afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000630-24
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-845104-15 tegen de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1951,
adres: [adres] .
Procesgang
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2016 veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van flessentrekkerij, meermalen gepleegd.
Namens de betrokkene is op 1 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis.
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg bij ontnemingsvordering van 1 augustus 2017 gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 48.666,82. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie dit bedrag verlaagd tot € 34.088,82.
De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019 veroordeeld voor – kort gezegd – telkens het medeplegen van flessentrekkerij. Dit arrest is op 21 december 2021 onherroepelijk geworden.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 29 februari 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 28.992,70 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.093,43 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is op 14 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Grondslag van de ontnemingsvordering
De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld voor het – kort gezegd – in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 4 november 2014 en in de periode van 21 januari 2014 tot en met 1 september 2014 medeplegen van flessentrekkerij. De betrokkene en zijn medebetrokkene(n) bestelden goederen bij verschillende leveranciers, kregen de goederen geleverd, maar betaalden de inkoopfacturen van de leveranciers vervolgens niet. Deze uit de flessentrekkerij verkregen goederen werden vervolgens (door)verkocht aan derden voor een lager bedrag dan de inkoopprijs. De hiermee gegenereerde opbrengst ziet het hof als wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkenen. Voor de flessentrekkerij maakten de betrokkenen gebruik van rechtspersonen waarmee de goederen werden besteld, zogenoemde ‘plof-bv’s’. Voor een aantal betrokkenen is in rechte vastgesteld dat zij hieraan hebben deelgenomen in een samenwerkingsverband dat als criminele organisatie is aangemerkt. Dit geldt niet voor de betrokkene. De betrokkene is veroordeeld voor flessentrekkerij middels de rechtspersonen/plof-bv’s [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ). Het hof acht het, gelet op het voorgaande, aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de strafbare feiten waarvoor hij in het strafarrest onherroepelijk is veroordeeld. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft op 26 januari 2026 een schriftelijke conclusie ingediend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal in afwijking van die conclusie gevorderd dat in het voordeel van de betrokkene de huurkosten voor het pand waarin [bedrijf 2] was gevestigd worden geschat op € 2.000,00 per maand gedurende een periode van zeven maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, gelet op de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep, de helft van het bedrag dat de betrokkene zou hebben betaald aan de benadeelde partijen in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit resulteert in een aftrek van € 4.952,00. Voor het overige heeft de advocaat-generaal gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op € 23.019,70 en dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 20.715,03.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep enkel verweer gevoerd ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de rechtspersoon [bedrijf 2] . De raadsman heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil dient te worden geschat en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De geraamde kosten zijn te laag ingeschat. De kosten zoals vermeld in de pleitnotities, evenals de twee vorderingen van de benadeelde partijen die door de betrokkene zijn betaald, dienen in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het uit [bedrijf 2] genoten wederrechtelijk voordeel dient pondspondsgewijs te worden verdeeld over de betrokkene, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . De raadsman heeft op de zitting in hoger beroep – indien het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit [bedrijf 2] niet over de vier genoemde personen maar alleen over de betrokkene en [betrokkene 1] verdeelt – verzocht [betrokkene 3] als getuige te horen.
Oordeel van het hof
Opbrengst
Evenals de advocaat-generaal en de verdediging gaat het hof bij de schatting van de opbrengst van de flessentrekkerij uit van wat is vermeld in het ontnemingsrapport. Het hof acht aannemelijk dat het bij de in het ontnemingsrapport genoemde bedragen om wederrechtelijk verkregen voordeel gaat.
De opbrengst wordt eerst voor de betrokkenen als geheel berekend en daarna wordt de opbrengst onder hen verdeeld.
De opbrengst van de betrokkenen bestaat uit een percentage van de waarde van de niet voldane inkoopfacturen. Het totaalbedrag (exclusief btw) van de inkoopfacturen van [bedrijf 1] is € 452.080,89 en het totaalbedrag (exclusief btw) van de inkoopfacturen van [bedrijf 2] is € 215.172,91. Er wordt gerekend exclusief btw, aangezien de betrokkenen de in rekening gebrachte btw niet hebben afgedragen. In het onderzoek is geen administratie aangetroffen waaruit kan blijken welke opbrengst bij de verkoop van de frauduleus verkregen goederen is behaald. Gelet op diverse verklaringen van onder andere [naam 1] en [naam 2] en een document waarop de fraude middels [bedrijf 1] is uitgewerkt, wordt in de berekening voor zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] uitgegaan van een opbrengstpercentage van 35% van de inkoopfacturen, exclusief btw.
