GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.060/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10971028 \ CV EXPL 24-637
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in de gemeente [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats 2] ,
en
[geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: voorheen mr. J.F. Kersten te Rijswijk, Zuid-Holland, op dit moment niet in rechte vertegenwoordigd.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] . genoemd. Geïntimeerden worden afzonderlijk [geïntimeerde 1] en de BV genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak draait om een schilder die werkzaamheden heeft verricht in de woning van zijn opdrachtgever. De opdrachtgever heeft slechts een deel van de afgesproken prijs betaald. De schilder heeft daarom betaling van het restant gevorderd. De opdrachtgever stelt zich op het standpunt dat hij de tussen partijen geldende overeenkomst terecht heeft ontbonden omdat de schilder het werk gebrekkig heeft uitgevoerd. De opdrachtgever heeft op die grond schadevergoeding gevorderd. Het hof oordeelt – net als de kantonrechter – dat de schilder niet in verzuim is gekomen, omdat aan hem geen redelijke termijn tot herstel van de gestelde gebreken is geboden. De schilder heeft dus recht op betaling van het restant van de aanneemsom en de opdrachtgever heeft geen recht op schadevergoeding.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 10 januari 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 oktober 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen de BV als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. Daarbij verdient opmerking dat de kantonrechter de aanduiding van de eisende partij heeft gerectificeerd, in die zin dat in de inleidende dagvaarding [geïntimeerde 1] h.o.d.n. [geïntimeerde 2] als eiser stond vermeld. [appellant] heeft een grief gericht tegen deze rectificatie door de kantonrechter en heeft daarom in hoger beroep zowel [geïntimeerde 1] als de BV gedagvaard.
Bij tussenarrest van 11 maart 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze heeft niet plaatsgevonden.
[appellant] heeft daarna een memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties, ingediend. Op 19 augustus 2025 heeft de advocaat van [geïntimeerden] . zich onttrokken. Er heeft zich geen nieuwe advocaat voor [geïntimeerden] . gesteld. [geïntimeerden] . hebben geen memorie van antwoord genomen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[geïntimeerde 1] heeft voorheen gehandeld onder de naam [geïntimeerde 2] (hierna: de eenmanszaak).
De eenmanszaak heeft op 15 mei 2023 twee offertes aan [appellant] gestuurd: één voor schilderwerken van € 4.868,44 inclusief btw en één voor stucwerk van € 3.204,08 inclusief btw. Deze offertes zijn door [appellant] via Whatsapp geaccepteerd.
De eenmanszaak is op 23 mei 2023 voortgezet door [geïntimeerde 2] (hierna: de BV). [geïntimeerde 1] was enig bestuurder van de BV.
Partijen zijn later overeengekomen dat het plafond niet gestuct hoefde te worden. Daardoor werd het oorspronkelijk geoffreerde bedrag voor stucwerk teruggebracht tot € 1.020,00. [appellant] heeft uiteindelijk € 2.100,00 aan de stukadoor betaald.
[appellant] en [geïntimeerde 1] hebben op 23 en 25 november 2023 via Whatsapp contact met elkaar gehad. Zij hebben toen gesproken over extra schilderwerkzaamheden, en de kosten die deze zouden meebrengen. In dit gesprek vraagt [appellant] aan [geïntimeerde 1] : “Waar komt de prijs dan op uit?” Het gesprek wordt afgesloten met een bericht van [geïntimeerde 1] aan [appellant] , waarin hij onder meer zegt: “Ja klopt 4100 en jij krijgt het voor 4000.”
In november en december 2023 heeft [geïntimeerde 1] schilderwerkzaamheden verricht aan de woning van [appellant] . Ook heeft [geïntimeerde 1] behangwerkzaamheden verricht in de woning van [appellant] .
Op verzoek van [appellant] heeft de BV op 30 november 2023 een factuur voor deze werkzaamheden van € 2.000,00 zonder btw gestuurd aan [bedrijf] is het bedrijf van [appellant] . Deze factuur is betaald.
De BV heeft op 8 januari 2024 een eindfactuur gestuurd aan [appellant] . In deze factuur is de eerdere betaling van € 2.000,00 aangemerkt als aanbetaling en op de kosten in mindering gebracht. De factuur bedraagt daarmee € 4.532,19 inclusief btw. Deze factuur is niet betaald.
