ECLI:NL:GHAMS:2026:933

ECLI:NL:GHAMS:2026:933

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 23-002347-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2020:4875

Samenvatting

Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf ter zake van mensenhandel met uitbuiting in de prostitutie van 2 slachtoffers gedurende een periode van ruim vier jaar, gewoontewitwassen van de prostitutieverdiensten, mishandeling en het voorhanden hebben van een ploertendoder.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2022 en 10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Aan de verdachte wordt onder andere verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, als bedoeld in artikel 273f eerste lid, aanhef en sub 1, sub 3, sub 4, sub 6 en sub 9 (oud), van het Wetboek van Strafrecht (Sr), ten aanzien van [slachtoffer ] en [benadeelde partij 1] (beide in zaak A onder feit 1 tenlastegelegd). De rechtbank heeft de verdachte in zaak A onder feit 1 vrijgesproken voor de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer ] . Het hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens de wet (artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het hof zal het beroep tegen deze vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen en de verdachte daarvoor niet-ontvankelijk verklaren.

Tenlasteleggingen

Voor zover in hoger beroep nog aan de orde is aan de verdachte – kort gezegd - tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

in zaak A:

In zaak B:

mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie van [benadeelde partij 2] in de periode van 20 november 2007 tot en met 15 december 2009 in diverse plaatsen in Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit arrest is gehecht en geldt hier als ingevoegd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Inleiding

Op 12 augustus 2015 is het onderzoek 13Morthal gestart, nadat [benadeelde partij 1] zich op 10 augustus 2015 bij de politie meldde als slachtoffer van mishandeling en mensenhandel. Zij zou vanaf juli 2013 als prostituee zijn uitgebuit door de verdachte, haar vriend. Op 12 mei 2017 deed [benadeelde partij 2] aangifte van mensenhandel tegen de verdachte. Zij zou van november 2007 tot en met 15 december 2009 voor de verdachte in de prostitutie hebben gewerkt.

Een van de vragen die aan het hof voorligt is of de verdachte zich ten aanzien van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, zoals hem ten laste gelegd is.

Daarnaast dient het hof te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [benadeelde partij 1] , aan het gewoontewitwassen van de verdiensten uit de prostitutie en aan het voorhanden hebben van een ploertendoder.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de mensenhandel van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , de mishandeling van [benadeelde partij 1] , het gewoontewitwassen van de prostitutieverdiensten van [benadeelde partij 1] en het voorhanden hebben van een ploertendoder.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitnota, vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde mensenhandel van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Kortgezegd heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende ondersteunende bewijsmiddelen zijn die de verklaringen van de beide aangeefsters ondersteunen, omdat de overige stukken in het dossier geen redengevend steunbewijs vormen voor het gebruik van dwangmiddelen, uitbuiting of het oogmerk van die uitbuiting. Bovendien bevat het dossier de nodige tegenstrijdigheden en ontlastend bewijs tegen de verdachte.

De raadsman heeft ook ten aanzien van de mishandeling van [benadeelde partij 1] vrijspraak bepleit. Primair heeft hij betoogd dat onduidelijk is wanneer [benadeelde partij 1] de geconstateerde blauwe plekken heeft opgelopen en de kale plek op haar hoofd is ontstaan. Subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweer gedaan.

Ten aanzien van het gewoontewitwassen heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen omdat er niet van gelden van een criminele herkomst kan worden gesproken en het geld niet door toedoen van de verdachte in het legale circuit is gebracht. Ook dient in elk geval vrijspraak te volgen voor het medeplegen van het gewoontewitwassen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het voorhanden hebben van een ploertendoder gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Bewijsoverweging mensenhandel

Mensenhandel ten aanzien van [benadeelde partij 1]

heeft op 12 augustus 2015 aangifte gedaan tegen de verdachte. Zij is op 26 augustus en 24 september 2015 nog nader gehoord bij de politie. Op 14 april 2016 is zij bij de rechter-commissaris verhoord. Samengevat heeft zij het volgende verklaard.

Verklaringen

[benadeelde partij 1] heeft verklaard dat zij in juli 2013 samen met [persoon 1] naar Nederland is gekomen om in een bloemenkas te gaan werken. Hier heeft zij de verdachte ontmoet. Hij belde haar toen vaak en vertelde haar dat het werk in een bloemenkas ongezond was en dat zij beter bij hem in [plaats 1] kon komen wonen. Na een maand is ze bij hem ingetrokken. De verdachte kwam intelligent op haar over, was lief voor haar en verzorgde haar goed. Ze was verliefd en wilde bij hem blijven. Al snel vertelde hij haar dat hij zich bezighield met de seksbusiness en dat de prostitutie het enige beroep was waarmee ze veel geld kon verdienen. Hij vertelde haar dat ze hem kon vertrouwen, dat ze naar Amsterdam moest gaan en dat hij haar zou helpen met het regelen van de papieren. Hij had geld gehad, maar dat geld was op. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat ze betoverd en verblind was door de verdachte en hem vertrouwde. Ze dacht dat ze het werk als prostituee moest doen, omdat de verdachte wilde dat ze dat deed en dat was voor haar de waarheid.

In Amsterdam kon [benadeelde partij 1] niet aan de slag, omdat zij nog geen 21 jaar was. Zij is toen, samen met de verdachte, naar [plaats 2] in Duitsland gegaan om daar in het [bedrijf 1] te gaan werken. Met haar klanten kon ze niet praten, want ze sprak geen enkele andere taal dan Pools. De verdachte bracht haar elke dag van [plaats 1] naar [plaats 2] en weer terug naar huis. Hij wachtte beneden in de auto tot zij klaar was met werken. In januari 2014 vonden zij een woning in [plaats 2] . In [plaats 2] is zij vervolgens van werkplek veranderd, omdat de verdachte zei dat ze een betere plek moest hebben om meer geld te verdienen.

In februari 2014 zijn zij samen naar [plaats 3] verhuisd. Ook hier bleek zij te jong voor het werken in de prostitutie. [benadeelde partij 1] heeft daarop van 25 februari 2014 tot 17 maart 2015 bij [bedrijf 2] in Stuttgart als prostituee gewerkt. De verdachte heeft haar naar Stuttgart gebracht. Zij verbleef hier in haar werkkamer, terwijl de verdachte in [plaats 3] woonde. Zij werkte hier elke dag, doordeweeks van 12:00 uur tot 04:00 uur en in het weekend van 12:00 uur tot 06:00 uur.

Na de periode in Stuttgart zijn zij samen naar [plaats 4] verhuisd, zodat zij kon gaan werken in Amsterdam. Hier heeft zij in mei 2015 een paar keer een kamer bij [bedrijf 3] gehuurd, maar kon verder geen werkplek vinden. De verdachte moest geld hebben en dus moest ze zo snel mogelijk werk vinden in Alkmaar. Er waren enkele dagen dat zij ’s morgens in Amsterdam had gewerkt en daarna in Alkmaar werkte, dan draaide zij dubbele diensten. Zij werd dan door de verdachte opgehaald in Amsterdam en naar Alkmaar gebracht.

