GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.330.940/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/717541 HA ZA 22-399
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] (Servië),
appellante,
advocaat: mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
laatstelijk gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen,
en
[geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 3] (Oostenrijk),
gevoegde partij,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1. De zaak in het kort
Op vordering van [appellant] heeft een Servische rechtbank twee kredietovereenkomsten tussen leningnemer [appellant] en leninggever [geïntimeerde 1] nietig verklaard. [appellant] heeft gevorderd dat het desbetreffende vonnis wordt erkend, althans dat de twee kredietovereenkomsten nietig worden verklaard, en dat [geïntimeerde 1] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de rente die [appellant] onder de kredietovereenkomsten aan [geïntimeerde 1] heeft betaald.
In eerste aanleg is [geïntimeerde 1] niet verschenen. Raiffeisen heeft zich aan haar zijde gevoegd en verweer tegen de vordering van [appellant] gevoerd.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft tegen dat vonnis geappelleerd en daarbij uitsluitend [geïntimeerde 1] in hoger beroep betrokken, die opnieuw niet is verschenen.
2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 19 maart 2024. Bij dat tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde 2] toegestaan om zich in de onderhavige procedure te voegen aan de zijde van [geïntimeerde 1] . Het hof blijft bij hetgeen het in dat tussenarrest heeft overwogen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- exploot van betekening van het tussenarrest aan de vereffenaar van [geïntimeerde 1] ;
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, met producties.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Bij die gelegenheid hebben [appellant] en [geïntimeerde 2] hun standpunten doen toelichten door hun advocaten, [geïntimeerde 2] mede door mr. S.A. Hofstra, advocaat te Amsterdam. De advocaten hebben zich bediend van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] haar eerste grief ingetrokken.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] is een Servische onderneming.
[geïntimeerde 1] was een financiële instelling die vooral actief was in Oost Europa. Zij is op 15 april 2016 ontbonden. Alle aandelen in [geïntimeerde 1] zijn tot haar ontbinding gehouden door de Oostenrijkse bank [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 1] is vanaf haar oprichting tot haar ontbinding bestuurd door onder meer [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] is een [plaats 2] trustkantoor dat managementdiensten verleent aan ondernemingen.
[appellant] en [geïntimeerde 1] hebben in 2008 twee kredietovereenkomsten gesloten, op grond waarvan aan [appellant] een lening is verstrekt van in totaal € 500.000,00, tegen een variabele rente ter hoogte van de toepasselijke 6-maands euribor, met een opslag van 2,55%, per jaar. De overeenkomsten verlenen aan [geïntimeerde 1] een voorwaardelijke bevoegdheid om de rente te wijzigen, in welk geval [appellant] bevoegd zal zijn om de leningen af te lossen. In artikel 20 van de overeenkomsten staat:
“Any disputes arising under or in connection with this Agreement shall non-exclusively be settled by the Commercial Court in Belgrade (unless otherwise prescribed by law).”
Verder bepaalt artikel 20 dat op de overeenkomsten Servisch recht van toepassing is.
Op 13 maart 2009 zijn [appellant] en [geïntimeerde 1] door middel van annexen bij de kredietovereenkomsten nader overeengekomen dat de renteopslag met ingang van 1 mei 2009 wordt verhoogd naar 5,45% per jaar.
In november 2014 zijn de leningen van [geïntimeerde 1] overgegaan naar [naam] (hierna: [naam] ). Daarover is tussen [naam] en [appellant] een overeenkomst getekend waarbij de renteopslag is verhoogd van 5,45% naar 7% per jaar.
[appellant] heeft de leenschuld volledig ingelost.
In 2015 heeft [appellant] voor de handelsrechtbank te Belgrado een civiele procedure aanhangig gemaakt tegen [bedrijf 2] . en tegen [naam] , waarin ze primair heeft gevorderd dat wordt vastgesteld dat de beide leningsovereenkomsten, evenals de annexen 1-3 bij de eerste leningsovereenkomst en annex 1 bij de tweede leningsovereenkomst, absoluut nietig zijn.
Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de handelsrechtbank te Belgrado [appellant] geïnstrueerd over de oproeping van [bedrijf 2] . en [naam] en de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen. Op 25 november 2015 zijn de dagvaarding van [appellant] , gericht aan [bedrijf 2] ., en de beschikking van de handelsrechtbank te Belgrado betekend op het kantoor van [bedrijf 1] .
[bedrijf 1] heeft op 20 januari 2016 aan de handelsrechtbank Belgrado bericht dat de vennootschap [bedrijf 2] . niet geregistreerd is in de Kamer van Koophandel in Nederland en een niet-bestaande vennootschap lijkt te zijn. [bedrijf 2] . is in de procedure voor de handelsrechtbank Belgrado niet verschenen. [naam] is wel verschenen en heeft zich tegen de vorderingen van [appellant] verweerd.
Bij het besluit van [geïntimeerde 2] op 15 april 2016 om [geïntimeerde 1] te ontbinden, is decharge verleend aan [bedrijf 1] en zijn de overige bestuurders benoemd tot vereffenaars.
Bij vonnis van 22 april 2016 tussen [appellant] en [bedrijf 2] . heeft de handelsrechtbank te Belgrado de beide leningsovereenkomsten en bijbehorende annexen nietig verklaard. De vordering tegen [naam] is afgewezen op de grond dat laatstgenoemde geen partij was bij de leningsovereenkomsten.
In een advertentie in dagblad Trouw van 29 april 2016 is bekend gemaakt dat de vereffenaar van [geïntimeerde 1] de rekening en verantwoording heeft neergelegd bij het Handelsregister, alsmede ten kantore van de vennootschap in liquidatie, alwaar de stukken tot en met twee maanden na die publicatie voor een ieder ter inzage zullen liggen. Na het verstrijken van die termijn heeft de vereffenaar uit de resterende activa van [geïntimeerde 1] een bedrag van € 12.908.680,00 aan [geïntimeerde 2] betaald.
Het onder 3.11 bedoelde Servische vonnis van 22 april 2016 is op 7 november 2016 in kracht van gewijsde gegaan.
Bij brief van 18 augustus 2018 heeft [appellant] , onder verwijzing naar het vonnis van 22 april 2016, [geïntimeerde 2] en [bedrijf 1] verzocht een bedrag van € 209.156,84 aan haar te betalen. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven.
Bij beschikking van 4 november 2021 heeft de rechtbank Amsterdam toewijzend beslist op een verzoek van [appellant] tot heropening van de vereffening van het vermogen van [geïntimeerde 1] (artikel 2:23c lid 1 BW).
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft in eerste aanleg, na eisvermeerdering, gevorderd (kort gezegd) dat [geïntimeerde 1] wordt veroordeeld om aan [appellant] € 144.242,86 terug te betalen wegens van [appellant] ontvangen rente, op de grond dat de twee kredietovereenkomsten die partijen hebben gesloten nietig zijn. In dat kader stelde [appellant] dat het Servische vonnis van 22 april 2016, waarin haar beroep op nietigheid ten aanzien van [geïntimeerde 1] is gehonoreerd, in Nederland moet worden erkend, althans dat daaraan sterke bewijskracht moet worden toegekend.
[geïntimeerde 1] is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [appellant] . [geïntimeerde 2] heeft zich evenwel aan de zijde van [geïntimeerde 1] gevoegd en aangevoerd (kort gezegd) dat het Servische vonnis niet in Nederland kan worden erkend, dat het Servische vonnis geen bewijskracht heeft, dat het beroep op nietigheid van de kredietovereenkomsten niet kan worden gehonoreerd en dat de vordering van [appellant] is verjaard.
De rechtbank heeft beslist dat het Servische vonnis van 22 april 2016 niet kan worden erkend en vervolgens, inhoudelijk oordelend op de voet van artikel 431 lid 2 Rv, het beroep op nietigheid van de kredietovereenkomsten als onvoldoende gemotiveerd verworpen. De vordering van [appellant] is afgewezen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] heeft bij haar appeldagvaarding, onder vermindering van eis, gevorderd (kort gezegd) dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis zal vernietigen, het Servische vonnis van 22 april 2016 alsnog zal erkennen, voor recht zal verklaren dat de beide kredietovereenkomsten nietig zijn en dat [geïntimeerde 1] gehouden is tot vergoeding van alle bedragen en schade waarop [appellant] in verband met die nietigheid naar Servisch recht aanspraak kan maken, met verwijzing van partijen naar de schadestaatprocedure en met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in beide instanties.
