ECLI:NL:GHAMS:2026:925

ECLI:NL:GHAMS:2026:925

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 200.349.639
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Overheidsaansprakelijkheid. Interlandelijke adoptie. Vorderingen van een vrouw die in 1992 is geadopteerd uit Sri Lanka tegen de Staat en de Stichting Kind en Toekomst, de bemiddelingsorganisatie die toen bij haar adoptie was betrokken. Handelen in strijd met de Wobp? Onzorgvuldig handelen bij bemiddeling bij de adoptie en overbrenging naar Nederland? Toezichtsfalen? Regelgevingsfalen?

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer 200.349.639/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 april 2026

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,

appellante,

advocaat mr. L.M. Komp te Amsterdam,

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN, (ministerie van justitie en veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat mr. S. Heeroma te Den Haag,

2. STICHTING KIND EN TOEKOMST (FOUNDATION CHILD AND FUTURE),

gevestigd te Brummen,

geïntimeerde,

advocaat mr. F.J. Laagland te Eindhoven.

Partijen worden hierna [appellant] , de Staat en de Stichting genoemd.

1. De zaak in het kort

[appellant] is in 1992 kort na haar geboorte vanuit Sri Lanka geadopteerd. Haar Nederlandse adoptieouders hebben daarbij gebruik gemaakt van bemiddeling door de Stichting. [appellant] kan aan de hand van haar adoptiepapieren niet haar biologische ouders in Sri Lanka vinden en is bij haar zoektocht gestuit op onregelmatigheden rond haar adoptie. [appellant] stelt dat haar adoptie onzorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor zij in onzekerheid verkeert over haar afkomst en de omstandigheden waaronder zij is afgestaan. Volgens haar is dit een schending van haar fundamentele rechten en hebben de Staat en de Stichting onrechtmatig gehandeld door de rol die zij hebben gespeeld bij de totstandkoming van haar adoptie in Sri Lanka en haar overkomst naar Nederland.

Het hof Den Haag heeft geoordeeld dat de Staat en de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld, dat de mogelijkheid van schade als gevolg daarvan voldoende aannemelijk is en dat in een schadestaatprocedure zal moeten worden vastgesteld of [appellant] daadwerkelijk een schadevergoeding toekomt en zo ja, tot welk bedrag. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Den Haag vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Dit hof oordeelt dat de verwijten van [appellant] aan de Stichting en de Staat geen doel treffen.

2. Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Bij arrest van 19 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:622, hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad het in deze zaak door het hof Den Haag gewezen arrest van 12 juli 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:1248) vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

[appellant] heeft de Stichting en de Staat bij exploot van 16 december 2024 opgeroepen om het geding te hervatten. Daarna zijn de volgende stukken ingediend:

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 december 2024 aan de hand van spreekaantekeningen laten toelichten door hun advocaten. Naast voornoemde advocaten zijn ook verschenen mr. C. Dekkers, advocaat te Amsterdam, namens [appellant] , mr. A. Bijnevelt, advocaat te Eindhoven, namens de Stichting en mr. E. Boele van Hensbroek, advocaat te Den Haag, namens de Staat.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] concludeert na verwijzing dat het hof het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 september 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:8735) zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar gewijzigde vorderingen zoals geformuleerd in haar memorie van grieven onder 10 I, II en III zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

De Stichting en de Staat concluderen na verwijzing dat het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

3. De beoordeling

in beide zaken

[appellant] is in 1992 in Sri Lanka geboren. Zij is in Sri Lanka kort na haar geboorte geadopteerd door haar Nederlandse adoptieouders en overgebracht naar Nederland. De Stichting heeft daarbij bemiddeld. In 1995 heeft de adoptie in Nederland plaatsgevonden. [appellant] is niet in staat gebleken om aan de hand van haar adoptiepapieren haar biologische ouders te vinden in Sri Lanka en is bij haar zoektocht gestuit op onregelmatigheden rond haar adoptie in Sri Lanka en op onjuistheden in haar adoptiepapieren. [appellant] stelt dat haar adoptie in Sri Lanka onzorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor zij in onzekerheid verkeert over haar afkomst en de omstandigheden waaronder zij is afgestaan. Volgens haar is dit een schending van haar fundamentele rechten en hebben de Staat en de Stichting onrechtmatig jegens haar gehandeld door de rol die zij bij de totstandkoming van haar adoptie en haar overkomst naar Nederland hebben gespeeld. [appellant] concludeert na verwijzing tot toewijzing van de in haar memorie van grieven onder 10 I, II en III opgenomen vorderingen, die ertoe strekken dat:

I. voor recht zal worden verklaard dat de Stichting en de Staat afzonderlijk dan wel gezamenlijk onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld;

II. de Stichting en de Staat hoofdelijk dan wel ieder afzonderlijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellant] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;

III. de Stichting zal worden veroordeeld alsnog alle informatie aan [appellant] te verstrekken die haar bekend is over de werkwijze van de Sri Lankaanse bemiddelaars [naam 1] en [naam 2] met wie zij samenwerkte bij de adoptie van [appellant] , met name informatie over de gebieden waarin zij kinderen ten behoeve van adoptie hebben gehaald alsook gegevens over de biologische families voor zover beschikbaar.

De rechtbank Den Haag heeft het beroep dat de Staat en de Stichting op verjaring hadden gedaan, gegrond bevonden en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

In hoger beroep heeft de Staat zijn beroep op verjaring laten varen. Het hof Den Haag heeft het door de Stichting gehandhaafde beroep op verjaring verworpen, geoordeeld dat zowel de Staat als de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat.

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Den Haag vernietigd in de principale cassatieberoepen van de Staat en van de Stichting en het geding naar dit hof verwezen. Het incidentele cassatieberoep van [appellant] is verworpen.

Vordering III valt buiten de reikwijdte van het geding na verwijzing, aangezien deze vordering is afgewezen door het gerechtshof Den Haag en [appellant] deze beslissing niet heeft bestreden in cassatie.

Het hof gaat uit van de uitgangspunten en feiten die zijn vermeld in het verwijzingsarrest onder 2.2. (i tot en met xxxii) en wijst dit arrest met inachtneming van het verwijzingsarrest en de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.7-4.23 en 7.9-7.10 (zie verwijzingsarrest rov. 3.1 en 3.3.2). Dat betekent onder meer dat als uitgangspunt geldt dat de adoptie van [appellant] volgens de in Nederland geldende regelgeving en procedures is verlopen (zie verwijzingsarrest rov. 3.2.2).

Onbesproken kan blijven of [appellant] zich ten aanzien van de Stichting en de Staat rechtstreeks kan beroepen op art. 8 EVRM. De maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW ten aanzien van deze beide partijen wordt namelijk mede ingekleurd door deze verdragsbepaling. Het door [appellant] ingeroepen IVRK is in Nederland op 8 maart 1995 in werking getreden en is daarom niet relevant voor het toetsingskader in deze zaak, die immers draait om wat er in 1992 is gebeurd. Er was ten tijde van de adoptie van [appellant] in Sri Lanka geen adoptieverdrag waar Nederland en/of Sri Lanka partij bij was.

De vraag die moet worden beantwoord is of de Stichting en de Staat, gelet op wat zij toen wisten en moesten weten, onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] . Die vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor [appellant] adoptie in Sri Lanka op 4 maart 1992 en haar overkomst naar Nederland op 5 maart 1992 en op basis van de toen bestaande kennis en maatschappelijke opvattingen over interlandelijke adoptie uit Sri Lanka. Niet ter discussie staat dat de regels en de maatschappelijke opvattingen over interlandelijke adoptie uit Sri Lanka inmiddels zijn veranderd. De manier waarop de Stichting heeft bemiddeld bij [appellant] adoptie is niet langer toegestaan en is naar huidige inzichten niet langer aanvaardbaar.

Vaststaat dat [appellant] haar biologische moeder niet heeft kunnen traceren aan de hand van haar adoptiepapieren. Bij haar zoektocht naar haar biologische moeder heeft zij ontdekt dat onder het nummer van haar geboorteakte een andere geboorte geregistreerd was, en dat in het ziekenhuis waar zij zou zijn geboren, geen vrouw als patiënt geregistreerd stond met de op haar geboorteakte vermelde naam van haar biologische moeder (zie verwijzingsarrest rov. 2.2 onder xix). Niet blijkt dat de Stichting of de Staat destijds op de hoogte waren of moesten zijn van deze inmiddels gebleken onregelmatigheden. [appellant] verkeert onbetwist in onzekerheid over haar afstamming. Zij betoogt dat dit in algemene zin reeds voldoende is om haar vorderingen toewijsbaar te achten omdat het – gezien de ernstige misstanden die zich hadden voorgedaan bij adopties in Sri Lanka (zie hierna rov. 3.8.4) – niet vaststaat dat zij niet is verhandeld en het zelfs aannemelijk is dat zij slachtoffer is van illegale adoptiepraktijken. Dit op algemene signalen van misstanden gegronde betoog van [appellant] gaat niet op. De door haar genoemde signalen van misstanden bij haar adoptie in Sri Lanka komen hierna aan de orde.

Faciliteren en in stand houden adoptiepraktijk in Sri Lanka?

