartement had overgedragen aan zijn zus en zwager (documentcode 10987817, pagina A 6511) en tijdens zijn aanhouding in een ander onderzoek in 2012 weer een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij bij zijn moeder en zus verbleef als hij in Nederland was. Tijdens die aanhouding had de verdachte bovendien documenten bij zich waaruit bleek dat de [adres 1] in Amsterdam nog steeds zijn woning betrof. Gelet op de wisselende verklaringen – in samenhang met het energiecontract bij Nuon dat op naam van de verdachte is gesteld, de persoonlijke spullen die in de woning zijn aangetroffen en de bevindingen in het kader van zijn aanhouding in 2012 – stelt het hof vast dat de woning aan de [adres 1] in Amsterdam feitelijk nog steeds aan de verdachte toebehoorde. De verklaring van de verdachte – inhoudende dat de woning door [betrokkene 4] werd gebruikt, dat hij aan hem had gevraagd om de spullen van hem weg te halen die niet door anderen gezien of meegenomen mochten worden en hij daarom niet weet waarom er nog persoonlijke spullen van hem in de woning lagen – schuift het hof dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
All Safe opslagbox
In het kasboek van [betrokkene 12] staat verder genoteerd dat op 30 juni 2016 € 2.500,00 uit de kas is opgenomen met de omschrijving ‘appartement, elektra, box’ (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘depa lux box’ (bijlage 1 op pagina A 1372).
Op 5 juli 2016 vond een doorzoeking plaats in de opslagruimte met nummer [nummer 1] van het bedrijf Mini opslag All Safe. In deze opslagruimte zijn meerdere goederen gevonden die kunnen worden gelieerd aan de verdachte, zoals een op zijn naam gesteld (verlopen) Nederlands paspoort, een paspoort op naam van zijn vriendin [betrokkene 15] en twee foto’s van de verdachte en een vrouw. In de opslagruimte is ook een scooter Piaggio voorzien van het kenteken [kenteken 3] aangetroffen. Deze scooter is volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam gesteld van de verdachte. Het huurcontract van de opslagruimte [nummer 1] stond vanaf 4 mei 2010 op naam van [betrokkene 16] . De facturen van 14 april 2016 en 15 mei 2016 zijn betaald vanaf het ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [betrokkene 12] . De facturen van 14 juni 2016 en 29 juni 2016 zijn per pin betaald op de vestiging van All Safe. De overige facturen zijn contant op de vestiging van All Safe betaald. Vanaf 6 juli 2016 zijn de facturen niet meer betaald. Op afbeeldingen van twee bankafschriften van de ABN-AMRO bankrekening [rekeningnummer 2] van [betrokkene 12] zijn de betalingen aan All Safe te zien, te weten twee keer € 355,71 op 31 mei 2016 en € 355,71 op 29 juni 2016.
Het hof stelt vast dat uit het kasboek ook blijkt dat er met de kasgelden is betaald voor de huur van de opslagbox bij All Safe en dat deze opslagbox – gelet op de persoonlijke spullen die daar van de verdachte zijn aangetroffen – in gebruik was bij de verdachte. De verklaring van de verdachte dat de opslagbox kennelijk door [betrokkene 4] is gebruikt voor de opslag van zijn spullen uit de [adres 1] die [betrokkene 4] op zijn verzoek uit de woning zou hebben gehaald, schuift het hof – onder verwijzing naar wat al hierboven is overwogen ten aanzien van die verklaring alsmede het gegeven dat de opslagbox op naam van een derde staat – als ongeloofwaardig terzijde.
Versluierd taalgebruik
Volgens de politie wordt in de kasboeken op een versluierde manier genoteerd, namelijk door gebruik te maken van gefingeerde namen en onduidelijke omschrijvingen, zoals bijvoorbeeld “ontvangen vriend” en “50 duizend Largo”.
Tussenconclusie
Het hof leidt uit dit bewijs af dat het de bedoeling was dat de verdachte niet (administratief) naar de [adres 1] en de opslagbox herleid zou kunnen worden. Tenaamstelling of betalingen door een ander zonder dat daarvoor een aannemelijke verklaring wordt gegeven, wijzen erop dat daarmee eigendom wordt verhuld. Het hof concludeert voorts dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven versluierd zijn aangegeven, waardoor de herkomst en de bestemmingen van de geldbedragen – op basis van alleen de notities in de kasboeken – voor derden niet herleidbaar zijn naar specifieke personen. Zo is er geen sprake van een duidelijke en uitgebreide administratie waarin de volledige namen van de ontvangers worden genoteerd. Versluierd taalgebruik is een indicator voor witwassen omdat het dient ter verhulling.
Het hof heeft in de dossierstukken geen aanwijzingen gevonden dat dit geld een legale herkomst had. De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden wijzen er op dat de geldbedragen met een totaal van € 10.132.703,00 die de verdachte en de personen die voor hem werkten voorhanden hebben gehad, van misdrijf afkomstig waren.
Contante geldbedragen van € 1.462.440,00 (aangetroffen in de woning van [betrokkene 4] ) en € 46.190,65 (aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte)
Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] in Amstelveen op 5 juli 2016 is in een doos met opschrift ‘Louis Vuitton’ € 1.186.500,00 aangetroffen, bestaande uit € 500,00 biljetten. Daarnaast werd in een kartonnen doos in de kantoorruimte € 2.75.940,00 aangetroffen, bestaande uit onder meer drie € 500,00 biljetten. Het totaalbedrag is € 1.462.440,00.
Op 1 maart 2016 vraagt [betrokkene 4] in een telefoongesprek met [betrokkene 17] of ze wil kijken ‘hoeveel T-shirts er liggen’ en vraagt [betrokkene 17] aan [betrokkene 4] ‘of hij het maandelijks meeneemt’. [betrokkene 4] kondigt aan ‘dat hij zo [bijnaam 31] langs stuurt om dat te brengen’. Die avond wordt [betrokkene 17] om 21:15 uur gebeld door een man die zegt dat hij over een kwartier bij haar is. Het telefoonnummer blijkt in gebruik te zijn bij [betrokkene 12] . Door een observatieteam is gezien dat om 21:51 uur [betrokkene 12] de woning van [betrokkene 4] verlaat. Een dag later praten [betrokkene 17] en [betrokkene 4] over T-shirts en vraagt [betrokkene 4] : “Maar gisteren, [bijnaam 31] heeft je wat gebracht maar hoeveel ligt er nog van daarvoor?”.
[betrokkene 17] heeft bij de politie verklaard dat het gesprek over geld ging.
Uit het in de woning van [betrokkene 4] aangetroffen kasboek en de losse notities blijkt dat op sommige momenten zeer veel geld in de kas aanwezig was. Zo is in de periode van 2 maart 2015 tot en met 7 juni 2015 een bedrag van minimaal € 3.195.000,00 in de kas voorhanden geweest en op 18 juli 2016 € 2.398.500,00.
Op het moment dat de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili werd aangehouden, was hij in het bezit van 6.668.236 Chileense peso (omgerekend naar euro: € 8.955,70) en 5.910 Unites Arab Emirates Dirham (omgerekend naar euro: € 1.308,85). Ook had de verdachte € 35.926,10 in zijn bezit, bestaande uit onder meer coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00.
Tussenconclusie
Uit het kasboek dat [betrokkene 4] in het kader van zijn werkzaamheden voor de verdachte bijhield – waarvan het hof al heeft vastgesteld dat het volledig de boekhouding van de organisatie van de verdachte betreft – blijkt dat er op sommige momenten zeer veel contant geld in de kas aanwezig was. Gelet daarop alsmede op het telefoongesprek tussen [betrokkene 17] en [betrokkene 4] en de observatie van de voor de verdachte werkzame [betrokkene 12] op 1 maart 2016, is het hof van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [betrokkene 4] het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 1.462.440,00 in het kader van zijn werkzaamheden voor de verdachte voorhanden had. Het geldbedrag bestond mede uit zeer grote coupures. De dossierstukken bieden geen aanwijzingen dat dit geld een legale herkomst had. Onder verwijzing naar wat al hiervoor is overwogen ten aanzien van de uitgegeven geldbedragen van (in totaal) € 10.132.703,00 wijzen al deze feiten en omstandigheden erop dat ook het bij [betrokkene 4] aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is.
Ten aanzien van het geldbedrag van in totaal € 46.190,65 (€ 8.955,70 + € 1.308,85 + € 35.926,10) dat de verdachte bij zich had tijdens zijn aanhouding in Chili op 20 oktober 2017, overweegt het hof dat ook dat geldbedrag niet kan worden verklaard uit de bekende legale inkomsten van de verdachte. Hij heeft bovendien wisselend verklaard over dit geldbedrag. Zo heeft de verdachte in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij van dat geld cadeautjes voor zijn familie en ‘dat soort dingen’ wilde kopen. Op een later moment heeft hij verklaard dat het geldbedrag legale inkomsten uit één van zijn bedrijven in Colombia betrof (documentcode 11557416, pagina U 130). Ter terechtzitting van de rechtbank op 9 maart 2021 heeft de verdachte evenwel verklaard dat het niet zijn geld was maar van een klant die dat geld wilde investeren in Chili. Op de zitting van het hof heeft hij verklaard dat hij dit bedrag via underground banking in pesos had overgemaakt naar Dubai. Vervolgens heeft hij dit bedrag in Dubai in euro’s opgenomen in grote coupures, en weer meegenomen naar Chili. Hij deed dit naar eigen zeggen omdat hij zo via de wisselkoers kon profiteren van een winstmarge. Desgevraagd kon hij niet uitleggen waarom de verklaringen in de loop van de tijd zo verschillend zijn.
Voertuigen
Op 21 maart 2016 vond een doorzoeking plaats in het bedrijfspand van [betrokkene 18] aan de [adres 5] in Naarden. [betrokkene 18] is bestuurder van meerdere BV’s, waaronder [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , handelsnaam [bedrijf 4] . Tijdens de doorzoeking werd in de gang in een kastje dat als afwerking van verwarmingspijpen moet dienen, een A4 map aangetroffen. In de map zaten diverse insteekhoezen gevuld met bescheiden behorend bij voertuigen met Duitse kentekens: [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 8] , [kenteken 9] , [kenteken 1] en [kenteken 2] . Deze voertuigen betreffen exclusieve en dure auto’s:
[kenteken 4] : Mercedes-Benz ML 63 AMG nieuwprijs is € 166.100,00
[kenteken 5] : Mercedes-Benz E 63 AMG nieuwprijs is € 153.221,00
[kenteken 6] : Mercedes-Benz E 500 nieuwprijs is € 100.500,00
[kenteken 7] : Mercedes-Benz AMG GLE 63S nieuwprijs is € 198.210,00
[kenteken 8] : Mercedes-Benz E 500 nieuwprijs is € 107.395,00
[kenteken 9] : Volkswagen Passat nieuwprijs is € 67.790,00
[kenteken 1] : Audi RS3 Sportback nieuwprijs is € 71.860,00
[kenteken 2] : Audi RS3 Sportback nieuwprijs is € 71,860,00
Uit informatie van Europol blijkt dat alle voertuigen ten name stonden van het Duitse bedrijf [bedrijf 5] , gevestigd te Gronau (Duitsland). [bedrijf 5] is een onderneming van [betrokkene 19] .
Van voornoemde voertuigen zijn de volgende bescheiden in de A4-map aangetroffen:
- [kenteken 4]
o een factuur voor een Mercedes-Benz ML 63 AMG gericht aan [betrokkene 18] . Verkoper is het Duitse bedrijf [bedrijf 6] , gedagtekend op 20 mei 2015. Verkoopbedrag is € 98.319,33;
o Een bewijs van aanbetaling van € 40.000,00 vanaf betaalrekening [rekeningnummer 3] (privérekening van [betrokkene 18] ), gedagtekend op
22-05-2015. Bij de omschrijving staat vermeld: Anzahlung ML 63 AMG VINNR.355630.
o Een kwitantie waarin vermeld is dat een contante betaling is gedaan door [betrokkene 18] van €77.000,00 op 26 mei 2015 voor een Mercedes ML 63 AMG;
o Het originele kentekenbewijs, deel I en ll, bouwjaar 9 oktober 2014, chassisnummer [nummer 2] ;
- [kenteken 5]:
o het originele kentekenbewijs deel I en II (Mercedes-Benz E 63 AMG);
o een aankoopfactuur van € 82.500,00 gericht aan [bedrijf 5] te Gronau (Duitsland) van [bedrijf 7] , gevestigd te Malaga (Spanje);
o kopie Belgisch bewijs op naam van [betrokkene 20] ;
o Belgisch rijbewijs op naam van [betrokkene 21] ;
- [kenteken 6]:
o een kopie kentekenbewijs deel I en een origineel deel II, afgegeven voor een Mercedes E500 cabriolet, chassisnummer [nummer 3] , bouwjaar 14 juni 2011;
- [kenteken 7]:
o een kopie en een origineel kentekenbewijs deel I en II, afgegeven voor een Mercedes AMG GLE 63S, chassisnummer [nummer 4] , bouwjaar 24 juli 2015;
- [kenteken 8]:
o het originele en een kopie van het kentekenbewijs, afgegeven voor een Mercedes E500 cabriolet, chassisnummer [nummer 5] , bouwjaar 4 juli 2014;
o verzekeringsbewijs [kenteken 8] , afgifte 14 september 2015 ten name van [bedrijf 5] ;
o een kopie van het Chileense paspoort van [verdachte] ;
o een kopie van het Nederlandse rijbewijs van [verdachte] ;
- [kenteken 9]:
o het origineel kentekenbewijs deel I en II, afgegeven voor een Volkswagen Passat met chassisnummer [nummer 6] , bouwjaar 22 mei 2013;
o een rekening van [bedrijf 8] gericht aan [bedrijf 3] te Naarden voor een Volkswagen Passat met het chassisnummer [nummer 6] . Eindbedrag € 62.941,00;
- [kenteken 1]:
o het originele kentekenbewijs deel I en II behorend bij een Audi RS3 Sportback;
- [kenteken 2]:
o het origineel en een kopie van het kentekenbewijs, chassisnummer [nummer 7] , bouwjaar 4 november 2015;
o factuur, bedrag € 62.500,01 dd 3 november 2015 voor [bedrijf 9] .
Op 4 mei 2015 zijn de auto’s met kenteken [kenteken 5] en [kenteken 6] waargenomen bij het perceel [adres 6] te Marbella (Spanje). De huur voor dat perceel werd betaald door [betrokkene 2] . Ook de auto’s met kenteken [kenteken 7] [kenteken 9] zijn daar gezien.
