ECLI:NL:GHAMS:2026:895

ECLI:NL:GHAMS:2026:895

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 200.349.056
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Tussentijdse beëindiging huurovereenkomst voor bepaalde tijd met betrekking tot printers; vordering tot betaling resterende termijnbetalingen op grond van de algemene voorwaarden; huurder betwist gehouden te zijn tot betaling met een beroep op de marktconformiteitclausule die tussen partijen is overeengekomen. Het hof oordeelt, net als de kantonrechter, dat de marktconformiteitsclausule niet aldus kan worden uitgelegd dat de overeenkomst tussentijds kosteloos mocht worden beëindigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.349.056/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10828231 \ CV EXPL 23-7859

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats 2] ,

3. [appellant 3] ,

gevestigd te [plaats 3] ,

appellanten,

advocaat: mr. R.A. Reijnen te Hoorn,

tegen

[geïntimeerde] .,

gevestigd te [plaats 4] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.J.H. van der Burgt te Veghel.

Appellanten sub 1, 2 en 3 worden hierna respectievelijk [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] genoemd en samen [appellanten] Geïntimeerde wordt hierna [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] bestond een huurovereenkomst voor bepaalde tijd met betrekking tot printers. [appellant 1] heeft de huurovereenkomst tussentijds beëindigd. De vordering van [geïntimeerde] in deze procedure stoelt op haar algemene voorwaarden waarin is bepaald dat de overeenkomst niet tussentijds kan worden opgezegd, tenzij het restant van de projectsom op het moment van de beëindiging wordt voldaan. [appellant 1] betwist gehouden te zijn tot betaling van het restant van de projectsom. Zij meent dat zij de overeenkomst kosteloos kon opzeggen vanwege de marktconformiteitclausule die tussen partijen is overeengekomen. In hoger beroep komen [appellanten] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de marktconformiteitsclausule niet aldus kan worden uitgelegd dat de overeenkomst door [appellant 1] tussentijds kosteloos mocht worden beëindigd. Het hof beoordeelt de zaak opnieuw en komt tot dezelfde conclusie als de rechtbank.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 5 november 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 augustus 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellanten] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord met producties.

Op 20 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, met inachtneming van de bezwaren van [appellanten] tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter. Die bezwaren komen verder bij de beoordeling aan de orde.

[geïntimeerde] is een dienstverlener die organisaties helpt met IT-oplossingen en het opzetten van een IT-infrastructuur.

[appellant 1] is een advocatenkantoor. Het kantoor wordt gedreven in de vorm van

een maatschap. De maatschap bestaat uit l7 maten. [appellant 2] en [appellant 3] zijn maten van de

maatschap.

[appellant 1] was vanaf 1 oktober 2003 klant bij [geïntimeerde] , althans haar rechtsvoorganger Dantuma. In de periode vanaf 2003 werden tussen Dantuma en [appellant 1] telkens huurovereenkomsten voor de verhuur van afdrukapparatuur gesloten voor bepaalde tijd. Toen [geïntimeerde] Dantuma overnam in 2015 liep er nog een huurovereenkomst voor de duur van 60 maanden. Op 20 september 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellant 1] een voorstel gedaan om nieuwe apparatuur te plaatsen en de looptijd van de bestaande overeenkomst met twaalf maanden te verlengen tot en met maart 2020. [appellant 1] heeft met dit voorstel ingestemd. Tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] is vervolgens op 19 december 2016 een mutatieovereenkomst gesloten waarin op verzoek van [appellant 1] een door haar opgestelde bepaling (door partijen aangeduid als een marktconformiteitsclausule) is opgenomen, die als volgt luidde:

“Partijen komen overeen dat [appellant 1] zich eind 2018/begin 2019 kan heroriënteren ten aanzien van een alternatieve leverancier van apparatuur. Indien [geïntimeerde] . niet in staat is om een marktconform alternatief aan te bieden voor de aanbieding die door een derde alternatieve leverancier aan [appellant 1] wordt gedaan, heeft [appellant 1] van der Kroef het recht om de overeenkomst op de oorspronkelijke einddatum op maart 2019 te beëindigen. Onder marktconform verstaan partijen apparatuur met een (nagenoeg) gelijke functionaliteit tegen een waarde die minder dan 5% afwijkt.