[appellant] stelt dat, toen zij daar werd geadopteerd, adopties uit Sri Lanka niet in het belang van de betrokken kinderen waren. Zij wijst op ernstige misstanden die zich bij adopties uit Sri Lanka hebben voorgedaan, de ten tijde van haar adoptie bestaande Sri Lankaanse commerciële adoptiepraktijk en de wijdverbreide corruptie in dat land. Zij betoogt dat dit allemaal bekend was bij de Stichting en de Staat, die voorts wisten of hadden moeten begrijpen dat met de goedkeuring van een adoptie door de Sri Lankaanse autoriteiten niet was gewaarborgd dat de belangen van de kinderen daarmee gediend werden en dat – in het algemeen – niet zeker was of werd voldaan aan de voorwaarden voor opneming van kinderen in Nederland. Volgens [appellant] had de Stichting zich moeten onthouden van adopties uit Sri Lanka en had de Staat de vergunning van de Stichting moeten intrekken en volledig moeten afzien van verstrekking van machtigingen voorlopig verblijf (mvv) voor uit Sri Lanka geadopteerde kinderen. Daarmee hadden zij kunnen voorkomen dat [appellant] werd opgenomen onder omstandigheden die met zich brengen dat zij haar afstamming niet kent en onzeker is over de omstandigheden waaronder zij is afgestaan. [appellant] verwijt de Stichting en de Staat dat zij adopties uit Sri Lanka (blijvend) hebben gefaciliteerd en hebben bijgedragen aan instandhouding van de daar bestaande, volgens [appellant] onrechtmatige adoptiepraktijk. Deze verwijten treffen op grond van het navolgende geen doel.

Niet in geschil is dat, net als nu, ten tijde van de adoptie van [appellant] in Sri Lanka in 1992 als leidend beginsel gold dat de (interlandelijke) adoptie in het belang van het kind moest zijn. Uitgangspunt was (en is) dat het in het belang van het kind is om op te groeien bij de eigen biologische familie in het land van herkomst, in zijn eigen cultuur. Alleen als vaststaat dat in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst is weggelegd voor het kind in kwestie, wordt interlandelijke adoptie verantwoord geacht. Interlandelijke adoptie mag eerst dan overwogen worden indien iedere andere vorm van hulp aan het kind in het land van herkomst ontbreekt en ook niet gevonden kan worden. In het bijzonder dient vast te staan dat het kind niets meer van zijn eigen ouders of familieleden te verwachten heeft. Zie Kamerstukken II 1986-1987, 20046, nr. 3, p. 7. Aan het betoog van [appellant] dat hier sprake is van een resultaatsverplichting voor gedaagden, gaat het hof voorbij. Het gaat hier om voorwaarden waaraan ook al ten tijde van [appellant] adoptie een zorgvuldige adoptieprocedure moest voldoen.

De Sri Lankaanse autoriteiten beoordeelden of naar behoren afstand was gedaan van het kind en of de adoptie in het belang van het kind was. De Sri Lankaanse kinderbescherming ( [bedrijf] ) onderzocht dit en rapporteerde aan de Sri Lankaanse rechter die over de adoptie aldaar besliste. De afstand moest ten overstaan van de Sri Lankaanse rechter worden bevestigd door de biologische moeder/ouders voordat de adoptie werd uitgesproken. Naar de toen geldende maatstaven kon op basis van een buitenlands adoptievonnis hier te lande worden aangenomen dat op naar Nederlandse maatstaven aanvaardbare wijze afstand was gedaan van het kind. Ook was daarmee naar de toen geldende maatstaven onderbouwd dat de adoptie in het belang van het kind was. Zie Kamerstukken II 1987-1988, 20046, nr. 6, p. 10.

In het Rapport van de commissie-Joustra over de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid bij interlandelijke adoptie van kinderen in tenminste de periode 1967-1998 (hierna: het COIA-rapport) is de adoptiepraktijk in Sri Lanka als volgt beschreven:

De adoptiepraktijk in Sri Lanka hield verband met een bredere politieke, sociaaleconomische en culturele context. Oorlog, armoede en honger bemoeilijkten de zorg van (alleenstaande) ouders voor hun kinderen. Soms werden kinderen daarom achtergelaten of voor adoptie aangeboden. Daarbij was (en is) wijdverspreide corruptie binnen de Sri Lankaanse samenleving een hardnekkig fenomeen. Ongehuwd moederschap was in Sri Lanka met taboes en sociale stigma’s omgeven. Alleenstaande zwangere vrouwen werden niet zelden uit hun gemeenschap verstoten. Niet alleen hen, maar ook hun kind wachtte dit lot. Sommige vrouwen voelden zich daarom gedwongen in het geheim te bevallen en hun kind af te staan. Daarnaast kon huiselijk geweld of het verliezen van een echtgenoot, door bijvoorbeeld scheiding of oorlog, moeders ertoe brengen hun kind voor adoptie af te staan. Sociale dwang – of de angst daarvoor – was hierbij continu aan de orde.

(…)

Eind jaren zeventig, toen interlandelijke adoptie vanuit Sri Lanka naar Nederland opkwam, bestond in Sri Lanka een situatie die misstanden in de hand werkte. Het land kende een precaire sociale en economische toestand waarin armoede wijdverspreid was. In de adoptie-praktijk tussen Nederland en Sri Lanka kwamen vrijwel alle denkbare vormen van misstanden voor. Deze varieerden van de beruchte baby farms, kinderhandel, diefstal van kinderen,

het onder dwang laten afstaan van een kind, vervalsing van documenten, tot het legaliseren van onjuiste documenten, verduistering van staat, corruptie en omkoping en onjuiste betalingen. Deze misstanden waren in strijd met destijds geldende Nederlandse en Sri Lankaanse wet- en regelgeving.”

Niet in geschil is dat deze beschrijving ook ziet op de situatie ten tijde van [appellant] adoptie in Sri Lanka. Onbetwist is ook dat indertijd in Nederland de brede overtuiging leefde dat kinderen die via adoptie naar Nederland werden gehaald, een betere toekomst kregen dan dat zij in Sri Lanka zouden hebben en dat deze adopties de belangen van de betrokken kinderen dienden.

De armoede en de zeer moeilijke positie van ongehuwde moeders en hun kinderen in Sri Lanka (zie rov. 3.8.4.) maakte hen onbetwist kwetsbaar voor de ernstige misstanden die zich in dat land hebben voorgedaan door toedoen van (onder meer) tussenpersonen die van het zoeken van zuigelingen handel maakten. Vaststaat dat in de periode 1976-1993 in de Nederlandse media berichten zijn verschenen over illegale adopties van buitenlandse kinderen uit diverse landen. Daarbij is ook aandacht besteed aan misstanden bij adopties uit Sri Lanka, waaronder kinderhandel, en maatregelen daartegen van de Sri Lankaanse overheid. In de media in Sri Lanka is in dezelfde periode bericht over illegale adopties vanuit Sri Lanka naar het buitenland. Zie verwijzingsarrest 2.2 onder (xx). Ook waren er andere signalen van ernstige misstanden bij adopties uit Sri Lanka. Zie verwijzingsarrest 2.2 onder (xxii, xxiii, xxv en xxvi). De Stichting meent ten onrechte dat dit slechts geruchten waren. De gesignaleerde misstanden hebben zich onbetwist ook voorgedaan bij adopties die waren goedgekeurd door [bedrijf] en de Sri Lankaanse rechter. Naar aanleiding van deze signalen zijn onder meer in de (Nederlandse en ook buitenlandse) media kritische geluiden geuit over de adoptiepraktijk in Sri Lanka en de rol die lokale, op commerciële basis werkende bemiddelaars daarbij speelden. De Nederlandse bemiddelingsorganisatie Wereldkinderen droeg publiekelijk uit dat zij niet bemiddelde bij adopties uit Sri Lanka omdat zij vond dat de wettelijke situatie in dit land veel te wensen overliet en er onvoldoende controle was.

De signalen van ernstige misstanden bij interlandelijke adopties hebben ertoe geleid dat in 1989 de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: Wobp) is ingevoerd. Daarin zijn onder meer voorwaarden gesteld voor binnenkomst in Nederland van het buitenlandse pleegkind en is een vergunningenstelsel voor bemiddelaars ingevoerd, met toezicht door de Staat. In Sri Lanka hebben de signalen van ernstige misstanden geleid tot een adoptiestop van juni 1987 tot september 1988 en aanscherping van de adoptiewetgeving. Deze nieuwe wetgeving – die op 11 maart 1992 is aangenomen, dus kort nadat [appellant] in Sri Lanka op 4 maart 1992 is geadopteerd – vereiste dat het te adopteren kind afkomstig is uit een weeshuis, kindertehuis of ander instituut dat van overheidswege wordt onderhouden of uit een weeshuis dat voor een periode van ten minste vijf jaar wettelijk is geregistreerd. Zie verwijzingsarrest 2.2 onder (xxi en xxiv).

Toen [appellant] in Sri Lanka werd geadopteerd, waren daar commerciële adoptiebemiddelaars actief die per kind werden betaald. De Stichting werkte bij de adoptie van [appellant] samen met zo’n bemiddelaar, [naam 1] . [naam 1] droeg kinderen voor adoptie aan bij de Stichting en begeleidde aspirant-adoptieouders in Sri Lanka. Vergeleken met adoptie uit kindertehuizen in Sri Lanka, ging adoptie via commerciële bemiddelaars destijds onbetwist sneller en werden daarbij meer en (veel) jongere kinderen ter adoptie aangeboden. Hoewel er zorg bestond over dergelijke bemiddeling en het daaraan inherente risico van misstanden door financiële gedrevenheid, was commerciële bemiddeling door lokale bemiddelaars in Sri Lanka in 1992 nog toegestaan. Onvoldoende is gebleken dat dergelijke bemiddeling naar de destijds geldende maatschappelijke opvattingen zonder meer onaanvaardbaar werd bevonden. Wel strekte art. 20 lid 3 Wobp ertoe het inschakelen van personen die door financiële motieven worden gedreven tegen te gaan (zie Kamerstukken II 1986-1987, 20046, nr. 3, p. 21) en heeft [appellant] onbetwist betoogd dat de Stichting naar de toen geldende maatstaven verplicht was de betrouwbaarheid van de lokale contactpersonen met wie zij in Sri Lanka samenwerkte te controleren.