Op 9 oktober 2015 is op camerabeelden van het Van der Valk hotel in Breukelen te zien dat [betrokkene 2] bij het hotel komt aanrijden in een personenauto van het merk Mercedes, voorzien van kentekenplaat [kenteken 6] , met als bijrijder [betrokkene 3] .
De auto met kenteken [kenteken 7] is op 17 april 2016 met als bestuurder [betrokkene 4] in Spanje gecontroleerd.
De verdachte is op 30 november 2015, 2 december 2015, 23 en 24 februari 2016 waargenomen in de auto met kenteken [kenteken 1] . Op 2 december 2015 werd de verdachte in Frankrijk gecontroleerd toen hij in de auto met kenteken [kenteken 1] reed. [betrokkene 2] is op 30 november 2015 en op 17 en 21 februari 2016 waargenomen in de auto met kenteken [kenteken 1] . Op 1 december 2015 is gezien dat de verdachte in de auto met kenteken [kenteken 2] reed. Op 2 december 2015 is [betrokkene 2] in Frankrijk gecontroleerd toen hij in deze auto reed.
Op 26 juni 2015 zijn de verdachte en [betrokkene 3] staande gehouden door de politie in Malaga. [betrokkene 3] identificeerde zich met een identiteitskaart op naam van [naam 22] .
Uit het onderzoek 13Luxing blijkt dat [betrokkene 21] op 30 november 2015 in het Van der Valk hotel in Breukelen een kamer heeft geboekt en toen contact heeft gehad met de verdachte.
Tussenconclusie
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de voertuigen met de kentekens [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 8] , [kenteken 9] , [kenteken 1] en [kenteken 2] door [betrokkene 18] zijn gekocht en op naam van het bedrijf [bedrijf 5] gevestigd te Gronau (Duitsland) – het bedrijf van [betrokkene 19] – zijn geregistreerd. Het betroffen hoofdzakelijk zeer exclusieve en dure auto’s. Bescheiden van deze voertuigen, een kopie van het paspoort en het rijbewijs van de verdachte en een vals identiteitsbewijs dat is gebruikt door [betrokkene 3] zaten verstopt in een kastje dat als afwerking van verwarmingspijpen moest dienen. De verdachte is in een aantal van deze auto’s op meerdere data gezien. Ook is gezien dat verschillende personen die voor de verdachte werkten, te weten [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] gebruik maakten van een aantal van deze voertuigen.
Het hof heeft onderzocht op welke wijze deze auto’s, en het gebruik daarvan, is gefinancierd. De volgende feiten en omstandigheden zijn daarbij van belang.
1 op 1-telefoon
Op 29 februari 2016 voert [betrokkene 12] in de Volvo een telefoongesprek met een onbekende man. Uit dit gesprek blijkt dat [betrokkene 12] een telefoon heeft gekocht en daar de applicatie WhatsApp op heeft gezet. [betrokkene 12] moet het nummer van de NN-man toevoegen in WhatsApp en die telefoon vervolgens aan een vriend van de NN-man geven. De stem van de NN-man is vermoedelijk de stem van de verdachte.
Uit de bakengegevens blijkt dat [betrokkene 12] vervolgens naar de [adres 7] in Naarden, het adres waar het bedrijf van [betrokkene 18] is gevestigd, rijdt.
Vervolgens klinkt het geluid van de centrale deurvergrendeling, gaat het portier open en zegt [betrokkene 12] tegen de NN-man: “Dit is voor jou, dat weet je? (…) Staat [bijnaam 32] . (…) Is de enigste.. Er is maar een…ehhh..een contactpersoon. (…) He je weet, ik kom van [bijnaam 2] , he? Dat weet je. (…) Ik moest dit naar jou brengen en die telefoon, en er staat al een bericht verzonden naar hem toe, dus dan kan jij ehhh..met hem..ehhh”. Vervolgens vraagt de NN-man: “Dus dan kan ik deze nu gebruiken. Dat is gewoon een iPhone6? (…) En die gebruiken we alleen hiervoor, he?” Daarop antwoordt [betrokkene 12] bevestigend. Vervolgens geeft [betrokkene 12] de pincode voor de telefoon door, te weten 002016.
Tijdens de doorzoeking bij [betrokkene 18] op 21 maart 2016 is een iPhone 6 aangetroffen. De telefoon kon worden ontgrendeld met de door [betrokkene 12] genoemde pincode. In de telefoon stonden drie WhatsApp-gesprekken, waaronder een gesprek waarin door de gebruiker van het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] op ‘dinsdag’ is gestuurd: “Hey vriend dit is mijn nummer. Met de vriend van de ‘GLE 63”. De laatste dinsdag vóór 21 maart 2016 is 15 maart 2016. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] blijkt dat het telefoonnummer op 14 maart 2016 is gekoppeld aan een iPhone 6 met het imei-nummer [imei-nummer 1] . De verdachte is op 16 juni 2016 in Spanje aangehouden voor het tonen van een vals legitimatiebewijs. Hij had toen een Iphone 6 met imei-nummer [imei-nummer 2] bij zich. In het proces-verbaal van bevindingen is geverbaliseerd dat het imei-nummer uit 15 cijfers bestaat en het laatste cijfer een controlecijfer is; als het laatste cijfer anders is, blijft het imei-nummer uniek.
[kenteken 4]
In de losse notities die in de woning van bij [betrokkene 4] zijn aangetroffen staat onder meer vermeld: “01-07 – 117.000 – ML Benz gegeven”.
In het onderzoek 26Wallis is onder [betrokkene 22] een telefoon inbeslaggenomen. In die telefoon bevindt zich een database waarin onder meer staat vermeld: “01-07-2015 – [naam 23] – 117.000 – Betaling [naam 24] ”.
Uit het onderzoek 26Planthopper is gebleken dat er op 5 november 2015 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [betrokkene 18] en [betrokkene 22] , waarin onder meer door [betrokkene 18] het volgende is gezegd: “Maar zijn broer was hier of één van zijn familie, want die auto met Chili is wel klaar”.
Uit het aangiftesysteem AGS van de Douane is gebleken dat de Mercedes-Benz [kenteken 4] op 23 november 2015 door [bedrijf 4] – het bedrijf van [betrokkene 18] - in Rotterdam in een uitgaand zeeschip is geladen, met als bestemming [adres 8] te Chillan (Chili). De verdachte en zijn vader – [naam 25] Castillo – zijn woonachtig (geweest) op het adres [adres 8] te Chillan (Chili). Uit een lopend strafrechtelijk onderzoek in Chili is gebleken dat de vader van de verdachte in Chili gebruik maakte van deze Mercedes welke is voorzien van een Chileens kenteken en dat dit kenteken is bevestigd over een Duitse kentekenplaat, beginnend met een B en eindigend op een 6.
Het Chileense kenteken staat in Chili op naam van een in Engeland woonachtige Chileen genaamd [naam 26] .
Tussenconclusie
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de auto met kenteken [kenteken 4] met geld van de organisatie van de verdachte is betaald. Uit de bij [betrokkene 18] aangetroffen bescheiden blijkt dat [betrokkene 18] in totaal € 117.000,- (€ 77.000,00 en € 40.000,00) voor dit voertuig heeft aanbetaald. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat in het op een notitie aangetroffen bij [betrokkene 4] en in een telefoon van [betrokkene 22] is vermeld als bedrag dat aan ‘ [naam 27] ’ is gegeven voor een ‘ML Benz’. Dat met ‘ [naam 27] ’ [betrokkene 18] wordt bedoeld wordt ondersteund door het gesprek tussen [betrokkene 22] en [betrokkene 18] over een auto die naar Chili moet en de vaststelling dat er op 1 juli 2016 namens de verdachte door [betrokkene 12] € 50.000,00 naar [betrokkene 18] is gebracht. De auto met kenteken [kenteken 4] is ook daadwerkelijk naar Chili verscheept, alwaar het voertuig door de vader van de verdachte wordt gebruikt. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte – net als de woning aan de [adres 1] in Amsterdam, de opslagbox bij All Safe en de kasgelden – administratief niet aan het voertuig te koppelen is en de bewijsmiddelen aanwijzingen bieden dat hij zijn betrokkenheid probeert te verhullen. In dat licht is het opvallend dat de verdachte een 1 op 1-telefoon naar [betrokkene 18] laat brengen en vervolgens op 21 maart 2016 een bericht stuurt naar [betrokkene 18] waarin hij niet zijn naam zegt maar zichzelf voorstelt als ‘de vriend van de GLE 63’. Het bekende legale inkomen van de verdachte kan niet verklaren hoe hij over dit exclusieve voertuig kan beschikken. Het hof heeft in de dossierstukken geen aanwijzingen gevonden dat deze auto is gekocht met geld dat een legale herkomst had. Alles afwegende, is het hof van oordeel dat het bewijs ten aanzien van dit voertuig aanwijzingen biedt dat het is gefinancierd met geld dat van misdrijf afkomstig is. De ter terechtzitting van de rechtbank op 9 maart 2021 afgelegde verklaring van de verdachte dat dit voertuig door een oom van hem is aangeschaft, schuift het hof – bij gebrek aan enige onderbouwing en in het licht van het voorgaande – als onaannemelijk terzijde.
Bij de beantwoording van de vraag of ten aanzien van overige voertuigen ook kan worden vastgesteld dat deze zijn gefinancierd met geld dat van misdrijf afkomstig is, heeft het hof acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.
[kenteken 7]
Op een losse notitie aangetroffen bij [betrokkene 4] was vermeld dat er op 08-07 27.000 is gegeven voor de aanbetaling van een Mercedes Benz GLE. Op 17 april 2016 is de bestuurder van de auto met kenteken [kenteken 7] in Spanje gecontroleerd. De bestuurder was [betrokkene 4] . Ook is deze auto gezien bij het perceel [adres 6] in Marbella, voor welk perceel [betrokkene 2] de huur betaalt.
[kenteken 8]
Dit voertuig is in 2016 door verschillende – aan de verdachte gelieerde -personen gebruikt. Zo is de auto op 13 en 17 februari 2016 door [betrokkene 2] gebruikt en op 17 februari 2016 ook door [betrokkene 23] . Op 21 februari 2016 is de auto bestuurd door [betrokkene 24] , de zwager van de verdachte en op 22 en 24 februari 2016 door de toenmalige vriendin van de verdachte.
[kenteken 9]
Op een losse notitie die bij [betrokkene 4] is aangetroffen, is vermeld: “07-07 – 68.200 – afgegeven voor Passat”. In de database van de GSM van [betrokkene 22] staat vermeld: “07-07 – 62000 – passat”. Bij de doorzoeking bij [betrokkene 22] werd een handgeschreven notitie aangetroffen met de vermelding: “Passat 68.200 voor 15e betalen”.
[kenteken 10]
Op 1 maart 2016 is blijkens de kasboeken € 35.000,00 uit de kas gehaald met de omschrijving “auto Duitsland”. Tijdens een doorzoeking van de woning van [betrokkene 12] zijn twee facturen van 1 maart 2016 van het bedrijf [bedrijf 10] , gevestigd te [adres 9] te Baesweiler (Duitsland) aangetroffen. Het betreft een factuur voor het tunen en aanbrengen van luxe onderdelen voor een Mercedes S63 AMG Cabriolet. Op de rekening staat een stempel met handtekening en de tekst‘-17.500,- bar 01.03’. Bar betekent contant in het Duits. Factuur 2 betreft een factuur van 1 maart 2016 en is gericht aan [bedrijf 4] te Naarden, een onderneming van [betrokkene 18] . Het totaalbedrag van de rekening is € 30.006,81 voor het tunen en aanbrengen van luxe onderdelen voor een Audi RS6 4.0 V8. Op de factuur staat een stempel met een handtekening met de tekst: ‘-17.500,-bar 01.03’. Volgens de gegevens van het baken in de Volvo met kenteken [kenteken 11] is de Volvo op 1 maart 2016 in Duitsland geweest. Uit de OVC (opname vertrouwelijke communicatie) in de Volvo blijkt dat [betrokkene 12] de bestuurder was.
Uit informatie van Bureau Sirene te Portugal blijkt dat de verdachte op 7 juli 2016 vanaf Lissabon Airport met het vliegtuig naar Dubai is vertrokken en een Audi RS6 met kenteken [kenteken 10] op 31 augustus 2016 op het parkeerterrein van het vliegveld in Lissabon is aangetroffen. De auto werd onder een dikke laag stof aangetroffen en had daar kennelijk voor een langere periode stil gestaan. De auto is op 6 oktober 2016 door een onbekende man opgehaald. De verdachte heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij toen die Audi op het parkeerterrein van de luchthaven heeft geparkeerd.
Voor wat betreft de Mercedes E 63 AMG ( [kenteken 5] ) en de auto’s met kenteken [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 1] en [kenteken 10] overweegt het hof nog het navolgende.
Getuige [getuige 2] is door de politie in Duitsland gehoord. Hij heeft verklaard dat hij werkzaam is bij [bedrijf 10] en dat de volgende voertuigen bij [bedrijf 10] zijn getuned: Mercedes Benz E500 ( [kenteken 6] ), Mercedes Benz GLE 63 S AMG ( [kenteken 7] ), Audi RS 3 Sportback ( [kenteken 1] ), Audi RS 6 Avant (zonder kenteken) en een Mercedes Benz E 63 AMG. Hij had steeds contact met ‘ [betrokkene 25] ’, maar dat was niet de eigenaar van de auto’s. “ [naam 28] ” zou de eigenaar geweest moeten zijn. Dat is de getuige te weten gekomen bij het afhalen van een auto. Hierbij was een persoon aanwezig die zich als [naam 28] voorstelde en beweerde de eigenaar van de auto’s van die opdrachten te zijn. [getuige 2] beschrijft ‘ [naam 28] ’ als ongeveer 35-40 jaar oud, Zuid-Amerikaans type, sportief uiterlijk. Aan de getuige zijn vervolgens foto’s getoond en gevraagd of hij de personen op de foto’s kent. Daarop heeft hij ten aanzien van de persoon op foto 4 geantwoord dat dat ‘ [naam 28] ’ zou kunnen zijn. Op foto 4 staat de verdachte afgebeeld.
Op de iPhone van de verdachte die in de woning aan de [adres 1] in Amsterdam in beslag is genomen is een WhatsApp-bericht aangetroffen dat is verstuurd naar [naam 29] . In dat bericht staat vermeld: “Goeden avond, dit is [naam 28] . Ben van het appartament aan de [adres 1] ”.
