ECLI:NL:GHAMS:2026:939

ECLI:NL:GHAMS:2026:939

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 200.360.570/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

ondertoezichtstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.360.570/01

zaaknummer rechtbank: C/15/367003 / JU RK 25-915

beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. B.V. Rafaela te Rotterdam,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

hierna: de raad.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );

- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] );

- [de vader] (hierna: de vader);

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI).

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (13 jaar) en [minderjarige 2] (10 jaar) (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen). De kinderrechter heeft de kinderen voor een jaar onder toezicht gesteld, tot 28 juli 2026.

De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek van de raad om de kinderen onder toezicht te stellen moet worden afgewezen, of dat de duur van de ondertoezichtstelling moet worden beperkt tot maximaal zes maanden. De raad en de vader willen dat de ondertoezichtstelling in stand blijft.

2. De procedure in hoger beroep

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) heeft bij een beschikking van 28 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 28 juli 2026.

De moeder is op 22 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De raad heeft op 10 december 2025 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de moeder van 10 november 2025, met bijlage.

De kinderen hebben in brieven van 14 januari 2026 laten weten wat zij van de zaak vinden. De voorzitter heeft de inhoud van deze brieven tijdens de zitting zakelijk weergegeven.

De zitting heeft op 25 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de raad, vertegenwoordigd door V. Ragout,

- de vader,

- een vertegenwoordiger van de GI.

Op 11 maart 2026 is van de zijde van de moeder een bericht van 10 maart 2026 met bijlage ingekomen.

3. De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013;

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016.

De ouders hebben tot 2017 een relatie met elkaar gehad. De kinderen wonen bij de moeder.

Bij voornoemd bericht van 11 maart 2026 heeft de moeder een beschikking van de rechtbank van 10 maart 2026 aan het hof toegezonden, waarbij het gezamenlijk gezag van de ouders is beëindigd en de moeder is belast met het eenhoofdig gezag.

4. De omvang van het hoger beroep

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 28 juli 2026.

De moeder verzoekt primair, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de raad strekkende tot ondertoezichtstelling van de kinderen, alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder, ingeval het hof de ondertoezichtstelling van de kinderen in stand laat, de duur daarvan te beperken tot een termijn van ten hoogste zes maanden. Meer subsidiair verzoekt de moeder een zodanige beschikking te geven als het hof juist acht.

De raad verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

De standpunten

De moeder vindt dat de kinderrechter de kinderen ten onrechte onder toezicht heeft gesteld. Volgens de moeder wordt niet voldaan aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling omdat de kinderen niet in hun ontwikkeling worden bedreigd. Dat zij te maken hebben met de gevolgen van de spanningen tussen de ouders en de beperkte betrokkenheid van de vader, levert geen ontwikkelingsbedreiging op, omdat de moeder zorgt voor een stabiele opvoedingssituatie. De moeder stelt dat zij bereid en in staat is vrijwillige hulpverlening te accepteren en dat het probleem vooral ligt bij de niet-meewerkende houding van de vader. Het is onterecht dat de moeder wordt belast met een maatregel die feitelijk voortvloeit uit het tekortschieten van de vader en slechts wordt ingezet om contact tot stand te brengen tussen hem en de kinderen. Mocht een ondertoezichtstelling toch gerechtvaardigd zijn, dan acht zij een duur van één jaar disproportioneel en pleit zij voor een termijn van ten hoogste zes maanden, omdat dat volgens haar voldoende zou zijn om de ernst van de situatie te benadrukken en de vader ertoe te bewegen zijn verantwoordelijkheid te nemen en medewerking te verlenen aan hulpverlening. Een langdurige ondertoezichtstelling vormt een onevenredige belasting voor het gezin.

De raad is van mening dat de bestreden beschikking bekrachtigd moet worden. De wettelijke gronden voor de ondertoezichtstelling zijn aanwezig. De kinderen worden in hun ontwikkeling bedreigd door de langdurige spanningen tussen de ouders. De ouders verschillen fundamenteel van mening over de zorgregeling en de noodzakelijke hulpverlening. [minderjarige 1] weigert contact met zijn vader en heeft een negatief beeld van hem. [minderjarige 2] wordt door de vader betrokken in de spanningen, wat leidt tot een loyaliteitsconflict en spanningen tussen de kinderen. Beide ouders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging, maar zij zijn daartoe momenteel niet in staat. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende van de grond gekomen. Daarom acht de raad een ondertoezichtstelling noodzakelijk, met regie van de GI, die passende hulpverlening inzet en toeziet op herstel van het vaderbeeld en mogelijk contactherstel.

De GI heeft tijdens de zitting in hoger beroep gezegd dat voorafgaand aan de ondertoezichtstelling reeds contact is geweest tussen twee medewerkers van de GI en de vader, maar dat dit gesprek onplezierig verliep en niet tot verdere stappen heeft geleid. Nadien is er geen persoonlijk contact geweest, wel e-mailcontact, met name over de omgang, grotendeels via de bureaudienst. De GI benadrukt dat zij het belang van de kinderen voorop heeft staan en niet dat van de ouders. Volgens de GI is een ondertoezichtstelling niet bedoeld om ouders te motiveren tot samenwerking; dit dient binnen een traject als Ouderschap Blijft of (solo) parallel ouderschap plaats te vinden. Volgens de GI is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. Wel hebben de kinderen behoefte aan rust. De GI ziet geen zorgen over het functioneren van de moeder. Wel bestaan er zorgen over de houding en het gedrag van de vader. Zowel bij de rechtbank als in hoger beroep acht de GI een ondertoezichtstelling niet (langer) noodzakelijk.