Hoewel de Stichting en de Staat mogelijk niet alle signalen kenden, wisten zij in 1992 dat er signalen waren van ernstige misstanden bij adopties uit Sri Lanka. In 1987 was immers de bemiddelaar waar de Stichting voordien mee werkte, [naam 3] , gearresteerd op verdenking van kinderhandel. Het gegeven dat uit stukken blijkt dat de afstandsmoeders – ook tegen hun wil – en hun kinderen door [naam 3] onder zeer slechte omstandigheden waren ondergebracht terwijl de adoptieouders in dure Westerse hotels waren ondergebracht, rechtvaardigt echter niet de conclusie die [appellant] daaruit trekt, namelijk dat dit ook nog in 1992 het geval was, toen [naam 1] bemiddelde voor de Stichting. De stukken bevatten geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de afstandsmoeders met hun kinderen ook in 1992 nog onder erbarmelijke omstandigheden en soms zelfs tegen hun wil werden vastgehouden. Dit laat onverlet dat de Stichting en de Staat vanwege de aard en ernst van de hen bekende algemene signalen van ernstige misstanden bij adopties uit Sri Lanka en de nog altijd wijdverbreide corruptie in Sri Lanka, in de periode dat [appellant] daar werd geadopteerd niet redelijkerwijs ervan konden uitgaan dat alle problemen in dat land waren opgelost. Zij moesten voorts begrijpen dat het ging om adopties van kinderen in een kwetsbare positie, niet alleen omdat de kinderen zelf – uiteraard – niet in staat waren om hun belangen te behartigen, maar ook omdat hun biologische ouders daar in de gegeven omstandigheden feitelijk niet (altijd) toe in staat waren. Voorts liepen de belangen van de aspirant-adoptieouders en het belang van het kind niet zonder meer parallel en hadden derden, met name de commerciële bemiddelaars, een financieel belang bij het welslagen van het adoptieproces. Temeer omdat de kinderen bij interlandelijke adoptie en overbrenging naar Nederland (onomkeerbaar) werden gescheiden van hun biologische ouders, diende de Stichting dan ook een hoge mate van zorgvuldigheid bij haar taakuitoefening te betrachten en maximaal oplettend te zijn, met name ten aanzien van signalen van mogelijke misstanden of onregelmatigheden, en diende de Staat in de uitoefening van zijn toezichthoudende taak zich hier ook rekenschap van te geven.

Niettegenstaande de twijfel en zorg over adopties uit Sri Lanka, waren adopties uit dit land toegestaan en aanvaardbaar geacht toen [appellant] daar werd geadopteerd. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, leefde in die periode in Nederland nog de brede overtuiging dat adoptie uit Sri Lanka het belang van de betrokken kinderen diende. De gesignaleerde misstanden hadden zich niet bij alle of de meeste adopties uit Sri Lanka voorgedaan; er waren onbetwist ook veel adopties waarbij de biologische moeder met goede redenen vrijwillig afstand had gedaan en adoptie het belang van het kind diende.

Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat de Staat en de Stichting, uitgaande van de destijds bestaande kennis en maatschappelijke opvattingen, ervan moesten uitgaan dat adopties uit Sri Lanka als regel niet in het belang van het kind waren en dat de bevindingen van de Sri Lankaanse autoriteiten als regel niet als juist en betrouwbaar konden worden aangemerkt. Evenmin zijn er voldoende aanknopingspunten dat naar de toen bestaande kennis en maatschappelijke opvattingen het risico op misstanden bij adopties uit Sri Lanka zodanig groot werd bevonden dat dit meer gewicht in de schaal legde dan de destijds in Nederland breed levende overtuiging dat adopties uit Sri Lanka in het belang van de betrokken kinderen was. [appellant] kan dan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat de Stichting zich vanwege de haar bekende misstanden volledig had moeten onthouden van bemiddeling bij adopties uit Sri Lanka en dat de Staat vanwege de hem bekende misstanden de vergunning van de Stichting had moeten intrekken en volledig had moeten afzien van verstrekking van mvv’s voor uit Sri Lanka geadopteerde kinderen. Haar verwijten dat de Staat en de Stichting het in Sri Lanka bestaande (commerciële) adoptiesysteem hebben gefaciliteerd en eraan hebben bijgedragen dat dit in stand werd gehouden, stuiten af op het feit dat dit – naar de huidige maatschappelijke opvattingen niet langer aanvaardbaar bevonden systeem – destijds was toegestaan en (nog) aanvaardbaar werd geacht. De overige door [appellant] gestelde gedragingen die volgens haar hebben bijgedragen aan instandhouding van het Sri Lankaanse adoptiesysteem en het faciliteren daarvan (zoals het door de Stichting door samenwerken met een commerciële tussenpersoon en het door de Staat afgeven van mvv’s) worden hierna beoordeeld.

In beginsel uitgaan van de Sri Lankaanse adoptiepapieren

Uit de Wobp en het Besluit opneming buitenlandse pleegkinderen (Bobp) volgt dat de Stichting in beginsel mocht uitgaan van de juistheid van de bevindingen van de plaatselijke autoriteiten in Sri Lanka ten aanzien van de afstandsverklaring en van de juistheid van hun oordeel dat de adoptie in het belang van het kind was (zie verwijzingsarrest rov. 3.1). Ook de Staat kon daar bij verlening van de mvv in beginsel van uitgaan. [appellant] betoogt tevergeefs dat dit uitgangspunt ten tijde van haar adoptie in Sri Lanka niet gold. De door haar genoemde algemene omstandigheden – waaronder de ernstige misstanden bij adopties in Sri Lanka (met onder meer de inzet van ‘acting mothers’ die zich in de adoptieprocedure in Sri Lanka voordeden als de biologische moeder en de afstand bevestigden) en de wijdverbreide corruptie in dat land – zijn onvoldoende om te concluderen dat de Stichting en de Staat in haar geval in 1992 niet mochten uitgaan van de juistheid van haar Sri Lankaanse adoptiepapieren of moesten aannemen dat de afstandsverklaring niet gedaan was door haar biologische moeder en niet de wil van de biologische moeder wil uitdrukte.

in de zaak tegen de Stichting voorts

De Stichting verleende bij [appellant] adoptie in Sri Lanka en haar overkomst naar Nederland als professionele bemiddelingsorganisatie bijstand aan haar adoptieouders. Zij had toen ruime ervaring met bemiddeling bij adopties uit Sri Lanka, waar zij sinds 1983 actief was. Zij was een van de twee grootste Nederlandse adoptiebemiddelaars in Sri Lanka en beschikte sinds 1989 over de op grond van de Wobp vereiste vergunning. De Stichting stelt dat zij indertijd mocht menen dat zij daadwerkelijk in het belang van elk betrokken kind handelde bij haar bemiddelingswerkzaamheden en dat haar ter zake haar werkzaamheden in het algemeen en in het bijzonder de adoptie van [appellant] geen verwijten kunnen worden gemaakt.

Art. 16 lid 4 Wobp en art. 20 lid 3 Wobp

De werkzaamheden van de Stichting mochten niet zijn gericht op het maken van winst (art. 16 lid 4 Wobp). De Stichting mocht voorts geen onevenredig hoge vergoeding betalen voor de in verband met de bemiddeling verrichte diensten (art. 20 lid 3 Wobp). [appellant] stelt dat de Stichting deze bepalingen, die ertoe strekten het risico op kinderhandel zoveel mogelijk te beperken, heeft geschonden. Zij ziet dit ook als een aanwijzing van een misstand bij haar adoptie.

Gezien haar rechtsvorm mocht de Stichting geen winstoogmerk hebben. Volgens [appellant] is het eigen vermogen van de Stichting in 1988-1993 als gevolg van de inkomsten die zij genereerde met bemiddeling van Sri Lankaanse kinderen, zodanig gestegen dat in feite sprake was van het maken van winst. In het verslag van het door de Staat bij de Stichting op 25 oktober 1991 afgelegde inspectiebezoek staat echter dat de Stichting te kennen gaf gelden te reserveren zodat voor enkele jaren kon worden verzekerd dat aan verplichtingen kan worden voldaan. Het gegeven dat een Stichting positieve resultaten boekt, brengt, anders dan [appellant] kennelijk meent, nog niet mee dat zij het maken van winst als oogmerk heeft. Het feit dat de Stichting (een deel van) de resultaten reserveerde om haar toekomst zeker te stellen, duidt daar evenmin op. Uit deze stellingen van [appellant] volgt dan ook niet dat de Stichting een winstoogmerk had. Voorts voert de Stichting aan dat zij geen financieel motief had bij haar werkzaamheden, maar werd gedreven door de wens om goed te doen. Adoptieouders droegen onbetwist naar draagkracht bij aan de adoptiekosten en kregen geld terug van de Stichting als de kosten lager waren dan tevoren gecalculeerd. Ook heeft de Stichting bij de adoptie van [appellant] onbetwist twee keer de kosten van een visum en medisch onderzoek gedragen zonder daarvoor extra kosten in rekening te brengen bij [appellant] adoptieouders. Dit alles wijst erop dat de Stichting geen winst nastreefde. Ook overigens blijkt niet dat de werkzaamheden van de Stichting in strijd met art. 16 lid 4 Wobp gericht waren op het maken van winst.