Tussenconclusie Het hof heeft in de dossierstukken geen aanwijzingen gevonden dat de voertuigen met kentekens [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 1] en [kenteken 10] zijn gekocht en het gebruik daarvan is gefinancierd met legaal geld. Het hof vindt verder van belang dat getuige [getuige 2] van [bedrijf 10] heeft verklaard dat een man genaamd ‘ [naam 28] ’ bij [bedrijf 10] is langs geweest en dat deze ‘ [naam 28] ’ heeft gezegd dat hij de eigenaar van de auto’s is. Dat zouden de Mercedes Benz E500 ( [kenteken 6] ), Mercedes Benz GLE 63 S AMG ( [kenteken 7] ), Audi RS 3 Sportback ( [kenteken 1] ), Audi RS 6 Avant (zonder kenteken) en een Mercedes Benz E 63 AMG zijn. De getuige heeft ten aanzien van een aan hem getoonde foto verklaard dat de man op de foto ‘ [naam 28] ’ zou kunnen zijn. Hoewel dit niet kan worden beschouwd als een volledige herkenning is het hof van oordeel dat in samenhang met alle overige bevindingen ten aanzien van de voertuigen alsmede het gegeven dat de tweede naam van verdachte ‘ [naam 28] ’ is, met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte de ‘ [naam 28] ’ is waarover getuige [getuige 2] heeft verklaard. De stelling van de verdediging dat de verdachte zichzelf nooit ‘ [naam 28] ’ noemt wordt – onder verwijzing naar het WhatsApp-bericht aan [naam 29] waaruit blijkt dat de verdachte zichzelf weldegelijk ‘ [naam 28] ’ noemt – verworpen. Het hof overweegt voorts dat ook ten aanzien van deze voertuigen geen administratieve koppeling is te maken met de verdachte, zodat ook hier sprake lijkt te zijn van een afschermconstructie.
Het hof overweegt ten aanzien van het voertuig met kenteken [kenteken 10] in het bijzonder dat op grond van de kasboeken, de bakengegevens van de Volvo met kenteken [kenteken 11] en de stemherkenning van [betrokkene 12] , kan worden vastgesteld dat op 1 maart 2016 met geld uit de kas van de organisatie van de verdachte twee facturen van [bedrijf 10] zijn betaald. Eén van de facturen heeft betrekking op een Audi RS6 4.0 liter V8.
Het hof overweegt ten aanzien van auto met kenteken [kenteken 5] in het bijzonder dat in de A4 map die bij [betrokkene 18] is aangetroffen schriftelijke bescheiden zijn aangetroffen van diverse voertuigen, waarvan slechts één voertuig een Mercedes E 63 AMG betreft. Dit voertuig heeft het kenteken [kenteken 5] . Nu de getuige heeft verklaard dat ‘ [naam 28] ’ ook de eigenaar zou zijn van de Mercedes E 63 AMG, stelt het hof vast dat de Mercedes E 63 AMG de [kenteken 5] betreft.
Het dossier bevat daarnaast ook bevindingen ten aanzien van een Mercedes S63 AMG. Het hof heeft ten aanzien daarvan acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.
Mercedes S63 AMG
In het onderzoek 26Wallis zijn telefoongesprekken van [betrokkene 18] afgeluisterd en opgenomen. Daaruit is gebleken dat [betrokkene 18] op 14 april 2016 belt met een onbekende man met de voornaam ‘ [naam 30] ’, met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In het gesprek zegt [betrokkene 18] dat ‘ [naam 30] ’ gebeld gaat worden door [bijnaam 2] en gaat vragen over de auto die ze in bestelling hebben.
In het onderzoek 26Ontario is informatie opgevraagd bij Mercedes Nederland B.V. Daaruit blijkt dat door [naam 31] bij het autobedrijf [bedrijf 11] een Mercedes type AMG S63 4MATIC Cabriolet met chassisnummer [nummer 8] is besteld. De auto wordt in augustus/september 2016 afgeleverd bij autobedrijf [bedrijf 11] en is bestemd voor [betrokkene 18] . De prijs van de auto is € 255.353,56.
Blijkens een CIOT bevraging staat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op naam van [naam 31] , [adres 10] te Alkmaar. Op dat adres zit een Mercedes-Benz dealer gevestigd, genaamd [bedrijf 11] Noord-Holland B.V. [naam 31] staat op de internetsite vermeld als verkoper.
Ook in het onderzoek 13Orinus zijn telefoongesprekken van [betrokkene 18] afgeluisterd en opgenomen. Daaruit is gebleken dat [betrokkene 18] op 28 september 2016 telefonisch contact heeft gehad met [naam 31] , waarin [betrokkene 18] onder meer om 14:25 uur vraagt hoe het met zijn Mercedes is en zegt dat ‘er zo effe iemand komt kijken’. Om 16:36 uur belt [naam 30] naar [betrokkene 18] en zegt dat ‘die mannen weg zijn’ en dat hij de auto heeft laten zien.
Op 6 september 2016 is een technische actie gestart in de Mercedes-Benz AMG S63 met chassisnummer [nummer 8] . Uit een OVC-gesprek op 28 september 2016 is gebleken dat er een gesprek plaats vindt tussen [naam 31] en een NN-man met een Marokkaans accent. Het gesprek begint op 16:17 uur en eindigt omstreeks 16:27 uur. In het gesprek wordt gesproken over de Mercedes-Benz, over wat er allemaal in en op het voertuig zit aan accessoires. De stem van de NN-man is herkend als de stem van [betrokkene 2] .
[naam 31] heeft op 27 september 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij met [betrokkene 18] contact heeft gehad en dat hij een verkooporder heeft opgemaakt voor een Mercedes S63 AMG Cabrio.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat er sterke aanwijzingen zijn dat de Mercedes S63 AMG met geld van de verdachte is gefinancierd en dat het voertuig in zijn opdracht wordt getuned. Aanknopingspunten dat deze auto met legaal geld is gefinancierd, bevat het dossier niet.
Samenvattend concludeert het hof dat de voertuigen met kentekens [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 8] , [kenteken 9] , [kenteken 1] , [kenteken 2] en [kenteken 10] alsmede een Mercedes S63 AMG toebehoren aan de verdachte en zijn groep en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze zijn gekocht met legaal geld. De inhoud van de bewijsmiddelen wijst er op dat deze voertuigen zijn aangeschaft met geld dat van misdrijf afkomstig is.
Woning [adres 11] te Marbella
Op 5 juli 2016 is onder [betrokkene 4] een iPhone 6 (goednummer 5219395) in beslag genomen. De iPhone bevat tientallen foto’s van een luxueus huis waaraan nog verbouwingswerkzaamheden plaatsvinden. De foto’s zijn gemaakt in april en mei 2016.
Ook op een andere inbeslaggenomen iPhone (goednummer 5219397) van [betrokkene 4] staat een grote hoeveelheid foto’s van een luxueus huis waaraan kennelijk in de maanden februari, maart, april en mei 2016 is verbouwd. Uit de chats die op de beide iPhones stonden blijkt dat de werkzaamheden plaatsvonden onder leiding van [betrokkene 4] . Uit onderzoek blijkt dat het huis is gelegen op het complex [adres 11] te Marbella (Malaga).
Tijdens de aanhouding van de verdachte in Chili werd in de auto waarin de verdachte zich bevond, een iPad aangetroffen (goednummer 5516090). In het tabblad ‘Pictures’ bevond zich ook een aantal van foto’s van een luxueuze woning. Uit vergelijking van de foto’s van de iPad en die op de iPhones die onder [betrokkene 4] in beslag zijn genomen blijkt dat het dezelfde woning betreft.
Op 6 augustus 2016 is de woning [adres 11] 19 in Marbella door de Spaanse politie doorzocht. In de woning was op dat moment [betrokkene 26] aanwezig. In de woning werden documenten van de verdachte aangetroffen, waaronder fotokopieën van zijn paspoort, vliegtickets op zijn naam en een instapkaart op naam van verdachte.
De verdachte en [betrokkene 26] hebben met respectievelijk de PGP-adressen # [accountnaam 1] en [accountnaam 39] een gesprek op 9 november 2015. Daarin vraagt [betrokkene 26] aan de verdachte of alles oké is met die man van het huis, waarna de verdachte zegt dat alles oké is, dat hij hem het geld al heeft gegeven en dat alles rond is. Eerder die dag heeft [betrokkene 26] bericht: “Ok ja hij moet ook een beetje aan jou denken vriend… Wij zijn ook goed voor hem geweest… Huis verbouwd altijd netjes de huur…. Zonder die verbouwing zou die het nooit verkopen…”. En de verdachte die zegt: “Precies..790.. en ik betaal nog 210 voor andere dingen.. totaal een mil..”.
De vorige eigenaar van de woning – [betrokkene 27] – heeft bij de politie in Spanje verklaard dat de verdachte in augustus of september 2015 heeft verteld dat hij de woning wilde kopen. Dat heeft hij tegen [betrokkene 27] gezegd nadat hij de huur van de woning van [betrokkene 26] had overgenomen en de woning was gaan verbouwen. Ze kwamen een verkoopprijs overeen van € 780.000,00. In november 2015 is de verkoopovereenkomst gesloten. In maart 2016 heeft de verdachte tegen [betrokkene 27] gezegd dat een bedrijf in Dubai contact met hem zou opnemen. De verdachte zou samen met dat bedrijf de woning kopen. Bij een afspraak om dat in orde te maken nam de verdachte een man genaamd [naam 32] en een advocaat mee. De verdachte vertelde aan [betrokkene 27] dat [naam 32] de woning zou kopen namens een bedrijf in Dubai. Vervolgens is de verkoopakte door [naam 32] getekend en in juli en september 2017 werden twee bedragen van in totaal ongeveer € 660.000,00 door een bedrijf genaamd [bedrijf 12] overgemaakt. In de koopakte wordt [naam 32] vermeld als de koper en is niet vermeld dat hij optreedt in naam van [bedrijf 12] . Het hof stelt vast dat op de koopakte van 20 oktober 2017 als koper staat vermeld: [betrokkene 28] .
Getuige [betrokkene 26] heeft bij de rechter-commissaris op 7 november 2019 verklaard dat het klopt dat de verdachte de woning wilde kopen.
Getuige [getuige 3] heeft in 2018 bij de politie in Spanje verklaard dat hij werkt als onderhoudsman in de Urbanisatie [adres 11] te Marbella (Spanje), dat de woning eerst aan [betrokkene 26] werd verhuurd en nadien ‘ [naam 28] ’ tegen hem heeft gezegd dat hij de woning huurde zonder contract en de woning wilde kopen. De getuige heeft voorts verklaard dat ‘ [naam 28] ’ de woning heeft gekocht voor ongeveer € 800.000,00. [betrokkene 28] heeft hij nog nooit bij de woning gezien. Met ‘ [naam 28] ’ bedoelt hij de verdachte. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige op 26 mei 2020 verklaard dat hij had gehoord dat ‘ [naam 28] ’ het appartement had gekocht en dat het appartement op naam van iemand anders is gezet, namelijk op naam van [naam 32] .
Getuige [betrokkene 28] heeft op 22 september 2020 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de woning heeft gekocht.
Tussenconclusie
Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de woning aan de [adres 11] te Marbella (Spanje) op 20 oktober 2017 ten behoeve van de verdachte is aangeschaft. Het aanvankelijk in november 2015 afgesproken verkoopbedrag van € 780.000,00 komt nagenoeg overeen met het bedrag van ‘790’ dat in het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 26] op 9 november 2015 wordt genoemd. Dat de verdachte de woning heeft gekocht wordt bovendien bevestigd door de voormalige eigenaar [betrokkene 27] . De verklaring van [getuige 3] , de onderhoudsman, biedt daar ook ondersteuning voor. Dat dit een verklaring ‘van horen zeggen’ is doet daaraan niet af. Weliswaar kan in juridische zin niet worden vastgesteld dat de verdachte eigenaar van de woning is geworden, maar er is voldoende bewijs waaruit volgt dat de woning feitelijk aan de verdachte toebehoorde. De verklaring van de verdachte dat hij geen eigenaar van de woning is, dat hij slechts als tussenpersoon handelde en alleen twee maal bij verbouwingen betrokken was, schuift het hof als onaannemelijk terzijde.
Van de verdachte is geen legaal inkomen bekend dat het eigendom van deze zeer luxe en dure woning kan verklaren. Uit het bewijs wordt duidelijk dat wordt verhuld dat de woning van de verdachte is, wat een aanwijzing is dat de verdachte ten aanzien van deze woning – net als bovenvermelde woning aan de [adres 1] in Amsterdam en de opslagbox bij All Safe – buiten beeld probeert te blijven.
Luxe goederen: exclusieve horloges
In een kluis in een kleine ruimte die via de garage van de woning aan de [adres 11] in Marbella kon worden betreden zijn tijdens een doorzoeking op 24 juli 2018 drie Audemars Piquet horloges en een horloge van het merk Franck Muller aangetroffen.
Het dossier bevat foto’s waarop is te zien dat de verdachte ogenschijnlijk zeer dure horloges draagt, zoals Audemars Piquet.
De verdachte heeft verklaard ter terechtzitting van 9 maart 2021 en ter zitting van het hof van 26 februari 2026 dat het klopt dat hij dure horloges heeft gekocht.
Tussenconclusie
Het hof heeft al hiervoor overwogen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de woning aan de [adres 11] in Marbella (Spanje) feitelijk aan de verdachte toebehoorde. Het hof is gelet daarop van oordeel dat ook met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de in de woning aangetroffen Audemars Piquet horloges en het horloge van het merk Franck Muller, van de verdachte waren. Het hof vindt daarvoor steun bij diverse foto’s in het dossier, waarop hij is te zien met dure horloges om zijn pols, waaronder van het merk Audemars Piquet. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij exclusieve horloges heeft gekocht. Uit het beschikbare bewijs volgt dan ook dat de horloges van de verdachte zijn, anders dan de verdachte heeft verklaard. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij in exclusieve horloges handelde, overweegt het hof dat hij dat niet heeft verklaard ten aanzien van de horloges die in de woning in Marbella zijn aangetroffen. Ten aanzien van die horloges heeft verdachte immers slechts verklaard dat bij de persoon die in de woning verbleef ten tijde van de doorzoeking naar deze horloges gevraagd had moeten worden. Het verweer dat de verdachte in horloges handelde, behoeft dan ook ten aanzien van deze horloges geen verdere bespreking.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij in Colombia en Dubai bedrijven had. Het hof heeft ten aanzien daarvan reeds overwogen dat de verdachte op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd wat zijn inkomsten uit deze bedrijven zijn geweest zodat hij niet concreet en verifieerbaar heeft verklaard dat hij uit deze bedrijven méér inkomsten heeft gegenereerd dan al is vastgesteld.