Indien [appellant 1] zich beroept op een aanbieding van een derde partij terzake van de beëindiging van het contract per maart 2019, dan is zij gehouden om deze bieding aan [geïntimeerde] . te openbaren. [geïntimeerde] . heeft het recht om, alles afwegende, aan de hand van de aanbieding van deze derde een aanbieding te doen die wel als marktconform heeft te gelden.”

In het najaar van 2018 heeft een heroriëntatie door [appellant 1] plaatsgevonden. Naast [geïntimeerde] heeft een derde partij, OSN, toen een voorstel uitgebracht. Het voorstel van OSN is door [appellant 1] aan [geïntimeerde] geopenbaard, waarna [geïntimeerde] op 18 december 2018 een aangepast voorstel heeft gedaan. Dit voorstel van [geïntimeerde] bevat een “kostenvergelijk” met het voorstel van OSN waarin een kostenpost “Restverplichting contract [geïntimeerde] (verrekend over 60 maanden) €1.671,62 per maand” wordt genoemd.

In het voorstel van [geïntimeerde] ontbrak een marktconformiteitsclausule. [appellant 1] heeft [geïntimeerde] verzocht de marktconformiteitsclausule toe te voegen.

Op 20 december 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellant 1] een voorstel toegezonden waaraan de volgende bepaling is toegevoegd:

Allonge bij mutatie overeenkomst [geïntimeerde] Nederland BV / [appellant 1] per december 2018.

Partijen komen overeen dat [appellant 1] zich eind 2022 kan heroriënteren ten aanzien van een alternatieve leverancier voor de apparatuur en software.

In deze uitvraag wordt een gelijkwaardig en marktconform vergelijk gemaakt met [geïntimeerde] Nederland. Dit heeft betrekking op hardware, software, services en resterende contractverplichtingen. Om te kunnen beoordelen of het voorstel van derden voldoet aan bovenstaande zal [appellant 1] het voorstel aan [geïntimeerde] Nederland openbaren. Marktconform houdt in deze in een waarde die minder dan 5% afwijkt bij een gelijkwaardige oplossing.

Indien [appellant 1] zich beroept op een aanbieding van een derde partij ter zake van de beëindiging van het contract met [geïntimeerde] per maart 2023, dan is zij gehouden om deze aanbieding aan [geïntimeerde] te openbaren. [geïntimeerde] Nederland heeft het recht om, alles afwegende, aan de hand van de aanbieding van deze derde partij een aanbieding te doen die wel als marktconform heeft te gelden.”

Het voorstel met deze bepaling is op 21 december 2018 door [appellant 1] voor akkoord ondertekend. De overeenkomst is in werking getreden op l5 april 2019 en liep voor 60 maanden tot en met l4 april 2024.

Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden (AV) van [geïntimeerde] van toepassing verklaard. In artikel 24.3 AV staat:

“Overeenkomsten voor bepaalde tijd, dat wil zeggen die naar aard voor bepaalde duur zijn aangegaan en die Overeenkomsten waarvoor een projectplanning is afgegeven, kunnen niet door Klant tussentijds worden opgezegd, tenzij het restant van de projectsom op het moment van beëindiging van deze Overeenkomst wordt voldaan.”

Op 23 apri1 2021 hebben partijen een aanvullende overeenkomst gesloten met betrekking tot vervangende software-oplossingen. De aanvullende overeenkomst is op 29 juni 2021 ingegaan voor 36 maanden en liep tot 28 juni 2024 (hierna samen met de overeenkomst van 21 december 2018: de overeenkomst).

Laatstelijk bedroeg het door [appellant 1] aan [geïntimeerde] in totaal verschuldigde bedrag

€ 6.075.45 ex btw per maand.