Bij de beantwoording van de vraag of een vergoeding onevenredig hoog is in de zin van art. 20 lid 3 Wobp moet een vergelijking worden gemaakt met een vergoeding die in een bepaald land als redelijk wordt beschouwd (zie Kamerstukken II, 1987-1988, 20046, nr. 6, p. 38). De Stichting voert aan dat hetgeen zij aan [naam 1] betaalde overeen kwam met het gemiddelde bedrag dat destijds aan lokale bemiddelaars werd betaald en niet hoger was dan wat werd betaald bij adoptie via een klooster of een staatskindertehuis in Sri Lanka. [appellant] stelt niet, althans onvoldoende, dat de aan [naam 1] betaalde vergoedingen hoger waren dan de andere door de Stichting genoemde vergoedingen. De stelling van [appellant] dat de aan [naam 1] betaalde vergoeding ongeveer 55 keer het gemiddelde Sri Lankaanse maandsalaris bedroeg

knoopt aan bij het bedrag van f 4.000,- dat volgens de schriftelijke verklaring van de voorzitter van de Stichting bij de kostenspecificatie voor de adoptie van de broer van [appellant] (prod. 2 Stichting) ‘naar Sri Lanka is overgemaakt’. Los van de vraag of deze stelling aansluit bij de toepasselijke maatstaf, kan niet worden aangenomen dat dit bedrag uitsluitend strekte ter vergoeding van de diensten van [naam 1] . Een belangrijk deel ziet op een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. Zo is een bedrag van f 1.694,- in de kostenspecificatie opgenomen voor ‘Procedurekosten Sri Lanka (advocaat, aktes, rechtbank, paspoort, vertalingen, foto’s)’. Ook aan de door [appellant] zelfgemaakte berekening met betrekking tot de gedeclareerde reis- c.q. taxikosten ad f 185,- op basis van informatie uit een reisgids uit 1988 moet voorbij worden gegaan. Zelfs als haar berekening juist is dat daarvoor indertijd in Sri Lanka meer dan 600 kilometer per taxi gereisd kon worden, miskent haar betoog dat uit de stukken blijkt dat haar adoptieouders indertijd voor haar adoptie zo’n zes weken in Colombo hebben verbleven en dat uit vrijwel alle overgelegde verklaringen van de diverse betrokkenen volgt dat ter plaatse in verband met de adopties gedurende enkele weken veel vervoersbewegingen plaatsvonden (zie hierna ook rov. 3.14.2), die kennelijk allemaal per taxi geschiedden. Ook aan deze berekening kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat er in 1992 sprake was van exorbitante kosten, nog afgezien daarvan dat de declaratie van kosten niet hetzelfde is als de hier aan de orde zijnde vraag of er een onevenredige hoge vergoeding werd betaald. [appellant] stellingen rechtvaardigen aldus niet de conclusie dat de Stichting aan [naam 1] bij de adoptie van [appellant] naar de destijds geldende maatstaven een onevenredig hoge vergoeding in de zin van art. 20 lid 3 Wobp heeft betaald.

De uit de Wobp voortvloeiende taken van de Stichting

Aspirant-adoptieouders waren in 1992 niet verplicht om een bemiddelaar in te schakelen; ‘zelfdoen’ was nog toegestaan. Dit is in 1995 verboden. Als een bemiddelaar werd ingeschakeld, moest deze een vergunning hebben (art. 15 Wobp). Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wobp werd van bemiddelaars “verwacht dat zij voor zover dit in hun vermogen ligt erop zullen toezien dat de overkomst van een kind naar Nederland met het oog op adoptie alleen wordt bevorderd, wanneer vaststaat dat dit in het belang van het kind is en in het land van herkomst geen andere vorm van hulp kan worden geboden.” Zie Kamerstukken II 1986-1987, 20 046, nr. 3, p. 7.

De Stichting had tot taak de aspirant-pleegouders te assisteren bij de in het buitenland in verband met de opneming van het buitenlandse pleegkind te volgen procedures en de verkrijging van de voor de toelating van dat kind in Nederland noodzakelijke bescheiden (art. 17 Bobp aanhef en sub a). Ook had de Stichting tot taak zo volledig mogelijke gegevens te vergaren met betrekking tot de afkomst en de achtergrond van het buitenlandse pleegkind in het land van zijn herkomst (art. 17 Bobp aanhef en sub d). Zij moest een dossier bijhouden van elke door haar verleende bemiddeling met onder meer alle gegevens waarover zij met betrekking tot het buitenlandse pleegkind in het land van herkomst de beschikking had verkregen (art. 18 Bobp).

De taken van de Stichting om na te gaan of de vereiste procedures in Sri Lanka naar behoren waren doorlopen en om zoveel mogelijk achtergrond- en afstammingsgegevens te verzamelen, waren inspanningsverplichtingen. De Wobp bracht geen verdergaande verplichting voor de Stichting mee om ook zelf onderzoek te doen naar en informatie te verzamelen over de totstandkoming van de afstandsverklaring en de vraag of de adoptie in het belang van het kind was. [appellant] meent dat de Stichting jegens haar onzorgvuldig heeft gehandeld door ondanks de algemene signalen van misstanden, niet meer moeite te doen om zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over de redenen voor afstand en over haar afkomst en door niet te onderzoeken of haar biologische moeder op naar Nederlandse maatstaven aanvaardbare wijze afstand van haar had gedaan. Het gaat er in dit kader om of de Stichting voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. Daartoe behoren onder meer algemene signalen van misstanden, ook van voor de invoering van de op het moment van de adoptie geldende regelgeving. Zie verwijzingsarrest rov. 3.1 en 3.2.2.

Samenwerking met een op commerciële basis werkende lokale contactpersoon

[appellant] ziet in de samenwerking tussen de Stichting en haar lokale contactpersoon [naam 1] , die op commerciële basis werkte en per kind werd betaald, een belangrijke omstandigheid die duidt op misstanden bij haar adoptie. Zij stelt dat [naam 1] onbetrouwbaar was omdat zij zich liet leiden door haar eigen financieel belang, erop gericht was veel en jonge kinderen te bemiddelen, hun afstamming onzeker maakte en op mensonterende wijze met de kinderen omging. Voorts heeft de Stichting volgens [appellant] de betrouwbaarheid van [naam 1] onvoldoende gecontroleerd, onvoldoende maatregelen genomen om te verzekeren dat [naam 1] in het belang van de betrokken kinderen handelde en ten onrechte erop vertrouwd dat dit zo was. Volgens [appellant] heeft de Stichting aldus gehandeld op een manier die misstanden in de hand werkte en kinderen onderwierp aan een mensonterende behandeling. Deze verwijten gaan op grond van het navolgende niet op.

Zoals hiervoor is overwogen, was commerciële bemiddeling waarbij per kind werd betaald in Sri Lanka destijds toegestaan en werd dit in Nederland niet zonder meer onaanvaardbaar bevonden. Wel strekte art. 20 lid 3 Wobp ertoe het inschakelen van personen die door financiële motieven worden gedreven tegen te gaan. Hiervoor is overwogen dat de Stichting deze bepaling niet heeft geschonden.

De Stichting moest de betrouwbaarheid van [naam 1] controleren (zie rov. 3.8.8).

De Stichting heeft onweersproken toegelicht dat [naam 1] – en haar zus [naam 2] met wie zij destijds ook samenwerkte – bij haar zijn aangedragen door [bedrijf] als ervaren lokale bemiddelaars, die eerder hadden bemiddeld bij adopties uit Zweden. De Stichting heeft hieruit afgeleid dat zij goedgekeurd waren door en verbonden waren aan [bedrijf] . [appellant] betoog dat aan enige ‘goedkeuring’ door [bedrijf] geen betekenis kan worden gehecht omdat de Sri Lankaanse autoriteiten niet (effectief) de belangen van de betrokken kinderen bewaakten, is te algemeen. De enkele omstandigheid dat ook bij door [bedrijf] goedgekeurde adopties misstanden voorkwamen, brengt niet mee dat de Stichting indertijd aan het feit dat [bedrijf] samenwerkte met deze personen, geen vertrouwen mocht ontlenen. Dit zou slechts anders zijn als toentertijd zonder meer duidelijk was dat [bedrijf] onbetrouwbaar was, maar daarvoor zijn geen concrete aanwijzingen gesteld en daarvan is ook niet gebleken.

De Stichting voert aan dat haar voorzitter jaarlijks twee of drie weken naar Sri Lanka ging. Zij heeft, zo heeft de voorzitter ter zitting ook toegelicht, bij [naam 1] gelogeerd en meegelopen met de dagelijkse werkzaamheden. De voorzitter besprak steeds de actuele stand van zaken met [naam 1] . De Stichting had voorts zicht op de werkwijze en de betrouwbaarheid van [naam 1] via de telefonisch contacten met [naam 1] en aspirant-adoptieouders als deze in Sri Lanka waren. Na thuiskomst had de Stichting contact met de adoptieouders en vroeg zij hen een evaluatieformulier in te vullen. Daarbij vroeg zij onder meer hoe de adoptieouders de begeleiding in Sri Lanka hadden ervaren, hoe vaak en waar de adoptieouders de biologische moeder hadden ontmoet, hoe deze ontmoetingen waren verlopen en wat haar emoties waren. Ook werd gevraagd of de adoptieouders familieleden van de biologische moeder hadden ontmoet en, zo ja, welke betekenis de aanwezigheid van deze andere(n) naar hun mening had voor de biologische moeder. [appellant] betwist onvoldoende gemotiveerd dat de Stichting op deze manier de betrouwbaarheid van [naam 1] heeft gecontroleerd. Niet blijkt dat de Stichting gelet op de destijds bij haar bestaande kennis, meer had moeten of kunnen doen om de betrouwbaarheid van [naam 1] te controleren.

Uit de toelichting van de Stichting volgt voorts dat de Stichting afspraken maakte met haar lokale contactpersonen en zo nodig ingreep. Zo heeft zij navraag gedaan naar de korte gelijkluidende antwoorden die zij op de daartoe bestemde formulieren kreeg van [naam 1] over de achtergrond en afstamming van de kinderen. Toen bleek dat dit te maken had met de cultuur in Sri Lanka, de positie van ongehuwde moeders en schaamte, heeft de Stichting de instructie gegeven dat in elk geval in het formulier moest worden vermeld uit welk gezin het kind kwam. Tot 1987 werkte de Stichting samen met [naam 3] die dat jaar is gearresteerd op verdenking van kinderhandel. Niet in geschil is dat de voorzitter van de Stichting naar aanleiding van de arrestatie naar Sri Lanka is gegaan om zich op de hoogte te stellen van de gebeurtenissen. Zij heeft de samenwerking met [naam 3] toen beëindigd en de hoge prijzen voor hotelverblijf die [naam 3] in strijd met de afgesproken maximumtarieven in rekening had gebracht toen ‘rechtgetrokken’. Dit alles is door [appellant] niet weersproken.