De verdachte heeft voorts verklaard dat hij werkzaamheden verrichtte als ‘underground banker’. Dat zou volgens hem de in de kasboeken vermelde inkomsten en uitgaven verklaren alsmede mogelijk de in de woning van [betrokkene 4] aangetroffen € 1.462.440,00 en het contante geldbedrag van € 46.190,65 dat hij bij zich had tijdens zijn aanhouding in Chili. De kasboeken waren immers de boekhouding van zijn werkzaamheden als underground banker en [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] werkten voor hem. Hij heeft verder echter ten aanzien van underground banking niet méér verklaard dan feiten van algemene bekendheid, waarbij hij ter zitting enerzijds een beeld heeft geschetst als ware hij makelaar voor mensen die contante gelden wilden vervoeren en zich niet bezig hield met daadwerkelijk vervoer van contanten en anderzijds vertelde dat wel cash geld werd vervoerd en bewaard bij [bedrijf 13] in Oostzaan. Verder heeft de verdachte geen stukken overgelegd die zijn verklaring zouden kunnen onderbouwen, terwijl hij naar eigen zeggen weldegelijk een eigen boekhouding bijhield. Ook heeft hij zijn klantentelefoon niet willen overhandigen. Het hof overweegt daarnaast dat de verdachte heeft verklaard dat hij over geldbedragen commissie ontving, maar dat is niet terug te zien in de kasboeken die bij [betrokkene 4] en [betrokkene 12] zijn aangetroffen. Het hof overweegt voorts dat de handelingen die de verdachte beschrijft en die in het dossier naar voren komen, ook passen bij iemand die zelf grote sommen contant geld naar een ander land wil (laten) brengen.
Ten aanzien van de exclusieve voertuigen heeft de verdachte verklaard dat hij die auto’s verhuurde aan anderen en als tussenpersoon fungeerde. De voertuigen zouden dus niet van hem zijn. Hij heeft uitgelegd dat hij de voertuigen samen met anderen bij [betrokkene 18] ophaalde en deze vervolgens naar het buitenland, in het bijzonder naar Marbella reed om daar aan klanten te verhuren. Hij heeft verklaard dat hij commissie zou krijgen voor de verhuur aan klanten. De verdachte heeft verder geen administratie overgelegd, zoals betalingsbewijzen of huurcontracten, die zijn verklaring zouden kunnen onderbouwen.
De verdachte heeft over de horloges verklaard dat hij een handeltje had in luxe horloges. Hij mocht bij een bepaalde juwelier in Zuid-Amerika soms als eerste gelimiteerde horloges opkopen. Hij kreeg daarbij een BTW-voordeel, omdat hij de horloges in het buitenland inkocht. Ook kreeg hij korting en had hij voordeel vanwege de wisselkoers. Als voorbeeld noemde hij ter zitting bij het hof dat hij een horloge van € 300.000,00 voor € 200.000,00 kon inkopen. De verdachte heeft echter op geen enkele wijze concreet en verifieerbaar onderbouwd dat hij in horloges handelde en er daarvan een inkomende geldstroom was. Zo heeft hij niet willen verklaren wie zijn klanten waren, wat de omvang van zijn handel was en hoe lang hij die handel al had. Ook heeft hij geen administratie van zijn handel willen overleggen, terwijl hij die volgens eigen zeggen wel bijhield. Ook in het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de verdachte in horloges handelde. Zo blijkt nergens dat hij met inkopers of klanten communiceerde over horloges. Wel zijn er veel aanwijzingen dat de verdachte horloges voor eigen gebruik heeft gekocht. Zo staat verdachte op veel foto’s afgebeeld met horloges van dure merken om zijn pols. Ook de in de woning aan de [adres 11] in Marbella gevonden losse horloges duiden op eigen gebruik. De verklaring van de verdachte is dan ook onvoldoende concreet en verifieerbaar.
De verklaring van de verdachte dat hij ook handelde in PGP-telefoons en daarmee inkomsten genereerde, is evenmin geconcretiseerd of onderbouwd met stukken. Voor zover het dossier PGP-gesprekken van de verdachte met [getuige 1] bevat waarin zij mailen over telefoons, is niet aannemelijk dat zij het daadwerkelijk over telefoons hebben. Het hof maakt uit de context van het gesprek en uit de verklaring die de getuige [getuige 1] hierover heeft afgelegd op dat het hier over cocaïne gaat (zie hiervoor op p. 16 van dit arrest). Andere OVC-gesprekken waarin over PGP-telefoons en toegangscodes wordt gesproken kunnen evenmin voldoende steun bieden voor verdachtes genoemde handel in telefoons. Uit het dossier blijkt immers dat de verdachte en personen die voor hem werkten met PGP-telefoons communiceerden.
Het hof concludeert dat de verdachte op geen enkele wijze een concreet en verifieerbare verklaring heeft afgelegd die het voorhanden hebben en het verwerven van deze grote geldbedragen en luxe goederen kan verklaren.
Conclusie over herkomst
Zoals hiervoor is overwogen, bevatten de dossierstukken geen aanwijzingen dat de geldbedragen, de voertuigen, de woning in Marbella en de horloges een legale herkomst hebben. De verklaringen die de verdachte hierover heeft afgelegd, zijn niet concreet en verifieerbaar en ook niet aannemelijk geworden. Verder is van belang dat de organisatie waaraan de verdachte leiding gaf, zich ook bezig hield met de handel in cocaïne. Voor de hand ligt dan ook dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit (andere) activiteiten van deze criminele organisatie.
Onder al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de contante geldbedragen van € 46.190,64 en € 1.462.440,00 en de blijkens de kasboeken uitgegeven € 10.132.703,00 – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist. Dit geldt ook voor de tien exclusieve voertuigen, de woning in Marbella en de aldaar aangetroffen vier horloges. Het hof gaat ervan uit dat deze– middellijk – van misdrijf afkomstig te zijn doordat deze zijn gekocht met geld dat van misdrijf afkomstig is. De bekende legale inkomsten van de verdachte waren volstrekt onvoldoende om de uitgave en het bezit van enorme contante geldbedragen en de dure aankopen te kunnen verklaren.
Medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2)
Het blijkens de kasboeken totaal uitgegeven geldbedrag van € 10.132.703,00 heeft de verdachte – samen met de personen die voor hem werkten – voorhanden gehad, overgedragen, vervoerd en omgezet.
Het bij [betrokkene 4] aangetroffen geldbedrag van € 1.462.440,00 heeft de verdachte samen met in ieder geval [betrokkene 4] voorhanden gehad. Nu het geldbedrag zat verstopt in een Louis Vuitton doos, is ook de vindplaats verborgen.
Het contante geldbedrag van € 46.190,64 heeft de verdachte tijdens zijn aanhouding in Chili voorhanden gehad alsmede de in de woning in Marbelle aangetroffen horloges.
Van de woning in Marbella en de voertuigen zijn de werkelijke aard en de herkomst verhuld en daarnaast is verhuld wie de rechthebbende is.
Ten aanzien van alle contante geldbedragen, voertuigen, de woning in Marbella en horloges is er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de personen die – ook volgens zijn eigen verklaring voor hem werkten, te weten [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] .
Dat zij nauw samenwerkten, wordt bevestigd door het bijhouden van de kasboeken die bij [betrokkene 4] en [betrokkene 12] zijn aangetroffen, het aantreffen van een grote kassom, gedeeltelijk verstopt bij [betrokkene 4] , werkzaamheden die deze personen voor de verdachte uitvoerden en het rijden in voertuigen die aan de verdachte te koppelen zijn. Van legale werkzaamheden is niet gebleken. Bij de verdachte zelf zijn ook onverklaarbare contanten aangetroffen. De verdachte en zijn medewerkers onderhielden contact via PGP-telefoons en zijn medewerkers droegen eraan bij dat verhullingshandelingen plaatsvonden.
Ook is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 18] en [betrokkene 19] , nu de voertuigen via [betrokkene 18] werden betaald en vervolgens op naam van het bedrijf van [betrokkene 19] werden gezet. Daarmee waren zij een cruciale schakel in de witwasconstructie ten aanzien van de voertuigen.
Concluderend heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van witwassen. Omdat de witwashandelingen over een langere periode hebben geplaats gevonden, is er sprake van gewoontewitwassen.
Geen kwalificatie-uitsluitingsgrond
Ten aanzien van de bedragen in de boekhouding en de bij [betrokkene 4] en bij de verdachte aangetroffen geldbedragen, overweegt het hof dat voor de hand ligt dat dit de opbrengsten zijn van de door de organisatie van de verdachte uitgevoerde drugshandel. De raadsman van de verdachte stelt dat er in dat geval sprake is van witwassen uit eigen misdrijf, en heeft aangevoerd dat voor zover aan de verdachte witwassen zonder verhulling uit eigen misdrijf ten laste is gelegd, voor handelingen die hebben plaatsgevonden vóór 2017 de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, en hij daarom moet worden ontslagen van rechtsvervolging. Voor zover deze witwashandelingen na 1 januari 2017 zouden zijn verricht, moet de verdachte volgens de verdediging op grond van de tekst van de wet ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.
De term ‘(gewoonte)witwassen’ is opgenomen in de tekst van de tenlastelegging. Om die reden heeft het verweer van de verdediging betrekking op de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal het verweer in dit hoofdstuk worden besproken.
Het hof verwerpt dit verweer, en overweegt daartoe het volgende.
Een gedraging kan niet als witwassen worden gekwalificeerd als het gaat om het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. De bedoeling van deze jurisprudentie is om te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan, en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Deze rechtsregels hebben alleen betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Deze rechtsregels gelden niet wanneer het gaat om voorwerpen die niet onmiddellijk, maar middellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf of die afkomstig zijn uit een misdrijf dat een ander dan de verdachte heeft begaan. Bij de beoordeling of voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een misdrijf dat de verdachte zelf heeft begaan, is onder meer van belang of:
a. naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van — kort gezegd — het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
De bedoeling van de kwalificatie-uitsluitingsgrond is om te voorkomen dat een dader automatisch dubbel strafbaar is als hij door een misdrijf onmiddellijk in het bezit komt van geld of goederen. Die situatie doet zich voor als het verwerven en voorhanden hebben van het voorwerp het vanzelfsprekende gevolg is van het begane misdrijf. De deelneming aan een criminele (drugs)organisatie leidt er op zich zelf niet zonder meer toe dat de deelnemer de opbrengst voorhanden krijgt van de misdrijven die de organisatie pleegt. De opbrengst van de delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht (in dit geval de handel in verdovende middelen en witwassen) door een of meer van de deelnemers aan de organisatie moet worden onderscheiden van de eventuele opbrengst van de deelneming zelf. De verdachte wordt in deze strafzaak niet veroordeeld voor de misdrijven (van de organisatie) die geld zullen hebben opgebracht, zoals het (medeplegen) van de invoer of verkoop van cocaïne. Het aanwezig hebben van voorwerpen die een criminele herkomst hebben, kan niet als een handeling worden beschouwd die in de deelname aan een criminele organisatie automatisch besloten ligt en vloeit daaruit ook niet noodzakelijkerwijs voort.
Verder is van belang dat deze kwalificatie-uitsluitingsgrond alleen van toepassing is als het alleen gaat om verwerven of voorhanden hebben. De geldbedragen die in de kasboeken zijn genoemd, zijn niet alleen verworven en voorhanden gehad, maar ook weer uitgegeven. De kwalificatie-uitsluitingsgrond is daarom niet van toepassing op deze geldbedragen. Als het gaat om het geldbedrag dat bij [betrokkene 4] thuis is aangetroffen en het geldbedrag dat de verdachte in Chili bij zijn aanhouding bij zich had, is niet gebleken dat dit geld onmiddellijk afkomstig is uit één van de bewezen verklaarde feiten. Dat volgt ook niet uit de bewijsvoering. Ook verdachte heeft daarover niet verklaard. Uit het voorgaande volgt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is. Het hof verwerpt daarom dit verweer.
Oogmerk witwassen (feit 1)
Hiervoor is geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen.
Op grond van de feiten en omstandigheden waarop dat oordeel is gebaseerd, is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat ook kan worden bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen.
De verdachte was de spil in deze organisatie. Hij was de leider en [betrokkene 4] was zijn coördinator. [betrokkene 3] verving de verdachte als dat nodig was. Aan hen gaf hij opdrachten door, waarna [betrokkene 4] en [betrokkene 3] deze naar de uitvoerders zoals [betrokkene 2] en [betrokkene 12] doorzetten. Er was sprake van een duidelijke hiërarchie.
Er was ook een hoge mate van georganiseerdheid. De verdachte en zijn vermogen moesten buiten beeld blijven en daarvoor waren geraffineerde afschermconstructies opgetuigd. In kasboeken werden de inkomsten en uitgaven van zeer grote geldbedragen bijgehouden. [betrokkene 4] moest daarover verantwoording afleggen aan de verdachte. Uit de kasboeken en notities blijkt ook het duurzame karakter van de organisatie, nu daarin inkomsten en uitgaven staan genoteerd over de jaren 2015 en 2016. Maar ook in 2014 was de organisatie al actief. Op 4 augustus 2014 is namelijk de energierekening van de [adres 1] , de woning die feitelijk aan de verdachte toebehoorde, betaald vanaf de bankrekening van [betrokkene 12] . Er was dan ook sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Door bewust afschermconstructies op te zetten om buiten beeld van politie en justitie te blijven en van geld te leven dat van misdrijf afkomstig is, heeft de verdachte opzet gehad op zowel het oogmerk gewoontewitwassen als op zijn leiderschap.
Oogmerk moord
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens het Openbaar Ministerie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat het samenwerkingsverband waaraan de verdachte leiding heeft gegeven, zich naast witwassen en drugshandel ook bezig heeft gehouden met moorden. De advocaat-generaal sluit zich aan bij de beoordeling en conclusies van de rechtbank, die -kort gezegd- heeft geoordeeld dat de organisatie van de verdachte zich concreet heeft gericht op de moorden van [naam 33] , [naam 34] , [naam 35] , [naam 36] en [naam 37] . Daarbij is het Openbaar Ministerie -anders dan de rechtbank- van mening dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [naam 35] geïdentificeerd kan worden als [naam 38] en [naam 37] als [naam 39] . Daarnaast worden in het dossier andere beoogde doelwitten van de criminele organisatie genoemd, zoals [naam 7] , [naam 40] en [naam 41] . Tot slot heeft de advocaat-generaal nog gewezen op de verklaringen die in hoger beroep zijn afgelegd door getuige [getuige 1] .
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van leiderschap aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van moorden. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd -samengevat- dat de in het dossier opgenomen PGP-berichten een onvolledig en onjuist beeld schetsen. Ten aanzien van de PGP-berichten van 17 en 18 april 2016 tussen de verdachte en [betrokkene 5] , stelt de raadsman dat in die gesprekken weliswaar is gesproken over een aantal voorgenomen liquidaties, maar dat de verdachte [betrokkene 5] juist van die liquidaties wilde afhouden door een beetje mee te praten en problemen te verzinnen.