De vader heeft tijdens de zitting in hoger beroep gezegd dat de ondertoezichtstelling van de kinderen noodzakelijk is. Hij meent dat hij door de moeder ten onrechte in een kwaad daglicht wordt gesteld. De vader ziet de ondertoezichtstelling als zijn enige houvast om mogelijk nog een rol in het leven van de kinderen te kunnen spelen. De voortzetting van de ondertoezichtstelling zorgt ervoor dat een onafhankelijke en onpartijdige instantie toezicht houdt, de belangen van de kinderen bewaakt, onjuistheden corrigeert en zich actief tussen de ouders opstelt. De samenwerking met deze GI is echter verstoord; er is onvoldoende regie en er ontbreken consequenties richting de moeder.

De beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zowel ten tijde van de bestreden beschikking, als ook nu nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De ouders zijn in 2017 uit elkaar gegaan en de kinderen worden sindsdien blootgesteld aan de spanningen die voortvloeien uit de langdurig voortslepende juridische procedures tussen de ouders en hun moeizame onderlinge relatie. Er is sinds 2017 al veel hulpverlening bij het gezin betrokken geweest, zoals het Kabouterhuis, een gezinscoach, de Beschermingstafel, een schoolcoach en Praktijk Irene Heim. De ouders hebben in 2022 deelgenomen aan een mediationtraject, welk traject zonder resultaat is beëindigd. Het lukt de ouders niet om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren en afspraken te maken in het belang van de kinderen. De ouders maken elkaar over en weer verwijten. Hoewel de vader heeft verklaard in het belang van de kinderen te willen handelen, blijkt in de praktijk dat het hem niet lukt om op een voor de kinderen helpende wijze met de moeder te communiceren of om daarvoor passende hulpverlening te aanvaarden. Door de strijd tussen de ouders kunnen de kinderen geen onbelast contact met de vader aangaan, terwijl onbelast contact met beide ouders van belang is voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Beide kinderen hebben gedurende langere periode geen contact (gehad) met de vader. [minderjarige 1] en de vader hebben voor het laatst contact gehad tijdens kerst 2023. Ten aanzien van [minderjarige 2] is door de rechtbank op 4 maart 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld, te weten dat zij één keer per twee weken op woensdagmiddag door vader uit school gehaald wordt en vader haar om 18.00 uur voor het eten terugbrengt bij moeder op de hoek van de straat. Deze regeling werd niet altijd naar behoren uitgevoerd en beide ouders hebben op zitting verklaard dat de vader en [minderjarige 2] elkaar momenteel helemaal niet zien. Indien de huidige situatie voortduurt bestaat er een gegronde vrees dat de kinderen (verder) vervreemd zullen raken van hun vader.

Anders dan de moeder betoogt, is naar het oordeel van het hof daarom geen sprake van enkel een “omgangsondertoezichtstelling”, maar zijn er meer zorgen over de kinderen. Hun ontwikkeling staat daadwerkelijk onder druk. Ten aanzien van [minderjarige 2] bestaan er zorgen over haar kwetsbaarheid en zijn er signalen die mogelijk duiden op een ongezonde seksuele ontwikkeling in aanloop naar de puberteit. Ten aanzien van [minderjarige 1] zien de zorgen op het feit dat hij een negatief dan wel eenzijdig beeld van de vader heeft ontwikkeld. [minderjarige 1] ervaart onduidelijkheid omtrent het contact met zijn vader, wat leidt tot spanning en boosheid bij hem. Door zich niet aan de opgelegde voorwaarden te houden en via [minderjarige 2] contact met [minderjarige 1] te zoeken, plaatst de vader [minderjarige 2] feitelijk tussen hem en [minderjarige 1] in. Dit is voor beide kinderen belastend. [minderjarige 1] heeft duidelijk kenbaar gemaakt geen contact met zijn vader te willen, op welke wijze dan ook. Daarbij lijkt tevens een rol te spelen dat de kinderen, al dan niet uit loyaliteit, een duidelijke positie hebben gekozen aan de zijde van de moeder. Met de raad is het hof van oordeel dat het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Het lukt de ouders niet zelfstandig in een vrijwillig kader hun onderlinge communicatie te verbeteren om zodoende de druk bij de kinderen weg te nemen. De hulpverlening in het vrijwillige kader is tot nu toe onvoldoende toereikend gebleken en gelet op het wantrouwen van de ouders tegenover elkaar heeft het hof er ook onvoldoende vertrouwen in dat de ouders zelf voor contactherstel zullen zorgdragen. Ook is het van belang dat er zicht komt op vaders opvoedvaardigheden en heeft hij wellicht ondersteuning van een derde nodig waar het de manier van omgaan met de moeder en de kinderen betreft.

Gelet op al het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Ter zitting heeft het hof waargenomen dat tussen de vader en de gecertificeerde instelling geen sprake is van een constructieve communicatie en samenwerking. Nu dit een effectieve uitvoering van de ondertoezichtstelling in de weg staat, geeft het hof de GI en partijen in overweging om, indien mogelijk, te bezien of een andere GI met de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan worden belast.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 7 april 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. M.T. Hoogland.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T.L. Prins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?