GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.321.659/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/710587/ HA ZA 21-1041
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellant] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. B.W. Brouwer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,
advocaat: mr. J. van Zinderen te Utrecht.
Partijen worden hierna [geïntimeerde] en [appellant] genoemd.
1. De zaak in het kort
Partijen hebben samengewerkt bij de exploitatie van een hotel met een restaurant en hebben daartoe een management- en exploitatieovereenkomst gesloten. [geïntimeerde] heeft deze opgezegd. In het tussenarrest is geoordeeld dat die opzegging niet rechtsgeldig is en dat [appellant] aanspraak heeft op vervangende schadevergoeding. Het hof benoemt een deskundige met het oog op de begroting van deze schade.
2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Op 11 februari 2025 is in deze zaak een tussenarrest gewezen. Daarna hebben partijen zich gelijktijdig bij akte uitgelaten. Vervolgens heeft [appellant] een akte met producties genomen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. De verdere beoordeling
In het tussenarrest is geoordeeld dat [geïntimeerde] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat [appellant] aanspraak heeft op vervangende schadevergoeding. Het hof is van plan om een deskundige te benoemen ter beantwoording van vragen over de hypothetische situatie van voortzetting door partijen van de Exploitatie (het hotel en het restaurant zoals dat functioneerde op 24 september 2021 (te weten Italiaans restaurant Diga)) op grond van de overeenkomst. Partijen hebben zich uitgelaten over de voorgenomen vragen en de persoon van de deskundige.
Verzoek [geïntimeerde] om terug te komen van bindende eindbeslissingen
[geïntimeerde] verzoekt in haar akte ook om terug te komen van de in het tussenarrest opgenomen bindende eindbeslissing dat er geen sprake is van fraude of bedrog in de zin van artikel 4.2 sub c van de overeenkomst. Zij betoogt dat de onder 3.3.2 in het tussenarrest bedoelde Side Letter een ‘schoolvoorbeeld’ is van fraude zoals partijen dat in de hiervoor bedoelde bepaling van de overeenkomst hebben bedoeld en bovendien in strafrechtelijke zin kwalificeert als bedrog. Ook is volgens [geïntimeerde] in het tussenarrest ten onrechte overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarde in artikel 4.2 sub c van de overeenkomst dat het bedrog of de fraude ten koste moet zijn gegaan van de Exploitatie.
De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.
Dergelijke gronden om terug te komen van de door [geïntimeerde] bestreden bindende eindbeslissingen in het tussenarrest ontbreken naar het oordeel van het hof. Wat zij aanvoert ter onderbouwing van haar verzoek komt neer op een heropening van het debat over punten die zijn afgedaan met de bestreden eindbeslissingen. Een dergelijke bestrijding van de bestreden eindbeslissingen hoort thuis in cassatie. Het hof komt dan ook niet terug van de bindende eindbeslissingen waar [geïntimeerde] het niet mee eens is.
Benoeming deskundige
In het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat partijen tot uitgangspunt nemen dat de vervangende schadevergoeding bestaat uit de overeengekomen aanspraak van [appellant] op winstderving en revPAR in de hypothetische situatie. Zij gaan allebei ervan uit dat de Exploitatie in het eerste jaar (1 mei 2021 – 1 mei 2022) niet winstgevend zou zijn, maar verschillen van mening over de winstgevendheid van de Exploitatie vanaf het tweede jaar in de hypothetische situatie.
Het hof heeft in het tussenarrest het voornemen uitgesproken om een deskundige te benoemen ter beantwoording van vragen over de hypothetische situatie van voortzetting door partijen van de Exploitatie (het hotel en het restaurant zoals dat functioneerde op 24 september 2021 (te weten Italiaans restaurant Diga)) op grond van de overeenkomst. De feitelijk doorgevoerde wijzigingen in de Exploitatie van het hotel en/of het restaurant zijn niet relevant. Wel relevant zijn de feitelijke omstandigheden waar de Exploitatie van het tweede tot en met het tiende jaar mee te maken zou hebben gehad, zoals de Corona-maatregelen.