Oordeel van het hof
Inleiding
Het hof komt op grond van de hieronder te bespreken bewijsmiddelen tot het oordeel dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die zich (ook) bezig hield met moord. Dit blijkt allereerst uit het feit dat het samenwerkingsverband waaraan de verdachte leiding heeft gegeven zich concreet heeft gericht op (het plannen van) de moord op [naam 36] en [naam 37] . De verdachte heeft hierbij een initiërende en sturende rol gespeeld. Verder blijkt dit uit de betrokkenheid van de organisatie van de verdachte bij de nasleep van de poging tot moord op [naam 7] .
Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat de organisatie van de verdachte daarnaast ook betrokken was bij (plannen voor) de moord op [naam 33] , [naam 34] , [naam 35] , [naam 40] en [naam 41] . Uit de PGP-berichten van 17 en 18 april 2016 kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de bedoeling had om samen te werken om deze personen te liquideren. Gelet op de inhoud van deze berichten, gelezen in samenhang met de overige inhoud van het dossier, acht het hof de mogelijkheid reëel dat de verdachte in deze gesprekken een beetje meepraatte met [betrokkene 5] , zonder de bedoeling om hier verder daadwerkelijk bij betrokken te raken.
Hoewel het dossier aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat ook [betrokkene 5] en [getuige 1] betrokken waren bij de moordplannen van de organisatie van de verdachte, blijkt uit het dossier niet van voldoende duurzaamheid en structuur om als een samenwerkingsverband tussen de verdachte en deze twee personen als bedoeld in art 140 Sr te kunnen worden aangemerkt.
Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Ten aanzien van [naam 36]
Feiten en omstandigheden
Het dossier bevat een PGP-bericht tussen [betrokkene 7] en [betrokkene 9] waarin [betrokkene 7] op 16 september 2015 tegen [betrokkene 9] zegt dat hij ‘die brada van [bijnaam 33] wil laten zakken’.
Het dossier bevat tevens een PGP-gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 7] op 14 maart 2016, waarin de verdachte een door hem op 13 maart 2016 ontvangen bericht van [getuige 1] doorstuurt naar [betrokkene 7] :
“ [bijnaam 1] is tiara residence on palm juneirah please if you sent some body make sure very very clean face becase they look allot around must of the time is from 5pm but some time also late. After the gym they go eat something at the bar and they sit always inside”.
Verdachte schrijft daarbij de tekst:
“Dit is die plek waar [naam 36] gaat sporten steeds broer, kan je dit aan die OT man sturen..?”
Op 18 maart 2016 stuurt de verdachte wederom een bericht aan [betrokkene 7] door dat hij die dag van [getuige 1] heeft ontvangen:
“ [bijnaam 1] the place I told you last time is sure 4 times a week where he is going out I don’t know because many place here so can be difficult because he can change I think the gym is the best way easier one try option if not work I will make a meeting with him and you will sent the photograph”.
Verder zegt de verdachte op 25 maart 2016 tegen [betrokkene 7] :
“Die kanker rat .. Die moet broer, die is meteen KO broer. En die kanker gasten kunnen niet altijd zo een geluk hebben ..!!!! Ik heb geloof in die taxis broer!!!!!”
Op 4 april 2016 stuurt [betrokkene 9] naar [betrokkene 7] dat hij een hotel heeft geboekt voor 6 april tot 20 april. Vervolgens vindt op 6 april 2016 de volgende berichtenwisseling tussen [betrokkene 9] en [betrokkene 7] plaats:
[betrokkene 9]
“Broer ik ben in Dubai. Ben ingechekt in het hotel.”
[betrokkene 7]
“Nog geen nieuws van taxi’s niks?”
[betrokkene 9]
“Nee broer we gaan vanavond lokale tijd 10 uur met hun afspreken dan wat eten met ze. Wil je dat we aan het werk gaan hier met buurten afgaan? JBR Palm en The Hills? Dan gaan we alvast daarmee aan het werk zo.”
[betrokkene 7]
“Jaa broer aub die man moet toch te vinden zijn en binnen kort is er een feest waar die zeker gaat zijn dan moet je daar na toe maar nu gewoon goed kijken daar en die taxis zet ze op scherp dat is belangrijk.”
[betrokkene 9]
“Oke broer. Ik ga zometeen dan beginnen met werk hier. Taxi jongens zijn we vanavond mee. Oke bro als die plek van de feest tijdig bekend is dan kan ik samen met me neefje daar al voor werk doen. Dan op de dag van de feest ga ik naar binnen en me neefje blijft in de auto achter om gelijk op mijn teken dan die persoon te volgen zodra hij het feest verlaat en dan voeg ik 15 min later om te volgen.” (…)
“Broer ben net klaar met eten met de taxi jongens. De auto is niet gespot nog door hun. Ze zitten er op. Ze hebben ook een andere optie gegeven. Op internet kan je aan de hand van kenteken de boetes inzien en de auto details. Als die persoon vaak boete maakt op een bepaalde traject dan weten we in ieder geval welke traject en rond hoelaat hij die aanhoudt. Misschien kan ik een patroon ontdekken als er een boete geschiedenis is van die auto. Kan ik die kenteken nachecken op internet bro? De website is gewoon van de overheid ook om je belasting boetes etc te betalen.”
[betrokkene 9]
“Broer een overzicht van vandaag: Ochtend vanaf 06:00 tot 09:00 hebben we bij Al Bateen residence en Marina boulevard gepost. Marina boulevard is de gewezen plek waar die persoon zou hardlopen elke ochtend. Hier heb ik samen met mijn neefje om en om gezeten en rondgelopen. Die persoon hebben we niet gezien. Na 09:00 wordt het te benauwd om te sporten/hardlopen. Al Bateen hebben we ook niet 1 van de genoemde autos gespot. Daarna zijn we rondjes gaan rijden bij de Palm, daar ook geen vooruitgang geboekt. The Hills gaan we vanavond heen bro. We blijven concentreren dagelijks op Jbr palm en The Hills bro.”
Uit visumgegevens voor [betrokkene 9] blijkt dat op 5 april 2016 een inreisvisum voor hem is afgegeven en op 20 april 2016 een visum voor Pakistan. Op diezelfde 20ste april is ook een ticket betaald voor passagier [betrokkene 9] naar Pakistan en is door de autoriteiten van Dubai een uitreisbeweging in het paspoort van [betrokkene 9] geregistreerd. [betrokkene 9] heeft op 20 april 2020 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij meerdere keren in Dubai is geweest en dat het mogelijk is dat hij hier in april 2016 ook was.
In een PGP-gesprek tussen de verdachte en [getuige 1] op 16 en 17 april 2016 bespreken zij het volgende met elkaar:
Verdachte
“We are looking mi [bijnaam 1] , but y think he did not go, the Colombian mema was whit him there!! And please we have to know all from him please!!! Where will you meet him [bijnaam 1] ? Some were where we can follow him?”
[getuige 1]
“ [bijnaam 1] I know your idea already You want take him here ))) Is difficult but not impossible.”
Verdachte
“ [bijnaam 1] , y have to tell you out of respect, and y have wapens and all, Ak..! But because the mate want to live there y wille do whit knife, I have the ninjas there ready and y see him one place y do him.. But y can not bring you in problems, so if you meet him and and 100 meter away we stab him, you will have problems mi [bijnaam 1] ...Pffff.. My head is going overtime to get him.. Y have not seen him, 1 time we saw him mall with black bently.. But when the ninja came he was gone!!!!!”
[getuige 1]
“Hi [bijnaam 1] (…) I spoke with [bijnaam 37] today I will meet him Wednesday.”
Verdachte
“Mi [bijnaam 1] , you give me much power and make me happy that y tell you , because y respect you and never ever want to bring you problems .. And never ever want the mate to feel bad of also problems , because he is starting to go there, .. But you are to long there !!! So the problem will be much more bigger for you mi [bijnaam 1] !!! Ok [bijnaam 1] , then y will do whit knife for 100 % .. Y will put the iron away .. So we don't have problems ..
We have 2 ninjas there , .. They are there for the moment we see him , one will do it , other one will look if all go good he don't do nothing !!! They are real man and know what will happen but all is fixed so don't worry !! Y think what you say is the best , this Dog was in cavaly club , whit colombian people .. We where there but the ninja could not come in , he had a problem whit some one that day , .. He was very very very lucky that dog , our OT man made pictures inside !!!! Pfffffff .. We have to know when he will be some where N mall .. restaurant .. Terrasa , and they come and finish mi [bijnaam 1] .. Then all is again a bit back to normal , you willsee , .. Now because he is paranoid and very afraid , he has lost to much work and other colombian don't want to work like they do , .. They los .. 1950.. 3000 ..5000 3700 .. All in short time and colombian all say this is because his problem .. Because he is paranoid , he pay to get me but other make him crazy so he give all the time money .. You understand .. So never will be calm if he is walking around and paying to make war .. Like a bitch .. Hiding there !!!!”
[getuige 1]
“ [bijnaam 1] GPS we can put on his car so we will know where he lives. The house can be also an option I tell you why. Must of the building in dubai if you go true the garace and take emergency stairs is no cameras so the job can be done very clean just follow him when he go back home the ninja go true the emergency stairs wait him when he come out from the elevator on his floor.”
Verdachte
“Perfecto [bijnaam 1] .. Perfecto !!!! That’s the best place [bijnaam 1] , he will be relax there .. Perfecto!! And [bijnaam 1] y can send girl also for him.. He think is hooker for him, she will tell us where they are, y put Gps on her phone!!”
Op [datum 2] is [betrokkene 7] in [land] aangehouden.
Op 17 april 2016 bespreken [betrokkene 9] en de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 40] (hierna: # [accountnaam 40] ) het volgende:
# [accountnaam 40]
“Ik ben [bijnaam 34] gezien en hij zocht al contact met je op maar hij kon mij niet bereiken. Hun wisten het al vorige week dat ie was geveegd. Hij wist ook niet voor wat je daar was. Hij denkt die brada van die sc maar als hij iets anders ís dan moet je me zeggen. Hij heeft alleen bc1 en pgp hij heeft geen ennet. Als je daar bent op zoek naar casper het vriendelijke spookje dan kan je beter terug komen. lk heb die mail van hem hier en ga het opslaan bij deze boxer. Hij vroeg me om die ot gasten te gebruiken maar hij wilde jou daar overspreken. Die [bijnaam 35] heeft het goed die gasten daar hebben al spullen voor hem gebracht etc.”
[betrokkene 9]
“Oke broer. Ja ik ben hier voor die brada broer. Die info moest nog van [bijnaam 35] komen. Dus hier alles opdoeken bro? Moe. Hoe is het met [bijnaam 35] en wat zeggen ze is hij weg tijdje?”
# [accountnaam 40]
“Bro ik weet niks van die mission daar en [bijnaam 34] ook niet. Je hebt geen pgp dus je kan ook geen contact met hem maken. Dus wordt moe zo. Beter kom je terug als je níks van die man hebt gezien en die kosten van je worden sowieso gedekt want als het goed is het voor [bijnaam 1] . Niemand heeft hem nog gesproken maar die [bijnaam 7] heeft contact met die advo van hem daar en als het goed is gaat hij alleen voor dat boekje even zitten daar hij heeft aangegeven dat die klokkies en die doekoe niet van hem zijn dus dat kan van tafel worden geschoven. Maar je weet nooit wat zal gaan komen maar tatta heeft niet om hem gevraagd. Hij ís wel onderwerp van de dag gekkk klein hoofdje ook. Superr moe man wollah alles valt in duigen zo die [bijnaam 34] heeft contact met die [bijnaam 1] en [bijnaam 7] . Heb je [bijnaam 7] vandaag weer zien spelen fc knudde is weer bezig hoor.”
[betrokkene 9]
“Ja bro wollah [bijnaam 35] is nodig buiten. En dan trappen we hem naar niffo bergen in. Is voor [bijnaam 1] bro. Safie ik ga hier opdoeken en pleitte. Dan als ik er ben maken we contact met [bijnaam 34] . Voor wat willen ze de OT jongens gebruiken bro? [bijnaam 7] moe. Raar. Moe.”
Vervolgens stuurt # [accountnaam 40] op 18 april 2019 naar [betrokkene 9] : “Bro [bijnaam 1] gaat je mailen als hij je mailt moet je zeggen welke hunter ben je. Hij gaat je moeten zeggen kakkerlakken. Hij zegt je moet nog even blijven. En deze ot gasten moeten een gps halen en jou kant op sturen gekk.”
Tijdens de aanhouding van de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili is op een onder hem inbeslaggenomen telefoon een door hem ontvangen foto aangetroffen waarop een persoon is te zien die opvallend veel gelijkenissen vertoont met [naam 36] . De foto bleek gehaast te zijn gemaakt en de achtergrond van de foto is donker. Mogelijk is de foto ergens binnen gemaakt, zonder dat de persoon op de foto hiervan op de hoogte was.
‘ [bijnaam 33] ’ is in het criminele milieu een bekende bijnaam van [naam 42] . [naam 36] is de oudere broer van hem.
Op 27 september 2023 heeft [getuige 1] verklaard dat zijn gesprek op 16 en 17 april 2016 ging over dat [bijnaam 2] er klaar voor was om [naam 36] in Dubai om te brengen. De getuige heeft in zijn verklaring bevestigd dat met ‘ [naam 36] ’ de broer van ‘ [bijnaam 33] ’ werd bedoeld en dat ‘ninja’s’ lieden zijn die overal ter wereld liquidaties plegen.
Overwegingen hof
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte en [getuige 1] spreken over het neersteken van [naam 36] . Uit de communicatie tussen de verdachte en [getuige 1] is op te maken dat er een foto is gemaakt van de persoon waarnaar ze op zoek waren (“Our OT man made pictures inside!!!”) en in een telefoon van de verdachte is een foto aangetroffen van een man die veel gelijkenissen vertoont met [naam 36] . De foto leek gehaast ergens binnen gemaakt te zijn zonder dat die persoon daarvan op de hoogte leek te zijn.
Het hof stelt voorts vast dat [betrokkene 9] vanaf 6 april 2016 in Dubai is en met spotters (‘taxi’s’) rondrijdt met het doel om ‘ [naam 36] ’ te vinden. [betrokkene 9] houdt daarbij [betrokkene 7] nauwgezet op de hoogte. De verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank gesuggereerd dat met ‘taxi’s’ normale taxi’s kunnen worden bedoeld die in Dubai rondgereden worden door Indiërs en Pakistanen en alle hotels kennen. Het hof is echter van oordeel dat deze uitleg onwaarschijnlijk is gelet op het bericht van [betrokkene 7] dat ‘die kankerrat KO moet’ en ‘ze geloof moeten hebben in die taxi’s’.