Eind 2022 heeft [appellant 1] een offerte opgevraagd bij [naam] , een concurrent van [geïntimeerde] . [appellant 1] heeft deze offerte voorgelegd aan [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft daarop [appellant 1] laten weten dat zij bereid is haar prijs aan te passen, en zij vermeldt in haar e-mail van 22 december 2022 dat er ook rekening gehouden moet worden met de resterende contractverplichtingen, die zij op dat moment becijfert op € 75.000.00.

Op 23 december 2022 heeft [appellant 1] onder meer gereageerd als volgt:

“Op grond van de overeenkomst zijn jullie in de gelegenheid om een marktconforme aanbieding uit te brengen. De aanbieding die jij nu hebt gedaan merken wij niet aan als marktconform nu dit uiteindelijk niet leidt tot een marktconforme prijs maar een aanzienlijk hogere. Het verdisconteren van de restverplichting is voor ons onacceptabel en niet in lijn met hetgeen we hebben afgesproken.

Wij overwegen dan ook om van de mogelijkheid gebruik te maken om de overeenkomst per einde maart 2023 te beëindigen. Voor de goede orde stellen we je in de gelegenheid om uiterlijk donderdag 29 december 2022 een laatste aanbod te doen.”

Per e-mail van 27 december 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant 1] laten weten dat er in het verleden altijd rekening is gehouden met resterende contractverplichtingen als er over nieuwe contracten tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] onderhandeld werd. Verder schrijft [geïntimeerde] in de e-mail dat de marktconformiteitsclausule in onderling overleg tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] is opgesteld en expliciet melding maakt van de restverplichtingen uit de lopende overeenkomst. Doordat de resterende contractverplichtingen niet zijn meegenomen in de offerte van [naam] , ontstaat er volgens [geïntimeerde] “doelbewust een escalatie in prijsafstemming”.

[geïntimeerde] heeft geen gewijzigd voorstel aan [appellant 1] gedaan.

Per brief van 30 december 2022 heeft [appellant 1] de overeenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen 31 maart 2023.

Op 20 januari 2023 heeft [geïntimeerde] de opzegging bevestigd en een afkoopvoorstel aan [appellant 1] gedaan van € 74.885,38 exclusief btw. Dit bedrag bestaat uit de nog resterende contractstermijnen van de overeenkomsten, vermeerderd met de retourkosten. [geïntimeerde] heeft [appellant 1] verzocht om voor 3 februari 2023 haar akkoord te geven op het voorstel.

Op 17 februari 2023 heeft [geïntimeerde] een afkoopfactuur aan [appellant 1] toegezonden ten bedrage van € 74.885,38 exclusief btw.

Op 31 maart 2023 heeft [appellant 1] [geïntimeerde] gevraagd de printers op te halen. [geïntimeerde] heeft daarop per e-mail van 13 april 2023 te kennen gegeven dit te zullen doen, maar dat dit [appellant 1] niet ontslaat van haar verplichting de afkoopsom te voldoen.

Partijen hebben nadien uitgebreid gecorrespondeerd over de verschuldigdheid van de afkoopsom.

4. Procedure bij de kantonrechter

Samengevat heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter [appellant 1] , uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis veroordeelt tot betaling van:

a. € 85.969,28 aan hoofdsom;

b. de contractuele rente van 18% per jaar, althans de wettelijke handelsrente, over de hoofdsom vanaf 30 dagen na de factuurdatum;

c. € 12.895,39 aan contractuele incassokosten, althans de wettelijke buitengerechtelijke incassokosten.

Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant 2] en [appellant 3] ieder worden veroordeeld tot betaling van één zeventiende deel van hetgeen [appellant 1] aan [geïntimeerde] moet betalen, met bepaling dat de gedaagden gezamenlijk nooit meer verschuldigd zijn uit hoofde van deze veroordeling dan de betaalverplichting van [appellant 1] .