4. Procedure bij de kantonrechter
[geïntimeerde 1] heeft bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling van € 5.278,41 voor verrichte schilderwerkzaamheden, inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten.
[appellant] heeft bij wijze van tegenvordering betaling gevorderd van in totaal € 6.446,89, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat hij de tussen partijen geldende overeenkomst van opdracht heeft ontbonden en dat [geïntimeerde 1] de door [appellant] geleden schade moet vergoeden, die hij heeft begroot op € 3.924,00. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] volgens [appellant] ten onrechte niet gewaarschuwd voor het meerwerk van de stukadoor en heeft hij het behang in een van de slaapkamers niet in motief gehangen. [appellant] heeft de herstelkosten voor het behang begroot op € 500,00. Verder heeft [appellant] € 250,00 aan schoonmaakkosten gevorderd, omdat [geïntimeerde 1] de woning heeft besmeurd met verf.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de vordering is ingediend door de eenmanszaak, maar dat deze niet meer bestond en was voortgezet door de BV. De kantonrechter heeft de partijaanduiding in de dagvaarding daarom gerectificeerd en is uitgegaan van de BV als eisende partij en contractspartij van [appellant] . Volgens de kantonrechter zijn partijen geen fatale oplevertermijn overeengekomen en had [appellant] aan de BV gelegenheid tot herstel moeten bieden. De BV is niet in verzuim gekomen, omdat [appellant] haar deze gelegenheid tot herstel niet heeft geboden. Dat betekent dat [appellant] niet bevoegd was om de overeenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft niet het hele door de BV gevorderde bedrag toegewezen, omdat zij heeft vastgesteld dat partijen een aanvullende afspraak hebben gemaakt die ertoe strekt dat [appellant] een totaalbedrag van € 4.000,00 aan de BV zou betalen (zie ook hierboven onder 3.5). [appellant] had al € 2.000,00 betaald, zodat de kantonrechter in conventie [appellant] heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan de BV, met rente. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. De kantonrechter heeft ook de door [appellant] ingestelde tegenvorderingen van vergoeding van schade, herstelkosten en schoonmaakkosten afgewezen omdat de BV niet in verzuim is gekomen. Een grondslag voor de tegenvordering van € 1.080,00 aan teveel betaald meerwerk van de stukadoor is in eerste aanleg niet gebleken, zodat de kantonrechter ook deze tegenvordering van [appellant] heeft afgewezen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – afwijzing van de vorderingen van de BV en toewijzing van de tegenvorderingen van [appellant] , met veroordeling van [geïntimeerden] . in de kosten van het geding in beide instanties, met rente. [appellant] heeft – voor zover nodig – bij eiswijziging de vorderingen ook tegen [geïntimeerde 1] in persoon ingesteld.
[geïntimeerden] . hebben in hoger beroep geen verweer gevoerd. Het hof neemt het door [geïntimeerde 1] /de BV in eerste aanleg gevoerde verweer in aanmerking.
6. Beoordeling
Het eerste punt dat partijen verdeeld houdt is de vraag of de kantonrechter terecht de BV als eisende partij en contractspartij heeft aangemerkt. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat de eenmanszaak op 15 mei 2023 offertes aan [appellant] heeft uitgebracht voor het uitvoeren van schilderwerkzaamheden. De eenmanszaak is vervolgens op 23 mei 2023 voortgezet door de BV. [geïntimeerde 1] heeft in november en december 2023 de geoffreerde werkzaamheden uitgevoerd. Op 30 november 2023 heeft de BV aan (het bedrijf van) [appellant] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 2.000,00, en die factuur is voldaan. Volgens de kantonrechter stond vast dat de eenmanszaak niet meer bestond en was voortgezet door de BV. De eisende partij in de dagvaarding was dus verkeerd aangeduid. De kantonrechter heeft dit gerectificeerd, omdat het voor [appellant] kenbaar was dat het een vergissing betrof, [appellant] door de vergissing en de rectificatie niet is benadeeld en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden.
Met grief 1 is [appellant] tegen dit oordeel opgekomen. Volgens hem heeft hij niet gecontracteerd met een bv in oprichting, heeft hij niet ingestemd met wijziging van zijn contractspartij en ondervindt hij nadeel van de rectificatie, omdat hij een toegewezen reconventionele vordering niet op de (inmiddels uitgeschreven) BV zal kunnen verhalen.