Op 16 en 17 april 2016 bespreekt de verdachte met [getuige 1] dat hij twee ‘ninja’s’ klaar heeft staan en dat hij ook een man heeft die het beoogde slachtoffer observeert. De verdachte geeft vervolgens aan dat ze klaar staan en dat hij vuurwapens heeft (“wapens and all, Ak..!”) maar dat het volgens hem beter is om een mes te gebruiken (“do whit knife” en “stab him”). Vervolgens wordt besproken om een prostituee te regelen die hen naar ‘ [naam 36] ’ kan leiden of om een GPS baken te plaatsen in het voertuig van ‘ [naam 36] ’ zodat hij kan worden gevolgd naar zijn woning. [getuige 1] geeft als optie dat de schutter via de garage en brandtrap omhoog kan gaan aangezien daar geen camera’s hangen. Het hof maakt hieruit op dat de verdachte een sturende rol heeft in de voorbereiding van de liquidatie van ‘ [naam 36] ’ en dat hij daarbij beslissingen moet nemen over de wijze van uitvoering. Die leidinggevende rol blijkt ook uit de communicatie tussen [betrokkene 9] en de gebruiker van het PGP-adres # [accountnaam 40] , waarin [betrokkene 9] op 17 april 2016 aangeeft dat hij in Dubai is vanwege een klus voor de verdachte (‘ [bijnaam 1] ’). [betrokkene 9] moest nog informatie van ‘ [bijnaam 35] ’ krijgen, maar [bijnaam 35] is een tijdje weg, terwijl hij wel nodig is buiten. Uit het bewijs volgt dat [betrokkene 7] kort daarvoor in [land] was aangehouden. Bij zijn aanhouding was [betrokkene 7] in het bezit van een vervalst paspoort (een ‘boekje’ dus), twee Rolex horloges, een Audemars Piguet
Horloge (‘klokkies’ dus), 12.830,00 euro en 300 Britse ponden (‘doekoe’ dus). Gelet op de inhoud van het gesprek en samenhang van de uitgewisselde informatie stelt het hof vast dat het [betrokkene 7] is die in dit gesprek ‘ [bijnaam 35] ’ wordt genoemd. Na de aanhouding van [betrokkene 7] krijgt [betrokkene 9] uiteindelijk bericht dat de verdachte (‘ [bijnaam 1] ’) rechtstreeks contact met hem zal opnemen.
Uit de PGP-gesprekken blijkt dat er sprake is van een nauwe afstemming van de planmatige activiteiten van de verdachte, [betrokkene 7] en anderen ten aanzien van het beoogde doelwit [naam 36] in Dubai. De verdachte had daarbij een actieve en sturende rol, waarbij hij onder meer overlegde met derden en mensen aanstuurde. Het hof verwerpt het verweer dat hij nooit van plan was om [naam 36] daadwerkelijk te vermoorden, en dat er slechts sprake was van grootspraak. Ter onderbouwing daarvan wijst de verdachte ook op het feit dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat liquidaties plegen in Dubai erg moeilijk zou zijn en dat hij niet gelooft dat de verdachte het echt gedaan zou hebben. Het hof overweegt dat [getuige 1] schrijft aan de verdachte dat het weliswaar moeilijk is om iemand te liquideren, maar dat het niet onmogelijk is. Als [getuige 1] verklaart dat ‘ [naam 36] ’ op woensdag in Dubai is, antwoordt de verdachte dat hij twee ‘ninja’s’ klaar heeft staan. Verder is [betrokkene 9] vanaf 6 april 2016 in Dubai en rijdt hij met spotters rond met het doel om ‘ [naam 36] ’ te vinden. [betrokkene 9] houdt daarbij [betrokkene 7] nauwgezet op de hoogte. Daarnaast zijn de gesprekken zeer concreet als het gaat om de wijze van uitvoering (niet met een vuurwapen, maar met een mes) en de manier waarop ze het doelwit kunnen lokaliseren (met een GPS tracker of door het sturen van een ‘hooker’). Het voorgaande laat zien dat het niet slechts ging om grootspraak zoals de verdediging stelt. Het feit dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het uiteindelijk zijn bedoeling was dat er geen liquidatie zou worden gepleegd, zegt tot slot niets over de intenties en bedoelingen van de verdachte.
Ten aanzien van ‘ [naam 37] ’
Feiten en omstandigheden
Op een onder [betrokkene 7] inbeslaggenomen PGP-telefoon is het volgende gesprek van 14 maart 2016 tussen de verdachte en [betrokkene 7] aangetroffen:
Verdachte
“Broer.. We gaan nodig hebben dat [naam 7] naar colo gaat broer, een neef van die [naam 36] , die slang gaat daarheen, en we kunnen hem pakken, ik denk dat ht [naam 37] is.. Kunnen we alles van he afpakken, we gaan hem handel laten af geven.. Zo een 500 kilo.. En die gaan we dan afpakken en dan is die weg broer.. Is dat ok? Laat [bijnaam 7] ons ook daar bij helpen en we verdelen de buit met hem!”
[betrokkene 7]
“Jaaa start broer maar weet niet of we [bijnaam 7] met deze moeten laten bemoeien want tijdje geleden zij ik hem ook die [naam 37] moet slapen wisten alles van hem toen was hij niet zo happig hij zij heb niks met hem maar met die andre broer dus denk dat we deze beter zelf kunnen fixen maar zoizo kan ik hem vragen als je wilt harmano?””
Verdachte
“Nee, .. Niet doen.. Dan fixen we zelf,.. Maar laat [naam 7] alvast daar heen gaan dan, .. Want we gaan een ontvoeren daar, moeten we even alles weten van hem !!!”
In het PGP-gesprek dat de verdachte en [betrokkene 5] naar aanleiding van de liquidatie van [naam 33] op 18 april 2016 voeren, bespreken zij ook het volgende:
Verdachte
“En [bijnaam 7] , die [naam 37] .. Die kunnen we toch in frankrijk zakken, die hitter staat klaar, en betalen die driver meteen!!!”
[betrokkene 5]
“Onder Nee hy zei ik ben in NL hahaha was daar alleen voor [bijnaam 14] deze hoerenzoon gaat in myn stad tetouan [bijnaam 7] is geregelt morgen alle infoe heads gaan hem open snyden.
Verdachte
“Aaaahhhhhhhh.. [bijnaam 1] [bijnaam 11] .. Als we dan fixen, maar [bijnaam 7] , onze broer en ik hebben U al gezegt, die jongens staan klaar [bijnaam 7] .. Niet zo doen, aub.. Aub.. Deze kanker vieze rat,.. Laat u Mijn deze open laten snijden [bijnaam 1] [bijnaam 7] , die boys staan al klaar [bijnaam 7] ..!!!
[betrokkene 5]
Verdachte
“ [bijnaam 7] u bent echt een wyze man mocro erin kan alles maar mocro zyn grootste hoeren die er zyn [bijnaam 7] ! Daarom heb heads van my stad geregelt kamikaze gaaan door voor ons [bijnaam 7] kennen de weg en direct zodiac in na. Span [bijnaam 7] geef my deze week ga hem lettelyk kapot snyden !!! Ze gaan voelen wat woede is en vooral nu [bijnaam 14] er niet is ! [bijnaam 7] wij zijn 1 dus aub denk met my mee en ik met u!
En [bijnaam 1] [bijnaam 7] , wat we maar kunnen doen, gaan we doen, om deze ratten te laten voelen wat een vuist is… Wat een Familia…Wat broederschap echt betekent!!!
[betrokkene 5]
“Onder heads, alles staat klaar als [naam 37] Tetouan is weg klaar.”
Verdachte
“Toppp [bijnaam 7] … Dat is top nieuws!!!!!”
Overwegingen hof
Het hof stelt vast dat de verdachte op 14 maart 2016 met [betrokkene 7] bespreekt om ‘ [naam 37] ’ te pakken en dat [naam 37] moet slapen. Het hof volstaat met de vaststelling dat ‘ [naam 37] ’ een doelwit is, nu met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat daarmee ‘ [naam 39] ’ wordt bedoeld, zoals het Openbaar Ministerie aanneemt.
De verdachte stelt voor om dit samen met [betrokkene 5] (‘ [bijnaam 7] ’) te doen. [betrokkene 7] antwoordt dat hij verwacht dat [betrokkene 5] ‘ [naam 37] ’ niet interessant vindt. De verdachte beslist vervolgens dat ze het dan zelf gaan doen. Hieruit blijkt in ieder geval dat de verdachte degene is die uiteindelijk beslist. Kennelijk heeft [betrokkene 7] het verkeerd ingeschat, want uit het PGP-gesprek een maand later tussen de verdachte en [betrokkene 5] maakt het hof op dat [betrokkene 5] het toch op ‘ [naam 37] ’ heeft gemunt en dat al is geregeld dat de schutters (‘heads’) ‘ [naam 37] ’ gaan opensnijden. Als [naam 37] in Tetouan is dan is hij volgens [betrokkene 5] dood. Alles is al geregeld, schutters staan al klaar en ‘morgen’ krijgen ze alle informatie. De verdachte wil ‘ [naam 37] ’ in Frankrijk ‘laten zakken’. Hij zegt: “Niet zo doen, aub..Aub.. Deze kanker vieze rat,..Laat U mijn deze open laten snijden [bijnaam 1] [bijnaam 7] , die boys staan al klaar [bijnaam 7] ..!!” Het hof kan dit bericht niet anders uitleggen dan dat de verdachte graag degene wil zijn die de liquidatie van ‘ [naam 37] ’ voor zijn rekening neemt en niet – zoals de verdachte heeft verklaard - dat hij juist probeerde de liquidatie te voorkomen door een andere plek voor te stellen. Met het Openbaar Ministerie leidt het hof uit de gesprekken af dat de verdachte en [betrokkene 5] lijken te strijden om wie ‘ [naam 37] ’ voor zijn rekening mag nemen. [betrokkene 5] legt vervolgens aan de verdachte uit dat het beter is om ‘ [naam 37] ’ in Tetouan te liquideren omdat hij daar schutters heeft vanuit zijn eigen stad die de weg kennen en direct op een speedboot (‘zodiac’) kunnen stappen richting Spanje. Het hof maakt hieruit op dat het plan om ‘ [naam 37] ’ te vermoorden serieus en concreet is en dat de verdachte actief meedenkt over de beste uitvoering van een beoogde liquidatie en deze liquidatie graag op zich wil nemen.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte een actieve rol had binnen de organisatie bij het plannen van liquidaties. Hij stelde doelwitten voor en stuurde anderen aan.
Ten aanzien van [naam 7]
Feiten en omstandigheden
Dat de verdachte leiding gaf aan een criminele organisatie die het oogmerk had het plegen van moorden, wordt verder ondersteund door processen-verbaal die betrekking hebben op de poging tot moord op [naam 7] op 5 november 2015 in Diemen. [betrokkene 7] is hiervoor als medepleger veroordeeld (onderzoek Tandem II).
Het dossier bevat een PGP-gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 2] van 11 november 2015, aangetroffen op een onder [betrokkene 2] inbeslaggenomen PGP-telefoon. Daarin stuurt de verdachte een bericht naar [betrokkene 2] dat hij van [betrokkene 7] (‘ [bijnaam 13] Bv Ltda’) heeft ontvangen. [betrokkene 7] heeft op zijn beurt dit bericht ontvangen van [betrokkene 9] ( [bijnaam 26] 2). In dat bericht staat het volgende door [betrokkene 9] geschreven:
“Broer [naam 43] zegt het lijkt er duidelijk op dat de politie dit heeft laten gebeuren! Maar ze houden nog alles achter! Deze brief is via een contact van hem bij hem gekomen en deze brief was bestemd alleen voor die rechter-commassaris! Die brief is vernietigd! Ze hebben een grote kans op een veroordeling zoals hij het nu al ziet 12 tot 15 jaar mist er meer kan worden gelinkt aan hun aan de hand van de wapens en autos peilbakens enzo! Het is nu nog allemaal onduidelijk maar het lijkt erop alsof politie al tijdje bezig is! Als hij meer info ergens los kan trekken dan meld hij mij direct! [bijnaam 1] heeft een telefoon laten droppen bij hem maar geen oplader zegt hij.”
Op 16 november 2015 vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen de verdachte en [betrokkene 2] :
Verdachte
“Buur khey bro, .. alles ok daar? Broer kijk of jij die black naar die advo kan brengen..! Laatje zo weten welke broer.”
[betrokkene 2]
“Is goed laat me weten”
Verdachte
“Buur, die pgp moet naar die avo van [bijnaam 36] .. Die [naam 44] , kn je hem brengen naar hem aub!!!!”
En op 23 november 2015 bespreken de verdachte en [betrokkene 2] het volgende:
Verdachte
“Hey je moet als je kan even met de advo gaan praten en die codes geven en mails broer…ok”
[betrokkene 2]
“Okee, is goed wnr morgen?” (…)
Verdachte
“Broer alles ook daar?”
[betrokkene 2]
“Jaa ik ga zo die advo bellen kijken waar die is”
Verdachte
“Ok bro, meteen!!”
[betrokkene 2]
“Neemt niet op belt zeker zo terug”
Verdachte
“Ok broer, top..!”
[betrokkene 2]
“Yoo bro heb met hem afgesproken hij is Breda”
Verdachte
“Ok, je moet naar hem toe dan o die telli te fixen broer…!”
[betrokkene 2]
“Okee is goed.”
Vervolgens stuurt [betrokkene 2] naar de verdachte op 24 november 2015: “Ben geweest hij had m niet bij zich heb op blaadje geschreven gaat avond sturen zei hij.”
Later wisselen de verdachte en [betrokkene 2] de volgende berichten uit:
Verdachte
“Die advo had een moeten krijgen van iemand.. Ok is dus fout gegaan,.. ik laat die jongens die advo bellen Ok.”
[betrokkene 2]
“Jaa die advo die was naar starbuckss gegaan zat daar half uur te wachten jij reageerde niet meer toen ik je stuurde.”
Verdachte
“Broer, stuur me aub de nummer van die advo en die naam ok!”
[bijnaam 36] is de bijnaam van [naam 45] . Dit is één van de schutters die is veroordeeld voor de poging tot liquidatie van [naam 7] . Hij liet zich bijstaan door advocaat mr. [naam 44] uit Breda.
Op 27 november 2015 bericht [betrokkene 2] het volgende aan de verdachte:
[betrokkene 2]
“Zag [naam 7] gister in de buurt”
Verdachte
“Hoe zag die er uit? En.. Waar was die?”