De verdachte besliste over haar leven, zij moest hem alles melden: wanneer zij werkte, hoeveel geld zij had verdiend en wat zij deed. Als zij hem niet had gebeld dan kreeg zij een SMS van hem waarin stond dat zij iemand anders had gevonden en dat zij een vuile hoer was. Zij moest hem alles vertellen en al het geld wat zij had verdiend, moest zij aan de verdachte geven. Hij maakte ook een schema waarin stond hoeveel geld zij had verdiend. Als zij niet vertelde hoeveel geld zij had verdiend dan haalde hij haar op met de auto en sloeg hij haar en schreeuwde tegen haar. Ook psychisch werd zij door hem uitgeput. De verdachte zei haar dat zij niks waard was en geen enkele andere man haar wilde hebben. De verdachte dreigde aan haar ouders te vertellen wat voor werk zij deed als zij bij hem weg zou gaan. Het geld dat zij verdiende, heeft de verdachte uitgegeven aan onder meer (de in- en verkoop van) auto’s en aan cocaïne. Op 10 augustus 2015 meldde [benadeelde partij 1] zich bij de politie, zij is bij de verdachte na een ruzie weggegaan nadat zij enkele dagen ervoor al ernstige ruzie hadden gekregen in de auto, waarbij de verdachte haar mishandelde en haar haar uit haar hoofd trok.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De verklaringen van [benadeelde partij 1] en de verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar. Naar het oordeel van het hof zijn de door [benadeelde partij 1] afgelegde verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar. Zij heeft meerdere verklaringen afgelegd die in de kern steeds op hetzelfde neerkomen. Haar verklaringen zijn consistent, gedetailleerd en concreet. Het hof heeft op voorhand dan ook geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van [benadeelde partij 1] .

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier contra-indicaties bevat voor het bestaan van een uitbuitingssituatie en het uitoefenen van dwang door de verdachte, omdat uit het dossier naar voren komt dat [benadeelde partij 1] juist vrijwillig zou hebben gewerkt in de prostitutie. De verdediging heeft gewezen op de omstandigheid dat [benadeelde partij 1] bij zowel een intakegesprek in [plaats 3] als bij een intakegesprek bij het kamerverhuurbureau [bedrijf 3] in Nederland, alsook tegenover getuige [getuige 1] te kennen heeft gegeven uit vrije wil te werken. Daarnaast valt op dat haar vriendin [benadeelde partij 2] niet op de hoogte was van de situatie.

Het hof acht het aannemelijk dat [benadeelde partij 1] beducht was om te praten over de druk waaronder zij voor de verdachte werkte en dat zij de verdachte niet in een kwaad daglicht durfde te stellen. Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] – daarnaar gevraagd - verklaard dat zij tegenover het kamerverhuurbureau heeft gelogen, omdat de verdachte haar had gewaarschuwd. Zij moest voorkomen dat de indruk zou ontstaan dat zij werd gepusht om in de prostitutie te werken. Zij verklaarde verder dat het werk niet vrijwillig was. Dat de verdachte haar zwakke kanten kende en haar bespeelde en dat zij over haar eigen leven geen regie meer had.

Dat haar vroegere vriendin [benadeelde partij 2] niets heeft gemerkt is overigens te verklaren uit de omstandigheid dat hun wegen zich vrij snel scheidden, nadat de aangeefster bij de verdachte introk.

Steunbewijs

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde partij 1] worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Zo volgt uit het dossier dat getuige [getuige 2] , werkzaam bij kamerverhuurder [bedrijf 3] , op 15 november 2013 een melding heeft gemaakt bij de politie toen [benadeelde partij 1] bij hem een kamer wilde huren, omdat hij het vermoeden had dat zij gedwongen werd om in de prostitutie te werken. Dat de melding werd gemaakt op basis van een vermoeden laat onverlet dat het hof er enige bewijswaarde aan toekent.

De verklaringen van [benadeelde partij 1] worden bovendien ondersteund door de aantekeningen die zij in haar agenda heeft gemaakt gedurende de periode dat zij in [plaats 2] en Stuttgart aan het werk was. Zo heeft zij onder meer in februari 2015 geschreven dat ze alleen maar aan het werk is, geïsoleerd is en dat de verdachte alleen maar geïnteresseerd is in haar poen.

Dat de verdachte en [benadeelde partij 1] met elkaar in contact stonden toen [benadeelde partij 1] in Stuttgart werkte, volgt tevens uit Duitse politiemutaties waaruit blijkt dat ze in die periode tweemaal door de politie samen in de auto zijn aangetroffen. De verdachte heeft bovendien ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij samen met [benadeelde partij 1] 1 à 2 maanden in [plaats 2] heeft gewoond, dat zij in de periode dat [benadeelde partij 1] in Stuttgart zat nog steeds een relatie met elkaar hadden en dat zij elkaar wekelijks of in elk geval 2 wekelijks op zondagen zagen en ongeveer dagelijks met elkaar belden.

Dat [benadeelde partij 1] vanaf mei 2015, nadat zij terug is gekomen uit Duitsland, in Amsterdam en Alkmaar heeft gewerkt blijkt uit de kamerverhuurgegevens van kamerverhuurbedrijven [bedrijf 3] te Amsterdam en [bedrijf 4] te Alkmaar.

Daarnaast zijn er ook getuigenverklaringen die de aangifte van [benadeelde partij 1] ondersteunen, te weten de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte nooit werkte en dat hij rondreed in een BMW die [benadeelde partij 1] ‘bij elkaar heeft geneukt’.

Getuige [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij [benadeelde partij 1] had leren kennen in het Wallengebied. Hij heeft haar op 10 augustus 2015 afgezet op het politiebureau. Hij heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] er ongelukkig uitzag, dat zij begon te huilen en hem vertelde dat zij door de verdachte was mishandeld en dat zij werd gedwongen om dit werk te doen. Hij zag blauwe plekken bij [benadeelde partij 1] . Zij gaf verder aan bang te zijn voor de verdachte. Hij heeft die nacht een slaapplaats voor haar geregeld en haar op het politiebureau afgezet. Het hof merkt ten aanzien van de verklaring van getuige [benadeelde partij 2] op dat hij op authentieke wijze heeft verklaard over hoe [benadeelde partij 1] bij de politie terecht is gekomen, hetgeen hij consistent herhaalt op het moment dat hij er twee jaar later weer over wordt bevraagd.

Getuige [benadeelde partij 1] , met wie [benadeelde partij 1] in Stuttgart omging, heeft soms blauwe plekken op de armen van [benadeelde partij 1] gezien. Hij heeft verder verklaard dat hij aan [benadeelde partij 1] zag dat zij bang was voor de verdachte, zij was bang dat hij haar iets aan zou doen.

Partiële vrijspraak

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten aanzien van [benadeelde partij 1] ten laste gelegde aanwerven of meenemen met het oogmerk om haar in een ander land in de prostitutie te werk te stellen (artikel 273f, eerste lid, onder 3, Sr). [benadeelde partij 1] is immers niet door de verdachte meegenomen naar Nederland. Zij hebben elkaar in Nederland pas leren kennen. Om die reden zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken. Voorts zal het hof de verdachte vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op “en een of meer andere vrouw(en)”.

Mensenhandel ten aanzien van [benadeelde partij 2]

heeft op 12 mei 2017 aangifte gedaan tegen de verdachte. Op 14 mei 2017 is zij nader verhoord door de politie. Op 26 april 2018 is zij door de rechter-commissaris verhoord. Samengevat heeft zij het volgende verklaard.

Verklaringen

[benadeelde partij 2] is in 2007 naar Nederland gekomen om in de bloembollen te werken. Ze leerde de verdachte kennen tijdens het aanvragen van een sofinummer bij de gemeente. De verdachte sprak haar aan, vroeg haar nummer, en ging haar vervolgens veelvuldig bellen. De verdachte vertelde haar dat het werken in de bloembollen niks voor haar was en dat hij haar zou helpen een andere baan te vinden. Na een maand of twee heeft hij haar opgehaald en is zij bij hem gaan wonen in [plaats 1] . Hij vertelde haar over het werk van zijn ex-vriendin [benadeelde partij 2] op de wallen in Amsterdam, hij bracht haar hiernaartoe om het aan haar te laten zien. Hij vertelde haar dat het goed werk was met goede omstandigheden en een goed salaris. Zij moest het maar eens proberen, de rekeningen moesten betaald worden. [benadeelde partij 2] vertrouwde de verdachte. Alles wat hij zei, was voor haar de waarheid. De verdachte was lief voor haar, kocht cadeautjes en probeerde haar gerust te stellen.