Gedaagden hebben betwist tot betaling gehouden te zijn, daartoe in de kern betogende dat zij de overeenkomst op grond van de marktconformiteitsclausule kosteloos mochten beëindigen.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en in uitgangspunt dus niet kosteloos tussentijds kan worden opgezegd, hetgeen ook volgt uit artikel 24.3 AV. De marktconformiteitsclausule kan naar het oordeel van de kantonrechter niet zo worden uitgelegd dat zij [appellant 1] de mogelijkheid bood om de overeenkomst wel tussentijds kosteloos te beëindigen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

5. Vordering in hoger beroep

[appellanten] concluderen tot vernietiging van het bestreden vonnis en vorderen, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en rente.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof het bestreden vonnis bekrachtigen met, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beoordeling

De vordering van [geïntimeerde] is gestoeld op art. 24.3 AV waarin is bepaald dat de overeenkomst niet tussentijds kan worden opgezegd, tenzij het restant van de projectsom op het moment van de beëindiging wordt voldaan. [appellant 1] betwist gehouden te zijn tot betaling van het restant van de projectsom en betoogt dat zij de overeenkomst per eind maart 2023 kosteloos kon opzeggen op grond van de marktconformiteitsclausule. Volgens [geïntimeerde] is deze uitleg onjuist en geeft de marktconformiteitsclausule [appellant 1] niet het recht de overeenkomst kosteloos tussentijds te beëindigen. Het geschil spitst zich derhalve toe op de uitleg van de marktconformiteitsclausule.

De marktconformiteitsclausule moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Ingevolge deze maatstaf kan de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld, niet worden beantwoord op grond van een alleen maar zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst; veeleer komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De taalkundige betekenis van de bewoordingen van een contractsbepaling, gelezen in de context van de overeenkomst als geheel, is bij de uitleg uiteraard wel van belang. Onder omstandigheden kan daaraan een beslissende betekenis toekomen.

Tekst van de marktconformiteitsclausule

De tekst van de marktconformiteitsclausule (hiervoor in 3.7 geciteerd) maakt duidelijk dat [appellant 1] zich eind 2022 kan heroriënteren ten aanzien van een alternatieve leverancier, dat zij een in dat verband ontvangen voorstel van een derde aan [geïntimeerde] kan openbaren en dat [geïntimeerde] vervolgens het recht heeft om aan de hand daarvan een marktconforme aanbieding te doen.

In deze bepaling is niet beschreven dat [appellant 1] de overeenkomst met [geïntimeerde] (onder bepaalde omstandigheden) per maart 2023 kosteloos mag beëindigen. Dat de overeenkomst, die voor bepaalde tijd is aangegaan, tussentijds kan worden beëindigd, volgt wel uit art. 24 lid 3 AV waarin is bepaald dat in dat geval de resterende projectsom moet worden voldaan. In de marktconformiteitsclausule is niet nadrukkelijk van deze bepaling afgeweken.

[appellant 1] heeft in hoger beroep niet zozeer betoogd dat uit de tekst van de marktconformiteitsclausule een kosteloze opzeggingsbevoegdheid blijkt, maar voert in feite aan dat deze clausule de bedoeling van partijen niet volledig weergeeft. Hoewel het niet is opgeschreven, was het volgens [appellant 1] wel de bedoeling van partijen dat zij het recht zou krijgen om de overeenkomst tussentijds kosteloos te beëindigen als [geïntimeerde] geen marktconform voorstel zou doen. Haar standpunt is dat niet over de tekst van de marktconformiteitsclausule is onderhandeld. De bedoeling van partijen blijkt uit de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, uit het gedrag van [geïntimeerde] daarna en verder daaruit dat de clausule zinledig is als zij geen kosteloze beëindigingsmogelijkheid omvat, aldus [appellant 1] .

Het hoger beroep slaagt niet. Ook het hof ziet in de door [appellant 1] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor een van de tekst van de marktconformiteitsclausule afwijkende uitleg. Het hof licht dat als volgt toe.

