afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000575-24
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 13-845079-14 tegen de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
adres: [adres].
Procesgang
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2016 veroordeeld voor – kort gezegd – als oprichter en leider deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van flessentrekkerij.
Namens de betrokkene is op 14 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis.
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg bij ontnemingsvordering van 1 augustus 2017 gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 216.879,29. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie dit bedrag verlaagd tot € 103.045,44.
De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019 veroordeeld voor – kort gezegd – als leider deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van flessentrekkerij. Dit arrest is op 21 december 2021 onherroepelijk geworden.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 29 februari 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 109.939,36 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 104.939,36 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is op 11 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Grondslag van de ontnemingsvordering
De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld voor – kort gezegd – in de periode van 1 januari 2011 tot en met november 2014 als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk faillissementsfraude en flessentrekkerij, en in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 4 november 2014 het medeplegen van flessentrekkerij. De betrokkene en zijn medebetrokkene(n) bestelden goederen bij verschillende leveranciers, kregen de goederen geleverd, maar betaalden de inkoopfacturen van de leveranciers vervolgens niet. Deze uit de flessentrekkerij verkregen goederen werden vervolgens (door)verkocht aan derden voor een lager bedrag dan de inkoopprijs. De hiermee gegenereerde opbrengst ziet het hof als wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkenen. Voor de flessentrekkerij maakte de criminele organisatie gebruik van rechtspersonen waarmee de goederen werden besteld, zogenoemde ‘plof-bv’s’. De betrokkene is veroordeeld voor betrokkenheid bij de rechtspersonen/plof-bv’s [bedrijf 1] BV, [bedrijf 2] BV, [bedrijf 3] BV, [bedrijf 4] BV, [bedrijf 5] BV, [bedrijf 6] NV, [bedrijf 7] BV, [bedrijf 8] CV, [bedrijf 9] BV, [bedrijf 10] BV, [bedrijf 11] BV en [bedrijf 12] BV (hierna telkens vermeld zonder de rechtsvorm). Het hof acht het, gelet op het voorgaande, aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de strafbare feiten waarvoor hij in het strafarrest onherroepelijk is veroordeeld. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft op 26 januari 2026 een schriftelijke conclusie ingediend. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij die conclusie en gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op € 109.939,36 en dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 104.939,36.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil dient te worden geschat en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor de verdeling van de opbrengst onder de leden van de criminele organisatie dient de verklaring van de betrokkene te worden gehanteerd, in het dossier aangeduid als ‘optie 2’. Aan de door de rechtbank gehanteerde ‘optie 1’ die gebaseerd is op verklaringen van [naam 3], [naam 4] en [naam 1] dient te worden voorbijgegaan. Verder dienen de kosten en bedragen zoals vermeld in de pleitnotities, evenals de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen voor 1 januari 2014 inclusief de wettelijke rente, in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Oordeel van het hof
Opbrengst
Evenals de advocaat-generaal en de verdediging gaat het hof bij de schatting van de opbrengst van de flessentrekkerij uit van wat is vermeld in het ontnemingsrapport. Het hof acht aannemelijk dat het bij de in het ontnemingsrapport genoemde bedragen om wederrechtelijk verkregen voordeel gaat en neemt deze bedragen grotendeels over.
De opbrengst voor de criminele organisatie wordt eerst als geheel berekend en daarna wordt de opbrengst verdeeld onder de leden van de organisatie.
De opbrengst van de criminele organisatie bestaat uit een percentage van de waarde van de niet voldane inkoopfacturen, exclusief btw. Er wordt gerekend exclusief btw, aangezien de criminele organisatie de in rekening gebrachte btw niet heeft afgedragen. In het onderzoek is geen administratie aangetroffen waaruit kan blijken welke opbrengst bij de verkoop van de frauduleus verkregen goederen is behaald. Gelet op diverse verklaringen van onder andere [naam 1] en de betrokkene en een document waarop de fraude middels [bedrijf 4] is uitgewerkt, wordt in de berekening uitgegaan van een opbrengstpercentage van 35% van de inkoopfacturen, exclusief btw.
