ECLI:NL:GHAMS:2026:938

ECLI:NL:GHAMS:2026:938

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 200.348.709/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Deze zaak gaat over uitleg van een opzeggingsregeling in een duurovereenkomst tussen een concessiehouder en een taxichauffeur met toepassing van artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof oordeelt dat de regeling aldus moet worden uitgelegd dat de concessiehouder de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en niet schadeplichtig is jegens de taxichauffeur en wijst de door de rechtbank toegewezen vordering van de taxichauffeur alsnog af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)

zaaknummer : 200.348.709/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/745893 / HA ZA 24-102

Arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026

in de zaak van

LACUS SCHIPHOL B.V.,

(h.o.d.n. SchipholTaxi),

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. B.W. Brouwer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn te De Bilt.

Partijen worden hierna SchipholTaxi en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Deze zaak gaat over uitleg van een opzeggingsregeling in een duurovereenkomst tussen een concessiehouder en een taxichauffeur met toepassing van artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof oordeelt dat de regeling aldus moet worden uitgelegd dat de concessiehouder de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en niet schadeplichtig is jegens de taxichauffeur en wijst de door de rechtbank toegewezen vordering van de taxichauffeur alsnog af.

2. Het geding in hoger beroep

SchipholTaxi is bij dagvaarding van 28 november 2024 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2024, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en SchipholTaxi als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis), tegen welk tussenvonnis bij vonnis van 23 oktober 2024 op verzoek van SchipholTaxi tussentijds hoger beroep is opengesteld.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven d.d. 6 mei 2025, met een productie;

- memorie van antwoord d.d. 15 juli 2025.

Op 10 december 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad, alwaar partijen hun zaak hebben laten toelichten, SchipholTaxi door mr. Brouwer voornoemd en mr. M.F. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde] door mr. Hoogendoorn voornoemd en mr. T.P.J. van Haperen, advocaat te De Bilt, aan beide zijden aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. SchipholTaxi heeft daarbij nog een akte overlegging aanvullende producties, met producties, ingediend.

Ten slotte is arrest bepaald.

3. Feiten

De rechtbank heeft onder 3.1. tot en met 3.13. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover niet in geschil dienen die feiten ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere feiten die evenmin in geschil zijn, gaat het om de volgende feiten.

SchipholTaxi is sinds 1 juni 2014 op basis van een concessie van Schiphol Nederland B.V. gerechtigd om taxivervoer te verrichten vanaf het terrein van luchthaven Schiphol (hierna: de concessie). De eerste concessietermijn liep tot 31 mei 2018. Daarna is de concessie achtereenvolgens verlengd tot respectievelijk 31 mei 2020, 31 mei 2022 en laatstelijk november 2024. SchipholTaxi heeft het taxivervoer uitbesteed aan zelfstandige taxichauffeurs op basis van zogeheten aansluitovereenkomsten.

De bestuurder van SchipholTaxi is [naam] (hierna: [naam] ). [naam] is ook bestuurder van Taxi Centrale Schiphol (TCS). TCS is een zogeheten Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) met een vergunning voor taxivervoer binnen de gemeente Amsterdam.

[geïntimeerde] is taxichauffeur. [geïntimeerde] is op 18 september 2018 een ‘Vervoerderovereenkomst’ aangegaan met TCS. Op grond van deze vervoerderovereenkomst was [geïntimeerde] gerechtigd om taxivervoer te verrichten binnen de gemeente Amsterdam.

Op 2 oktober 2018 heeft [geïntimeerde] met SchipholTaxi een aansluitovereenkomst gesloten op de voet waarvan hij gerechtigd was om ook taxidiensten vanaf Schiphol te verrichten.

In artikel 10 van de aansluitovereenkomst is bepaald:

“10.1 . Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Deze Overeenkomst eindigt:

a. (…)

b. door opzegging door SchipholTaxi of de Chauffeur met in achtneming van een opzegtermijn van 1 maand.

c. (…)

d. bij het einde van de Vervoerder Overeenkomst van de Chauffeur met Taxi Centrale

Schiphol;

e. bij het einde van de Concessie;

(…).”

[geïntimeerde] heeft bij het aangaan van de aansluitovereenkomst aan SchipholTaxi een ‘instapvergoeding’ betaald van € 10.000 exclusief 21% btw.

Bij e-mail van 6 april 2022 heeft SchipholTaxi aan alle Schipholtaxichauffeurs, onder wie [geïntimeerde] , bericht:

“(…)

Bij het ingaan van de nieuwe concessietermijn per 1 juni 2022 zal daarom met een nieuwe aansluitovereenkomst gewerkt gaan worden. De nieuwe overeenkomst zal erg lijken op de oude aansluitovereenkomst maar deze zal wel op enkele cruciale punten wat meer flexibiliteit bieden aan SchipholTaxi, bijvoorbeeld als het aankomt op de inzet van taxi’s op drukke en minder drukke momenten.

(...)