Voorgeschiedenis / totstandkoming van de marktconformiteitsclausule

Met de grieven I en II klagen [appellanten] erover dat de kantonrechter bij de beoordeling niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en ten onrechte is uitgegaan van een (zuiver) taalkundige uitleg die [appellanten] bovendien onjuist achten. De kantonrechter had moeten onderkennen dat de marktconformiteitsclausule als beëindigingsclausule was bedoeld en had bij de uitleg daarvan acht moeten slaan op de wijze waarop de huurovereenkomsten tot stand zijn gekomen en wat daaraan telkens vooraf ging. [appellanten] noemen in dit verband specifiek dat de printers aan het einde van de looptijd van eerdere huurovereenkomsten niet naar behoren werkten en dat dit voor [appellant 1] nadelige gevolgen had. Zij hebben toegelicht dat eerdere ervaringen met verminderde werking van de printers tegen het einde van de looptijd voor [appellant 1] aanleiding waren om in 2016 een beëindigingsclausule op te nemen in de allonge waarmee de toen lopende overeenkomst werd verlengd. Deze clausule werd door [appellant 1] opgesteld en gaf haar de mogelijkheid om de verlengde overeenkomst kosteloos te beëindigen op de oorspronkelijke einddatum daarvan, in maart 2019, indien [geïntimeerde] dan geen marktconform voorstel zou kunnen stellen tegenover een door [appellant 1] te verkrijgen voorstel van een derde. Deze achtergrond speelt volgens [appellanten] een rol bij de uitleg die moet worden gegeven aan de tekst van de marktconformiteitsclausule in de in 2018 gesloten nieuwe overeenkomst. Volgens [appellanten] was de situatie in 2018 hetzelfde als die in 2016. Ook toen wilde [appellant 1] , vanwege haar ervaring met verminderde werking van de printers tegen het einde van de looptijd, deze beëindigingsclausule laten opnemen in de overeenkomst, aldus steeds [appellanten]

Het betoog van [appellanten] komt erop neer dat bij het overleg in 2018 over de nieuwe overeenkomst aan [geïntimeerde] is verzocht om daarin een clausule op te nemen zoals in de allonge die in 2016 was overeengekomen, met alleen nieuwe data, en dat deze clausule [appellant 1] de mogelijkheid bood om de overeenkomst kosteloos tussentijds te beëindigen. Hierover oordeelt het hof als volgt.

Wanneer en hoe het verzoek in 2018 is gedaan, is niet voldoende opgehelderd door [appellanten] , ook niet op vragen van het hof ter zitting. Wel staat vast dat het voorstel van [geïntimeerde] van 17 december 2018 geen marktconformiteitsclausule bevatte. In het overleg van 18 december 2018 heeft [appellant 1] hierop gewezen en heeft zij [geïntimeerde] verzocht om aanpassing van het voorstel. Ter zitting heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij daarop heeft geantwoord dat zij niet eenzelfde clausule als in 2016 wilde toevoegen, maar dat zij zou nadenken over een alternatief. [appellanten] hebben dit bestreden en voeren aan dat [geïntimeerde] op 18 december 2018 heeft toegezegd dezelfde clausule als in 2016 te zullen toevoegen aan het voorstel. Dit betoog van [appellanten] vindt echter geen steun in de gang van zaken zoals die blijkt uit de in het geding gebrachte correspondentie. Bij e-mailbericht van 20 december 2018 heeft [appellant 1] bij [geïntimeerde] navraag gedaan naar de clausule met de tekst: “Is er al iets bekend over de clausule?” Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 20 december 2018 een aangepast voorstel toegezonden aan [appellant 1] waarin de hiervoor (onder 3.7) geciteerde clausule is toegevoegd. De tekst daarvan wijkt duidelijk af van de clausule uit 2016. In de begeleidende e-mail schreef [geïntimeerde] : “Hierbij stuur ik jullie het aangepaste voorstel toe. Op pagina 11 vinden jullie de allonge. Ik ga ervan uit dat deze allonge jullie voldoende vertrouwen geeft voor de toekomst. Dennis en ik zien graag het akkoord tegemoet zodat we onze prettige samenwerking voort kunnen zetten.” Vervolgens heeft [appellant 1] het aldus aangevulde voorstel op 21 december 2018 getekend.