De grief slaagt niet. Weliswaar is de offerte door de eenmanszaak uitgebracht, maar gelet op de verdere gang van zaken is de conclusie gerechtvaardigd dat [appellant] ermee akkoord is gegaan dat de BV zijn wederpartij was bij de uitvoering van de geoffreerde schilderwerkzaamheden. Die werkzaamheden zijn immers gestart in november 2023, toen de eenmanszaak was opgeheven en [geïntimeerde 1] de werkzaamheden vanuit de BV factureerde. [appellant] heeft de aldus op 30 november 2023 gestuurde factuur betaald zonder daarover vragen te stellen. Verder is duidelijk dat [appellant] goed bekend was met het verschil tussen een bv en een eenmanszaak, gelet op zijn verzoek om de factuur op naam van zijn eigen bv te zetten om “de btw te verleggen”. Bij deze stand van zaken heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat het om een voor [appellant] kenbare vergissing ging. Ook het beroep van [appellant] op dwaling slaagt niet, omdat uit het voorgaande volgt dat hij er stilzwijgend mee akkoord is gegaan dat de BV zijn wederpartij werd. Ten slotte is het door [appellant] in hoger beroep aangevoerde nadeel afwezig, omdat zijn vordering in reconventie zal worden afgewezen, zoals hierna zal blijken.
De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing
Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er algemene voorwaarden op de tussen partijen geldende overeenkomst van toepassing zijn. Deze grief slaagt in zoverre, dat naar het oordeel van het hof niet is gebleken dat de algemene voorwaarden bij het aangaan van de overeenkomst van toepassing zijn verklaard dan wel dat [geïntimeerde 1] deze op de voorgeschreven manier (op het moment van het aangaan van de overeenkomst) ter hand heeft gesteld. In de door de eenmanszaak uitgebrachte offertes is geen melding gemaakt van toepasselijke algemene voorwaarden. Ook in de begeleidende e-mail ontbreekt deze melding. Deze vaststelling verandert aan de uitkomst van deze procedure echter niets, omdat de vorderingen van de BV niet (mede) gegrond zijn op de algemene voorwaarden.
[appellant] had aan de BV gelegenheid tot herstel moeten bieden
Grief 3 ziet op het oordeel van de kantonrechter dat de BV niet in verzuim is gekomen, omdat partijen geen fatale oplevertermijn zijn overeengekomen en [appellant] geen mogelijkheid tot herstel van de door hem gestelde gebreken heeft geboden.
Volgens [appellant] volgt uit de Whatsapp-correspondentie tussen partijen dat op vrijdag 8 december 2023 een oplevering heeft plaatsgevonden en dat op dat moment [geïntimeerde 1] op de gebreken is gewezen. Volgens [appellant] had de BV het daaropvolgende weekend om de gebreken te herstellen, en zou op maandag 11 december 2023 het herstelde werk worden opgeleverd. Verder betoogt [appellant] onder verwijzing naar jurisprudentie dat het werk dat de BV heeft verricht zodanig onkundig was dat de BV in verzuim is gekomen zonder dat een ingebrekestelling nodig was. [appellant] stelt dat hij met zijn e-mail van 23 december 2023 de overeenkomst met de BV heeft ontbonden en haar aansprakelijk heeft gesteld voor alle schade die hij heeft ondervonden door het gebrekkige werk.
Ook naar het oordeel van het hof is de BV niet in verzuim gekomen. [appellant] was daarom niet bevoegd om de overeenkomst te ontbinden en herstelkosten van de BV te vorderen. Dat oordeel berust op de volgende gronden.
Uit de overgelegde Whatsapp-correspondentie volgt dat [appellant] en [geïntimeerde 1] steeds in gesprek zijn geweest over de voortgang van het werk. Zo heeft [appellant] op (vrijdag) 8 december 2023 aan [geïntimeerde 1] gevraagd: “Kom je morgen schilderen?” Op (maandag) 11 december 2023 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] bericht: “Wij schilderen de trap af en dan zit alles in de verf.” Op 12 december 2023 liet [appellant] aan [geïntimeerde 1] weten dat het behang binnen was, waarop [geïntimeerde 1] diezelfde dag reageerde: “Mooi maken we t morgen af.” Op 13 december 2023 liet [geïntimeerde 1] aan [appellant] weten: “ik fix morgenochtend wel dat kozijn is dat klaar.” Uit deze correspondentie volgt niet dat partijen – zoals [appellant] heeft betoogd – een fatale oplevertermijn zijn overeengekomen. In dat geval had het immers voor de hand gelegen dat [appellant] expliciet richting [geïntimeerde 1] zou hebben benoemd dat een vooraf afgesproken termijn niet werd gehaald. De stelling dat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen past bovendien niet bij de manier waarop zij per Whatsapp met elkaar hebben gecommuniceerd.