In afwachting van de documenten die zij nodig had om in Amsterdam te kunnen werken, is [benadeelde partij 2] in Alkmaar gaan werken. De verdachte had haar geleerd hoe zij in het Duits een kamer kon bestellen, omdat zij geen Engels of Nederlands sprak. Hij had ook een briefje geschreven met de tarieven in het Engels, dat zij uit haar hoofd moest leren. Hij zei haar wat zij moest doen als er een klant kwam. Na anderhalve week dagelijks in Alkmaar te hebben gewerkt, waren op 4 december 2007 de stukken van de Kamer van Koophandel binnen en is [benadeelde partij 2] twee dagen later begonnen met werken in Amsterdam. De verdachte stond altijd ergens in de buurt en kwam aanvankelijk na elke klant het door [benadeelde partij 2] verdiende geld halen. Op den duur kwam hij na elke twee à drie klanten. De verdachte telde het geld dagelijks en bewaarde het thuis in een kistje. Hij bracht haar naar het werk en bracht haar na het werk ook weer naar huis. [benadeelde partij 2] voelde zich machteloos. Ze kende de taal niet en had geen kennissen. Al na de eerste keer wilde zij stoppen met het werk in de prostitutie, maar dat mocht niet omdat zij de verdachte geld schuldig was. Ook chanteerde hij haar: als [benadeelde partij 2] weg zou gaan, zou hij iedereen in Polen vertellen wat zij deed. De verdachte was onberekenbaar en gewelddadig. Hij schold [benadeelde partij 2] uit en gooide met dingen naar haar en vernielde dingen. Hij mishandelde ook zijn hond in haar bijzijn. Als hij vond dat een klant te lang was gebleven, belde hij haar en zei dat zij meer geld moest vragen, dat zij een hoer was en dat hij haar alleen achter zou laten. Hij verbood haar om met andere mensen te praten.

[benadeelde partij 2] is weggegaan bij de verdachte op het moment dat zij de Nederlandse en Engelse taal een beetje sprak en zij zichzelf kon redden. Nadat de verdachte op 15 december 2009 weer geweld had gebruikt tegen haar en hij haar spullen had vernield, is zij het huis uit gevlucht en naar het politiebureau in IJmuiden gegaan.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Ook de verklaringen van [benadeelde partij 2] en de verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar. Naar het oordeel van het hof zijn de door [benadeelde partij 2] afgelegde verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar. Zij heeft meerdere verklaringen afgelegd die in de kern steeds op hetzelfde neerkomen. Haar verklaringen zijn consistent, gedetailleerd en concreet. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van [benadeelde partij 2] . Dat zij pas 7 jaar later aangifte heeft gedaan, nadat zij erachter is gekomen dat de vriendin die de verdachte na haar kreeg zelfmoord heeft gepleegd, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.

Steunbewijs

Hoewel er geen kamerverhuurgegevens zijn die de verklaring van [benadeelde partij 2] ondersteunen, zitten er in het dossier wel mutaties die de verdachte in verband brengen met de werkzaamheden van [benadeelde partij 2] . Zo zijn op 17 september 2008 [benadeelde partij 2] en de verdachte gecontroleerd, toen ze in de auto onderweg waren naar haar werk en bevond de verdachte zich op 22 februari 2008 in zijn auto, met € 4.000,- op zak, terwijl hij aangaf dat hij een dame voor hem achter het raam had zitten in het bordeel op de [adres 2] . Bij controle bleek dat dit [benadeelde partij 2] was.

Tevens is uit onderzoek naar de financiële gegevens van de verdachte gebleken dat er in de periode van 25 februari 2009 tot en met 15 december 2009 €4.620,00 aan contante stortingen vanaf het Damrak te Amsterdam op zijn bankrekening is gestort, hetgeen goed past bij het telkens ophalen van de contante verdiensten van [benadeelde partij 2] . Het Damrak ligt dichtbij het Red Light District.

De verklaring van [benadeelde partij 2] wordt ook ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3] . Zij heeft verklaard dat zij naast [benadeelde partij 2] in hetzelfde pand op de [adres 2] heeft gewerkt in de prostitutie, dat [benadeelde partij 2] geen Engels sprak en dat zij samen was met een jongen genaamd [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ), die erg op haar lette en rond haar raam liep. Uit de verklaring van [getuige 3] volgt dat de verdachte [benadeelde partij 2] naar haar werk bracht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij [benadeelde partij 2] naar haar werk bracht en daar dan vervolgens in de buurt bleef, om haar daarna weer naar huis te brengen. Getuige [getuige 3] heeft bovendien verklaard dat [verdachte] vaak de werkkamer van [benadeelde partij 2] binnenkwam, nadat zij klanten had gehad, en haar geld pakte. Ook heeft ze wel eens blauwe plekken bij [benadeelde partij 2] gezien. [getuige 3] heeft van [benadeelde partij 2] gehoord dat [verdachte] haar had geslagen en aan haar haar getrokken had.

Steun in de overeenkomsten van beide aangiftes

Los van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op essentiële onderdelen met elkaar overeenkomen, wat maakt dat de verklaringen elkaar ook onderling ondersteunen.

Uit het dossier volgt dat de verdachte eenzelfde aanpak hanteert: hij kiest kwetsbare jonge vrouwen uit die pas kort in Nederland zijn, hier geen netwerk hebben en de weg en de taal niet kennen. Na de eerste ontmoeting gaat de verdachte hen vaak bellen. De verdachte haalt hen vervolgens over om te stoppen met hun werk in de bollen/bloemen en palmt hen in door zich over hen te ontfermen, voor hen te zorgen en een dak boven hun hoofd te bieden. De vrouwen raken al snel verliefd op de verdachte en trekken kort na de eerste ontmoeting bij hem in. Vervolgens wijst hij hen op het werk in de prostitutie, waarin veel geld te verdienen is en helpt hij met het verkrijgen van de juiste papieren. De verdachte laat zien bij welke kamerverhuurders ze terecht kunnen en instrueert hen hoe ze een kamer moeten regelen in een taal die de dames zelf niet machtig zijn. Als de vrouwen eenmaal aan het werk zijn dienen zij al hun verdiensten af te staan aan de verdachte. Het geld wordt volledig door de verdachte beheerd.

Daar komt nog bij dat ook uit het dossier volgt dat de verdachte ook relaties heeft gehad met getuige [benadeelde partij 1] (voorafgaande aan zijn relatie met [benadeelde partij 2] ), wijlen mevrouw [slachtoffer ] (na de relatie met [benadeelde partij 2] en vóór de relatie met [benadeelde partij 1] ) en [persoon 2] (na de relatie met [benadeelde partij 1] ). Zij blijken ook alle drie in de prostitutie te hebben gewerkt. Ten aanzien van [slachtoffer ] volgt uit een politiemutatie dat zij op 19 februari 2011 op het politiebureau in Velsen om bescherming heeft verzocht, omdat zij door de verdachte tegen haar wil in de prostitutie is ingewerkt. Ten aanzien van de verklaring van [benadeelde partij 1] - die door de politie is benaderd en geen aangifte tegen de verdachte wenste te doen – valt op dat deze op specifieke punten sterk overeen komt met hetgeen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben verklaard over het handelen van de verdachte. Opmerkelijk in dat verband is hoe zij net als [benadeelde partij 2] verklaard over het extreme geweld dat de verdachte toepaste op de hond.

Anders dan de verdediging stelt, ziet het hof geen reden om te veronderstellen dat de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn verzonnen en/of op elkaar zijn afgestemd. Beide aangiftes zijn op verschillende momenten tot stand gekomen, met tussen beide een aanzienlijk tijdsverloop. Het hof stelt vast dat uit het dossier niet valt af te leiden dat de beide slachtoffers elkaar kennen. Evenmin valt er uit af te leiden dat zij zich bij het doen van aangifte (mede) hebben laten leiden door geldelijk gewin in de vorm van schadevergoeding.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij vermoedt dat de vrouwen uit wraak over hem verklaard hebben, omdat ze erachter zijn gekomen dat hij steeds kort na elkaar weer nieuwe vriendinnen had, vindt naar het oordeel van het hof ook geen steun in het dossier.