In haar memorie van grieven heeft [appellant] zich neergelegd bij de beslissing van de rechtbank dat het Servische vonnis in Nederland niet kan worden erkend. Dat betekent dat haar vordering tot erkenning van het Servische vonnis om die reden al moet worden afgewezen.
De twee grieven van [appellant] behelzen (i) dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de beslissingen in het Servische vonnis van 22 april 2016 geen bewijskracht kan worden toegekend ter zake van de stelling van [appellant] dat de beide kredietovereenkomsten naar Servisch recht nietig zijn, en (ii) dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beide kredietovereenkomsten naar Servisch recht geheel nietig zijn.
Volgens [geïntimeerde 2] moet het hof het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten.
6. Beoordeling
Volgens de tekst van het forumkeuzebeding in artikel 20 van de kredietovereenkomsten is de Servische rechter mede bevoegd om kennis te nemen van geschillen over die overeenkomsten. Er staat immers dat de bevoegdheid van de Servische rechter non exclusively is. Omdat [geïntimeerde 1] was gevestigd in Amsterdam , zijn op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis in verbinding met artikel 99 Rv de rechtbank Amsterdam en dit hof bevoegd om van de vordering van [appellant] kennis te nemen.
Omdat de eerste grief tijdens de mondelinge behandeling is ingetrokken, beoordeelt het hof alleen de tweede grief van [appellant] , waarmee ze opkomt tegen de inhoudelijke beoordeling van haar vordering door de rechtbank op de voet van artikel 431 lid 2 Rv. Die beoordeling moet plaatsvinden naar Servisch recht, dat immers op de kredietovereenkomsten van toepassing is verklaard.
[appellant] stelt (kort gezegd) dat de beide kredietovereenkomsten althans – naar [appellant] tijdens de mondelinge behandeling nader heeft aangevoerd – de rentewijzigingsbedingen daarin, op grond van artikel 47 van het Servische Wetboek van Verbintenissenrecht nietig zijn omdat het onderwerp van de verplichting van [appellant] onmogelijk is, ontoelaatbaar is of niet is vastgesteld en ook niet vast te stellen is. Vanwege de rentewijzigingsbedingen in de kredietovereenkomsten zou de renteverplichting van [appellant] niet voldoende gedefinieerd zijn en evenmin definieerbaar zijn.
Het hof stelt voorop dat uit het Servische vonnis niet kan worden geconcludeerd dat de kredietovereenkomsten nietig zijn op de thans door [appellant] aangevoerde gronden. De vordering tegen [bedrijf 2] . is bij verstek als onweersproken toegewezen, met dien verstande dat uit de vertaling van het vonnis blijkt dat het gerecht wel heeft beoordeeld of [appellant] stellingen stroken met de inhoud van de door haar overgelegde bewijsmiddelen (de beide kredietovereenkomsten). Alleen de vordering tegen [naam] is inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen omdat zij volgens het gerecht, kort gezegd, niet zelf partij is bij de kredietovereenkomst.
[appellant] heeft haar stelling dat de kredietovereenkomsten nietig zijn, in hoger beroep onderbouwd met een verwijzing naar een uitspraak van de hoogste Servische civiele rechter van 12 december 2019, die heeft overwogen dat een rentewijzigingsbeding als in de kredietovereenkomsten tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] , niet toelaatbaar en nietig is omdat het resulteert in ongelijkheid tussen partijen en een voordeel voor de kredietverstrekker.
[geïntimeerde 2] heeft die nietigheid bestreden, onder overlegging van een opinie van een Servische advocaat. [geïntimeerde 2] voert onder meer aan dat de zaak die in de uitspraak van 12 december 2019 is beoordeeld, niet vergelijkbaar is met de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] .