Verder hebben [appellant] en [geïntimeerde 1] in hun berichten van december 2023 steeds gesproken over oplevering van het werk. [appellant] stelt dat er op 8 december 2023 is opgeleverd en hij [geïntimeerde 1] toen op de door hem gestelde gebreken heeft gewezen en de BV tot 11 december 2023 de gelegenheid heeft gegeven om deze te herstellen. Daarin volgt het hof [appellant] niet. Het hof begrijpt de uitgewisselde berichten zo, dat [geïntimeerde 1] op vrijdag 8 december 2023 heeft voorgesteld om op maandag 11 december 2023 op te leveren. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg is gebleken dat de oplevering op 11 december 2023 niet heeft plaatsgevonden, omdat [appellant] niet aanwezig was. Uit de correspondentie blijkt dat partijen de oplevering vervolgens naar woensdag 13 december 2023 hebben verplaatst. Uiteindelijk hebben partijen afgesproken om op vrijdag 15 december 2023 op te leveren, maar voordat het zover kwam heeft [appellant] op donderdag 14 december foto’s van het werk aan [geïntimeerde 1] gestuurd, en daarnaast aan hem bericht: “Sven, het spijt me, maar ik heb er echt geen vertrouwen meer in” en “de foto’s spreken voor zich en ik wil het hierbij laten. Wat ik al zei ik heb er geen vertrouwen in dat het nog goed gaat komen.” Na dit moment heeft [geïntimeerde 1] op verschillende momenten aan [appellant] kenbaar gemaakt dat hij samen met [appellant] een rondje door de woning wilde maken en eventuele fouten wilde herstellen. Dit heeft [appellant] steeds geweigerd. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat [appellant] geen herstelmogelijkheid aan de BV heeft geboden. Maar ook als het hof [appellant] wel zou volgen in zijn stelling dat er op 8 december 2023 is opgeleverd, is er geen verzuim aan de kant van de BV ontstaan. In dat geval heeft namelijk te gelden dat de door [appellant] aan de BV gegunde hersteltermijn van 3 dagen (waarvan 2 dagen in het weekend) niet redelijk is in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW. Daar komt nog bij dat ingebrekestelling schriftelijk moet plaatsvinden, en ook dat is niet gebeurd. Ook op deze grond is de BV daarom niet in verzuim gekomen.
Het hof gaat ook niet mee in de stelling van [appellant] dat de door de BV verrichte werkzaamheden van dermate slechte kwaliteit waren dat [appellant] daaruit mocht afleiden dat de BV de door hem gestelde gebreken niet deugdelijk zou herstellen. Het is onvoldoende gebleken dat de BV daarvoor niet de vereiste deskundigheid bezat, terwijl [geïntimeerde 1] wel meermaals herstel heeft aangeboden. [appellant] heeft er zelf voor gekozen om voor dat herstel een derde in te schakelen.
De derde grief van [appellant] heeft dus geen succes. Dat alles betekent dat [appellant] – zoals de kantonrechter heeft geoordeeld – gehouden was om het nog resterende deel van de afgesproken aanneemsom aan de BV te betalen, en dat hij geen recht heeft op schadevergoeding.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Grieven 4 en 5 bevatten geen zelfstandige bezwaren tegen het bestreden vonnis en delen daarom het lot van de eerste drie grieven. Het hof constateert daarnaast dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van het aan de stukadoor betaalde meerwerk, het onjuist opgehangen behang en de schoonmaakkosten.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van [appellant] niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Het vonnis zal worden bekrachtigd, voor zover aan het hof voorgelegd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] wordt in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de BV vast op € 827,00 aan griffierecht en op nihil voor salaris advocaat.
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de BV in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 827,00;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, E.K. Veldhuijzen van Zanten en D.W.J.M. Kemperink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.