Het gebruik van de nieuwe overeenkomsten brengt ook met zich dat de huidige aansluitovereenkomsten voor SchipholTaxi zullen worden opgezegd tegen 31 mei 2022. Alle chauffeurs zullen tegelijkertijd worden uitgenodigd om te praten over het sluiten van de nieuwe overeenkomst.

(…)”

Bij e-mail van 13 mei 2022 heeft SchipholTaxi alle chauffeurs die zich daarvoor hadden aangemeld, onder wie [geïntimeerde] , uitgenodigd voor een gesprek over een nieuwe aansluitovereenkomst.

Bij e-mail van 26 mei 2022 heeft SchipholTaxi aan [geïntimeerde] bericht:

“(…)

In vervolg op uw aanmelding en het gesprek over de nieuwe concessieperiode moeten wij u helaas mededelen dat wij onvoldoende vertrouwen hebben in een goede samenwerking om u een overeenkomst aan te bieden. Wij danken u voor uw getoonde interesse.

(…)”

Bij e-mail van 23 juni 2022 heeft TCS de vervoerderovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen 30 september 2022.

Bij brief aan SchipholTaxi van zijn advocaat van 14 september 2022 heeft [geïntimeerde] tegen de beëindiging van de aansluitovereenkomst geprotesteerd, met sommatie om de aansluitovereenkomst na te komen en [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onder de aansluitovereenkomst uit te blijven voeren, onder aanzegging van rechtsmaatregelen en aansprakelijkstelling voor geleden en nog te lijden schade.

SchipholTaxi heeft aan de sommatie en de aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] geen gehoor gegeven.

4. Eerste aanleg

[geïntimeerde] heeft bij de inleidende dagvaarding gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de opzegging door SchipholTaxi van de aansluitovereenkomst niet rechtsgeldig is, althans dat SchipholTaxi daarmee jegens [geïntimeerde] tekort is geschoten en daarom schadeplichtig is, en dat SchipholTaxi veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat. Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, temeer nu [geïntimeerde] , alhoewel hij voor het aangaan van de aansluitovereenkomst een aanzienlijke instapvergoeding van € 10.000 (exclusief btw) heeft moeten betalen, slechts gedurende een beperkte periode de vruchten van de aansluitovereenkomst heeft kunnen plukken, omdat al begin 2020 de markt in elkaar is gezakt door de coronapandemie.

SchipholTaxi heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De rechtbank heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven en geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging op grond van artikel 10.2. onder b. van de aansluitovereenkomst slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat en dat die grond ontbreekt, met als conclusie dat SchipholTaxi de aansluitovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. In het dictum van het vonnis is - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - met instemming van partijen de zaak niet naar een schadestaatprocedure verwezen, maar naar de rol voor uitlating over schade en causaal verband. Daarmee is het in eerste aanleg bij een tussenvonnis gebleven waartegen tussentijds hoger beroep is opengesteld.

5. Hoger beroep

SchipholTaxi is met negen grieven - en een bewijsaanbod - tegen het bestreden vonnis opgekomen, met conclusie dat het hof het vonnis vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft - zonder bewijsaanbod - geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van SchipholTaxi in de kosten van het hoger beroep.

De grieven 1 tot en met 7 bestrijden het oordeel van de rechtbank dat SchipholTaxi de aansluitovereenkomst met [geïntimeerde] niet rechtsgeldig heeft opgezegd en de gronden waarop dat oordeel berust. De grieven hebben succes. Dat wordt als volgt toegelicht.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar HR 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1134) de opzegging getoetst aan de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW. Na het bestreden vonnis heeft de Hoge Raad op 16 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:763) met betrekking tot de mogelijkheid van opzegging van duurovereenkomsten overwogen:

“(…)

dat een duurovereenkomst die voorziet in een regeling van de opzegging in beginsel op grond van die regeling opzegbaar is. Indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW evenwel meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Ook kunnen zij meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van art. 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.”

In de Memorie van Grieven heeft SchipholTaxi gesteld dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [geïntimeerde] op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW heeft gehonoreerd. Bij pleidooi in hoger beroep heeft SchipholTaxi onder verwijzing naar voormeld citaat het gewijzigd standpunt ingenomen dat de opzegging moet worden getoetst aan het onaanvaardbaarheidscriterium van artikel 6:248 lid 2 BW. Dit beroep wordt door het hof beoordeeld als een nieuwe grief. Daarmee was zij toen in het licht van de twee-conclusieregel te laat. Dat gewijzigd standpunt vergt een ander debat waarop [geïntimeerde] niet tijdig en adequaat heeft kunnen reageren. De opzegging wordt dus ook in hoger beroep - zoals de rechtbank heeft gedaan - getoetst aan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW.