In afwijking van het ontnemingsrapport neemt het hof de opbrengst die middels de plof-bv’s [bedrijf 13] BV en [bedrijf 14] BV is gegenereerd niet mee in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de betrokkene is vrijgesproken van deelnemingshandelingen ten aanzien van deze rechtspersonen.
De criminele organisatie heeft ook goederen aangeschaft ten behoeve van de professionele uitstraling van de rechtspersonen, zoals kantoormeubilair. De inkoopfacturen van deze goederen zullen buiten beschouwing worden gelaten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de goederen niet zijn doorverkocht en dus geen opbrengst hebben gegenereerd. Nu ook deze goederen niet zijn betaald door de criminele organisatie, zullen de inkoopfacturen niet als kostenpost in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De bedragen die de raadsman in producties 1 en 2 van zijn pleitnota heeft genoemd, betreffende de waarde van de inkoopfacturen van goederen die zijn aangeschaft ten behoeve van de professionele uitstraling van de rechtspersonen, worden dus buiten de kostenberekening gelaten. Deze bedragen zullen bij de berekening van de bruto opbrengst op de totaalbedragen van de inkoopfacturen per rechtspersoon in mindering worden gebracht. Het betreft € 3.316,00 ([bedrijf 1]), € 830,14 ([bedrijf 2]), € 16.349,20 ([bedrijf 3]), € 152,50 ([bedrijf 4]), € 4.518,60 ([bedrijf 6]), € 3.421,96 ([bedrijf 7]), € 6.428,87 ([bedrijf 8]), € 1.800,16 ([bedrijf 9]), € 1.909,52 ([bedrijf 10]), € 922,45 ([bedrijf 11]) en € 1.903,64 ([bedrijf 12]).
Bij doorzoekingen op 4 november 2014 in diverse loodsen van [bedrijf 4] zijn goederen in beslag genomen ter waarde van € 117.627,00, inclusief btw. Blijkens een door de curator opgemaakte creditnota-lijst bestaan die voor € 90.093,81 exclusief btw aan teruggegeven goederen en blijkens een factuur van deze curator voor € 7.465,00 exclusief btw aan veilingopbrengst, samen € 97.558,81 exclusief btw. Aangezien de criminele organisatie deze goederen niet heeft kunnen doorverkopen, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de opbrengst van [bedrijf 4].
De opbrengst van de criminele organisatie per rechtspersoon kan als volgt worden berekend.
Kosten
Overeenkomstig het ontnemingsrapport en net als de advocaat-generaal en de verdediging brengt het hof de huur van loodsen en kantoren, de huur van boxen, de kosten voor autohuur, de kosten voor chauffeurs en een stelpost van € 2.000,00 per rechtspersoon voor overige kosten in mindering op de opbrengst. Dit levert het volgende overzicht op.
Het hof is evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat op de opbrengst van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] ook de in het ontnemingsrapport buiten beschouwing gelaten kosten voor personeel (respectievelijk € 800,00 en € 1.500,00) in mindering dienen te worden gebracht. Ook dienen de extra kosten aan huur ten behoeve van een pand van [bedrijf 9], te weten € 2.677,50, in mindering te worden gebracht op de opbrengst van [bedrijf 9].
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de criminele organisatie brandstof voor de gehuurde busjes heeft betaald en een maandelijks bedrag aan [naam 2] heeft betaald voor het overnemen van de rechtspersonen. Deze kosten, begroot op respectievelijk € 17.500,00 en € 2.104,29, dienen in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, aldus de raadsman. Het hof stelt vast dat Akyuz heeft verklaard dat hij twee of drie keer tussen de € 1.500,00 en € 2.000,00 ontving voor het overnemen van de rechtspersonen. Gelet op die verklaring zal het hof € 4.500,00 (3 x € 1.500,00) in mindering brengen op de opbrengst. Daarnaast acht het hof aannemelijk dat de criminele organisatie brandstofkosten heeft gemaakt voor de door hen gehuurde busjes. Het door de verdediging genoemde bedrag van € 2.104,29 zal in mindering worden gebracht op de opbrengst. Omdat de overnamekosten en brandstofkosten niet zijn gespecificeerd per rechtspersoon, zullen deze kosten bij elkaar worden opgeteld en als ‘extra kosten’ evenredig worden verdeeld over de twaalf rechtspersonen. Er wordt dus een bedrag van € 550,36 ((€ 4.500,00 + € 2.104,29) / 12) bij elke rechtspersoon in mindering gebracht.