Met inachtneming van de opmerkingen van partijen over de voorgenomen vragen, luiden de vragen die aan de deskundige zullen worden gesteld als volgt:
Zou naar uw inschatting de [bedrijf] in het tweede jaar (1 mei 2022 – 1 mei 2023) winstgevend zijn geweest?
Zo ja, zou naar uw inschatting vanaf het tweede tot en met het tiende jaar (1 mei 2022 – 1 mei 2031):
(a) een jaarlijkse [bedrijf] netto omzet van (rond de) € 2.212.630,00 haalbaar zijn geweest? Indien dit niet het geval is: wat is naar uw inschatting, zo nodig opgesplitst per jaar of delen van de periode, een haalbare jaarlijkse omzet in deze periode?
(b) wat voor jaarlijkse EBIT zou gedurende de looptijd van de overeenkomst vanaf het tweede jaar realistisch zijn (geweest)?
(c) welke Revpar zou vanaf het tweede jaar haalbaar zijn geweest? Zou de hotelexploitatie vanaf het tweede jaar winstgevend zijn geweest (in de zin dat de winst meer dan € 1 per jaar zou bedragen)?
3. Heeft u nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?
Het hof ziet geen aanleiding om de door [geïntimeerde] voorgestelde aanvullende vragen te stellen aan de deskundige.
Met inachtneming van de uitlatingen van partijen wordt als deskundige benoemd:
[naam] .
De deskundige heeft een opgave gedaan van de naar verwachting aan het onderzoek verbonden kosten. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op deze opgave. Hiervan hebben zij gebruik gemaakt. Het hof zal het voorschot bepalen op het door de deskundige begrote bedrag van € 38.022,67 (inclusief btw).
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over wie met het voorschot dient te worden belast en verzoeken het hof hierover te beslissen. Op grond van art. 187 Rv dient [appellant] het voorschot te voldoen. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] of partijen tezamen aan te wijzen om het voorschot te voldoen, zoals [appellant] voorstelt.
Nadat de deskundige zijn rapport bij het hof heeft ingediend, zal het hof partijen in de gelegenheid stellen gelijktijdig bij memorie op het deskundigenbericht te reageren. Vervolgens zullen partijen op elkaars memorie kunnen reageren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rov. 3.5 geformuleerde vragen;
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
[naam] ,
[straat + nummer] ,
[postcode + plaats]
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) het procesdossier aan de deskundige ter beschikking zullen stellen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op € 38.022,67 (inclusief btw);
bepaalt dat [appellant] het voorschot zal voldoen binnen twee weken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
bepaalt dat de deskundige pas met het onderzoek begint nadat hij van de griffier bericht heeft ontvangen dat het voorschot, als hiervoor genoemd, volledig is betaald;
wijst erop dat bij de uitvoering van het onderzoek de Leidraad deskundigen in civiele zaken, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, in acht dient te worden genomen;
wijst partijen erop dat zij verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek door de deskundige door onder meer de inlichtingen te verstrekken waarom hij vraagt;
bepaalt dat de deskundige zijn concept-rapport aan partijen zal toesturen en hen in de gelegenheid zal stellen om binnen vier weken daarop te reageren, en dat in het definitieve rapport de reacties worden weergegeven en door de deskundige worden besproken;
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid krijgen op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
verzoekt de deskundige een schriftelijk, ondertekend en met redenen omkleed deskundigenbericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt dat de deskundige tegelijk met het deskundigenbericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van ‘zaaknummer 200.321.659/01 ( [appellant] / [geïntimeerde] )’;
bepaalt de termijn waarbinnen het deskundigenbericht ter griffie van dit hof moet worden ingeleverd op vier maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2026 in afwachting van het deskundigenbericht;
bepaalt dat partijen vier weken daarna bij memorie gelijktijdig op het deskundigenbericht zullen kunnen reageren en dat zij vervolgens vier weken daarna op elkaars memories kunnen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van Eekeren, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.