Anders dan [appellanten] betogen, kan uit deze voorgeschiedenis, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen of beoogden dat dezelfde clausule als in 2016 zou worden toegevoegd en ook niet dat [appellant 1] de overeenkomst per maart 2023 kosteloos kon beëindigen. Voor de vraag of partijen bedoelden dit overeen te komen, gaat het er niet alleen om wat [appellant 1] heeft verzocht, maar ook of uit verklaringen of gedragingen kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd. Dat laatste is niet gebleken. Integendeel, uit het gegeven dat [geïntimeerde] in haar eerste voorstel geen marktconformiteitsclausule opnam, blijkt dat zij aanvankelijk in het geheel geen marktconformiteitsclausule wilde overeenkomen. Na het verzoek van [appellant 1] om dat toch te doen, heeft [geïntimeerde] vervolgens een aangepaste clausule opgenomen. Daaruit blijkt dat [geïntimeerde] niet bereid was om in 2018 dezelfde marktconformiteitsclausule op te nemen in de overeenkomst als in 2016. In de markconformiteitsclausule is niet opgenomen dat de overeenkomst in afwijking van artikel 24.3 AV kosteloos tussentijds kon worden beëindigd en dat volgt evenmin uit andere verklaringen of gedragingen.

Daar komt bij dat [appellanten] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt waarom [geïntimeerde] , uit het verzoek dat [appellant 1] betoogt te hebben gedaan om in 2018 dezelfde clausule aan de overeenkomst toe te voegen als in 2016, moet hebben begrepen dat [appellant 1] de overeenkomst per maart 2023 kosteloos wilde kunnen beëindigen. Van onvoldoende gewicht is dat in het voorstel van 2018 was vermeld dat bij ingang van de nieuwe overeenkomst de oude overeenkomst (kosteloos) zou komen te vervallen. Deze clausule stond van meet af aan in het voorstel van 2018, ook toen de marktconformiteitsclausule daaraan nog niet was toegevoegd, en noopt reeds daarom niet tot de conclusie dat in afwijking van artikel 24.3 AV kosteloos tussentijds kon worden beëindigd.

[appellanten] menen dat het recht op kosteloze beëindiging volgt uit de (tekst van de) marktconformiteitsclausule uit 2016. De marktconformiteitsclausule uit 2016 gaf [appellant 1] weliswaar het recht om de overeenkomst uit 2013 op de oorspronkelijke einddatum te beëindigen, maar uit de tekst volgt niet dat die clausule haar het recht gaf om die overeenkomst kosteloos te beëindigen. Evenmin is gebleken dat partijen een dergelijk recht wel hebben bedoeld overeen te komen. Ook bij de beëindiging van deze overeenkomst werd immers een “Restverplichting contract [geïntimeerde] ” verrekend, zo volgt uit het voorstel dat [geïntimeerde] op 17 december 2018 aan [appellant 1] heeft gedaan (zie 3.5 hiervoor). [appellant 1] heeft destijds niet (kenbaar) bezwaar gemaakt tegen deze vermelding in het voorstel van 2018.

Maar ook als de marktconformiteitsclausule uit 2016 [appellant 1] wél het recht op kosteloze beëindiging gaf, baat dat haar niet. De situatie in 2016 was nu eenmaal anders dan in 2018. In 2016 was de looptijd van de oorspronkelijke overeenkomst met een jaar verlengd tot en met maart 2020, maar was [appellant 1] het recht gegeven om de overeenkomst op de oorspronkelijke einddatum van maart 2019 te beëindigen. Zodanige verlenging speelde in 2018 niet.

