afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000576-24
datum uitspraak: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-845090-14 tegen de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1947 te [geboorteplaats],
adres: [adres].
Procesgang
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2016 veroordeeld voor – kort gezegd – deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van flessentrekkerij.
Namens de betrokkene is op 14 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis.
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg bij ontnemingsvordering van 1 augustus 2017 gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 6.200,00.
De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019 veroordeeld voor – kort gezegd – deelname aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan het medeplegen van flessentrekkerij. Dit arrest is op 21 december 2021 onherroepelijk geworden.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 29 februari 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 6.200,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.580,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is op 11 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Redelijke termijn
De redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg overschreden.
De ontnemingsvordering is door de officier van justitie aangekondigd op de zitting van 10 oktober 2016 en het vonnis is uitgesproken op 29 februari 2024. Het gaat daarmee om een overschrijding van vijf jaren en ruim vier maanden. Het hof ziet aanleiding deze forse overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de betalingsverplichting, in ruimere mate dan de rechtbank heeft gedaan.
Draagkracht
De raadsman heeft in het kader van de betalingsverplichting nog aangevoerd dat de betrokkene, gelet op zijn financiële situatie en gezondheid, geen draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen.
In een ontnemingszaak kan de draagkracht van de betrokkene alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien ter terechtzitting voldoende concreet onderbouwd wordt aangevoerd dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft, dan wel zal krijgen. De betrokkene zal dan gemotiveerd en zo mogelijk aan de hand van bescheiden volledige openheid van financiële zaken moeten geven. Aan deze voorwaarde voldoet het verzoek niet. De door de verdediging ingebrachte medische bescheiden en informatie met betrekking tot de AOW-uitkering van de betrokkene volstaan in dit verband niet. Daarom gaat het hof aan het verzoek voorbij. De (toekomstige) draagkracht van de betrokkene kan in de executiefase aan de orde worden gesteld.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting en doet in zoverre opnieuw recht.
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 50 dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.
Mrs. Loyson en Geensen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]