Daarmee gaat het hier om de vraag of de overeenkomst een leemte laat die met toepassing van artikel 6:248 lid 1 BW aldus moet worden aangevuld dat voor opzegging door SchipholTaxi een voldoende zwaarwegende grond moet bestaan. Of er sprake was van zodanige leemte in de overeenkomst is een kwestie van uitleg, welke uitleg moet plaatsvinden op grond van de Haviltex-formule waarbij het kort gezegd erom gaat wat partijen meenden en mochten menen dat zij hebben afgesproken. Daarbij komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

[geïntimeerde] heeft voor zijn - door de rechtbank overgenomen - uitleg zich beroepen op de bepaling dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en op de instapvergoeding die hij heeft moeten betalen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij bij het aangaan van de overeenkomst daaraan de gerechtvaardigde verwachting mogen ontlenen van een duurzame samenwerking die door SchipholTaxi niet eenzijdig op de voet van artikel 10.2. onder b. kon worden opgezegd, althans niet op de door haar opgegeven grond.

Het hof volgt [geïntimeerde] daarin niet. De aansluitovereenkomst is aangegaan tijdens een lopende concessie tot 31 mei 2020, waarvan destijds niet was te voorzien dat die concessie zou worden verlengd, althans gesteld noch gebleken is dat SchipholTaxi dienaangaande verwachtingen bij [geïntimeerde] heeft gewekt. Van aanvang af heeft [geïntimeerde] er dus rekening mee kunnen en moeten houden dat de overeenkomst eindig was, in eerste instantie zelfs al per 31 mei 2020. Artikel 10.2 onder e. van de aansluitovereenkomst bepaalt immers dat de overeenkomst eindigt bij het einde van de concessie. Met die wetenschap heeft [geïntimeerde] de instapvergoeding van € 10.000 ex btw betaald, naar eigen zeggen zonder terugverdiengarantie. Bij de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft [geïntimeerde] desgevraagd verklaard dat hij er bij het sluiten van de overeenkomst van uitging dat de overeenkomst circa vier jaar zou duren en dat hij zijn investering er in die periode uit zou kunnen halen. Daarmee staat voldoende vast dat de verwachting aan de zijde van [geïntimeerde] bij het sluiten van de overeenkomst beperkt was tot een periode van circa vier jaar. Anders dan door [geïntimeerde] betoogd en door de rechtbank aangenomen, heeft SchipholTaxi door een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan, dus geen verwachtingen bij [geïntimeerde] gewekt dat de aansluitovereenkomst voor langere tijd (dan de door [geïntimeerde] zelf genoemde vier jaar) zou doorlopen. In het licht daarvan valt niet in te zien dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten dat de overeenkomst ook na 31 mei 2022 zou worden voortgezet.

Bij de uitleg van de nagenoeg ongeclausuleerde (want slechts met een daarbij in acht te nemen opzegtermijn) opzegbepaling in de aansluitovereenkomst voor onbepaalde tijd, diende [geïntimeerde] als ondernemer ook rekening te houden met de mogelijkheid dat (gewijzigde) bedrijfseconomische overwegingen in de toekomst redenen voor opzegging zouden kunnen opleveren. Dit heeft zich uiteindelijk ook zo voltrokken. SchipholTaxi heeft immers voldoende toegelicht dat de opzegging volgde op de Corona-pandemie, waarna (ook naar eigen zeggen van [geïntimeerde] ) de taximarkt is ingestort. Niet is in geschil dat als gevolg daarvan niet alleen [geïntimeerde] , maar ook SchipholTaxi inkomsten is misgelopen; volgens de niet weersproken stelling van SchipholTaxi heeft zij zelfs grotendeels het risico van de pandemie voor haar rekening genomen. Tegen die achtergrond is denkbaar en verdedigbaar dat SchipholTaxi omwille van de flexibiliteit voor de toekomst nieuwe overeenkomsten heeft willen sluiten. Daarmee is dat een opzeggingsgrond die zijn oorzaak vindt in nieuwe, van buiten komende omstandigheden, met de mogelijkheid waarvan [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs rekening heeft moeten houden. Daarbij komt - zo is niet in geschil - dat een opzeggingsregeling als waar het hier om gaat in de taxibranche niet ongebruikelijk is en dat daarmee niet alleen de belangen van de concessiehouders zijn gediend, maar in voorkomend geval ook die van de chauffeurs. Al met al kan de opzegging de toets van artikel 6:248 lid 1 BW doorstaan en levert die dus geen schending op van de overeenkomst noch onrechtmatig handelen, zoals de rechtbank heeft aangenomen. Het op dat onjuist bevonden oordeel gebaseerde (tussen)vonnis kan daarom niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

Het hof concludeert dat SchipholTaxi niet schadeplichtig is jegens [geïntimeerde] wegens de opzegging. Bij de grieven 8 en 9, die gaan over de door [geïntimeerde] gestelde schade, heeft SchipholTaxi geen belang, gelet op de uitkomst van de zaak.

De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn alsnog ongegrond bevonden en zullen worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als na te melden worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het tussenvonnis van 18 september 2024, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] tegen SchipholTaxi af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, welke tot op heden aan de zijde van SchipholTaxi in eerste aanleg worden begroot op € 688 aan verschotten en € 1.196 voor salaris en in hoger beroep op € 910,99 aan verschotten en op € 2.580 voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, A.S. Arnold, R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?