De betrokkenen hebben ook goederen aangeschaft ten behoeve van de professionele uitstraling van de rechtspersonen, zoals kantoormeubilair. De inkoopfacturen van deze goederen zullen buiten beschouwing worden gelaten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de goederen niet zijn doorverkocht en dus geen opbrengst hebben gegenereerd. Nu ook deze goederen niet zijn betaald door de betrokkenen, zullen de inkoopfacturen niet als kostenpost in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag van € 152,50, dat door de raadsman is genoemd als bedrag waarvoor goederen zijn aangeschaft ten behoeve van de professionele uitstraling van [bedrijf 1] , zal bij de berekening van de bruto opbrengst op het totaalbedrag van de inkoopfacturen in mindering worden gebracht.
Bij doorzoekingen op 4 november 2014 in diverse loodsen van [bedrijf 1] zijn goederen in beslag genomen ter waarde van € 117.627,00, inclusief btw. Blijkens een door de curator opgemaakte creditnota-lijst bestaan die voor € 90.093,81 exclusief btw aan teruggegeven goederen en blijkens een factuur van deze curator voor € 7.465,00 exclusief btw aan veilingopbrengst, samen € 97.558,81 exclusief btw. Aangezien de betrokkenen deze goederen niet hebben kunnen doorverkopen, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de opbrengst van [bedrijf 1] .
De betrokkenen hebben middels [bedrijf 2] goederen besteld bij meubelbedrijf [bedrijf 3] , maar (gedeeltelijk) niet betaald. Uit het dossier blijkt dat een aantal goederen door [bedrijf 3] is teruggehaald, zodat de betrokkenen die goederen niet hebben kunnen doorverkopen. In het voordeel van de betrokkene zal het totaalbedrag van de inkoopfacturen van meubelbedrijf [bedrijf 3] , te weten € 14.834,98, in mindering worden gebracht op het totaalbedrag van de inkoopfacturen van [bedrijf 2] .
De opbrengst van de betrokkenen per rechtspersoon kan als volgt worden berekend.
Kosten [bedrijf 1]
Overeenkomstig het ontnemingsrapport en net als de advocaat-generaal en de verdediging brengt het hof de huur van loodsen en kantoren (€ 13.219,15), de kosten voor autohuur (€ 6.041,20), de kosten voor chauffeurs (€ 3.400,00) en overige kosten bestaande uit onder andere overnamekosten en kosten voor website hosting (€ 2.000,00) in mindering op de opbrengst.
Het hof is evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat op de opbrengst van [bedrijf 1] ook de in het ontnemingsrapport buiten beschouwing gelaten kosten voor personeel (€ 1.500,00) in mindering dienen te worden gebracht.
Na aftrek van voornoemde kosten is de netto opbrengst van [bedrijf 1] € 97.869,00.
Kosten [bedrijf 2]
Huur bedrijfsruimte
De verdediging heeft bepleit dat een bedrag van € 15.000,00 aan betaalde huur voor de bedrijfsruimte van [bedrijf 2] in mindering dient te worden gebracht op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat in het begin van de huurperiode € 850,00 aan huur werd betaald en dat tegen het einde van de huurperiode € 2.250,00 à € 2.500,00 werd betaald vanwege stapsgewijs het gebruik van meer vierkante meters van het pand. Volgens de betrokkene komt dat neer op gemiddeld € 2.100,00 à € 2.000,00 per maand. Omdat er geen betalingsbescheiden zijn aangetroffen van gemaakte kosten voor de huur van een bedrijfsruimte voor [bedrijf 2] , is in het ontnemingsrapport een stelpost van in totaal € 7.000,00 (€ 1.000,00 per maand, gedurende zeven maanden) in acht genomen, gebaseerd op de bedragen die de andere rechtspersonen hebben betaald voor de huur van bedrijfsruimten. Gelet op de door de betrokkene genoemde bedragen en de in het ontnemingsrapport in acht genomen stelpost acht het hof het aannemelijk dat er gemiddeld € 1.500,00 aan huur per maand is betaald, gedurende zeven maanden. Het hof stelt de totale kosten voor de huur van de bedrijfsruimte op (7 x € 1.500,00 =) € 10.500,00. Deze kosten worden in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Chauffeurskosten
Overeenkomstig het ontnemingsrapport en net als de advocaat-generaal en de verdediging zal het hof de chauffeurskosten van € 2.200,00 in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Kosten [naam 3]
heeft werkzaamheden verricht voor [bedrijf 2] , waaronder het inrichten van de werkplekken en het installeren van software. Hij heeft verklaard dat hij van de € 17.000,00 die hij in rekening heeft gebracht, € 9.000,00 heeft ontvangen. Het hof zal € 9.000,00 in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet daarop zal het hof ten aanzien van [bedrijf 2] geen ‘overige kosten’ in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals die wel bij [bedrijf 1] in acht zijn genomen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat in mindering dienen te worden gebracht een bedrag van € 12.500,00 voor de gehele inboedel die is afgelost voordat tot verdeling van winst kon komen én een bedrag van € 2.500,00 voor de aanbetaling van een busje. Die kosten zijn door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet daarop zijn deze kosten naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden en komen de kosten niet voor aftrek in aanmerking.