Onvoldoende is gebleken dat de manier waarop [naam 1] werkte voor de Stichting, gezien de toen bestaande kennis en maatstaven, de Stichting aanleiding had moeten geven haar als onbetrouwbaar aan te merken. [appellant] stoelt haar stellingen over [naam 1] onder meer op de verklaring van de Stichting bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat er na 1987 niets is gewijzigd in de werkwijze van Sri Lankaanse tussenpersonen bij interlandelijke adoptie (zie proces-verbaal eerste aanleg randnummer 40). Anders dan [appellant] meent, kan op basis hiervan niet worden aangenomen dat [naam 1] betrokken was bij misstanden. Evenmin kunnen de verstrekkende en gedetailleerde gevolgtrekkingen over de werkwijze van [naam 1] die [appellant] maakt, worden gestoeld op deze algemene verklaring van de Stichting tijdens de mondelinge behandeling. [appellant] concretiseert deze stelling ook overigens onvoldoende en de schriftelijke verklaringen van adoptieouders waarnaar zij verwijst zijn op dit punt onvoldoende concreet.

De Stichting heeft onweersproken toegelicht dat [naam 1] samenwerkte met ziekenhuizen en vroedvrouwen die haar inseinden als een moeder een kind wilde afstaan. Mede in het licht van de grote armoede en de uiterst moeilijke positie van ongehuwde moeders en hun kinderen in Sri Lanka, blijkt niet dat hetgeen de Stichting destijds wist en kennelijk ook van [naam 1] heeft gehoord over haar werkwijze argwaan had moeten wekken bij de Stichting en ertoe had moeten leiden dat zij niet (langer) met haar samenwerkte.

De door [appellant] gestelde geheimzinnigheid waarmee de adopties waarbij [naam 1] bemiddelde waren omgeven – en de instructies van de Stichting aan haar adoptieouders om geheim te houden dat zij voor adoptie in Sri Lanka waren en hoe zich te gedragen tijdens de adoptieprocedure – zijn afdoende verklaard door de Stichting die wijst op de destijds onbetwist in Sri Lanka bestaande weerstand tegen adopties naar het buitenland en haar bedoeling om de adoptieprocedure in Sri Lanka soepel te laten verlopen. Die maatschappelijke weerstand kwam kennelijk voort uit een breed bestaande angst dat geadopteerde kinderen in het buitenland zouden worden uitgebuit als goedkope arbeidskracht of erger.

Dat [naam 1] werd gedreven door financiële motieven en de kinderen als handelswaar behandelde, zoals [appellant] stelt, kan niet worden afgeleid uit de niet geconcretiseerde indrukken in de schriftelijke verklaringen van adoptieouders. De twijfel over de gang van zaken die de adoptieouders jegens de Stichting hebben geuit, is blijkens deze verklaringen pas jaren nadien gerezen, nadat de geadopteerde kinderen hun biologische ouders niet konden vinden. In de in het geding gebrachte evaluatieformulieren zijn adoptieouders overwegend positief over [naam 1] en wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat zij emotioneel betrokken was bij de adopties.

Niet blijkt voorts dat de Stichting destijds wist of moest weten van de door [appellant] genoemde onregelmatigheden die inmiddels zijn gebleken bij adopties waarbij de Stichting met [naam 1] samenwerkte. Vast staat ook dat de Stichting in samenwerking met [naam 1] heeft bemiddeld bij veel adopties waarbij zich geen misstand of onregelmatigheid heeft voorgedaan, zoals de adoptie van [appellant] broer. Wel stelt [appellant] onweersproken dat de Stichting via haar telefonische contacten met [naam 1] en aspirant-adoptieouders die in Sri Lanka verbleven wist dat het is voorgekomen dat een kind waarvoor [naam 1] had bemiddeld en dat was voorgesteld aan de aspirant-adoptieouders werd ‘geruild’ omdat het bijvoorbeeld niet het juiste geslacht had of te dun was. Hoewel dit naar de huidige maatschappelijke opvattingen moeilijk voorstelbaar is, blijkt niet dat dit naar de toen bestaande maatschappelijke opvattingen over adoptie uit Sri Lanka onaanvaardbaar werd bevonden en indertijd een reden had moeten vormen voor de Stichting om de samenwerking met [naam 1] te verbreken.

Mede gezien de uiterst moeilijke positie van ongehuwde moeders in Sri Lanka, die onbetwist vaak anoniem wensten te blijven, kan [appellant] niet worden gevolgd in haar betoog dat de Stichting de vaak summiere informatie die [naam 1] verstrekte over de reden dat de biologische moeder afstand deed van haar kind zonder meer als onbetrouwbaar had moeten aanmerken. Dat betoog strookt ook niet met de omstandigheid dat veel uit Sri Lanka geadopteerde kinderen die door [naam 1] zijn aangedragen bij de Stichting hun biologische ouder(s) aan de hand van de bij hun adoptie verstrekte informatie wel hebben kunnen traceren.

[appellant] stelt verder geen concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de Stichting gelet op wat zij destijds wist en moest weten en naar de toen geldende maatstaven [naam 1] niet betrouwbaar mocht achten. Voor zover [naam 2] een rol van betekenis heeft gespeeld bij de adoptie van [appellant] geldt hetgeen hiervoor is overwogen ook ten aanzien van haar.

Nagaan of de vereiste procedures in Sri Lanka naar behoren waren doorlopen

[appellant] stelt dat de Stichting onvoldoende heeft gedaan om na te gaan of de vereiste procedures in Sri Lanka naar behoren waren doorlopen. Ook dit betoog gaat niet op. Het hof licht dit als volgt toe.

Niet in geschil is dat in 1992 de relevante gang van zaken na aankomst van aspirant-adoptieouders die na een match waren afgereisd naar Sri Lanka als volgt was:

de aspirant-adoptieouders spraken met een advocaat die was aangezocht door de lokale contactpersoon waarmee de Stichting samenwerkte. De advocaat diende daarna namens hen een adoptieverzoek in.

[bedrijf] deed vervolgens onderzoek naar: (a) de geschiktheid van de aspirant-adoptieouders, op basis van het in Nederland samengestelde dossier en een gesprek met hen en (b) de vraag of de biologische moeder haar kind wel echt wilde afstaan. Dat laatste gebeurde op basis van een gesprek met de biologische moeder. De adoptieprocedure werd afgebroken als het kind daaruit werd teruggetrokken door de biologische ouder(s) of de familie.

Het adoptiekind mocht gedurende het onderzoek van [bedrijf] verblijven bij de aspirant-adoptieouders.

[bedrijf] bracht een rapport van haar onderzoek uit aan de rechtbank. Dit rapport werd niet ter beschikking gesteld aan de aspirant-adoptieouders of de Stichting.

Bij de adoptiezitting moesten de biologische ouder(s) en de aspirant-adoptieouders verschijnen. De rechter hoorde de biologische ouder(s), die de afstand van het adoptiekind diende(n) te bevestigen ten overstaan van de rechter. Ook werden de aspirant-adoptieouders gehoord. Vervolgens deed de rechtbank uitspraak.

Na de adoptie in Sri Lanka werd een paspoort aangevraagd voor het kind. Vervolgens werd het complete dossier aangeboden aan de Nederlandse Ambassade in Colombo ten behoeve van de mvv voor het kind, die de Stichting in Nederland voorafgaand aan het vertrek van de aspirant-adoptieouders naar Sri Lanka had aangevraagd met vermelding van de naam en de geboortedatum van het te adopteren kind.

Partijen verschillen van mening over de vraag of en in hoeverre [bedrijf] en de Sri Lankaanse rechter de identiteit van de biologische moeder daadwerkelijk controleerden. Volgens [appellant] was er ook sprake van ‘acting mothers’, die pretendeerden de biologische ouder te zijn van het kind waarvan afstand werd gedaan. [appellant] stelt in de kern dat de rechter in alle gevallen de adoptie meteen uitsprak bij wijze van hamerstuk. Dit volgt echter niet uit de stukken. Ter zitting werden de afstandsmoeders ondervraagd en bij twijfel werden zaken nader onderzocht. Onder meer uit de door [appellant] overgelegde verklaringen van adoptieouders (productie 6 bij de inleidende dagvaarding) volgt ook dat Sri Lankaanse rechters in 1991-1992 adoptieverzoeken afwezen en aanhielden, bijvoorbeeld omdat de papieren van de aspirant-adoptieouders of die van de biologische moeder niet in orde werden bevonden.

Verder heeft de Stichting toegelicht hoe zij zich ervan heeft vergewist of de adoptieprocedures in Sri Lanka naar behoren verliepen. Tijdens haar jaarlijkse bezoek aan Sri Lanka (zie rov. 3.13.4.) ging de voorzitter van de Stichting steeds naar [bedrijf] en besprak daar met een leidinggevende hoe de onderzoeken werden uitgevoerd en wat de actuele stand van zaken was. De voorzitter ging mee naar een adoptiezitting als die er was en wilde ook altijd de advocaat ontmoeten die in Sri Lanka de aspirant-adoptieouders bijstond. De voorzitter sprak ook met rechters en ministers. Zoals hiervoor is overwogen, had de Stichting vanuit Nederland telefonisch contact met [naam 1] en aspirant-adoptieouders die in Sri Lanka waren. Verder had de Stichting na thuiskomst van de adoptieouders contact met hen en vroeg zij hen een evaluatieformulier in te vullen. Ook daaruit verkreeg de Stichting informatie over het verloop van de adoptieprocedures in Sri Lanka. In het evaluatieformulier vroeg de Stichting naast de in rov. 3.13.4. genoemde vragen onder meer wanneer het gesprek bij [bedrijf] en de adoptiezitting waren geweest. Dit alles is door [appellant] als zodanig niet gemotiveerd betwist. Evenmin heeft zij uiteengezet hoe de Stichting een en ander ter plaatse beter had kunnen controleren. Er is zodoende geen grond om te concluderen dat de Stichting destijds meer had moeten doen om na te gaan of de vereiste procedures in Sri Lanka naar behoren werden doorlopen.