Tot slot maakt de omstandigheid dat de verdachte zelf ook enige inkomsten had het vorenstaande niet anders. In het algemeen valt niet in te zien waarom eigen inkomsten het belang bij het profiteren van de werkzaamheden van aangeefsters zou wegnemen. Daarbij komt dat uit het financiële onderzoek naar de vermogenspositie van de verdachte volgt dat de verdachte slechts in beperkte mate wist te voorzien in inkomsten uit eigen arbeid. Ten aanzien van zijn gestelde inkomsten uit de handel in de auto’s en zijn werk in de zorg merkt het hof op dat deze inkomstenbronnen niet of nauwelijks met stukken zijn onderbouwd.

Juridisch kader van mensenhandel

Aan de verdachte is mensenhandel ten aanzien van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ten laste gelegd, met inachtneming van bovengenoemde partiele vrijspraak, in de varianten zoals omschreven in artikel 273f (oud), eerste lid, onder 1, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het gaat om:

- het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voor de prostitutie (sub 1);

- [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich beschikbaar doen stellen voor de prostitutie (sub 4);

- het voordeel trekken uit de prostitutie van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (sub 6);

- het [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] doen afstaan van hun opbrengsten uit de prostitutie aan hem (sub 9).

Het wetsartikel 273f Sr staat in titel XVIII van voornoemd wetboek, de titel die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van die integriteit en vrijheid.

De in artikel 273f Sr verboden gedragingen komen neer op handelingen die gepaard gaan met het gebruik van dwangmiddelen en aldus bij het slachtoffer de (bewuste) vrije keuze of de vrijwilligheid wegnemen of aantasten. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die van artikel 273f Sr deel uitmaken. De verschillende verboden gedragingen hebben ofwel als oogmerk het slachtoffer uit te buiten (lid 1 sub 1) of resulteren in omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (lid 1 sub 4 en 9).

De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van in dit geval de prostitutiewerkzaamheden, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. In dit verband kan van belang zijn dat een prostituee in een situatie is komen te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

Toepassing

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gebruik gemaakt van de dwangmiddelen misleiding, misbruik van een kwetsbare positie, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, geweld, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en dwang.

Uit de hiervoor uiteengezette verklaringen van de aangeefsters volgt dat beide aangeefsters nog maar kort voorafgaande aan de eerste ontmoeting met de verdachte in Nederland waren. Ze spraken de Nederlandse taal niet en kenden de weg hier niet. [benadeelde partij 1] was bovendien 14 jaar jonger dan de verdachte. In de eerste periode was de verdachte ogenschijnlijk zorgzaam en zorgde er op die manier voor dat de slachtoffers door hem werden betoverd en verliefd op hem werden. Hij ging een liefdesrelatie met hen aan en wist hen ervan te overtuigen om hun werk op te zeggen en snel bij hem in te trekken. Hij heeft beide aangeefsters vervolgens in contact gebracht met de prostitutiewerkzaamheden, ze daarnaartoe gebracht, verteld waar ze moesten gaan werken en ze geholpen met het regelen van de juiste papieren. De verdachte heeft beide aangeefsters zo misleid, misbruik gemaakt van hun kwetsbare positie in Nederland en misbruik gemaakt van zijn overwicht, en ze op die manier in de prostitutie gebracht.

De verdachte heeft de aangeefsters voorts met geweld en dreigementen bejegend en ze op dwingende wijze instructies gegeven op het gebied van hun werkplekken, werktijden en verdiensten. De verdachte besliste over hun levens: wanneer zij moesten werken, hoeveel zij moesten verdienen en wanneer zij een dag vrij mochten zijn. [benadeelde partij 1] moest de verdachte alles melden: wanneer ze werkte en hoeveel geld ze had verdiend. Ze moest haar verdiensten dagelijks doorgeven aan de verdachte, dit hield hij bij in een schema. Als [benadeelde partij 1] hem niet belde en niet vertelde wat ze had verdiend dan haalde hij haar op met de auto en sloeg hij haar.

De verdachte bracht [benadeelde partij 2] elke dag van en naar haar werk, bleef dan in de buurt van haar werk en kwam om de paar klanten haar verdiende geld ophalen. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat de verdachte gewelddadig naar haar toe was en haar verbaal heeft bedreigd als zij niet deed wat hij wilde.

Beide aangeefsters hebben bovendien verklaard dat zij uit een gelovige – katholieke - familie kwamen. De verdachte dreigde aan de familie van [benadeelde partij 1] te vertellen wat voor werk zij deed als zij bij hem weg zou gaan. Ook hebben beide aangeefsters verklaard bang te zijn geweest voor de verdachte, omdat hij gedreigd had hun families iets aan te doen.

Door de gebruikte dwangmiddelen verkeerden de aangeefsters in een situatie die niet gelijk is te stellen aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren en die is aan te merken als een situatie van uitbuiting. Zoals ook hiervoor al uiteengezet waren de aangeefsters volkomen onbekend in Nederland, en vervolgens met de situatie waarin zij bij de verdachte terechtkwamen. Zij waren afhankelijk van de verdachte die hen gaandeweg dermate onder druk zette bij het aangaan en blijven verrichten van prostitutiewerk, dat zij zich niet vrij voelden om zich daaraan te onttrekken. Ze moesten blijven werken en de druk van de verdachte verhinderde hen te besluiten om te stoppen. De verdachte heeft jarenlang de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van aangeefsters afgenomen. Het hof is dus van oordeel dat sprake is geweest van omstandigheden waarbij op zijn minst uitbuiting kon worden verondersteld, dat de verdachte van aanvang af het oogmerk op die uitbuiting heeft gehad en ook opzettelijk er voordeel uit heeft getrokken. Dit geldt zowel ten aanzien van [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] .

Conclusies

Het hof is alles afwegende van oordeel dat de verdachte met voornoemde dwangmiddelen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft geworven, vervoerd en gehuisvest voor de prostitutie, met het oogmerk van uitbuiting (sub 1). Daarnaast kan worden bewezen dat de verdachte hen heeft gedwongen en bewogen in de prostitutie te (blijven) werken (sub 4) en hem aldus uit de opbrengst daarvan te bevoordelen (sub 9), terwijl tenminste sprake was van omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Tot slot kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk uit deze uitbuiting voordeel heeft getrokken (sub 6). Het hof acht, gelet op al het bovenstaande, dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel onder sub 1, 4, 6 en 9, ten aanzien van [benadeelde partij 1] in de periode van 1 juni 2013 tot en met 9 augustus 2015 en ten aanzien van [benadeelde partij 2] in de periode van 20 november 2007 tot en met 15 december 2009. Omdat de verdachte dit alles niet met anderen samen heeft gedaan, zal hij van het tenlastegelegde medeplegen worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging mishandeling

Het hof komt tot een bewezenverklaring van de mishandeling van [benadeelde partij 1] op 7 augustus 2015 door haar tegen haar lichaam te stompen of te slaan, aan haar haren te trekken en haar haar uit haar hoofd te trekken.

Als [benadeelde partij 1] zich in de ochtend van 10 augustus 2015 meldt bij de politie, zien de verbalisanten dat zij blauwe plekken op haar armen en benen heeft en een kale plek op haar hoofd ter hoogte van haar kruin. Zij verklaart dan dat haar haar er drie dagen eerder uit is getrokken. De blauwe plekken en de plek op haar hoofd zijn op 10 augustus 2015 ook waargenomen door een arts.

Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat de mishandeling plaatsvond tijdens een ruzie in de auto. De verdachte zat toen achter het stuur. [benadeelde partij 1] vertelde hem dat zij haar moeder wilde bellen. Dat wilde hij niet, waarop hij haar telefoon afpakte en weggooide. Hij schold, hij gaf haar klappen en trok aan haar haren.

Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] bij de politie en die bij de rechter-commissaris valt af te leiden dat zij na opnieuw een (verbale) ruzie met de verdachte thuis op 9 augustus 2015 haar spullen heeft gepakt. Zij had die dag op haar werkplek getuige [benadeelde partij 2] ontmoet en na hem te hebben gebeld bood die haar een slaapplek aan. Dit vindt steun in de verklaring van deze [benadeelde partij 2] . Getuige [benadeelde partij 2] trof haar namelijk op die dag en hoorde toen van [benadeelde partij 1] dat zij door haar vriend was mishandeld. Hij zag de blauwe plekken op haar arm en de kale plek op haar hoofd. Hij heeft haar onderdak geboden en haar op 10 augustus 2015 bij het politiebureau afgezet.

De verdachte heeft erkend tijdens de ruzie in de auto aan haar haar te hebben getrokken, maar ontkent het slaan. Het waargenomen letsel van [benadeelde partij 1] past echter bij de door haar gestelde toedracht waaronder het slaan van [benadeelde partij 1] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er geen reden voor twijfel is dat daar drie dagen later nog blauwe plekken van zichtbaar zijn.

Het hof acht het voorts niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer (zelfverdediging). Omdat het geconstateerde letsel veel beter past bij de verklaring van [benadeelde partij 1] dan bij de verklaring van de verdachte dat hij alleen aan de haren van [benadeelde partij 1] zou hebben getrokken, gaat het hof bij de vraag of sprake is van een noodweersituatie uit van de verklaring van [benadeelde partij 1] . De door de verdachte geschetste feitelijke toedracht van het gebeuren is naar het oordeel van het hof, gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden. Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] volgt namelijk dat hij met geweld jegens [benadeelde partij 1] is begonnen. Dat dit gebeurde terwijl de verdachte achter het stuur zat en dus minder mobiel was, maakt het oordeel van het hof niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar ook nog in haar buik zou hebben geschopt. Dat heeft het hof niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen, maar maakt haar verklaring over de mishandeling voor het overige niet ongeloofwaardig.

Bewijsoverweging witwassen

Voor een bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen is vereist dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Naar het oordeel van het hof is in onderhavige zaak sprake van een gronddelict, namelijk de mensenhandel met seksuele uitbuiting. De geldbedragen in onderhavige zaak zijn dan ook afkomstig uit eigen misdrijf.

De verdachte heeft verklaard dat de bij hem aangetroffen en op zijn bankrekening gestorte contante geldbedragen afkomstig zijn uit de handel in auto’s, omdat hij zich bezighield met de in- en verkoop van auto’s, en niet afkomstig zijn uit de mensenhandel.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de wijze van dagvaarden van het gewoontewitwassen volgt dat de opsteller van de tenlastelegging destijds de prostitutie inkomsten van [benadeelde partij 1] voor ogen had. [benadeelde partij 2] was ten tijde van het opstellen van de tenlastelegging immers nog niet in beeld bij politie en justitie. Ondanks dat de periode waarin zij werd uitgebuit voor een deel binnen de tenlastegelegde periode valt, is de beschuldiging nadien niet uitgebreid. Het hof zal zich daarom bij de beoordeling van het tenlastegelegde gewoontewitwassen beperken tot de verdiensten van [benadeelde partij 1] en spreekt de verdachte dus vrij ter zake van “een of meer andere vrouw(en)”. Dat geldt ook voor de verdiensten van [slachtoffer ] , in welk verband de verdachte immers is vrijgesproken van mensenhandel.

Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte met de door hem verworven winsten van [benadeelde partij 1] onder andere rechtstreeks in zijn eigen levensonderhoud voorzag. Uit het dossier volgt voorts dat er op de Nederlandse privébetaalrekening van de verdachte in de periode van juni 2013 t/m augustus 2015 en met name in de tweede helft van 2013 aanzienlijke contante stortingen zijn gedaan. De meeste stortingen op rekening zijn uitgevoerd in de plaats [plaats 1] .

Begin 2014 hebben zowel de verdachte als [benadeelde partij 1] een betaalrekening in Duitsland geopend. Op deze Duitse rekening van de verdachte zijn er in de periode van maart 2014 tot en met juni 2015 op 19 verschillende moment grote contante bedragen gestort op zijn rekening, die bij elkaar een bedrag van ongeveer € 13.000,00 opleveren (vermelding bij stortingen: Bahnhof en Altenerdg).

[benadeelde partij 1] heeft verklaard dat zij al haar verdiende geld aan de verdachte moest afstaan en dat de verdachte van haar verdiende geld auto’s en cocaïne heeft gekocht en dat hij haar verdiende geld heeft gebruikt voor de productie van marihuana in Groningen. Dat de verdachte van het door [benadeelde partij 1] verdiende geld auto’s heeft gekocht wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 1] . Uit de eigen verklaring van de verdachte kan ook worden afgeleid dat hij zich bezighield met de aankoop van auto’s, zonder dat is gebleken dat hij daartoe voldoende legale overige inkomsten had.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de verdachte geldbedragen (profijt uit de prostitutiewerkzaamheden) heeft verworven en voorhanden gehad en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt en die heeft omgezet. Door de lange duur van het witwassen heeft de verdachte een gewoonte van het witwassen gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in zaak A:

1.

in de periode van 1 juni 2013 tot en met 9 augustus 2015 in Nederland en in Duitsland, [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 1993), door dwang en geweld en dreiging met geweld en dreiging met andere feitelijkheden en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde partij 1]

en

voornoemde [benadeelde partij 1] met voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 1]

en

die [benadeelde partij 1] met voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij 1] met of voor een derde, immers heeft hij, verdachte,

ten aanzien van die [benadeelde partij 1] , terwijl hij wist dat die [benadeelde partij 1] in Nederland geen familie had en in Nederland niemand had om op terug te vallen en die [benadeelde partij 1] de Nederlandse noch de Engelse taal sprak en die [benadeelde partij 1] verliefd op hem was,

[benadeelde partij 1] , weg zou gaan en

2.

op 7 augustus 2015 in Nederland, opzettelijk mishandelend [benadeelde partij 1] tegen haar lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en die [benadeelde partij 1] aan haar haren heeft getrokken en haren uit haar hoofd heeft getrokken, waardoor voomoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

in de periode van 1 juni 2013 tot en met 9 augustus 2015, in Nederland en in Duitsland en in Polen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, geldbedragen, te weten verdiensten uit de door [benadeelde partij 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruikt gemaakt terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

hij op 9 januari 2016 te Den Haag, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

In zaak B:

in de periode van 20 november 2007 tot en met 15 december 2009 in Nederland, een ander, te weten [benadeelde partij 2] (geboren [geboortedag 3] 1982)

door dwang en door dreiging met geweld en dreiging met andere feitelijkheden en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde partij 2]

en

die [benadeelde partij 2] met voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 2]

en

die [benadeelde partij 2] met voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij 2] met of voor een derde,

immers heeft hij, verdachte, terwijl hij wist dat die [benadeelde partij 2] in Nederland geen familie had en in Nederland niemand had om op terug te vallen en die [benadeelde partij 2] de Nederlandse noch de Engelse taal sprak en die [benadeelde partij 2] verliefd op hem was

Hetgeen in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Met betrekking tot feit 3 in zaak A overweegt het hof als volgt.