Na aftrek van voornoemde kosten is de netto opbrengst van [bedrijf 2] € 48.418,28.
Verdeling
[bedrijf 1]
Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging gaat het hof voor de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de betrokkenen uit van een schriftelijk stuk waarin de verdeling van de opbrengst is vermeld. In dit stuk staat beschreven dat 5% van de opbrengst naar ‘Inkoper 2’ gaat, door de ontnemingsrapporteur aangewezen als zijnde de betrokkene.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uit [bedrijf 1] is € 4.893,45 (5% van € 97.869,00).
[bedrijf 2]
Bij [bedrijf 2] waren naast de betrokkene ook [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] betrokken. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen voor een andere verdeling van de opbrengst dan op basis van gelijke verdeling. Het hof zal gelet daarop de opbrengst van [bedrijf 2] pondspondsgewijs verdelen onder voornoemde betrokkenen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uit [bedrijf 2] is € 12.104,57 (25% van € 48.418,28).
Nu het hof de door de verdediging voorgestelde verdeling volgt, wordt niet voldaan aan de voorwaarde van het getuigenverzoek, zodat het hof op dit verzoek niet hoeft te beslissen.
Vorderingen van benadeelde partijen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de twee vorderingen van de benadeelde partijen die door de betrokkene zijn betaald, in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof ziet geen aanleiding om de vorderingen van de benadeelde partijen in mindering te brengen op de betalingsverplichting, nu niet is gebleken of anderszins is onderbouwd dat die vorderingen door de betrokkene daadwerkelijk zijn voldaan. Het staat de betrokkene vrij om op de voet van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een verzoek tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting te doen.
Conclusie
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat de betrokkene heeft genoten wordt geschat op (€ 4.893,45 + € 12.104,57 =) € 16.998,02.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Draagkracht
De verdediging heeft in het kader van de betalingsverplichting aangevoerd dat de betrokkene, gelet op zijn beperkte inkomsten (AOW), zijn leeftijd en zijn broze gezondheid, geen draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen en dat dit in de toekomst niet meer gaat veranderen.
In een ontnemingszaak kan de draagkracht van de betrokkene alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien ter terechtzitting voldoende concreet onderbouwd wordt aangevoerd dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft, dan wel zal krijgen. De betrokkene zal dan gemotiveerd en zo mogelijk aan de hand van bescheiden volledige openheid van financiële zaken moeten geven. Aan deze voorwaarde voldoet het verzoek niet. Daarom gaat het hof hieraan voorbij. De (toekomstige) draagkracht van de betrokkene kan in de executiefase aan de orde worden gesteld.
Redelijke termijn
De redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg overschreden.
De ontnemingsvordering is door de officier van justitie aangekondigd op de zitting van 10 oktober 2016 en het vonnis is uitgesproken op 29 februari 2024. Het gaat daarmee om een overschrijding van vijf jaren en ruim vier maanden. Het hof ziet aanleiding deze forse overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de betalingsverplichting.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,00.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 16.998,02 (zestienduizend negenhonderdachtennegentig euro en twee cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 150 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.
Mrs. Loyson en Geensen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]