Ten slotte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aanvullende chauffeurskosten voor [bedrijf 6] en [bedrijf 1] (€ 4.100,00) en de waarde van goederen die ten name van [bedrijf 15] in beslag zijn genomen (€ 38.500,00) in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof is van oordeel dat, mede gelet op het gebrek aan onderbouwing, niet aannemelijk is geworden dat de aanvullende chauffeurskosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarnaast geldt dat [bedrijf 15] niet als onderdeel van de criminele organisatie is aangemerkt en niet valt in te zien waarom kosten voor die onderneming in de beoordeling moeten worden betrokken. De aangevoerde bedragen zullen dan ook niet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Na aftrek van voornoemde kosten is de netto opbrengst per rechtspersoon als volgt.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie is € 473.411,47.
Verdeling
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep als gezegd bepleit dat voor de verdeling van de opbrengst onder de leden van de criminele organisatie de verklaring van de betrokkene dient te worden gehanteerd, in het dossier aangeduid als ‘optie 2’. De andere optie voor de verdeling, ‘optie 1’, is gebaseerd op de verklaringen van [naam 3], [naam 4] en [naam 1]. Volgens de raadsman hebben zij verklaringen afgelegd die gunstig zijn voor de familie [familie] en dient alleen al daarom voor optie 2 te worden gekozen. Bovendien wordt de verklaring van de betrokkene ondersteund door het schriftelijk stuk dat over de verdeling van winst gaat, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit [bedrijf 4] gaat het hof voor de verdeling uit van een schriftelijk stuk waarin de verdeling van de opbrengst is vermeld. In dit stuk staat beschreven dat 20% van de opbrengst naar ‘[betrokkene]’ gaat (het hof begrijpt: de betrokkene) en dat de laatste 10% na beëindiging wordt verdeeld over vier personen. Het hof gaat ervan uit dat met dat laatste wordt bedoeld dat 10% wordt verdeeld over de vier personen met de grootste winstdeling, waaronder de betrokkene. Zodoende zou 22,5% (20% + 2,5%) van de winst aan de betrokkene toekomen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uit [bedrijf 4] is daarmee € 21.896,69 (22,5% van € 97.318,64).
Voor de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de overige rechtspersonen overweegt het hof, evenals de rechtbank, als volgt. In het ontnemingsrapport worden ten aanzien van de verdeling onder de leden van de criminele organisatie twee scenario’s geschetst. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het scenario dat is gebaseerd op de verklaring van [naam 1] dient te worden gehanteerd bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [naam 1] heeft van begin af aan verklaard hoe de vork in de steel zat, ook toen hij nog geen kennis van het dossier had. In grote lijnen komt die verklaring erop neer dat het nettobedrag werd verdeeld onder de personen die zich bezighielden met de frauduleuze inkoop en verkoop van de goederen. De chauffeurs kregen volgens hem een vast bedrag (€ 100,00) per dag betaald. Hij heeft daarbij ook in zijn eigen nadeel verklaard. Het scenario past ook veel beter bij de rollen die hij en de betrokkene hadden. Beiden hebben als leider deelgenomen aan de criminele organisatie. Het hof heeft in het strafarrest geoordeeld dat de betrokkene aan het begin van de keten van de rechtspersonen heeft gestaan en dat hij in deze keten tot en met de laatste vennootschap duurzaam betrokken is geweest en dat de rol van de betrokkene in de frauduleuze praktijken van de criminele organisatie centraal en essentieel is geweest. Zo hield hij zich, aldus het hof, bezig met het oprichten en verkrijgen van rechtspersonen, stuurde hij de chauffeurs aan, onderhield hij de contacten met de afnemers, beheerde hij de boekhouding van de organisatie – voor zover aanwezig – en verdeelde hij de opbrengsten onder de leden van de organisatie. De betrokkene had volgens het hof dan ook feitelijke zeggenschap binnen de organisatie. Gelet op de rol van de betrokkene en [naam 1] zou het niet logisch zijn als de betrokkene er in tegenstelling tot [naam 1] zo weinig aan overhield als hij heeft doen voorkomen. Het hof acht de verklaring van de betrokkene dan ook niet aannemelijk. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat de betrokkene heeft verklaard dat de chauffeurs meedeelden in de winst, terwijl dat gelet op de inhoud van de verklaringen van de betreffende chauffeurs aantoonbaar onjuist is. Het hof concludeert dat bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder de leden van de criminele organisatie optie 1 zal worden gehanteerd.