[betrokkene 2]
“Was rijnstraat hij liep beetje mank en stapte auto in bmw 7serie zwart”
Op 4 december 2015 wordt [naam 7] door verbalisanten gezien in een zwarte BMW 7 serie. Tot 2019 stond [naam 7] ingeschreven op de [adres 12] te Amsterdam. Dat is op ongeveer een kilometer afstand van de Rijnstraat.
Vervolgens stuurt de verdachte op 20 december 2015 naar [betrokkene 2] :
Verdachte
“Bro kijk even op je pgp, bij de datum van..November tussen 7 en 11 nov ..Of je geld hebt gekregen.. Van..Iemand..Aub..!!”
[betrokkene 2]
“Nee toen heb ik geen geld ontvangen ben pas begonnen toen ik die advo gaf.”
Verdachte
“Ik vraag dat je op je pgp kijkt naar ouwe berichten broer!”
[betrokkene 2]
“Heb ik al gewist ouwe berichten.”
Verdachte
“Hoomann.., lekker dan!!”
[betrokkene 2]
“Ik weet kreeg vanaf ik naar die advo moest doeko en dan links rechts geven.”
Verdachte
“Wanneer was dat,..?”
[betrokkene 2]
“Toen die gasten gepakt waren toch voor [bijnam] erna.”
De verdachte heeft op het antwoord van [betrokkene 2] dat hij alle oude berichten heeft gewist ook met een ander bericht gereageerd. In deze andere reeks berichten hebben verdachte en [betrokkene 2] het volgende naar elkaar gestuurd:
Verdachte
“Ok maar.. Buiten dat.. Kan je aub .. Even nadenken of je en waar je geld hebt aangepakt bro.”
[betrokkene 2]
“Jaa dat had ik laatst aan [bijnaam 32] laten zien.”
Verdachte
“Ja.. Maar denk even er voor wat je van mensen hebt gehad en waar,.. Gewoon even herinneren en opschrijven.. Even voor de zekerheid!!”
[betrokkene 2]
“Daarvoor pakte ik niks aan. Dus vanaf dat die gasten geklemt waren kreeg ik 10k om aan advo te geven enz.”
[bijnam] :
Overwegingen hof
Het hof stelt vast dat de verdachte via [betrokkene 9] en [betrokkene 7] op 11 november 2015 door ‘ [naam 43] ’ is geïnformeerd over de aanhouding van een verdachte en de stand van het onderzoek. ‘ [naam 43] ’ zal het melden als hij meer informatie kan lostrekken. De verdachte krijgt deze informatie zes dagen na de poging liquidatie van [naam 7] op 5 november 2015. Uit het bericht kan ook worden opgemaakt dat er een telefoon aan ‘ [naam 43] ’ is gegeven, maar dat men de oplader waren vergeten. Ook maakt het hof uit de PGP-berichten op dat de verdachte op 16 november 2015 [betrokkene 2] de opdracht geeft om een PGP-telefoon naar de advocaat (‘advo’, ‘ [naam 44] ’) van de aangehouden en uiteindelijk veroordeelde schutter [naam 45] te brengen. Kennelijk gaat dat niet helemaal goed, waarna de verdachte de levering van de PGP-telefoon naar zich toetrekt. Blijkbaar heeft hij er een groot belang bij dat de advocaat van een van de schutters een PGP-telefoon krijgt. Ook blijkt uit de PGP-berichten dat de verdachte informatie van [betrokkene 2] wil hebben over geld dat [betrokkene 2] in ontvangst zou hebben genomen. Dat zou mogelijk nog in de telefoon van [betrokkene 2] staan. [betrokkene 2] heeft verder naar de verdachte gestuurd dat hij is begonnen met het geven van geld aan advocaten ‘toen die gasten gepakt waren voor [bijnam] erna’ (“Vanaf dat die gasten geklemt waren kreeg ik 10k om aan advo te geven enz”). De verdachte benadrukt dat [betrokkene 2] moet opschrijven wat hij van mensen heeft gekregen. Alhoewel [betrokkene 2] hem bericht dat hij oude berichten heeft verwijderd, worden in de telefoon van [betrokkene 2] nog wel notities aangetroffen waarin specifiek bedragen voor advocaten (‘advo t’ en ‘advo k’) zijn vermeld. Als de verdachte op 27 november 2015 van [betrokkene 2] te horen krijgt dat [betrokkene 2] ‘ [naam 7] ’ in de buurt heeft gezien, wil de verdachte direct details weten (“Hoe zag die er uit? En.. Waar was die?”). De details die [betrokkene 2] vervolgens aan de verdachte doorgeeft komen overeen met gegevens die van [naam 7] bekend zijn, namelijk dat hij in de buurt van de Rijnstraat woont waar [betrokkene 2] hem heeft gezien en dat hij in een overeenkomstige auto rijdt als waarin [betrokkene 2] hem gezien heeft (zwarte BMW 7 serie).
Het hof concludeert dat de verdachte betrokken is bij de ontwikkelingen in de zaak over de poging tot liquidatie van [naam 7] . Hij vervulde daarbij een sturende rol, onder meer door opdracht te geven een PGP-telefoon en geld aan de advocaat van de in die zaak aangehouden verdachte te geven. Verder wilde de verdachte door [betrokkene 2] geïnformeerd en op de hoogte gehouden worden.
Uit deze activiteiten van de verdachte, die alle betrekking hadden op de (advocaten van) de uiteindelijk voor deze poging veroordeelde daders, waaronder [betrokkene 7] met wie de verdachte ook contact had ten behoeve van de voorgenomen moord op [naam 36] , leidt het hof af dat de verdachte leiding gaf aan een samenwerkingsverband dat betrokkenheid had bij het samenwerkingsverband rondom deze poging tot moord.
4. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 in Nederland en/of Chili en/of Dubai (de Verenigde Arabische Emiraten) en/of Duitsland en/of Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en onder andere
[betrokkene 2] en
[betrokkene 4] en
[betrokkene 12] en
[betrokkene 3] en
[betrokkene 7] ,
en een of meer (onbekende) andere(n) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
gewoonte witwassen en moord,
zulks terwijl hij, verdachte, de leider van voormelde organisatie was;
en
hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2014 tot en
met 20 oktober 2017 in Nederland , en/of Chili en/of Dubai (de Verenigde Arabische Emiraten) en/of
Duitsland en/of Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een
samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en onder andere
[betrokkene 2] en
[betrokkene 4] en
[betrokkene 12] en
[betrokkene 3] en
[betrokkene 7] ,
en een of meer (onbekende) andere(n),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten een feit, bedoeld in het
vierde en vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten:
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, en
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne
zulks terwijl hij, verdachte, de leider van voormelde organisatie was;
2.
hij in de periode van 4 augustus 2014 tot en
met 20 oktober 2017, in Nederland , en Chili en/of Dubai en/of Duitsland en/of Spanje,
tezamen en in vereniging met anderen , zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen immers hebben verdachte, en zijn mededaders van voorwerpen, te weten:
- voertuigen en
- een woning (Urbanisatie [adres 11] 19 te Marbella) en
- geldbedragen (in totaal (ongeveer) 10.132.703,00 euro en
- een geldbedrag van 1.462.440 euro, en
- een geldbedrag van 46.190,65 euro en/of
- luxe goederen, te weten horloges van het merk Audemars Piquet en Franck Muller,
de werkelijke aard en/of herkomst en/of vervreemding en/of verplaatsing
verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op
voornoemde voorwerpen was en/of voornoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad
en/of
voornoemde voorwerpen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft
overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,
terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
en
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
6. Verzoeken en eerlijkheid van het proces
Horen getuigen
WOD-verbalisanten
De verdediging heeft verzocht om het horen van de verbalisanten die hebben deelgenomen aan het zogenoemde WOD-traject (werken onder dekmantel) in het geval het hof processen-verbaal van deze verbalisanten zou gebruiken voor het bewijs. Het hof heeft hiervoor in hoofdstuk 3.3 een proces-verbaal voor het bewijs gebruikt dat betrekking heeft op een gesprek met [betrokkene 2] op 8 juli 2016. Dit proces-verbaal is opgemaakt door de verbalisanten A-3818 en A-3819. Dit betekent dat de verdediging een verzoek heeft gedaan waarop het hof een beslissing moet nemen.
De verdediging had in de appelschriftuur al gevraagd om het horen van een aantal WOD-runners, waarna dat verzoek is beoordeeld op grond van het zogenoemde verdedigingsbelang. In dat verzoek was echter niet verzocht om het horen van de verbalisanten A-3818 en A-3819. In pleidooi is voor het eerst verzocht om het horen van deze getuigen. De verdediging wenst deze verbalisanten te horen over de ‘messi-stempels’, de kwaliteit en de prijzen en met name in hoeverre dit enige relatie heeft tot de verdachte. Het hof heeft de verklaring van deze verbalisanten alleen gebruikt voor de uitleg van het bericht van 12 april 2016 over ‘they are between 8/9 …and smell good’, een uitleg die ook volgt uit de context van het gesprek en de verklaring van de getuige [getuige 1] over dit gesprek. Ook de verdachte heeft de berichten op de zitting zo uitgelegd dat het ging om cocaïne die uiteindelijk niet door [getuige 1] is afgenomen omdat het te slecht was. Het hof heeft aan de verklaring van [betrokkene 2] in het proces-verbaal van de verbalisanten A-3818 en A-3819 dus slechts in algemene zin ontleend op welke wijze de kwaliteit van cocaïne wordt aangeduid en wat de prijs van een kilo cocaïne met kwaliteit 8 is. Daarbij komt dat het de inhoud van de verklaring van [betrokkene 2] is die betekenis heeft voor het bewijs. Zonder nadere toelichting is niet duidelijk waarom het horen van deze verbalisanten nodig is, die (slechts) de inhoud van die verklaring van [betrokkene 2] hebben opgenomen in een proces-verbaal. Onder deze omstandigheden is het, ondanks dat deze verklaring voor het bewijs is gebruikt, niet noodzakelijk deze getuigen te horen. Het voorwaardelijke verzoek om de verbalisanten die hebben deelgenomen aan het zogenoemde WOD-traject als getuige te horen, wordt dan ook afgewezen.
[betrokkene 5]
De getuige [betrokkene 5] is op 18 februari 2026 ter terechtzitting (via een videoverbinding) bij het hof als getuige gehoord. De verdediging heeft de getuige vragen kunnen stellen. Op enkele vragen heeft de getuige antwoorden gegeven. Die antwoorden hielden – kort gezegd – in dat de getuige de verdachte niet kent (anders dan uit de media) en dat zij nooit samen hebben gewerkt. Op andere vragen heeft de getuige zich op zijn verschoningsrecht beroepen.
Na afloop van het getuigenverhoor heeft de verdediging een verzoek gedaan om de zaak aan te houden om [betrokkene 5] nogmaals als getuige te horen. Daartoe werd aangevoerd dat de getuige niet werd bijgestaan door een advocaat en dat in het geval de getuige die bijstand wel zou hebben, hij mogelijk wel vragen zou willen beantwoorden. Het hof heeft dat verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van de noodzaak daartoe.
Bij pleidooi heeft de raadsman opnieuw verzocht om [betrokkene 5] als getuige te horen. De verdediging wenst nadere vragen te stellen over de communicatie tussen de aan hem toegeschreven PGP-accounts en het aan de verdachte toegeschreven PGP-account ‘ [accountnaam 1] ’ en over de dodenlijsten en de gestelde betrokkenheid van de verdachte daarbij.
Het hof wijst het verzoek tot het horen van [betrokkene 5] als getuige af. De verdediging heeft immers al de mogelijkheid gehad om vragen te stellen aan de getuige en daarvan gebruik gemaakt. Daarnaast ziet het hof niet de noodzaak om de getuige opnieuw opgeroepen. Het hof betrekt daarbij de door de getuige afgelegde verklaring dat hij de verdachte niet kent en de vragen die de raadsman nader aan de getuige wenst te stellen. Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de getuige meer zou verklaren als hij zich zou laten bijstaan door een advocaat, doet daaraan niet af.
[naam 39]
De raadsman heeft bij pleidooi verzocht om [naam 39] als getuige te horen in het geval de PGP-communicatie die aan de verdachte wordt toegeschreven, voor het bewijs worden gebruikt. De raadsman heeft dit verzoek niet toegelicht. Omdat het hof de inhoud van de gesprekken voor het bewijs gebruikt, zal het hof op dit verzoek wel een beslissing moeten nemen.
[naam 39] is op 21 mei 2019 bij de rechter-commissaris gehoord in bijzijn van de verdediging. Daar heeft de getuige – kort gezegd – verklaard dat hij de verdacht niet persoonlijk kent, dat hij hem wel eens tegenkwam in het uitgaansleven, maar nooit met hem heeft gesproken. Ook zou hij nooit een probleem hebben gehad met de verdachte.
Het hof wijst het verzoek tot het horen van [naam 39] als getuige af. De verdediging heeft reeds gebruik kunnen maken van haar ondervragingsrecht. Niet is aangedragen waarom een nieuw verhoor noodzakelijk zou zijn.
Voegen dossiers
De verdediging heeft in voorwaardelijke zin verzocht tot voeging van een aantal strafdossiers. Van een aantal van die verzoeken treedt de voorwaarde niet in, zodat het hof daarop niet hoeft te beslissen. Ten aanzien van de overige verzoeken beslist het hof als volgt.
De raadsman heeft verzocht om de dossiers in de zaken Tandem I en II te voegen in het geval het hof de PGP-communicatie die betrekking heeft op de voorgenomen liquidatie op [naam 7] voor het bewijs gebruikt. Volgens de raadsman blijkt uit die dossiers van de onschuld van de verdachte, nu zijn naam niet in die dossiers voorkomt. Ook heeft de verdediging verzocht om de dossiers Cissus en Marengo te voegen als het hof vast stelt dat [naam 39] een beoogd doelwit van de criminele organisatie was.
Het hof wijst de verzoeken af wegens een gebrek aan noodzaak daartoe. De raadsman is inzage verleend in het dossier Marengo en heeft de gelegenheid gehad te verzoeken tot voeging van relevante stukken. Van dat laatste heeft de raadsman geen gebruik gemaakt. Het hof betrekt daarbij ook dat de raadsman stelt dat de naam van de verdachte niet in het dossier voorkomt, zodat zonder verdere toelichting onduidelijk is welke dossierstukken relevant zijn voor de beoordeling in deze zaak en wat de reden daarvoor is. Ten aanzien van de dossiers Tandem I en II geldt dat de raadsman al over deze dossiers beschikt. In het geval daarin relevante informatie voor de zaak Orinus in staat, had de raadsman kunnen verzoeken tot voeging van de relevante stukken. Nu de raadsman heeft aangegeven dat de naam van de verdachte ook in die dossiers niet voorkomt, is zonder verdere toelichting ook onduidelijk welke stukken uit dat dossier relevant zijn voor de beoordeling in deze zaak en wat de reden daarvoor is. Het verzoek tot het voegen van het dossier Cissus is niet anders onderbouwd dan dat dit dossier betrekking heeft op een ontvoering van [naam 39] . Bij die stand van zaken, mede gelet op de verklaring van [naam 39] dat hij geen problemen heeft met de verdachte, acht het hof de voeging van dit dossier ook niet noodzakelijk.