Omstandigheden waaronder [appellant] adoptie in Sri Lanka heeft plaatsgevonden

[appellant] stelt dat haar adoptie in Sri Lanka heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die wijzen op misstanden en dat het aannemelijk is dat zij slachtoffer is van onrechtmatige praktijken bij haar adoptie. Zij stelt daartoe onder meer dat de Stichting onvoldoende heeft zekergesteld dat [appellant] adoptie in haar belang was. De Stichting voert daartegen aan dat zij destijds geen reden had om te twijfelen of [appellant] adoptie in Sri Lanka regelmatig was verlopen en in haar belang was.

De feitelijke gang van zaken bij de adoptie van [appellant] in Sri Lanka is beschreven in rov. 2.2 onder (iii)-(xviii)) van het verwijzingsarrest. Vaststaat dat [bedrijf] onderzoek heeft gedaan en dat de Sri Lankaanse rechter de adoptie van [appellant] heeft uitgesproken, nadat een vrouw die zich voorstelde als de biologische moeder van [appellant] de afstand ten overstaan van de rechter had bevestigd. Op basis daarvan mocht de Stichting in beginsel ervan uitgaan dat de biologische moeder van [appellant] op een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbare wijze afstand van haar had gedaan (zie rov. 3.8.3.). In het adoptievonnis heeft de Sri Lankaanse rechter toestemming gegeven voor de adoptie van [appellant] door haar adoptieouders.

[appellant] wijst op wat zij aanduidt als de ‘babyruil’ die heeft plaatsgevonden nadat het kind waarvoor haar adoptieouders naar Sri Lanka waren afgereisd, was teruggetrokken uit de procedure en de daarop volgende mededeling van de voorzitter van de Stichting en [naam 1] aan [appellant] adoptiemoeder dat zij ‘niet zonder kindje terug naar Nederland zouden moeten gaan’. Vaststaat dat – anders dan te doen gebruikelijk (zie rov. 3.14.2.) – [appellant] ter adoptie is aangeboden toen haar adoptieouders al in Sri Lanka waren, nadat het kind waarvoor zij naar Sri Lanka waren afgereisd door haar familie was teruggetrokken uit de adoptieprocedure. Dat kon onbetwist destijds. Anders dan later het geval was, behoefden aspirant-adoptieouders in zo’n geval niet terug naar Nederland om daar, na een wachttijd, een nieuwe adoptieprocedure op te starten. De Stichting voert onweersproken aan dat het vaker voorkwam dat een kind werd teruggetrokken uit de adoptieprocedure. Zij ziet dit als een aanwijzing dat het adoptieproces ter plekke zorgvuldig verliep, omdat de mogelijkheid om het kind in Sri Lanka te laten opgroeien bij de biologische familie voorging boven adoptie. [appellant] stelt in het licht hiervan geen, althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de Stichting, wat [appellant] aanduidt als een ‘ruil’ had moeten opvatten als een signaal van een misstand bij haar adoptie. De Stichting voert voorts onweersproken aan dat zij destijds niet wist of en wanneer een nieuw kind beschikbaar zou komen voor adoptie tijdens het verblijf van de adoptieouders van [appellant] in Sri Lanka, maar dat het vanwege de vele kinderen die destijds ter adoptie werden afgestaan niet ondenkbeeldig was dat tijdens het verblijf van [appellant] adoptieouders een nieuwe match kon worden gemaakt. Naar het hof begrijpt moet de door [appellant] genoemde mededeling van de voorzitter van de Stichting in dit licht worden bezien.

[appellant] wijst voorts op haar (zeer) jonge leeftijd bij haar adoptie. Vaststaat dat haar biologische moeder binnen een paar dagen na haar geboorte heeft besloten [appellant] af te staan. [appellant] is aan haar adoptieouders overgedragen toen zij een paar dagen oud was, voordat de Sri Lankaanse rechter de adoptie uitsprak. Zij was een kleine zes weken oud toen haar adoptie werd uitgesproken in Sri Lanka. [appellant] wijst erop dat destijds in Sri Lanka niet vóór de bevalling met de biologische moeders mocht worden gesproken over adoptie. Daarnaast wijst zij op het belang dat biologische moeders voldoende tijd krijgen om hun beslissing om afstand te overdenken. De Stichting voert onweersproken aan dat adoptie van kinderen van een dergelijke jonge leeftijd uit Sri Lanka in 1992 niet ongebruikelijk was. Niet blijkt dat op grond van de destijds in Nederland levende maatschappelijke opvattingen over adoptie een minimumleeftijd gold voor kinderen die uit het buitenland werden geadopteerd of een minimale periode die de biologische moeder in het land van herkomst moest worden gegund om na te denken over afstand. In het stelsel van de Wobp diende die afweging plaats te vinden in het land van herkomst, in dit geval Sri Lanka. De voor adoptie van kinderen uit Nederland geldende termijn van zes maanden gold niet voor adopties uit Sri Lanka. De Algemene Vergadering van de VN ‘on Social and Legal Principles relating to the Protection and Welfare of Children, with Special Reference to Foster Placement and Adoption Nationally and Internationally”, A/RES/41/85,3 van december 1986, waarop [appellant] wijst, spreekt (alleen) over ‘sufficient time’ voor de biologische ouder(s), terwijl ook ‘as early as possible’ zou moeten worden beslist over de toekomst van het kind. Voorts kon [appellant] biologische moeder onbetwist tot de adoptie werd uitgesproken (ongeveer zes weken later in het geval van [appellant] ) terugkomen van haar beslissing. Niet blijkt dat destijds algemeen aanvaard was dat biologische moeders in Sri Lanka die hun kind afstonden ter adoptie naar Nederland meer tijd moesten hebben om de afstand te overdenken.

[appellant] stelt dat de snelheid van de adoptieprocedure in Sri Lanka een indicatie vormt dat er geen zorgvuldig onderzoek plaatsvond. [appellant] adoptievader heeft bij de mondelinge behandeling na verwijzing verklaard dat de eerste adoptiezitting ongeveer twee weken was voor de tweede waarbij [appellant] adoptie is uitgesproken. Dat betekent dat de eerste zitting rond midden februari 1992 was en dat het [bedrijf] -onderzoek in de twee weken na de geboorte van [appellant] is verricht. Niet blijkt dat dit naar de toen geldende maatstaven ongebruikelijk snel was of anderszins voor de Stichting een aanwijzing had moeten vormen dat [bedrijf] geen deugdelijk onderzoek had gedaan. De verklaring van de voorzitter van de Stichting in 2005 waarop [appellant] wijst, ziet op een andere situatie, te weten adopties (in 2005) in de Verenigde Staten waarbij de adoptie kennelijk binnen een paar dagen na de geboorte volledig rond was. Ook overigens stelt [appellant] niet, althans onvoldoende dat de volgens haar ‘snelle procedure’ destijds ongebruikelijk was en voor de Stichting reden had moeten zijn om vraagtekens te plaatsen bij haar adoptie in Sri Lanka.

Volgens [appellant] passen de aanhouding van haar eerste adoptiezitting omdat de tolk werd afgekeurd, het bij de tweede zitting door de rechter accepteren van een andere adoptievader als tolk en de volgens haar korte tweede zitting in een patroon van corruptie en duidt dit erop dat geen daadwerkelijke controle is uitgevoerd op haar adoptie. Deze niet geconcretiseerde suggesties zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Stichting, gelet op de toen bestaande kennis en geldende maatstaven, uit deze omstandigheden destijds had moeten afleiden dat de adoptieprocedure van [appellant] niet regelmatig was verlopen en/of hierin een signaal van een (mogelijk) misstand had moeten zien.

[appellant] vermoedt dat haar afstand ten overstaan van de Sri Lankaanse rechter niet door haar biologische moeder is geschied maar door een ‘acting mother’. Zij stelt dat de vrouw geen emoties vertoonde en na de (tweede) zitting snel in een busje werd weggevoerd door [naam 1] zodat haar adoptievader niet meer de kans had een foto van haar te maken. Dit is echter in tegenspraak met de op dit punt niet gemotiveerd weersproken schriftelijke verklaring van de voorzitter van de Stichting (prod. 2 Stichting) die inhoudt:

“Mevrouw [appellant] [ [appellant] adoptiemoeder, hof] vertelde hier later over dat ze een heel goed gevoel had bij het contact met de biologische moeder. De biologische moeder van het kind gaf duidelijk veel om [naam 4] . Mevrouw [appellant] vertelde dat de biologische moeder heel blij was een foto te zien van het door de familie [appellant] eerder geadopteerde jongetje.”