Ter vermijding van dubbele strafbaarheid heeft de Hoge Raad de reikwijdte van het witwasdelict afgebakend door middel van het formuleren van een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd. Van de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan dus slechts dan sprake zijn als kan worden vastgesteld dat sprake is van een opbrengst afkomstig uit eigen misdrijf. Een eigen misdrijf als bron is pas aannemelijk indien dit naar tijd en plaats bepaalbaar en kwalificeerbaar is (vgl. Hoge Raad 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028).

Voor wat betreft het bewezenverklaarde witwassen in de vorm van het verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag bestaande uit de prostitutieverdiensten van [benadeelde partij 1] , is het hof, mede gelet op de bewezenverklaring van feit 1, mensenhandel, van oordeel dat dit kan worden geacht afkomstig te zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Het hof zal de verdachte voor wat betreft het verwerven en voorhanden hebben dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

Voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezenverklaarde levert op:

mensenhandel, meermalen gepleegd.

Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het in zaak A onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De mensenhandel ten aanzien van [benadeelde partij 1] is in eendaadse samenloop begaan met de mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder feit 1, 2, 3 en 4 en in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder feit 1, 2, 3 en 4 en in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 maanden, met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsman van de verdachte heeft, in het geval het hof het tot vrijspraak strekkende verweer niet volgt en tot een bewezenverklaring komt, verzocht over te gaan tot een aanzienlijke matiging van de straf. De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan verzocht nadrukkelijk rekening te houden met de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft naar voren gebracht dat het strafblad van de verdachte beperkt is en hij lang niet met politie en justitie in aanraking is gekomen. De verdachte heeft zijn leven op de rit, hij heeft een inkomen, heeft geen schulden- en verslavingsproblematiek meer, en hij heeft een gezin, waarbij hij de extra zorg draagt voor zijn hulpbehoevende zoontje. De raadsman heeft voorts verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten en soortgelijke uitspraken en rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het werven voor de prostitutie met het oogmerk van uitbuiting van twee vrouwen. Hij heeft hen beiden misleid, gebruik gemaakt van geweld en dreiging met geweld, ze gedwongen, misbruik gemaakt van hun kwetsbare positie en misbruik gemaakt van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Beide slachtoffers waren nog maar net in Nederland, spraken de taal niet, en zijn door de verdachte gedwongen gedurende een lange periode te werken in de prostitutie. Het geld dat zij hiermee verdienden, hebben zij moeten afgeven aan de verdachte. Ook heeft de verdachte [benadeelde partij 1] mishandeld. Het geld dat de verdachte heeft afgenomen van [benadeelde partij 1] heeft de verdachte vervolgens witgewassen. Dit handelen heeft een ontwrichtende werking op het handelsverkeer. Tot slot heeft de verdachte een ploertendoder voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit hiervan brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot onveiligheid in de maatschappij.

Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte op indringende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers en voorts op de vrijheid die zij zouden moeten hebben om hun eigen leven vorm te geven. De verdachte heeft de belangen van de slachtoffers bij het behoud van hun waardigheid en recht op zelfbeschikking volledig ondergeschikt gemaakt aan zijn zucht naar financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte er op geen enkele wijze blijk van gegeven zich bewust te zijn van de ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan.

De ervaring leert dat slachtoffers van mensenhandel hier gedurende lange tijd nog psychische en emotionele schade van kunnen ondervinden. Dat de slachtoffers in onderhavige zaak al jarenlang en tot op de dag van vandaag ernstig last hebben van wat de verdachte hen heeft aangedaan, is gebleken uit de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen spreekrechtverklaringen. Beiden voelen zich ernstig aangetast in hun lichamelijke- en geestelijke integriteit. [benadeelde partij 1] slaapt slecht, heeft last van nachtmerries, is zeer angstig en op haar hoede. Ze is nauwelijks meer in staat anderen te vertrouwen en heeft het gevoel dat ze het leven op afstand beschouwt. [benadeelde partij 2] is gediagnostiseerd met PTSS, ze lijdt aan slapeloosheid, angst en depressie en is eenzaam. Dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.

Het hof houdt voorts rekening met de straffen die in vergelijkbare gevallen van seksuele uitbuiting worden opgelegd, zoals die blijken uit de daarop van toepassing zijnde oriëntatiepunten van het LOVS. Voor seksuele uitbuiting, categorie 2, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden. Bij twee slachtoffers leidt dat tot 28 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt. In strafvermeerderende zin houdt het hof in aanzienlijke mate rekening met het feit dat in het onderhavige geval sprake is geweest van uitbuiting gedurende een lange periode met enorme gevolgen voor de slachtoffers, en ook in enige (aanvullende) mate met de misleiding ten aanzien van een liefdesrelatie, de kwetsbare positie van de slachtoffers en de afdracht van het door de slachtoffers verdiende geld.

Gelet op de ernst van de feiten – in het bijzonder de langdurige pleegperiode – is het hof van oordeel dat enkel een vrijheidsbenemende straf van lange duur op zijn plaats is.

Het hof zal rekening houden met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat de feiten deels hebben plaatsgevonden in een periode waarin het strafmaximum lager was dan nu het geval is.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden op zich passend en geboden. In hetgeen de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om een lagere straf op te leggen.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is in zaak A op 10 januari 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 8 oktober 2020. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met 2 jaar en 9 maanden. De verdachte heeft vervolgens hoger beroep ingesteld op 21 oktober 2020, terwijl het hof arrest wijst op 24 maart 2026. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee overschreden met 3 jaar en 6 maanden. Deels hangt dat samen met detentie van de verdachte in Polen wegens een veroordeling in een andere strafzaak.

Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen -met 6 maanden- tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Anders dan door de advocaat van de benadeelde partijen is verzocht, ziet het hof geen aanleiding om een contactverbod met beide aangeefsters op te leggen. Het hof acht dit, gelet op het tijdsverloop en gelet op het feit dat niet is gebleken dat de verdachte in de tussentijd contact heeft gezocht met de aangeefsters, niet noodzakelijk

Beslag

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het beslag is afgehandeld, hier dient geen beslissing meer op genomen te worden door het hof.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 222.350,00, bestaande uit € 212.350,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding in zijn geheel zal worden toegewezen.

Ten aanzien van zowel de materiële als de immateriële schade heeft de raadsman primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering af te wijzen, nu de vordering onvoldoende concrete gegevens bevat om tot een vaststelling van de gevorderde (im)materiële schadebedragen te komen. Meer subsidiair verzoekt de raadsman het hof, ten aanzien van de materiele schadevergoeding, gebruik te maken van de matigings- en schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding neemt het hof in overweging dat de gevorderde materiële schade een schatting op het minimum betreft, waarbij de verdiensten zijn gebaseerd op gemiddelden (en waarbij rekening is gehouden met vrije dagen) en kosten voor kamerhuur, levensonderhoud en cocaïnegebruik zijn afgetrokken. De berekening die door de raadsvrouw is gehanteerd, is gebaseerd op de verklaring van aangeefster, waarbij de raadsvrouw met betrekking tot de aftrekposten een ruime verrekening heeft toegepast. De raadsvrouw is uitgegaan van vijf werkdagen per week, terwijl [benadeelde partij 1] heeft verklaard meer te hebben gewerkt.

Mede gelet op de aard en de inhoud van de vordering oordeelt het hof dat voldoende gelegenheid heeft bestaan om, zonder dat nader onderzoek noodzakelijk is gebleken, verweer te voeren tegen de gevorderde schade.

Het hof acht gevorderde materiële schade van € 212.350,00 een billijke inschatting van de geleden schade.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte ook immateriële schade heeft geleden. De aard en de ernst van de normschending brengen mee, voor zover de bewezenverklaring niet ziet op het toebrengen van letsel, dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting ‘op andere wijze’ in de persoon kan worden aangenomen, in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Zij is immers voor enige duur op grove wijze aangetast in haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het hof de vordering tot immateriële schade naar billijkheid toewijzen voor een bedrag van € 10.000,00.