Belastende getuigen
Voor de verdediging moet er een behoorlijke en effectieve mogelijkheid hebben bestaan om belastende
getuigen te ondervragen. Dit is een belangrijk algemeen uitgangspunt dat op artikel 6 EVRM is
gebaseerd. Heeft de verdediging die mogelijkheid ten aanzien van een getuige niet gehad, dan zal de
rechter als hij de verklaring van die getuige voor het bewijs wil gebruiken, moeten beoordelen of
daarmee het proces als geheel nog wel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn:
- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;
- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en
- het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die
compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de
verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring
van de getuige.
De rechter moet deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordelen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – voordat de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt – des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
De verdediging is niet in de gelegenheid gesteld om de verbalisanten A-3818 en A-3819 als getuigen te horen. Een goede reden om deze getuigen niet te horen, ontbreekt. Ook ontbreken compenserende factoren. De betekenis van het proces-verbaal van de verbalisanten voor het bewijs is echter gering, en houdt geen verband met de reden voor de verdediging om deze verbalisanten te willen horen. Daarbij komt dat het proces-verbaal, voor zover het voor het bewijs is gebruikt, wordt ondersteund door ander bewijs, zoals hiervoor al is uitgelegd. Dit betekent dat artikel 6 EVRM niet is geschonden doordat de verdediging deze getuigen niet heeft kunnen ondervragen.
7. Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaren voor het leiding geven aan een criminele organisatie met de oogmerken gewoontewitwassen en moord (feit 1) en voor het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2).
Eis van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de dagen dat verdachte in voorarrest en uitleveringsdetentie heeft gezeten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft onder meer verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de zware omstandigheden waarin de verdachte in uitleveringsdetentie heeft gezeten in Chili en die waarin hij vervolgens zijn voorarrest heeft doorgebracht in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) en later op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT). Daarbij is erop gewezen dat de lange duur van dit strafproces de reden is dat de verdachte eerst geruime tijd in de EBI en daarna tot heden op de AIT heeft doorgebracht. Ook heeft de verdediging het hof gevraagd om strafverlagend mee te wegen dat de Tweede Kamer, nog voordat het hof uitspraak heeft gedaan, de regering heeft gevraagd bij het Openbaar Ministerie onder de aandacht te brengen dat een voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte niet gepast is. Tot slot heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als bij de behandeling in hoger beroep.
Oordeel van het hof
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft leiding gegeven aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugshandel. Ook had deze organisatie als oogmerk het plegen van gewoontewitwassen en moord.
Door de organisatie werden grote hoeveelheden cocaïne ingevoerd vanuit Zuid-Amerika en vervolgens verhandeld.
De verspreiding van en handel in cocaïne en het uiteindelijk gebruik ervan, veroorzaken een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, onrust in de samenleving en leiden veelal tot diverse vormen van (eveneens zware) criminaliteit. Dat is in deze zaak ook terug te zien. Door de organisatie werden grote geldbedragen witgewassen. Inbeslaggenomen kasboeken laten zien dat er in een periode van zo’n 40 weken een bedrag van € 10.132.703,00 werd uitgegeven.
Dankzij afschermconstructies was de verdachte in staat om gedurende een lange periode een luxe leven te leiden met geld dat van misdrijf afkomstig is. Daardoor kon hij over woningen, luxe goederen en exclusieve voertuigen beschikken en heeft hij grote geldbedragen contant voorhanden gehad.
Witwassen op deze enorme schaal vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen faciliteert bovendien ander strafbaar handelen. De verdachte heeft kennelijk enkel oog gehad voor eigen financieel voordeel en heeft zich niet bekommerd om de schade die zijn handelen anderen en de samenleving in het algemeen kon toebrengen.
Verder is duidelijk geworden dat de criminele organisatie gericht was op het plegen van moorden. Uit PGP-communicatie blijkt dat in huiveringwekkende berichten wordt besproken wie beoogde doelwitten waren en hoe die personen het beste uitgeschakeld konden worden. Deze gesprekken hebben betrekking op daadwerkelijke gebeurtenissen. Het is ontluisterend dat de verdachte met zijn organisatie op deze manier over leven en dood denkt te kunnen beschikken. Het achterliggend motief lijkt in alle gevallen geld of wraak. Kennelijk is dit voor de verdachte meer waard dan een mensenleven.
Met een moord wordt het leven van een ander afgenomen. Het veroorzaakt groot leed voor nabestaanden en zorgt daarnaast voor veel onrust in de samenleving.
De verdachte wordt veroordeeld voor meerdere misdrijven. De straf die maximaal kan worden opgelegd voor meerdere misdrijven wordt met name bepaald door de hoogste straf die kan worden opgelegd voor één van die misdrijven. Die hoogste straf wordt dan – in dit geval – verhoogd met een derde. Dit volgt uit artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.
In de loop van de tijd zijn de straffen die kunnen worden opgelegd voor de in deze zaak bewezen verklaarde feiten, hoger geworden. Bij een verandering van het strafmaximum wordt de regeling toegepast die voor de verdachte het gunstigst is.
De maximaal op te leggen straf wordt in deze zaak met name bepaald door de maximumstraf voor het leiding geven aan een organisatie die drugshandel als oogmerk had. Op grond van artikel 11b van de Opiumwet – als dat wordt gelezen in samenhang met artikel 140 Sr en zoals deze artikelen golden toen de bewezen verklaarde feiten werden gepleegd – kan voor het leiding geven aan een organisatie die drugshandel als oogmerk heeft, een straf worden opgelegd van 10 jaren en 8 maanden. Omdat in deze zaak in elk geval ook een bewezenverklaring volgt voor feit 2 (het gewoontewitwassen), kan de straf met een derde worden verhoogd. Aan de verdachte kan in deze zaak dus een maximumstraf worden opgelegd van 14 jaren, 2 maanden en 20 dagen.
Omdat het hof de verdachte nu ook veroordeelt voor het leiding geven aan een organisatie die drugshandel als oogmerk heeft, is de maximaal op te leggen straf hoger dan de straf die de rechtbank kon opleggen. De rechtbank had de verdachte daar immers voor vrijgesproken.
Binnen deze criminele organisatie, waarin zeer ernstige misdrijven werden gepleegd, was de verdachte de drijvende kracht. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de rol van de verdachte daarbij acht het hof in beginsel alleen de maximaal op te leggen gevangenisstraf passend en geboden.
Het hof ziet gelet op de ernst van de gepleegde feiten en de rol van de verdachte geen aanleiding om in het voordeel van de verdachte rekening te houden met de detentieomstandigheden in Chili, in de EBI en op de AIT. Bijzondere omstandigheden die daarvoor aanleiding zouden kunnen zijn, zijn niet aannemelijk geworden.
Na het vonnis van de rechtbank is op 1 juli 2021 de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Die wet heeft tot gevolg dat de verdachte inmiddels veel later in aanmerking kan komen voor een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het hof ziet echter geen aanleiding om daarmee bij de strafoplegging rekening te houden. Ook onder de oude wettelijke regeling bestond er namelijk geen zekerheid dat voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden verleend. De veroordeelde kwam van rechtswege in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling maar of dit plaatsvond was afhankelijk van het gedrag van de veroordeelde. Ook zal het hof geen rekening houden met een aangenomen motie die inhoudt dat de regering wordt gevraagd bij het Openbaar Ministerie onder de aandacht te brengen dat een voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte niet gepast is. De beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt immers beheerst door wettelijke bepalingen. Wanneer het Openbaar Ministerie beslist dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling achterwege wordt gelaten of wordt uitgesteld, kan die beslissing worden voorgelegd aan de rechter.
Het hof moet echter vaststellen dat zowel in procedure bij de rechtbank als in hoger beroep de zogenoemde redelijke termijn is geschonden. De verdachte bevond zich in voorlopige hechtenis. In dat geval geldt normaal als uitgangspunt dat de strafzaak moet zijn afgerond met een vonnis of arrest binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is gestart, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak zijn dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig. Van belang is dat het gaat om een omvangrijk opsporingsonderzoek naar meerdere strafbare feiten die door een groot aantal personen zijn gepleegd in een langere periode. In de procedure bij de rechtbank heeft er nog veel onderzoek plaatsgevonden. De rechter-commissaris heeft op verzoek van de verdediging getuigen gehoord en tijdens het onderzoek ter terechtzitting hebben meerdere onderzoekshandelingen moeten plaatsvinden. Voor zowel de procedure bij de rechtbank als het hoger beroep geldt ook dat alle procesdeelnemers tijd nodig hebben gehad om kennis te nemen van de dossierstukken. Het hof is van oordeel dat onder al deze omstandigheden een termijn redelijk is van 30 maanden per gerechtelijke instantie.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is begonnen op 20 oktober 2017. Op die dag is de verdachte in Chili aangehouden om te worden uitgeleverd naar Nederland . De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Op 31 mei 2021 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de duur van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dan ook ruim een jaar bedraagt.
In hoger beroep is de termijn gaan lopen op 10 juni 2021, de dag waarop het Openbaar Ministerie en de verdachte hoger beroep hebben ingesteld. Vandaag doet het hof uitspraak. Het hof stelt vast dat de duur van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ruim twee jaren bedraagt.
Het hof zal vanwege de schending van de redelijke termijn in beide instanties in totaal twaalf maanden op de straf in mindering brengen.
Het hof zal, gelet op al het voorgaande, aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar opleggen. De tijd die de verdachte in voorarrest en in uitleveringsdetentie heeft gezeten, zal daarvan worden afgetrokken.
8. Beslagbeslissing
Onder de verdachte is een aantal goederen in beslag genomen. Het hof beslist dat de kledingstukken (op de beslaglijst onder de nummers 36 tot en met 48) worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Het hof overweegt dat de verdachte, blijkens zijn daartoe strekkende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep en met instemming van zijn advocaat, heeft verklaard geen teruggave te wensen van de overige inbeslaggenomen goederen. Het hof beschouwt deze verklaring als een verklaring inhoudende dat hij afstand doet van die voorwerpen. Het hof zal gelet hierop over die goederen geen beslissing nemen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, zover het aan het oordeel van het hof is onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart de dagvaarding nietig voor zover in de tenlastelegging onder feit 2 de woorden ‘(onder) andere’ zijn opgenomen.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest en uitleveringsdetentie is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
36. 22 STK Kleding (5264204)
37. 10 STK Trui (5264278)
38. 10 STK Trui (5264278)
39. 45 STK Kleding (5264283)
40. 1 STK Rugzak (5264285)
41. 130 STK Kleding (5264206)
42. 45 STK Jas (5264211)
43. 5 STK Tas (5264216)
44. 16 STK Kleding (5264249)
45. 44 STK Kleding (5264251)
46. 34 STK Kleding (5264265)
47. 5 STK Kleding (5264267)
48. 26 STK Kleding (5264274).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. R.P. den Otter en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2026.
BIJLAGE I - tenlastelegging
Feit 1
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2014 tot en
met 20 oktober 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Badhoevedorp en/of Oostzaan,
althans in Nederland , en/of Chili en/of Dubai (de Verenigde Arabische Emiraten) en/of
Duitsland en/of Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een
samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en/of (onder andere)
[betrokkene 2] en/of
[betrokkene 18] en/of
[betrokkene 4] en/of
[betrokkene 12] en/of
[betrokkene 3] en/of
[betrokkene 19] en/of
[betrokkene 29] en/of
[betrokkene 24] en/of
[betrokkene 5] en/of
[betrokkene 7] en/of
[getuige 1] en/of
een of meer (onbekende) andere(n),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer)
(gewoonte) witwassen en/of het bezit van een of meer (vuur)wapens van categorie II en/of III
en/of munitie van categorie II en/of III en/of moord,
zulks terwijl hij, verdachte, de leider van voormelde organisatie was;
en
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2014 tot en
met 20 oktober 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Badhoevedorp en/of Oostzaan,
althans in Nederland , en/of Chili en/of Dubai (de Verenigde Arabische Emiraten) en/of
Duitsland en/of Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een
samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en/of (onder andere)
[betrokkene 2] en/of
[betrokkene 18] en/of
[betrokkene 4] en/of
[betrokkene 12] en/of
[betrokkene 3] en/of
[betrokkene 19] en/of
[betrokkene 29] en/of
[betrokkene 24] en/of
[betrokkene 5] en/of
[betrokkene 7] en/of
[getuige 1] en/of
een of meer (onbekende) andere(n),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten een feit, bedoeld in het
vierde en/of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten:
- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van cocaïne, althans van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of
- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden, althans hoeveelheden, cocaïne, althans van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
zulks terwijl hij, verdachte, de leider van voormelde organisatie was;
Feit 2
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2014 tot en
met 20 oktober 2017, te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Badhoevedorp en/of Oostzaan,
althans in Nederland , en/of Chili en/of Dubai en/of Duitsland en/of Spanje,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan
(gewoonte)witwassen, althans witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) van (een) voorwerp(en), te weten (onder meer):
- een of meer voertuig(en) en/of
- een woning (Urbanisatie [adres 11] 19 te Marbella) en/of
- een of meer geldbedrag(en) (in totaal (ongeveer) 10.132.703,00 euro (kasboeken en
notities), in ieder geval een groot geldbedrag en/of
- een of meer geldbedrag(en) (in totaal) (ongeveer) 1.462.440 euro (aangetroffen in de
woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] te Amstelveen), in ieder geval
een groot geldbedrag en/of
- een of meer geldbedrag(en) (in totaal) ongeveer 46.190,65 euro (aangetroffen bij
verdachte tijdens zijn aanhouding in Chili), in ieder geval een groot geldbedrag en/of
- een of meer (andere) luxe goed(eren), te weten (onder) andere een of meer
(exclusieve) horloge(s) (van het merk Audemars Piquet en/of Rolex en/of Jaeger Lecoultre en/of Franck Muller en/of Cartier en/of Panerai),
de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing
heeft verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op
voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of voornoemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad
en/of
voornoemde voorwerp(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft
overgedragen en/of omgezet en/of voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden
dat dit/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.