De conclusie moet dan ook zijn dat uit het betoog van [appellanten] niet blijkt dat [appellant 1] in haar verklaringen of gedragingen jegens [geïntimeerde] voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij met de marktconformiteitsclausule het recht wenste te bedingen om de overeenkomst, in afwijking van artikel 24.3 AV, voortijdig kosteloos te kunnen beëindigen. Evenmin is gebleken dat [geïntimeerde] aan [appellant 1] een dergelijk recht wenste toe te kennen.

Het betoog in grief II en de beide grieven III, dat [geïntimeerde] [appellant 1] op het verkeerde been heeft gezet door toezending van een clausule die afweek van de tekst uit 2016 zonder op de aanpassingen daarin te wijzen, kan mede in het licht van het voorgaande niet ertoe leiden dat het restant van de projectsom niet verschuldigd is. Hierbij heeft het hof ook in ogenschouw genomen dat de omstandigheid dat de situatie in 2018 afweek van die in 2016 meebrengt dat de tekst uit 2016 per definitie niet één op één kon worden overgenomen in het voorstel van [geïntimeerde] . [appellant 1] moest dus bedacht zijn op aanpassingen. De clausule was bovendien de enige wijziging in het voorstel van 2018 en [geïntimeerde] heeft daar in haar e-mail van 20 december 2018 nadrukkelijk naar verwezen (zie 6.8 hiervoor). Dat [geïntimeerde] met het begeleidende e-mailbericht de indruk zou hebben gewekt dat de marktconformiteitsclausule uit 2016 ongewijzigd was overgenomen en dat [appellant 1] door dit bericht zou zijn misleid, volgt het hof ook niet. De begeleidende e-mail van [geïntimeerde] duidt er veeleer op dat de tekst van de clausule was aangepast. Het lag derhalve (des te meer) op de weg van [appellant 1] om de tekst van de clausule zorgvuldig door te nemen. Door ondertekening van het voorstel, inclusief de daaraan door [geïntimeerde] toegevoegde clausule, heeft [appellant 1] tot uitdrukking gebracht in te stemmen met de (gewijzigde) tekst van die clausule.

Dat het voor [appellant 1] niet duidelijk was dat een marktconform voorstel van [geïntimeerde] mede de resterende contractverplichtingen zou omvatten, volgt het hof ook niet. In de marktconformiteitsclausule is bepaald dat de uitvraag betrekking zal hebben op hardware, software, services en resterende contractverplichtingen. Uit de woorden “resterende contractverplichtingen” en de context waarin deze woorden worden gebruikt, volgt duidelijk en begrijpelijk dat het gaat om de nog niet gefactureerde termijnen voor de resterende duur van de overeenkomst. Redelijkerwijs kan geen twijfel over de betekenis van deze woorden bestaan. Anders dan [appellanten] aanvoeren maakt de laatste zin van de marktconformiteitsclausule dat niet anders. Het voorgaande geldt in het bijzonder ook omdat in het voorstel van [geïntimeerde] uit 2018 een kostenvergelijking is opgenomen met de offerte van een derde partij (OSN) waarin [geïntimeerde] de post “Restverplichting contract [geïntimeerde] ” heeft opgenomen. Hieruit blijkt op welke wijze de resttermijnen in de vergelijking zouden worden betrokken. [appellant 1] moet geacht worden dit in het door haar voor akkoord getekende voorstel te hebben gelezen. Dat zij de post “Restverplichting contract [geïntimeerde] ” destijds in het voorstel uit 2018 heeft zien staan, is bovendien ter zitting van het hof bevestigd. Het standpunt van [appellant 1] dat pas ter gelegenheid van de beëindiging in december 2022 door [geïntimeerde] is gecommuniceerd dat altijd al een restwaarde in rekening werd gebracht bij tussentijdse beëindiging, kan het hof gelet op het voorgaande niet volgen. Deze betalingsverplichting mocht bovendien bekend worden verondersteld, omdat deze in artikel 24.3 AV stond.