De uitspraak van 12 december 2019 gaat over een consumentenkredietovereenkomst waarbij de kredietnemer een schuld in Zwitserse frank met een bank was aangegaan. Nadat de bank haar wijzigingsbevoegdheid had uitgeoefend, heeft zij een addendum bij de kredietovereenkomst opgesteld dat niet door de kredietnemer is ondertekend. De wijziging van de overeenkomst vergt volgens de uitspraak van 12 december 2019 echter de toestemming van beide partijen. De eenzijdige rentewijzigingsbevoegdheid van de bank wordt niet toelaatbaar gevonden omdat ze ongelijkheid tussen contractspartijen creëert en een voordeel voor de bank oplevert.
Hier staat tegenover dat de kredietovereenkomsten tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] geen consumentenkredietovereenkomsten zijn. Het zijn kredietovereenkomsten tegen een variabele rente tussen twee professionele partijen. Omdat rentewijzigingen van invloed kunnen zijn op de terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer en daarmee op het risico van de kredietverstrekker, is het niet ongebruikelijk dat kredietovereenkomsten – zoals de onderhavige – voorzien in een bevoegdheid van de kredietverstrekker om de opslag op de rente aan te passen. Daarbij komt dat [appellant] de opslag die [geïntimeerde 1] in 2009 heeft willen doorvoeren, heeft geaccordeerd, en dat ze bij de overgang van de lening naar [naam] in 2014 heeft ingestemd met het nieuwe opslagpercentage van 7%. Van belang is ook dat in de Servische uitspraak van 12 december 2019 – volgens de vertaling bij de Memorie van Grieven – is geoordeeld dat het wijzigingsbeding in combinatie met het valutabeding nietig is omdat het de kredietverstrekker ten koste van haar wederpartij een ongerechtvaardigd voordeel oplevert. Zonder nadere – maar ontbrekende – toelichting van [appellant] – die haar kredietschuld inclusief de verschuldigde rente contractconform heeft ingelost – valt niet in te zien dat ook hier daarvan sprake is, temeer nu het hier ging om Euro-valutaleningen en niet is gesteld of gebleken dat zich daar eenzelfde problematische wisselkoersstijging heeft voorgedaan als bij de Zwitserse Frank. Aantekening verdient tot slot, dat de gestelde nietigheid van artikel 4 lid 5 niet zonder meer grond biedt voor de stelling dat de kredietovereenkomsten zelf nietig zijn.
Bij gebrek aan overige gronden bieden de stellingen van [appellant] aldus onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de in geding zijnde kredietovereenkomsten met [geïntimeerde 1] naar Servisch recht nietig zijn. De grief faalt.
Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [appellant] überhaupt in haar vordering kan worden ontvangen, zoals tijdens de mondelinge behandeling door het hof is aangekaart. [appellant] heeft een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd, maar haar stelling dat de kredietovereenkomsten met [geïntimeerde 1] nietig zijn, lijkt slechts een vordering uit onverschuldigde betaling te kunnen rechtvaardigen – wat bevestiging vindt in de stelling van [appellant] dat zij op basis van de Servische uitspraak van 12 december 2019 aanspraak kan maken op het verschil tussen de aanvankelijk in de kredietovereenkomsten vastgelegde rentevoet en de later door [geïntimeerde 1] gewijzigde en toegepaste rentevoettarieven. Op zo’n vordering kan artikel 612 Rv echter niet worden toegepast (HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38). Dat roept dan bovendien weer de vraag op of de eisen van een behoorlijke procesvoering er niet aan in de weg staan dat zou worden volstaan met een enkele vaststelling van de nietigheid van de overeenkomsten (HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343; HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760).
De slotsom luidt dat de grief van [appellant] faalt en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] heeft in hoger beroep geen bewijs aangeboden. Het hof ziet geen aanleiding om haar ambtshalve toe te laten tot bewijslevering.
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, die van het voegingsincident daaronder begrepen. Het hof stelt die proceskosten als volgt vast:
- griffierecht € 783,00
- betekeningskosten € 125,00
- salaris advocaat € 8.884,00 (tarief II, 1 punt, tarief V, 2 punten)
Totaal € 9.792,00
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 9.792,00;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.