Volgens [appellant] moest de Stichting destijds weten, althans vermoeden dat, zoals [appellant] nu vermoedt, de vrouw die haar afstand voor de Sri Lankaanse rechter heeft bevestigd niet haar biologische moeder was omdat er verschil bestaat in de handtekeningen van haar biologische moeder op de afstandsverklaring en haar geboortebewijs. Daarbij heeft zij verwezen naar een onderzoek dat zij op basis van fotokopieën van die handtekeningen heeft laten uitvoeren door een schriftdeskundige. Het gaat hier om twee handtekeningen in Sri Lankaans schrift, die op het eerste oog behoorlijk op elkaar lijken. Waarom de Stichting indertijd op basis van deze stukken had moeten twijfelen aan de identiteit van de ter zitting verschenen vrouw vanwege het beweerdelijk verschil in handtekeningen, heeft [appellant] echter niet toegelicht. Zeker nu het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening onder de afstandsverklaring is gezet in het bijzijn van een rechter terwijl de Stichting daar niet bij aanwezig was, had dit nader moeten worden toegelicht. Het enkele feit dat valse afstandsverklaringen bij adopties uit Sri Lanka voorkomen is daarvoor te mager. Aan dit betoog moet daarom wegens onvoldoende onderbouwing voorbij worden gegaan.

De Stichting heeft de vooraf aan [appellant] adoptieouders gegeven instructies afdoende verklaard (zie rov. 3.13.8.). Zij heeft eveneens een afdoende verklaring gegeven voor het feit dat [appellant] adoptieouders een paar dagen moesten verkassen uit het hotel waar zij verbleven en het feit dat haar medisch onderzoek is gedaan in het hotel. Voorts is wat [appellant] aanduidt als het betalen van steekpenningen door [naam 1] volgens de onweersproken toelichting van de Stichting een vergoeding geweest voor de spoedprocedure voor een paspoort voor [appellant] zodat de adoptieouders op de oorspronkelijk geplande datum naar Nederland konden terugreizen. Of de Stichting de adoptieprocedures in Sri Lanka ondermijnde door aspirant-adoptieouders te instrueren onwaarheden te verklaren tegen de Sri Lankaanse instanties – wat de Stichting betwist – en hen aan te sporen om niet te kritisch te zijn, kan onbesproken blijven aangezien niet blijkt dat deze aansporingen een rol hebben gespeeld bij de adoptie van [appellant] .

Naar aanleiding van [appellant] opmerkingen over haar adoptiepapieren voert de Stichting het volgende aan.

- De verschillende wijzen van spelling van de naam van haar biologische moeder in de Engelstalige versies van de genoemde stukken, kan worden verklaard doordat de naam in de Engelse vertaling op verschillende manieren kan worden gespeld.

- Het was destijds in Sri Lanka niet gebruikelijk om adressen te vermelden in geboorteaktes, terwijl er in arme buurten in Sri Lanka niet overal straatnamen waren.

- Er kunnen vele redenen zijn waarom [appellant] is geboren in Colombo, 40 kilometer van de op haar geboorteakte vermelde woonplaats van haar biologische moeder, zoals het gegeven dat ongehuwde zwangere vrouwen als de zwangerschap zichtbaar werd vaak naar een grote stad gingen, waar zij anoniem de bevalling konden afwachten.

- Het was in Sri Lanka niet gebruikelijk dat een baby bij geboorte werd gemeten vanwege het daar bestaande heilig geloof dat een persoon maar eenmaal in zijn/haar leven gemeten mocht worden en wel na het overlijden. De Stichting vertelde dit aan de adoptieouders bij het voorbereidend gesprek.

- In Sri Lankaanse geboorteaktes stond zelden de naam van de vader vermeld; het was dus niet vreemd dat deze ontbrak in de geboorteakte van [appellant] .

Hiermee heeft de Stichting de door [appellant] genoemde punten afdoende verklaard. In het licht hiervan stelt [appellant] geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden, waaruit (toch) volgt dat deze punten de Stichting naar de destijds geldende maatstaven aanleiding hadden moeten geven om te twijfelen aan de juistheid van [appellant] adoptiepapieren en een regelmatig verloop van [appellant] adoptieprocedure in Sri Lanka.

Voor zover [appellant] de Stichting betrokkenheid bij verstrekking van een mvv bij haar vertrek uit Sri Lanka tegenwerpt, geldt het volgende. Vanaf 1 juli 1983 diende de Stichting in Nederland een mvv aan te vragen voor de toelating en het verblijf van een te adopteren kind, waarbij de naam en geboortedatum van dat kind moesten worden vermeld. Destijds was het voor aspirant-adoptieouders echter nog wel mogelijk om in geval een kind uit de adoptieprocedure werd teruggetrokken, in Sri Lanka te blijven en een ander kind te adopteren. De Stichting voert onweersproken aan dat zij het ministerie van justitie heeft geïnformeerd over de adoptie van [appellant] , nadat het kind waarvoor haar adoptieouders naar Sri Lanka waren gekomen, was teruggetrokken uit de adoptieprocedure. Verder staat vast dat [appellant] vervolgens met medewerking van de Nederlandse ambassade, die van de “ruil” op de hoogte is gesteld, in Colombo legaal is ingereisd in Nederland. Niet valt in te zien welk verwijt de Stichting hier valt te maken.

Ook als de door [appellant] genoemde omstandigheden tezamen en in onderling verband worden bezien, blijkt niet, althans onvoldoende dat de Stichting naar wat toen bekend en aanvaard was, uit deze omstandigheden destijds had moeten afleiden dat de adoptieprocedure van [appellant] niet regelmatig was verlopen en dat haar adoptie niet in haar belang was. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat, zoals hierna wordt overwogen, de Stichting zich naar de destijds geldende maatstaven voldoende heeft ingespannen om achtergrond- en afstammingsgegevens te verkrijgen en destijds geen, althans onvoldoende aanleiding had om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de over [appellant] vergaarde gegevens te twijfelen. Dit geldt ook als deze door [appellant] genoemde omstandigheden rond haar adoptie worden bezien in onderlinge samenhang met alle verder besproken omstandigheden en verwijten.

Verzamelen achtergrond- en afstammingsgegevens

[appellant] verwijt de Stichting dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om zoveel mogelijk achtergrond- en afstammingsgegevens te verzamelen. Bij beoordeling van dit verwijt neemt het hof in aanmerking dat blijkens de toelichting op het Bobp het verzamelen van achtergrond- en afstammingsgegevens onder meer van belang werd geacht omdat “bekend (is) dat steeds meer geadopteerden zich te eniger tijd vragen gaan stellen over hun afkomst en over de redenen waarom zij voor adoptie zijn afgestaan. Het is ook in verband hiermee van het grootste belang dat zoveel mogelijk informatie over hen wordt vergaard en dat deze zorgvuldig wordt bewaard. Het behoeft nauwelijks betoog dat de vergunninghouder in dit opzicht een centrale rol speelt.” In de wetsgeschiedenis van de Wobp is onderkend dat de bemiddelaars voor de verkrijging van die informatie geheel of grotendeels afhankelijk waren van de buitenlandse instanties en dat niet steeds volledige zekerheid kan worden verkregen over de juistheid van de verstrekte gegevens. Zie Kamerstukken II 1987-1988, 20046, nr. 6, p. 11. Zoals hiervoor is overwogen mocht de Stichting in beginsel uitgaan van de juistheid van de bevindingen van de plaatselijke autoriteiten in Sri Lanka ten aanzien van de afstandsverklaring en van de juistheid van hun oordeel dat de adoptie in het belang van het kind was.

De Stichting heeft onbetwist alle gegevens waarover zij beschikte met betrekking tot de adoptie van [appellant] in haar dossier opgenomen en bewaard. Vaststaat dat de Stichting via [naam 1] het geboortebewijs, de medische verklaring, de afstandsverklaring en het adoptievonnis van [appellant] heeft verkregen. Het [bedrijf] -rapport werd alleen aan de rechter in Sri Lanka verstrekt (zie rov. 3.14.2.). De Stichting beschikte verder over een statusrapport van [naam 1] waarin de situatie van de biologische moeder werd omschreven (zie het verwijzingsarrest rov. 2.2 onder (xvii)). De Stichting voert aan dat de van [naam 1] ontvangen kindinformatie over [appellant] geen vragen bij haar opriep; zij kon naar eigen zeggen goed plaatsen dat deze informatie beperkt was vanwege de zeer moeilijke positie van ongehuwde moeders destijds in Sri Lanka (zie rov. 3.8.4.). [appellant] stelt verder niet, althans onvoldoende concreet dat en waarom de Stichting destijds had moeten twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze informatie. Zoals hiervoor is overwogen, had de Stichting destijds geen reden om te veronderstellen dat de informatie die zij kreeg van [naam 1] per definitie onbetrouwbaar was (zie rov. 3.13.11.).

Zoals hiervoor is overwogen heeft de Stichting een afdoende verklaring gegeven voor de punten die [appellant] naar voren brengt over haar adoptiepapieren. Onvoldoende is gebleken dat de Stichting naar de destijds geldende maatstaven deze punten nader had moeten onderzoeken en dat zij, door dit na te laten, zich onvoldoende heeft ingespannen om zoveel mogelijk achtergrond- en afstammingsinformatie te vergaren over [appellant] . Dat geldt temeer nu de Stichting destijds onvoldoende aanleiding had om op basis van de door [appellant] genoemde omstandigheden te veronderstellen dat [bedrijf] ondeugdelijk onderzoek had verricht en dat haar adoptieprocedure bij de rechtbank onregelmatig was verlopen (zie rov. 3.15.5-3.15.6.).

Ook overigens blijkt niet dat de Stichting destijds wist of moest weten dat de achtergrond- en afstammingsgegevens van [appellant] onjuist of onbetrouwbaar waren. Niet blijkt dat de Stichting zich naar de destijds geldende maatstaven meer had moeten inspannen om achtergrond- en afstammingsgegevens van [appellant] te verzamelen dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nader onderzoek te doen.