Handelen van [geïntimeerde] na contractsluiting

Ook het betoog van [appellanten] , dat uit het handelen van [geïntimeerde] na contractsluiting blijkt dat partijen hebben beoogd een kosteloze tussentijdse beëindigingsmogelijkheid overeen te komen, kan tegen de achtergrond van het voorgaande niet worden gevolgd. Concreet noemen [appellanten] nog dat [geïntimeerde] voorafgaand aan de opzegging niet afzonderlijk heeft gewezen op de verplichting tot betaling van de resterende termijnen en pas enkele weken na de opzegging aanspraak heeft gemaakt op de restbetaling. Uit niets blijkt echter dat [geïntimeerde] de betalingsverplichting niet heeft genoemd op de grond dat zij op dat moment meende bij een tussentijdse beëindiging geen aanspraak te kunnen maken op de resttermijnen. Bovendien mist dit betoog feitelijke grondslag omdat [geïntimeerde] de restverplichtingen al wel vóór de beëindiging heeft genoemd, zie 3.12 tot en met 3.14 hiervoor.

Marktconformiteitsclausule is niet zinledig

[appellanten] hebben verder in de grieven II en IV, in onderling verband en samenhang beschouwd, nog aangevoerd dat in de marktconformiteitsclausule een kosteloze opzeggingsbevoegdheid moet worden gelezen, omdat de bepaling anders zinledig zou zijn. Ook dit betoog faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Op grond van artikel 24.3 AV kon de overeenkomst onder voorwaarden tussentijds worden opgezegd. De marktconformiteitsclausule gaf [appellant 1] de mogelijkheid om zich eind 2022 opnieuw op de markt te oriënteren en [geïntimeerde] tussentijds een marktconform voorstel te vragen. Op basis daarvan zou [appellant 1] voor het einde van de looptijd van de overeenkomst een nieuwe overeenkomst kunnen aangaan, waarbij nieuwe printers konden worden verkregen tegen marktconforme kosten, onder betaling van het restant van de projectsom. Indien de nieuwe overeenkomst met [geïntimeerde] werd aangegaan, en dus de relatie net als in 2018 werd gecontinueerd, konden de resterende termijnen van het lopende contract dan worden verdisconteerd in het nieuwe contract en dus over een langere periode worden uitgesmeerd. Voor [appellant 1] kon dit (mede) afhankelijk van de prijsontwikkeling leiden tot een verlaging van de maandlasten in combinatie met het voordeel eerder nieuwe printers in gebruik te kunnen nemen.

Grief V vervallen

Grief V is gericht tegen de hoogte van het in eerste aanleg toegewezen bedrag. Ter zitting hebben appellanten verklaard akkoord te gaan met de berekening zoals uiteengezet in de memorie van antwoord. Grief V behoeft daarom geen bespreking.

Overige

Hetgeen [appellanten] verder in hun grieven naar voren hebben gebracht, behoeft geen behandeling omdat het niet tot een andere uitkomst van de zaak kan leiden.

[appellanten] mochten niet gerechtvaardigd vertrouwen op het niet verschuldigd zijn van het restant van de projectsom, zoals volgt uit de overwegingen in dit arrest. Reeds daarom kan in het midden blijven of [appellanten] ter zitting in hoger beroep nog een daarop gericht nieuw betoog naar voren konden brengen. Overigens hebben [appellanten] in hoger beroep ook geen grief gericht tegen de verwerping door de kantonrechter van hun beroep op artikel 6:248 lid 2 BW (en artikel 6:101 BW).

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

De slotsom is dat de grieven niet slagen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Uit hetgeen in dit arrest is overwogen, volgt dat aan (tegen)bewijslevering niet wordt toegekomen.

[appellant 1] is in hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:

- griffierecht € 2.175

- salaris advocaat € 4.704 (tarief IV × 2 punten)

Totaal € 6.879

7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant 1] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 6.879;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, M.M. Korsten-Krijnen en M. Mieras en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?