Conclusie

De verdachte is gehouden tot vergoeding van het gehele gevorderde schadebedrag. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 225.465,90, bestaande uit € 215.465,90 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 225.300,00, bestande uit € 215.300,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering tot materiële schadevergoeding van € 165,90, wegens reiskosten voor het doen van aangifte, afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding in zijn geheel zal worden toegewezen.

Ten aanzien van zowel de materiële als de immateriële schade heeft de raadsman primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering af te wijzen, nu de vordering onvoldoende concrete gegevens bevat om tot een vaststelling van de gevorderde (im)materiële schadebedragen te komen. Meer subsidiair verzoekt de raadsman het hof, ten aanzien van de materiele schadevergoeding, gebruik te maken van de matigings- en schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat getwijfeld kan worden aan het causale verband tussen de psychische schade van [benadeelde partij 2] en de vermeende gedragingen van de verdachte.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding neemt het hof in overweging dat de opgegeven materiële schade een schatting op het minimum betreft, waarbij de verdiensten zijn gebaseerd op gemiddelden (en waarbij rekening is gehouden met vrije dagen) en kosten voor kamerhuur en andere werkbenodigdheden,

levensonderhoud, huisvesting en kleding zijn afgetrokken. De berekening die door de raadsvrouw is gehanteerd, is gebaseerd op de verklaring van aangeefster, waarbij de raadsvrouw met betrekking tot de aftrekposten een ruime verrekening heeft toegepast. De raadsvrouw is uitgegaan van vijf werkdagen per week, terwijl [benadeelde partij 2] heeft verklaard meer te hebben gewerkt.

Mede gelet op de aard en de inhoud van de vordering oordeelt het hof dat voldoende gelegenheid heeft bestaan om, zonder dat nader onderzoek noodzakelijk is gebleken, verweer te voeren tegen de gevorderde schade.

Het hof zal echter wel de periode dat [benadeelde partij 2] (zonder de verdachte) in Parijs heeft verbleven, te weten een periode van twee maanden, wat wordt bevestigd door haar eigen verklaring en door politiemutaties, waardoor zij dus gedurende die periode haar verdiensten niet heeft kunnen afdragen aan de verdachte, in mindering brengen op de hoogte van het toe te wijzen bedrag. Het hof gaat voor deze periode van twee maanden uit van een bedrag van € 20.000,00, en zal dit bedrag in mindering brengen op de gevorderde materiële schade.

Het hof zal, net als de rechtbank, de door de benadeelde partij opgevoerde reiskosten voor het doen van aangifte ter hoogte van € 165,90 afwijzen. Deze kosten kunnen naar het oordeel van het hof niet als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 tweede lid onder b van het Burgerlijk Wetboek worden aangemerkt.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het hof de vordering tot materiële schade dan ook zal toewijzen tot een bedrag van € 195.300,00. De vordering zal voor een bedrag van € 20.165,90 worden afgewezen.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte ook immateriële schade heeft geleden. De verdachte heeft door zijn handelswijze een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij gemaakt, zoals hiervoor in de strafmotivering is overwogen. Een psychotherapeut heeft de benadeelde partij gediagnosticeerd met PTSD (brief van 10 oktober 2017) als gevolg van het bewezenverklaarde handelen. Zij herbeleeft haar trauma en is bang voor de herinneringen die haar aan dit trauma doen denken. Soms heeft zij last van acute angstaanvallen en paniekaanvallen. Ze heeft last van een verhoogde waaktoestand, slapeloosheid, angst en depressie. De benadeelde partij heeft hiervoor medicatie en psychotherapie.

Gelet op het voorgaande acht het hof voldoende vaststaand dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte er aan heeft bijgedragen dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen en dat er aldus sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 BW, nog daargelaten dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting ‘op andere wijze’ in de persoon reeds daarom kan worden aangenomen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding naar billijkheid toewijzen voor een bedrag van € 10.000,00.

Conclusie

De verdachte is gehouden tot vergoeding van een bedrag van € 205.300,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 273f (oud), 300 en 420ter (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ter zake van de in zaak A onder feit 1 tenlastegelegde mensenhandel van [slachtoffer ] .

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk nog aan de orde, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde voor zover dit betreft het verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag bestaande uit de prostitutieverdiensten.

Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3, voor wat betreft het omzetten en het gebruikmaken van een geldbedrag bestaande uit de prostitutieverdiensten, en 4 en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 222.350,00 (tweehonderdtweeëntwintigduizend driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 212.350,00 (tweehonderdtwaalfduizend driehonderdvijftig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 222.350,00 (tweehonderdtweeëntwintigduizend driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 212.350,00 (tweehonderdtwaalfduizend driehonderdvijftig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 187 (honderdzevenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 augustus 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde tot het bedrag van € 205.300,00 (tweehonderdenvijfduizend driehonderd euro) bestaande uit € 195.300,00 (honderdvijfennegentigduizend driehonderd euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de vordering tot het bedrag van € 20.165,90 (twintigduizendhonderdvijfenzestig euro en negentig cent) aan materiële schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 205.300,00 (tweehonderdenvijfduizend driehonderd euro) bestaande uit € 195.300,00 (honderdvijfennegentigduizend driehonderd euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 173 (honderdeenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 december 2009.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.

Mr. A.W.T. Klappe is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bijlage – de tenlasteleggingen

Aan de verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat:

in zaak A (13-730065-17)

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 9 augustus 2015 te [plaats 1] en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of [plaats 4] , in elk geval in Nederland en/of te [plaats 2] en/of te [plaats 3] en/of te Stuttgart, in elk geval in Duitsland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer anderen te weten [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 1993) en/of een of meer andere vrouw(en), door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en), (273f lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

voornoemde [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en)en, heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en), in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (273f lid 1, onder 3 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

voornoemde [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en), zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) (273f lid 1 onder 4 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en) (273f lid 1 onder 6 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

die [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en) met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en) met of voor een derde, (273f lid 1 onder 9 van het Wetboek van Strafrecht)

immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

(ten aanzien van die [benadeelde partij 1] ), (terwijl hij wist dat die [benadeelde partij 1] in Nederland geen familie had en/of in Nederland niemand had om op terug te vallen en/of die [benadeelde partij 1] de Nederlandse noch de Engelse taal sprak en/of die [benadeelde partij 1] verliefd op hem was),