Slotsom verwijten aan het adres van de Stichting

De slotsom luidt dat [appellant] verwijten aan het adres van de Stichting geen doel treffen. Dat geldt zowel als deze op zichzelf worden gezien als wanneer zij tezamen en in onderling verband worden beschouwd. De Stichting heeft de door [appellant] ingeroepen Wobp-bepalingen en haar uit de Wobp voortvloeiende inspanningsverplichtingen niet geschonden. Evenmin heeft zij onzorgvuldig gehandeld jegens [appellant] . In het licht van hetgeen in beide zaken en hiervoor in de zaak tegen de Stichting is overwogen faalt ook [appellant] verwijt dat de Stichting heeft gehandeld op een manier die de risico’s die aan interlandelijke adoptie waren verbonden, vergrootte.

in de zaak tegen de Staat voorts

In het licht van al het hiervoor overwogene, beoordeelt het hof de verwijten die [appellant] de Staat maakt als volgt.

Verstrekken mvv

Vaststaat dat de Staat feitelijk betrokken was bij de adoptie van [appellant] door het verstrekken van een mvv voor haar. [appellant] stelt dat de Staat toen op de hoogte is geraakt van waarschuwingssignalen van misstanden bij haar adoptie omdat aan de hand van haar adoptiepapieren te zien was dat zij toen nog geen zes weken oud was en duidelijk was dat zij was ‘geruild’ omdat voor het vertrek van haar adoptieouders naar Sri Lanka een mvv was gevraagd voor een ander kind. Zoals in de zaak tegen de Stichting is overwogen, blijkt niet dat [appellant] naar de destijds bestaande kennis en maatstaven te jong was om uit Sri Lanka te worden geadopteerd (zie rov. 3.15.4.). Verder konden aspirant-adoptieouders destijds ervoor kiezen langer te blijven als een kind werd teruggetrokken uit de adoptieprocedure en – indien een ander kind ter adoptie werd aangeboden – met een ander kind te vertrekken dan waarvoor zij naar Sri Lanka waren gekomen en waarvoor (de eerste) mvv was aangevraagd (zie rov. 3.15.10.). Onbetwist is dat de Stichting hierover open kaart heeft gespeeld tegenover de Nederlandse ambassade en dat [appellant] daarna legaal Nederland is ingereisd. Het feit dat de Staat, althans de ambassade ter plaatse, heeft geweten dat [appellant] in de plaats van een ander kind zou worden geadopteerd, biedt onvoldoende grond voor de conclusie dat de Staat ter zake een verwijt valt te maken.

In 1992 kon op basis van het Sri Lankaanse adoptievonnis ervan worden uitgegaan dat naar Nederlandse maatstaven op een aanvaardbare wijze afstand was gedaan van [appellant] (zie rov. 3.8.3.). Uit dat vonnis volgt voorts dat Sri Lankaanse autoriteiten instemden met de adoptie, zoals vereist in art. 8 Wobp. Niet blijkt dat de Staat in de gegeven omstandigheden, naar de destijds bestaande kennis en maatstaven, gehouden was om bij gebreke van concrete signalen van (mogelijke) misstanden bij haar adoptie in Sri Lanka nader onderzoek te verrichten alvorens een mvv voor haar te verstrekken. [appellant] stelt verder niets concreets tegenover het standpunt van de Staat dat er geen grond was voor weigering van een mvv voor [appellant] .

Toezichtsfalen?

[appellant] verwijt de Staat voorts concreet toezichtsfalen, dat wil zeggen niet handelen terwijl er voldoende ernstige en concrete aanwijzingen bestonden om (de mogelijkheid van) de overtreding van de betrokken regel en het daaruit voortvloeiende risico op schade aan te nemen. Zij stelt dat de Staat bij zijn toezichtshandelingen (vergunningverlening, inspectiebezoeken en tweemaandelijkse besprekingen) duidelijk signalen had dat de Stichting haar uit de Wobp voortvloeiende verplichtingen niet nakwam. Haar stellingen strekken mede ertoe te betogen dat bij (eerder) ingrijpen door de Staat in het kader van zijn toezichthoudende taak, de Stichting niet zou hebben bemiddeld bij haar adoptie.

Op grond van art. 25 lid 1 Wobp had de Staat tot taak toezicht te houden op de naleving door de Stichting van de verplichtingen gesteld bij of krachtens de artikelen 16 en 20 tot en met 23 Wobp. Net als het met de Wobp ingevoerde vergunningstelsel, strekt dit toezicht ertoe dat interlandelijke adopties op een verantwoorde wijze verlopen. Bij de uitvoering van deze taak en het gebruik van de daarbij behorende bevoegdheden komt de Staat, gelet op de aard van die taak en bevoegdheden, in beginsel een grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid toe, waarbij tevens meeweegt dat de financiële middelen niet onbeperkt zijn. Het handelen van de Staat als toezichthouder moet dan ook terughoudend worden onderzocht op onrechtmatigheid. Uit de toepasselijke regelgeving volgt niet dat op de Staat als toezichthouder de plicht rust om indringend te toetsen of de Stichting zich in een concreet geval van adoptie aan de wettelijke normen hield (zie hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7.9-7.10).

Niet is gebleken dat de Staat in de periode dat hij op grond van de Wobp toezicht uitoefende op de Stichting naar de destijds bestaande kennis en maatstaven voldoende ernstige en concrete aanwijzingen had dat de Stichting zich niet aan haar wettelijke verplichtingen hield. In de zaak tegen de Stichting is geoordeeld dat de Stichting de artikelen 16 lid 4 en 20 lid 3 Wobp niet heeft geschonden. Voorts zijn de (destijds bij de Staat bekende) algemene signalen van ernstige misstanden bij adopties vanuit Sri Lanka, waarop [appellant] wijst, op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de Staat als toezichthouder heeft gefaald (zie verwijzingsarrest rov. 3.3.2). Ook als deze signalen worden bezien in samenhang met de in 1987 bij de Staat bekende arrestatie van [naam 3] – die voor de Stichting reden was de samenwerking met haar te verbreken – en de destijds toegelaten en aanvaardbaar bevonden samenwerking van de Stichting met lokale commerciële bemiddelaars, had de Staat onvoldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de Stichting zich niet aan haar wettelijke verplichtingen hield. Ook overigens stelt [appellant] op dit punt onvoldoende.

Regelgevingsfalen?

Subsidiair beroept [appellant] zich op regelgevingsfalen. Zij stelt dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de Wobp en Bobp op deze wijze tot stand te brengen. Waar het gaat om de Wobp stuit dit betoog af op het in art. 120 Grondwet neergelegde toetsingsverbod. In het Bopb is bij algemene maatregel van bestuur uitvoering gegeven aan het bepaalde in art. 5 lid 2 Wobp. Niet gesteld of gebleken is dat de regels van het Bobp strijdig zijn met hogere regelgeving. Ook is niet gebleken dat de regelgever, in aanmerking genomen de belangen die ten tijde van de totstandbrenging van het besluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het desbetreffende voorschrift heeft kunnen komen. Uit de stellingen van [appellant] volgt evenmin dat in haar geval de toepassing van concrete regels uit het Bobp strijdig is met hoger recht, algemene rechtsbeginselen of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waardoor de besluitvorming niet evenredig zou zijn geweest, zodat die regels buiten toepassing dienen te blijven. Het beroep op regelgevingsfalen wordt daarom gepasseerd.

Ook overigens geen onrechtmatig handelen Staat en slotsom

[appellant] op art. 8 EVRM gestoelde betoog over haar overkomst naar Nederland komt in rov. 3.23 aan de orde. Wat [appellant] verder stelt over onzorgvuldig handelen van de Staat door te handelen in strijd met de op hem rustende verplichtingen uit art. 8 EVRM is te algemeen van aard. Het is aan haar om concreet aan te geven in welk opzicht de daaruit voortvloeiende (positieve of negatieve) verplichtingen door de Nederlandse overheid in het verdragsgebied zijn geschonden. Ook dit kan niet leiden tot het oordeel dat de Staat jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

in beide zaken

Uit het voorgaande volgt dat de verwijten van [appellant] aan het adres van de Stichting en de Staat geen doel treffen. [appellant] kan ook niet worden gevolgd in haar op de hiervoor besproken verwijten en omstandigheden gestoelde betoog dat de Stichting en de Staat haar overkomst naar Nederland hebben bevorderd terwijl zij wisten, dan wel behoorden te weten dat zij hiermee de fundamentele rechten van [appellant] zouden schenden. Haar betoog dat de door haar genoemde feiten en omstandigheden rond haar adoptie in Sri Lanka en overbrenging naar Nederland – voor zover deze destijds bekend waren of moesten zijn bij de Stichting en de Staat – hen ertoe hadden moeten brengen af te zien van (hun medewerking aan) haar adoptie of in ieder geval nader onderzoek te verrichten gaat niet op.

[appellant] vorderingen strekkend tot een verklaring voor recht en veroordeling van de Stichting en de Staat tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat zijn niet toewijsbaar. Het beroep op verjaring van de Stichting kan onbesproken blijven. Bij (verdere) bespreking van de grieven bestaat geen belang. Er is geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag zal worden bekrachtigd. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep zoals hierna in het dictum vermeld.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 september 2020;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden

aan de zijde van de Stichting voor de procedure bij het hof Den Haag vastgesteld op € 760,- aan griffierecht en € 3.342,- aan salaris advocaat (3 punten tarief II à € 1.114,- per punt) en voor de procedure bij dit hof vastgesteld op € 851,- aan griffierecht en € 2.580,- aan salaris advocaat (2 punten tarief II à € 1.290,- per punt) en

aan de zijde van de Staat voor de procedure bij het hof Den Haag vastgesteld op € 760,- aan griffierecht en € 3.342,- aan salaris advocaat (3 punten tarief II à € 1.114,- per punt) en voor de procedure bij dit hof vastgesteld op € 851,- aan griffierecht en € 2.580,- aan salaris advocaat (2 punten tarief II à € 1.290,- per punt), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na heden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, D. Kingma en M.A.M. Vaessen en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?