Deze conclusie heeft de volgende verdeling tot gevolg. De opbrengst van [bedrijf 1], [bedrijf 5], [bedrijf 7], [bedrijf 9], [bedrijf 10] en [bedrijf 11] wordt gelijk verdeeld over de betrokkene en [naam 1]. De opbrengst van [bedrijf 2] wordt gelijk verdeeld over de betrokkene, [naam 1] en [naam 5] en de opbrengst van [bedrijf 6] wordt gelijk verdeeld over de betrokkene, [naam 1] en [naam 6]. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen voor verdeling van de opbrengst van [bedrijf 3], [bedrijf 8] en [bedrijf 12]. Bij die stand van zaken en gelet op de verdeling van de opbrengst bij de andere rechtspersonen, zal het hof de opbrengst van die rechtspersonen pondspondsgewijs verdelen onder de bij die rechtspersoon betrokken leden. Dat houdt in dat de opbrengst van [bedrijf 3] en van [bedrijf 12] wordt verdeeld onder de betrokkene, [naam 1] en [naam 6] en dat de opbrengst van [bedrijf 8] wordt verdeeld onder de betrokkene en [naam 1].
De opbrengst van de betrokkene per rechtspersoon is als volgt.
Vorderingen van benadeelde partijen
Het hof is evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat gelet op artikel 36e, achtste lid (oud) Sr, het bedrag aan schadevergoeding dat aan de benadeelde partijen is toegekend en onherroepelijk is, in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het betreft hier alleen de vorderingen die betrekking hebben op de periode vóór 1 januari 2014. Aangezien [naam 1] en [naam 6] net als de betrokkene ook zijn veroordeeld tot vergoeding van de schade en het hof de vorderingen hoofdelijk heeft toegewezen, zal niet het gehele toegewezen bedrag, maar telkens de helft of in het geval van [bedrijf 6] één derde daarvan, in mindering worden gebracht. Voor zover de betrokkene aan de benadeelde partij de gehele vordering heeft voldaan, kan hij voor het andere deel regres nemen op zijn mededader(s). Wanneer de uiteindelijke vordering van de benadeelde partij hoger is dan de opbrengst van de specifieke rechtspersoon, en een aftreksom dus een negatief bedrag zal opleveren, zal het wederrechtelijk verkregen voordeel te dien aanzien op nihil worden gesteld. Het gaat hier namelijk om vergoeding van schade van een benadeelde partij die het gevolg is van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de betrokkene staat.
De raadsman en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de wettelijke rente van elke toegewezen vordering ook in mindering dient te worden gebracht. Het hof ziet geen aanleiding om ook de wettelijke rente in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu het hof in de strafzaak niet heeft beslist dat de toegewezen vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de betrokkene dus ook niet is gehouden tot betaling daarvan. Dit alles leidt tot het volgende overzicht.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat de betrokkene heeft genoten wordt geschat op
€ 109.449,91.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Redelijke termijn
De redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg overschreden.
De ontnemingsvordering is door de officier van justitie aangekondigd op de zitting van 10 oktober 2016 en het vonnis is uitgesproken op 29 februari 2024. Het gaat daarmee om een overschrijding van vijf jaren en ruim vier maanden. Het hof ziet aanleiding deze forse overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de betalingsverplichting.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100.000,00.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 109.449,91 (honderdnegenduizend vierhonderdnegenenveertig euro en eenennegentig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 100.000,00 (honderdduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.000 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.
Mrs. Loyson en Geensen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]