die [benadeelde partij 1] , terwijl zij werkte in bloemenindustrie als produktiemedewerker, gezegd dat haar leef- en werkomstandigheden niet goed waren en/of het vertrouwen van die [benadeelde partij 1] gewonnen en/of tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat hij in de seksbusiness werkte en/of die [benadeelde partij 1] gezegd dat zij hem kon vertrouwen en/of- tegen die [benadeelde partij 1] gezegd zij naar Amsterdam moest gaan en dat zij papieren nodig had om in Amsterdam te werken en/of- die [benadeelde partij 1] bij de gemeente (laten) inschrijven en/of- voor die [benadeelde partij 1] een bedrijf opgericht en/of een bankrekening voor die [benadeelde partij 1] geopend en/of- voor die [benadeelde partij 1] (prostitutie)kleren en/of prostitutiebenodigdheden uitgezocht en/of gekocht en/of- die [benadeelde partij 1] (bij hem, verdachte) (in Nederland in [plaats 1] en/of [plaats 4] ) gehuisvest en/of- die [benadeelde partij 1] gedwongen cocaïne, althans verdovende middelen, te gebruiken en/of- (toen die [benadeelde partij 1] een nacht bij kennissen bleef slapen vanwege overmatig drugsgebruik en bedreigende agressie van hem, verdachte, (hij dreigde iedereen daar te vermoorden) (thuis) haar kleding stuk geknipt en/of gesneden en/of in een of meer vuilniszakken gedaan en/of haar bankkaart en/of haar identiteitsbewijs en/of de bedrijfsdocumentatie van haar oude werkgever vernield en/of tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat hij alles had gekocht wat zij nodig had voor het (seks)werk en/of- tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat prostituee het enige beroep was waarmee zij veel geld kon verdienen en/of dat zij de Engelse taal moest gaan leren en/of gezegd dat zij niet bang moest zijn en/of gezegd dat de mannen naar haar zouden komen en/of gezegd dat zij met hen, de mannen, de liefde moest bedrijven en/of dat hij de business kende en er niets zou gebeuren, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of- die [benadeelde partij 1] gecontroleerd (door die [benadeelde partij 1] (dagelijks) ten behoeve van haar prostitutiewerk met de auto naar [plaats 2] (Duitsland) ( [bedrijf 1] ) te brengen en/of- die [benadeelde partij 1] gehuisvest (in Duitsland in de plaatsen [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of in Stuttgart) en/of- de werktijden voor die [benadeelde partij 1] bepaald (door een door hem, verdachte, opgesteld werkschema waarbij die [benadeelde partij 1] (doordeweeks) dagelijks van 12.00 uur tot 04.00 uur en in het weekend van 12.00 uur tot 06.00 uur in [plaats 2] ( [bedrijf 1] ) en/of in Stuttgart ( [bedrijf 2] Stuttgart) (in de prostitutie) en/of door [benadeelde partij 1] op te dragen dat zij (voor 4 of 5 dagen) dubbele diensten (in de prostitutie) diende te werken, waarbij hij, verdachte, de werktijden en/of de pauzes en/of het doktersbezoek voor die [benadeelde partij 1] bepaalde en/of- die [benadeelde partij 1] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd (door dichtbij, althans in de nabijheid van die prostitutieplaats in de auto op die [benadeelde partij 1] te wachten tot zij klaar was met haar (prostitutie)werkzaamheden en/of door die [benadeelde partij 1] naar Amsterdam en/of Alkmaar te brengen) en/of- die [benadeelde partij 1] opgedragen alles aan hem, verdachte, (met betrekking tot de werkzaamheden en de verdiensten) te melden en/of als zij dit verzuimde, tegen die [benadeelde partij 1] te schreeuwen en/of- die [benadeelde partij 1] één of meermalen in de buik en/of tegen de borstkast en/of tegen haar armen en/of benen en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of aan de haren getrokken en/of haar haren uit haar hoofd getrokken en/of- de laptop van die [benadeelde partij 1] vernield en/of - tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat zij niets waard was en/of dat geen enkele man haar wilde hebben en/of dat zij een hoer was en/of- die [benadeelde partij 1] dreigend gezegd dat hij haar ouders en/of haar moeder zou bellen om hen/haar alles te vertellen als zij, [benadeelde partij 1] , weg zou gaan en/of- tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat zij alles volgens zijn, verdachtes regels, moest doen en/of als zij zou stoppen met haar werkzaamheden in de prostitutie zij geen leven meer zou hebben en/of- tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat hij, verdachte, mensen zou betalen die haar iets aan zouden doen en/of dat, als zij iets aan iemand en/of tegen de politie zou vertellen, zij geen leven zou hebben en/of- het in de prostitutie verdiende geld van die [benadeelde partij 1] telkens afgepakt en/of afgenomen en/of die [benadeelde partij 1] gedwongen en/of bewogen haar verdiensten (geheel of gedeeltelijk) aan hem, verdachte, en/of aan een mededader(s) af te (laten) staan en/of het geld bij hem, verdachte, en/of bij een mededader(s) in bewaring te geven;feit 2.Hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 01 juni 2013 tot en met 09 augustus 2015 te [plaats 1] en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of [plaats 4] , althans in Nederland en/of te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of Stuttgart, althans in Duitsland, opzettelijk mishandelend [benadeelde partij 1] één of meermalen (telkens) in haar buik en/of tegen haar borstkast en/of tegen haar armen en/of benen en/of in haar gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of die [benadeelde partij 1] aan haar haren heeft getrokken en/of haren uit haar hoofd heeft getrokken, waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

feit 3.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 9 augustus 2015, te Amsterdam en/of [plaats 4] en/of Alkmaar en/of [plaats 1] , althans in Nederland, en/of te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of Stuttgart, althans in Duitsland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, in bovengenoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedragen en/of voorwerpen, te weten (telkens) (een groot deel van) de verdiensten uit de door [slachtoffer ] en/of [benadeelde partij 1] en/of een of meer andere vrouw(en) verrichte prostitutiewerkzaamheden, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruikt gemaakt terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht)

feit 4.hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Den Haag, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.(artikel 13 van de Wet Wapens en Munitie)

In zaak B (13-730065-17)feithij in of omstreeks de periode van 20 november 2007 tot en met 15 december 2009 te [plaats 1] en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een ander te weten [benadeelde partij 2] (geboren [geboortedag 3] 1982)

(sub 1)door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde partij 2] ,

en/of

(sub 4)die [benadeelde partij 2] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) dan wel onder de voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [benadeelde partij 2] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

(sub 6)opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 2]

en/of

(sub 9)die [benadeelde partij 2] met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s), te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij 2] met of voor een derde,

immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ten aanzien van die [benadeelde partij 2]

terwijl hij wist dat die [benadeelde partij 2] in Nederland geen familie had en/of in Nederland niemand had om op terug te vallen en/of die [benadeelde partij 2] de Nederlandse noch de Engelse taal sprak en/of die [benadeelde partij 2] verliefd op hem was

- het vertrouwen van die [benadeelde partij 2] gewonnen (door haar voor te houden dat hij haar zou helpen bij het zoeken van ander werk omdat haar toenmalige werk niet bij haar paste) en/of- die [benadeelde partij 2] (bij hem, verdachte) (in [plaats 1] en/of Alkmaar en/of Haarlem) gehuisvest en/of- die [benadeelde partij 2] onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht om in de prostitutie te gaan en/of blijven werken (door haar geen huissleutels te geven) en/of- die [benadeelde partij 2] gezegd dat de prostitutie gemakkelijk werk is waarmee zij veel geld kon verdienen en/of dat zijn ex-vriendin ook in de prostitutie werkte en/of- die [benadeelde partij 2] gezegd dat zij de kosten voor de woning(en) moest terugverdienen en/of- die [benadeelde partij 2] voorgehouden dat zij ten allen tijde kon stoppen met de prostitutiewerkzaamheden wanneer de kosten van de woning(en) terug verdiend waren en/of- tegen die [benadeelde partij 2] gezegd dat zij naar Amsterdam moest gaan en dat zij papieren nodig had om in Amsterdam te werken en/of die [benadeelde partij 2] bewogen zich bij de Kamer van Koophandel in te schrijven en/of- de werktijden voor die [benadeelde partij 2] bepaald en/of- die [benadeelde partij 2] gedwongen 6 of 7 dagen per week te werken en/of- indien die [benadeelde partij 2] verzuimde te werken, voorwerpen naar die [benadeelde partij 2] gegooid en/of haar kleding weggegooid en/of haar bedreigd en/of- tegen die [benadeelde partij 2] gezegd niet met anderen te spreken terwijl zij prostitutiewerkzaamheden verrichte en/of gezegd welke handelingen zij diende te verrichten en/of gezegd dat zij Duitse of Engelse zinnen uit haar hoofd diende te leren en/of- die [benadeelde partij 2] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd (door dichtbij, althans in de nabijheid van die prostitutieplaats op die [benadeelde partij 2] te wachten tot zij klaar was met haar (prostitutie)werkzaamheden en/of die [benadeelde partij 2] naar Amsterdam en/of Alkmaar gebracht) en/of- die [benadeelde partij 2] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden (telkens) afgepakt en/of afgenomen en/of af laten staan;(Artikel 273f lid 1 sub 1 jo. sub 4 jo. sub 6 jo. sub 9 jo lid 2 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?